Hoe Dwingeloo leerde wat kunst was
Geplaatst op: 2 juni 2015 Hoort bij: Drenthe vrogger, Familie, Kunsten 5 reacties
Nee, mooi kan ik het nog steeds niet vinden. De schilder, een J.O. Verduijn of J. Overduijn, had weinig kaas gegeten van perspectief en bracht zijn verf nogal dun op, maar dat is nog het minste verwijt, want Ploeg-schilders nemen we zoiets ook niet kwalijk. In dit geval lijkt het er echter op dat er meer een tekenaar dan een schilder aan het werk is geweest. Hij heeft alle objecten keurig omlijnd: de boerderij, de hooibulten, de boomstammen en de paaltjes langs en in het weiland. Terwijl hij het gras tamelijk liefdeloos met snelle horizontale vegen aanbracht, net alsof er zojuist een storm overheen ging.
Mooi vind ik het doek dus absoluut niet, maar er zitten wel verhalen aan vast. Mijn ouders kregen het bij hun huwelijk, eind 1952, van de heer en mevrouw Benus. Zij waren de buren van mijn grootouders in Dwingeloo, d.w.z. zij bewoonden de andere helft van de twee-onder-een-kap als huurders van mijn grootouders. Meneer Benus, afgaande op zijn naam waarschijnlijk afkomstig uit de Veenkoloniën, was onderwijzer in Dwingeloo, later hoofdonderwijzer in Geeuwenbrug. Van hem en zijn vrouw heet het dat ze bijzondere liefhebbers waren van mijn grootmoeders groentesoep. Zij hadden het schilderij gekocht van een van de kunstenaars uit het westen, die ’s zomers op uitnodiging van het burgemeestersechtpaar Stork naar Dwingeloo kwamen, althans, zo weet mijn moeder er altijd bij te vertellen.
Het werkje stelt voor een boerderij op de Weijert bij Dwingeloo. Later is deze boerderij verbrand en sinds de jaren 70 of 80 ligt er een nieuwbouwbuurt. Toen er een paar jaar geleden een tentoonstelling van Dwingeler dorpsgezichten was in het voormalige gemeentehuis van Dwingeloo, stuurde mijn moeder dit schilderij niet in. Wel liep daar een vroegere bewoner van de boerderij rond, die er navraag naar deed en zo viavia bij mijn moeder terechtkwam. Met tranen in de ogen aanschouwde hij zijn ouderlijke huis. Hij wilde het doek heel graag kopen. Maar mijn moeder wilde het niet kwijt. Wel stond ze toe dat er een kopie van gemaakt werd, waarmee de voormalige bewoner ook heel gelukkig was. Zodat er nu twee versies van het wangedrocht bestaan.
Overigens klopt het dat destijds kunstenaars uit het Westen naar Dwingeloo kwamen. Dat was tenminste zo in de zomers van 1951 en 1952. Er ging de mare rond dat ze met schilderijen voor hun logies moesten betalen, maar dat bleek onwaar. Desondanks was het zoeken naar onderdak voor ze meegevallen, aldus de vrouw van burgemeester Stork:
“Je doet natuurlijk, als altijd, de ervaring op, dat je niet steeds het meeste succes hebt bij degenen, die er materieel het beste toe in staat zijn. Mijn man en ik doen ons best de mensen ervan te overtuigen, dat kunstenaars gewone mensen zijn als zijzelf, dat ze voor hen niet de minste omslag behoeven te maken en dat er niets anders van hen verwacht wordt, dan dat ze bij de vier, vijf of meer borden er één bijschuiven.”
Volgens mevrouw Stork viel er eerst wel enig “wanbegrip” te overwinnen:
“Kunstenaar is niet alleen voor eenvoudige lieden nog al te vaak het synoniem voor iemand, die onmaatschappelijk is en het zo nauw niet neemt.”
Maar achteraf was alles reuze meegevallen:
“Gelukkig wel. De vier kunstenaars, die verleden jaar hier zijn geweest en de eersten van de minstens twaalf, die dit jaar zullen komen, kwamen uitstekend terecht. Er is algemene tevredenheid van weerszijden.”
Dat achtte mevrouw Stork ook in kunstpedagogisch opzicht van groot belang, want
“Als je ziet wat de mensen nog altijd aan hun wanden hangen aan „schilderstukken”, waarvoor ze soms nog heel wat betalen, dan begrijp je, dat er op dit gebied nog heel wat te verbeteren is, al heeft de actie van de Bond van Plattelandsvrouwen en het werk der Landbouwhuishoudscholen inzake woninginrichting al veel goeds gedaan.“
Er hing dus voor het zegenrijke logies kwalitatief nog heel wat inferieurder spul in de Dwingeler huiskamers, dan dit schilderij van mijn ouders!
De Dwingeler regeling voorzag ook bij de kunstenaars zeker in een behoefte, want in totaal kwamen er in de zomer van 1952 achttien uit westelijke steden naar Dwingeloo. Bij de Dwingeler landbouwtentoonstelling van 1953 zou er een expositie van hun werk zijn, maar daarover vond ik geen bericht.
Een fotoshoot van vreemde blauwe types op het Martinikerkhof
Geplaatst op: 9 mei 2015 Hoort bij: Kunsten, Stad nu 5 reactiesTerwijl we over het Martinikerkhof liepen:

Ontwaarden we vreemde blauwe types:

Met maskers op:

De zich noemende Toyisten hielden een fotoshoot voor hun vestiging in de stad:

Tevens kreeg ik een bon voor een gratis tweede kopje koffie in hun ontbijt- en koffietent,
Met Paulien Ex langs Eerelmans plekken in de stad
Geplaatst op: 9 mei 2015 Hoort bij: Kunsten, Stad toen 2 reactiesNa de eerste bezichtiging van de Eerelman-expositie in de Groninger Archieven, was er vanmiddag een stadswandeling langs Eerelmans plekken onder leiding van Paulien Ex. Hier staan we bij het pand op de hoek van de Oude Boteringestraat en de Zwanestraat, waar Otto Eerelman in 1839 in een woonkelder werd geboren, als zoon van een wolkammersechtpaar:

Het stadhuis vormde het hoofddoel van de wandeling. Ik was er een tijd niet geweest en vond het fijn om het weer eens van binnen te zien. Eerelmans onverbiddellijke stadsicoon, de paardenkeuring van de 28e augustus, opgeleverd in 1920:
Dat paard, Tabor geheten, leefde al niet meer, toen Eerelman het schilderde, en ook verscheidene keurmeesters waren uit de tijd. Zelfs smokkelde Eerelman wat allang afgebroken panden op zijn doek. Het is dan eerder een ideaaltypisch stadsbeeld, om Weber erbij te halen, dan een stadsbeeld dat echt zo bestaan heeft. Je reinste geschiedvervalsing dus, en toch kan me dat in dit geval geen moer schelen.
Maar eerst belandden we in de collegekamer, waar een paar prachtige H.W. Mesdags hangen:

In de oude raadszaal ‘de Groninger stedemaagd’, een werk uit Eerelmans eerste periode in Groningen (1839-1876). Wijsheid, muziek, bouwkunst, industrie, goeie riolering en zeevaart – Groningen heeft het, getuige de maagd d’r attributen:

Justus Datho Quintus, die ouwe aristocraat, vond onze aanwezigheid in zijn domein maar niets. “Affreus gepeupel”, hoorde ik hem denken:

Zelfs op het plafond nog wapens van de stad, in carré:

Terug bij Eerelmans topstuk, waar onze gids op enkele bijzonderheden wijst:

Op weg naar huis langs de kermis, waar Eerelman zo graag mocht komen, hoewel hij deze mogelijk wat lawaaiig zou hebben gevonden:

Vroege Drentse dorpsgezichten in een Gronings familiearchief
Geplaatst op: 6 mei 2015 Hoort bij: Drenthe vrogger, Geschiedenis, Kunsten 3 reactiesIk had de portefeuille met tekeningen, prenten en foto’s, nagelaten door de familie Wolthers al vaker door mijn handen laten gaan, deed dat vandaag weer, en besloot nu maar eens om enkele tekeningen, die door de map heen verspreid waren geraakt, bij elkaar te leggen. Reden: het betreft Drentse topografica. Hele vroege ook nog, want uit de zomer van 1812. Soortgelijk werk is er niet veel. Niet alleen zijn deze tekeningen stijlverwant, wat in de context van de map wijst op een en dezelfde maker, ook gaat het in alle gevallen om pentekeningen, ingekleurd met waterverf, die ook nog eens door dezelfde soort vlekken zijn ontsierd.
Een gezicht te Eext is gesigneerd. Een herder hoedt enkele koeien bij ene drinkplaats. De weg erlangs voert naar de es (bouwland) die met wallen en een houten hek voor het vee afgesloten is:

“Gezicht in de Eext, getekend julij 1812 JD Wolthers”
Een gezicht te Gieten draagt dezelfde signatuur aan de achterkant. Bij een tweesprong staat een (boeren)huis met een put. Langs de weg zie je onder meer wilgen, wat net als het water in de sloot wijst op een wat lagere ligging:

“Gezicht te Gieten, getekent july 1812 JD Wolthers”
Ook de jaartalloze nummer 3 is weer getekend met die naam. In de verte ligt het dorp Anloo met zijn karakteristieke kerktorentje. Op de voorgrond is de rogge-oogst op de es aan de gang:

“Anlo, JD Wolters”
Nummer vier draagt naam, plaatsnaam noch jaartal, maar hoort duidelijk in de serie thuis. De dakruiter op het kerkdak dat boven de bomen uitsteekt deed mij aanvankelijk met het belendende hoge pand een wat meer stedelijke omgeving vermoeden, maar Lars Sanders wees hier in een reactie op Ter Apel, en vergelijking met schilderijen in de collectie van het Groninger Museum leerde vervolgens dat hij gelijk heeft. De dakruiter en het kruis op het dak zijn praktisch identiek, bovendien staat daar ook een vrij hoog gebouw naast het klooster:

Verklarende tekst ontbreekt.
De tekeningen zijn dus in juli 1812 gemaakt door – voluit – Johan Diederik Wolthers, die op dat moment nog vrijgezel was, maar een jaar later als 34-jarige rentenier zou trouwen. Hij stamde uit een Gronings regentengeslacht – bij zijn huwelijk heet zijn vader “vroedschap”, en voorvaderen fungeerden meermalen als Burgemeester van de Stad.
Johan Diederiks beduidend jongere vrouw tekende eveneens, en dat verdienstelijk. Eind 1825 beloonde een Gronings kunstgenootschap namelijk een fruitstukje van haar met vijf ducaten. In hun artistieke voetsporen trad zoon Wolter, later burgemeester van meerdere Groninger gemeenten. Kurend in Bentheim tekende hij in de jaren 1840 honderden portretten van mede-badgasten (volgens een artikel dat eind vorig jaar in Stad & Lande verscheen). Het ging dus al met al om een tamelijk kunstlievende familie.
Naschrift 9 mei 2015:
Dit stukje is wat betreft de vierde tekening herschreven, omdat Lars Sanders de lokatie identificeerde als Ter Apel.
‘Arme grond, rijke man’
Geplaatst op: 26 april 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten 5 reacties
Met veel genoegen naar ‘Arme grond, rijke man‘ gekeken, de aflevering van de IJzeren Eeuw-serie over W.A. Scholten, de Groninger agro-industrieel en grondvester van een multinational. Niet omdat deze uitzending mijn beeld van deze man nu zo veranderde, want in de kranten van zijn tijd las ik gewoon iets te veel bedrijfsongevallen waar hij zich niets van aantrok, en de anekdote over de eenhandige man die van Scholtens nog maar de helft van zijn loon kreeg, verbaasde me dan ook niets. Bovendien passeren we regelmatig zijn prots aan de Hereweg (tuinhuis, villa, grafmonument) om te beseffen wat voor man dat was, die hierin zijn genoegdoening vond.
Nee, we kenden die Scholtens eigenlijk al, maar de aflevering was verrassend door de keuze van de settings en, vooral, de interviewees: twee vrouwen, Dorien Knaap en Carolien Verhoeven als meest in het oog lopende deskundigen, twee stoere scheepsbouwers juist voor de emotionele noot in duplo.
Nog een minpuntje. In het begin van de uitzending werd het veenkoloniale gebied van voor Scholtens voorgesteld als gebied waar niets wilde groeien. Dat is natuurlijk onzin, die er alleen maar toe dient om het verhaal scherp aan te zetten. Helaas nam het narrativisme hier een loopje met de nauwkeurigheid.
Een paar keer zie je een scène van presentator Hans Goedkoop op de studiezaal van de Groninger Archieven. Dan ligt er een dik goudachtig boek op zijn tafel. Er werd verder niet op ingegaan, voor het verhaal was het een overbodig object. Toevallig heb ik dat foto-album net vorige week in handen gehad. Het is werkelijk een prachtstuk – zie boven.
Opmerkenswaardige archivalia
Geplaatst op: 22 april 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten 1 reactieIn dezelfde archiefdoos met het dossier over de Paardenkeuring zitten ook nog wat mappen met kleurig spul van later datum:
– Briefhoofd van De Ploeg (1938):

– Affiche voor een tentoonstelling van jonge Nederlandse schilders (1953):

In esthetisch opzicht is dit een fijn weekje.
Het probleem is de hond. Van welk ras is hij?
Geplaatst op: 13 april 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten 8 reacties
Wolter Wolthers, portret van een hond, ca. 1840. Aquarel. Collectie RHC Groninger Archieven 598-140**.
Wolter Wolthers (1814-1870), telg uit een stad-Groninger regentenfamilie en later burgemeester van diverse Groninger gemeenten, vertoefde in de jaren 1840 meermalen in Bad Bentheim om te kuren. Hier maakte hij meer dan 200 verdienstelijke portretjes van mede-kuurgasten. Mogelijk stamt ook dit hondenportret uit die periode. In elk geval bevindt het zich in een portefeuille met werk van Wolthers.
Waar ik mee zit, is met die hond. Althans: de determinering van het ras. Ik ben absoluut geen hondenkenner en meende met een dobermann van doen te hebben – en wel een exemplaar met ongecoupeerde oren – maar dat ras blijkt pas in de tweede helft van de negentiende eeuw gefokt door een deurwaarder die er zich boze wanbetalers mee van het lijf wilde houden. Een Duitse pinscher zou misschien ook nog kunnen. Een collega van me dacht aan een teckel, maar dat ras heeft nogal een ander lijf.
Weet iemand van jullie het misschien?
Alvast bedankt voor je reactie!
Zo kan je je vergissen…
Geplaatst op: 10 april 2015 Hoort bij: Kunsten 5 reacties
Honden in een berglandschap bij een grotendeels met sneeuw overdekte man. Aquarel, ca. 1850 gemaakt door een lid van de familie De Marees van Swinderen. Collectie RHC Groninger Archieven 552-205.
Van deze aquarel, te vinden in het familiearchief De Marees van Swinderen, dacht ik in eerste instantie dat het een gruwelscène uit de terugtocht van Napoleons leger uit Rusland betrof. Een stilistisch nauw verwant werkje in dezelfde map beeldt namelijk wèl die terugtocht uit, met een Napoleon die, recht voor zich uitkijkend, per arreslee over een ijzige vlakte gesneuvelde mensen en paarden passeert.
Door dat andere plaatje ga je dan denken dat de honden in dit geval het stoffelijk overschot van een gestorven soldaat aanvreten. Kijk je echter beter, dan zie je dat de rechter hond niet toehapt of verscheurt, maar de pols likt van de grotendeels onder de sneeuw liggende man. Bovendien heeft die hond een vaatje om zijn hals. Het is verdorie een Sint-Bernhard, net als die andere hond!
Zo wordt ook de roepende man met zijn opgeheven armen links in beeld begrijpelijk. Er is een lawine geweest, de uitgebeelde scène is een reddingsoperatie ergens in de Alpen. Het voorwerp links naast het hoofd van de man is nu ook te identificeren: het betreft een soort narrenmuts of zotskap. ’s Nachts op de terugweg van een (carnavals)feest werd het slachtoffer door de lawine overvallen.
Mogelijk is het werkje een copie van een schilderij. Mocht iemand dat schilderij kennen, dan hou ik me aanbevolen!
Naschrift 22 mei 2015:
Uit de reactie van de fam. Visser blijkt, dat deze aquarel geïnspireerd is op een werk van Landseer.
Het Groninger platteland, zoals Abe Kuipers het zag in de zomer van ‘56
Geplaatst op: 29 maart 2015 Hoort bij: Kunsten, Ommelanden 7 reactiesIn het Groninger VVV-archief zit een kwartet vierkante boekjes, geheel bestaande uit eveneens vierkante, mooi afgedrukte, ‘echte’ foto’s die ruggelings tegen elkaar zijn geplakt en vervolgens met spiraalbandjes zijn ingebonden. Vermoedelijk zijn deze foto’s gemaakt met een 6×6 camera – meestal zijn ze in zwartwit en soms in kleur, maar zo door elkaar geplaatst, dat er vermoedelijk steeds een nieuw negatief in die camera is geschoven.
Begeleidende tekst ontbreekt geheel, maar dat de foto’s geen gewone kiekjes zijn, wordt bij het doorbladeren vrij snel duidelijk. Ze zijn afkomstig van iemand met een eigen kijk op zaken – zo verraden ze hier en daar een grafische blik. Enerzijds maakte de fotograaf ze in de stad Groningen – vooral bij de Oosterhaven en wijde omgeving – anderzijds op een zomers platteland. Mogelijk betrof het een proefproject voor een VVV-uitgave, maar kwam het nooit tot publicatie, bijvoorbeeld omdat de foto’s iets te artistiek bevonden werden voor een toeristische wervingscampagne. Dat de VVV de boekjes toch bewaarde, zal dan hebben gelegen aan hun bijzonderheid.
Op het eerste gezicht is er geen fotograaf kenbaar, daarom staat er ook geen naam in de archief-inventaris vermeld. Bij sommige foto’s laat echter de lijm los, waarmee ze ruggelings tegen elkaar geplakt zijn, en in één geval zie je daar dan een stempel:
A.J. Kuipers
Korreweg 90a
Groningen
De Groninger adresboeken van 1950, 1958 en 1961 noemen de A.J. Kuipers op dit adres ‘tekenleraar’. Toen ik die naam en dat beroep zag, viel er nog geen kwartje. Dat gebeurde pas met het raadplegen van de woningkaart: het betreft Abe Kuipers, op die kaart ‘kunstschilder’ genoemd. Inderdaad de bekende kunstenaar en graficus, over wie ik hier al eens heb geschreven.
Doordat er enkele reclameaffiches en een bouwproject voorkomen op de foto’s, zijn deze te dateren. Zo correspondeert een poster voor de Boldoot Sunstick met een advertentiecampagne die in 1955 plaatsvond, terwijl het affiche voor de Regent bolknak samenhangt met krantenadvertenties uit 1956 en 1957. Verder is er een “verbouwing” van de C&A te zien. Op de plek waar deze zaak zich nu nog steeds bevindt, aan de Herestraat oostzijde, begon in januari 1956 inderdaad een grootscheepse verbouwing, die zoveel casco-problemen aan het licht bracht, dat men een half jaar later maar besloot om de oudbouw te vervangen door nieuwbouw. Deze data bij elkaar overwegende, luidt de conclusie dat de foto’s hoogstwaarschijnlijk in 1956 zijn gemaakt.
Hoe de VVV destijds het copyright regelde, is onbekend, maar van de zijde van de (plausibele) maker kreeg ik toestemming om ze te publiceren. Dat doe ik bij deze met een aantal plattelandsopnamen. De Oosterhaven en omgeving komen wellicht een andere keer aan bod. Omdat de foto’s vanwege de ringbanden niet te scannen zijn, heb ik ze met ringband en al gefotografeerd. Vervolgens heb ik ervoor gekozen ze in hun geheel te laten zien, dus inclusief ringband en gaatjes.
Bij Huizinge:

Boterdiep bij Zuidwolde of Bedum? Op het erf staat een Lanz-tractor en achter enkele volle wagens wordt er druk gedorst:

Grazende blaarkoppen bij de kerk van Oostum, die gefotografeerd zijn vanuit een ongebruikelijke hoek:

Hoekje met melkbussen en een teems. Op de achtergrond een wagen:

Hokken van korenschoven op land bij Westerwijtwerd (als ik het wel heb):

Bij Garnwerd?

Gedaan werk op een onbekende locatie:

Hooien:

Bult hooi bij de kerk van Stitswerd. In dit dorp had Abe Kuipers een atelier. Op de voorgrond het Stitswerdermaar (de Wikipedia heeft een foto vanuit dezelfde hoek, maar dan een halve eeuw later):

Ontmoetingsplek voor jeugd bij een dijk (Aduarderzijl?):

Boer met schimmel:

De klei is onder de ploeg geweest en de herfst komt eraan:

Gymnasiaal tekentalent leeft zich uit in zijn schoolagenda
Geplaatst op: 28 maart 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten 4 reactiesDuco Gerrold Rengers Hora Siccama was zeventien en zat op het gymnasium, toen hij in 1893 voor zijn huiswerk een Duitse agenda ging gebruiken. Uiteraard staan er te maken thema’s in, wiskundige sommen en andere opdrachten, maar die vormen zeker niet het interessantste deel van de inhoud. Nee, dat bestaat uit de vele karikaturen en andere tekeningen, die hij vaak eerst in potlood opzette en dan met oostindische inkt uitwerkte. Het eerste kan op school gebeurd zijn, het laatste thuis, maar als je de tekeningen ziet, zou je het haast betreuren dat de man later hoogleraar rechten is geworden.
De openingspagina verraadt meteen al enkele terugkerende preoccupaties:

Portret van een medeleerling?

Aap met vogeltje:

Heraldische interesse:

Geslachtslijst van WH Wyt, met links de orgeldraaier Wijd, en rechts de makelaar Wijd, de hereboer Wijdt van Valkenburg en rechts de bankier Wyt van Valkenburg, welke drie laatste heren zijn voorzien van steeds grotere geldzakken:

Dan het vervolg op deze genealogische fictie, namelijk de opperstalmeester W.M. graaf Melchior Wijt van Valkenburg tot den Doornberg en de 3 Pollen. Rechts een stoomlocomotief, een andere terugkerend motief (achterin de agenda staan lijsten met namen van de toenmalige locomotieven):

Een predikant en zijn gemeente – twee jeugdigen kijken door het kerkraam naar binnen:

Links een onvoltooid wapen Hora Siccama, rechts een portret – van een leraar? – dat me sterk doet denken aan het werk van een Amerikaanse karikaturist wiens naam me is ontschoten:

Agent met hond:

Rechts een leraar? met sigarenpijpje:

Vier onafscheidelijke vrienden:

Augustus – op vakantie naar een vreemde kust met een koffer van het merk Perry:

Landschap met kanaal en zeilboten:

Een figuur die sterk doet denken aan de portretten van postbode Roulin door Vincent van Gogh:

Leraar? en familiewapens:

Op het eind van het jaar figuurstudies van diverse hoofddeksels, zoals deze bolhoed:

Uit het vriendschapsalbum van Octavia Feith
Geplaatst op: 26 maart 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten Een reactie plaatsenSjieke lui schreven tussen 1832 en 1836 teksten voor het vriendschapsalbum van Octavia Feith, dat altijd losbladig is gebleven. Bij slechts enkele zitten plaatjes, die ze waarschijnlijk zelf tekende. Daardoor zijn ze, hoewel zéér Biedermeier, wèl oorspronkelijk, anders dan de kant- en klare plaatjes die je in latere poeziealbums aantreft.
– Vogelnest:

– Landschapje met huisje en molentje:

Bloemen, daar hield Octavia vooral van:

Met name viooltjes:

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1501 (Losse stukken GAG) inv.nr. 370.
“Men kende de slavernij, doch slechts bij name”
Geplaatst op: 17 maart 2015 Hoort bij: Kunsten, Stad toen Een reactie plaatsen
De vlucht van Eliza over het ijs. Bron: Janwillemsen (Flickr).
Waalko Jan Roelfsema (1847-1937) was zoon van een boekhandelaar. Tussen zijn herinneringen zit ook een beschouwing over veelgelezen boeken van rond 1860, toen hij een groot deel van zijn vrije tijd lezend en snuffelend doorbracht in de boekwinkel van zijn vader. Intussen luisterde hij dan naar de gesprekken die zijn vader en bezoekers hadden en hoorde zo allerlei namen en titels, waarvan enkele hem altijd zouden bijblijven:
“Het eerste werk van dien aard was De Hut van Oom Tom door mrs Beecher Stowe, en ik geloof dat na dien tijd geen boek zulk een opgang over de geheele wereld heeft gemaakt. Hier werd de vinger gelegd op een afschuwelijke wonde, op een wijze die ieder begrijpen kon en niemand onbewogen liet. Men kende de slavernij, doch slechts bij name, het was een klank, maar die geen blijvende indruk achterliet. Van nu af zag ieder voor oogen de naamlooze ellende, en de werking werd nog vergroot door de naïve, voor ieder bevattelijke wijze waarop de schrijfster, zonder omwegen of versierselen recht op haar doel afging, zonder moraliseering of pathetische ontboezemingen, en slechts de nuchtere feiten tot spreken brengend. De goede illustratiën (b.v. de geezeling van Oom Tom, en de vlucht van Eliza over het ijs) werkten de verbeelding in de hand. Zeker heeft dat eenvoudige werk een krachtigen stoot tot den oorlog tusschen Noord en Zuid gegeven, en veroorzaakt dat de sympathie der wereld ten deel viel aan de Noordelijken…”
Geen van beide illustraties die Roelfsema noemt, staan in de eerste Nederlandse druk van dit zeer invloedrijke werk. Ik denk dan dat latere plaatjes Roelfsema’s herinnering hebben vervormd. Inderdaad was voor veel Groningers slavernij, op een paar uitzonderingen na, een verschijnsel van ver weg, maar er waren zeker ook burgers met aandelen in bijvoorbeeld Surinaamse plantages, waar slaven op de inventaris stonden, zodat er wel iets meer bekendheid met het verschijnsel moet zijn geweest, dan Roelfsema meent. Een historisch onderzoeksproject, Mapping slavery, brengt dit deel van ons verleden momenteel in kaart.
De pennekunst van Jacob Derks Huisinga
Geplaatst op: 15 maart 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten, Stad toen Een reactie plaatsenIn de handschriftencollectie Fransema vinden we een deeltje dat de inventarisator ‘Pennekunst en Treklust’ noemde en dateerde op 1767. De toegang noemt geen naam van een maker, maar het blijkt te gaan om een boekje met penwerk en schrijfvoorbeelden, vervaardigd door een Jacob Derks Huisinga, wiens naam er ook veelvuldig in voorkomt.
Volgens het Stamboek van de doopsgezinde familie Huisinga (ook wel Huizinga) was de vader van deze Jacob Derks Derk Jacobs (Groningen 1684-1738). Samen met diens vrouw Grietje Pieters Ploeg (1695-1762) kreeg deze negen kinderen, waarvan Jacob Derks Huisinga (1736-voor 1784) het negende, daarmee het jongste en vanaf 1753 het nog enig overlevende was. Mogelijk werd hij onderwijzer of schrijver/klerk. Bottema noemt namelijk een schoolmeester Jacob Derks Huisinga te Wehe anno 1781-1782. Toch lijkt zo’n functie wat onwaarschijnlijk, omdat schoolmeesters eigenlijk de gereformeerde formulieren van enigheid moesten ondertekenen.
Sowieso was ‘onze’ Jacob Derks in 1765 te Groningen getrouwd met een Grietje Loman, met wie hij in 1769 een huis aan de Raamstraat kocht. Dat was niet echt op stand, maar het paar hoeft hier niet te hebben gewoond, de aankoop kan een belegging zijn geweest. Volgens het Stamboek kreeg het echtpaar drie kinderen: te weten twee dochters – Grietje (1768) en Eefje (1770) – en een zoon Derk (1773) die later mogelijk doopsgezind predikant in het Oldambtster Midwolda was.
In elk geval was het penwerk van Jacob Derks Huisinga van hoge kwaliteit. Diens boekje begint met diverse gotische en latijnse lettersoorten:

Vrijwel altijd betrok Huisinga de teksten, zoals deze over wijzen die nog wijzer worden, uit de bijbel:

Gebroken gotisch schrift:

Het begin van een alfabet met sierkapitalen:

Penwerk met plantaardige omlijsting:

Eenvoudig gebed – “Hier vind gy in dit bestek, ses letters in één trek”:

Leus in kruissteekletters, omlijst door penwerk en figuren (engelen boven, bladeren onder):

Vigilantia (waakzaamheid) met gecopieerd avondmaalstractaatje van de gereformeerde puritein Saldenus:

Blad met gecopieerd voorblad van een Duitse bijbel uit 1751:

Vogel bestaande uit een doorlopende tekst, met bijwerk:

Dat Huisinga wel goed met de trekpen overweg kon, maar slechts een matig tekenaar was, bewijzen de engeltjes links en rechts op de pagina ter ere van zijn moeder. Aangezien zijn vader overleed, toen Jacob Derks Huisinga twee jaar oud was, is het geen wonder dat de zoon haar als zijn belangrijkste opvoeder zag:

Even verderop een beschadigde pagina met een drinkbokaal, die een pagina met speelkaarten afdekt:

Uiteraard moest Huisinga als vroom christen weinig weten van het kaartspel. Op de afdekkende bokaal staat dit gedicht:
Regt deese roemer op
so vind gy daar de kaart
By veelen hoog geacht
by my zeer weinig waard
Want ’t waare spreekwoord segt
daar Baghuis sit ten toon
daar ’s Dobbelen gewis
En Zonde op den Throon.
Almanach (soort universele kalender voor aan de wand):

Grieks alfabet (er is ook een Hebreeuws):

Het topstuk, bestaande uit een trompe l’oeil met krant en almanak:

NB: Er was geen vrijdag 17 februari in 1768, die datum viel dat jaar op een woensdag. Ook levert zoeken in de Groninger Courant bij Delpher op de trefwoorden chaloup, Nabab en Heidukken (zoals die in de tekst voorkomen) niet een dergelijke pagina op. De conclusie moet zijn, dat Huisinga deze krant verzon.
Tot slot een hijgend hert, der jacht ontkomen (van Psalm 42).

—
NB: de genealogische en biografische notities aan het begin van dit logje zijn op 19 maart sterk herzien.
Een tochtje door het Stripmuseum
Geplaatst op: 7 maart 2015 Hoort bij: Kunsten, Stad nu Een reactie plaatsenJe hebt musea waar de vaste opstelling minstens de helft van het vloeroppervlak inneemt. En je hebt musea waar de tentoonstellingen juist veel belangrijker zijn, qua ingenomen ruimte. Het Stripmuseum in Groningen is duidelijk van de laatste categorie.
Eerst ga je met zevenmijlslaarzen door de algemene stripgeschiedenis. Je komt voorbij een grottekening, kerkramen en centsprenten. Ook dit vooroorlogse boekje behoort bij dat deel van het museum:

En deze wand vol met Stripschriften:

De eerste tentoonstellingsruimte heet naar Marten Toonder. Diens portret door Jan Kruis (ca. 1995):

Eerlijk gezegd taal ik al decennia niet meer naar strips. De laatste die ik tot mij nam, stonden begin jaren 80 in de Mad of in de Fabulous Furry Freak Brothers. Maar nu is er in het Stripmuseum een expositie over de Pep, een stripblad dat ik jarenlang zeer intensief las:

Dit was zo’n beetje mijn Pep-periode, met Agent 327:

Bezit nog steeds een ingebonden halve jaargang uit 1969, met onder meer Asterix, de Argonautjes, Toenga, Blueberry, Lucky Luke en Flippie Flink. En dan ook nog gewone verhalen met illustraties van Hans Kresse. Al herinnerde ik me deze van Vidocq niet:

Voorbij de Pep een vitrine met smurfenmerchandise:

Sigmund hield net zijn spreekuur voor gezinnen:

Het fenomeen strip zal me nooit meer zo boeien als weleer, vrees ik. Toch raakte ik aan het eind van de museumtocht wel weer gefascineerd, waar je in de loopgraven belandt met werk van de een groep jonge kunstenaars, de Smilingpoliticians, over de Eerste Wereldoorlog:




Bloeiende bomen
Geplaatst op: 3 maart 2015 Hoort bij: Kunsten 1 reactieUit negentiende-eeuwse compendia:

Els. Curtis’s Botanical Magazine, vol. 142.

Meidoorn. Bron onbekend.

Linde. Kähler’s Medizinal-Pflanzen.

Iep. Prof. Dr. Otto Wilhelm Thom, Flora von Deutschland, Oesterreich und der Schweiz (1885).

Recente reacties