Barokke bozzem

Ergens in Hoogkerk: de onderdelen van naar het zich laat aanzien een barokke zandstenen schoorsteenmantel, met een enkele kariatide, wier neus deerlijk geschonden is:

013

014

018

021


Max en Maurits – vaaierde streek

Hou de twei deugenaiten meester Lampel bie poot haren. Noar ’t Duuts van Wilhelm Busch ien ’t Grunnegers van ’t Hogelaand overzet deur Jan Klompsma. ‘Boukje verscheen doudestieds, ien 80, bie Willem Diemer van Stabo/All Round an Oosterweg, en mog om mie wel ’n twijde druk beleven.


Haarms Loflaid op Stad (HCC Dronrijp Uges, 1842)

‘k Wol ’t ook eem perbaaiern:


Coverversie, zok mor zeggen, van dizzent hier.


‘Huisvriendjes en speelkameraadjes’

De vondst van de dag is dit kinder-voorleesboek uit 1896:
001 WAS 019
De verhaaltjes spelen zich af rond een boerderij. Alle gangbare huisdieren komen erin voor. Naast poesjes bijvoorbeeld hondjes:
006
En paardjes:
010
Het meest nog paardjes:
017
Het past dus uitstekend in een presentatie of tentoonstelling over de Groningse leefwereld van Otto Eerelman, waarvoor ik momenteel materiaal bij elkaar zoek.

Eerelman maakte met zijn paarden en honden werk naar de smaak van de elite en de gegoede burgerij. Zo’n prentenboek kostte ƒ 1,25, wat ongeveer het dagloon van een arbeider geweest zal zijn. Zo’n boek was dus niets iets wat arbeiderskinderen gewoonlijk in handen kregen. In dit geval komt het exemplaar uit het archief van de bankiers- en kunstenaarsfamilie Van Mesdag.

Overigens, om misverstanden te voorkomen: de illustraties uit dit prentenboek zijn niet van Eerelman, maar van ene Beata, die er ook best wel wat van kan.


Ja, zo’n reisje langs de Rijn, Rijn, Rijn

489 Beckering Vinckers 51a Rijnboot a

De aartsvaderlijke Neptunus heeft een jong mokkel aan de haak geslagen en streelt  achteloos haar blote rug. Zij houdt het gevleugelde wiel op hun beider schoot vast. Met zijn vrije hand wijst hij naar een salonboot met raderen, die van Mainz naar Keulen opstoomt over de Rijn. Het is 1896, La Belle Epoque.

489 Beckering Vinckers 51a Rijnboot b

Het gaat weer even goed met de mensen. Op de achterkant van de folder zien we dat de bovenklasse zich weer een reisje over de Rijn kan permitteren. Die mevrouw in het centrum van het beeld lijkt verdiept in een boek, maar schijn bedriegt, want het zal een reisgids zijn die ze raadpleegt om de fraaie omgeving te kunnen duiden. Haar dochter, zuster of vriendin kijkt even mee. De heren om hen heen zijn minder geïnteresseerd in het natuurschoon.

 


Landarbeidershuisjes

Landarbeidershuisjes, veel is er niet over gepubliceerd. Als ik merk dat het Neerlands Volksleven van de jaargang 1962 er een artikel over bevat, wil ik dat dus wel even lezen.

Dat stuk werd geschreven door Henk Braber, destijds de baas van de provinciale VVV hier in Groningen. Hij propageerde  de ingebruikneming van landarbeidershuisjes als tweede woning, vooral in de noordelijke kuststreek.

Het Oude Veerhuis, Zoutkamp.

Het Oude Veerhuis, Zoutkamp.

Hierin voelde Braber zich niet altijd even begrepen. “Iedereen haalde de schouders op en lachte”, schreef hij over het onthaal dat zijn gedachtengoed meermalen vond:

“Menigeen moest er om begrijpelijke sociale redenen niets van het nieuwe idee hebben. Lege landarbeiderswoningen dienden gesloopt te worden.”

In de jaren 50 hadden zulke huisjes een slechte pers. Ze waren vaak matig onderhouden en slecht bereikbaar en ze misten aansluiting op waterleiding en elektriciteitsnet, nutsvoorzieningen die al wel aanwezig waren in de dorpskom, net als telefoon. Destijds zijn er dan ook aardig wat van die huisjes gesloopt.

2 Thesinge

Dat het er nog niet meer zijn geweest, komt ongetwijfeld door de trek naar het platteland van de babyboom- en hippiegeneratie, in de jaren 1965-1980. Bij hen viel de propaganda van Braber c.s. erin als Gods Woord in een ouderling:

 “Wat kunnen deze eenvoudige stulpen, vaak met hoge vlierstruiken en geboomte er om, een aardig accent vormen in het Groninger landschap!”

En:

“…een plekje zonder lawaai van het verkeer, zonder glurende buren, links, rechts en boven. Een stukje waarlijke vrijheid tussen het koren en onder een wijde hemel met allerlei vogels. Waar het nog bestaat dat fazant of patrijs in je tuin broeden en de hazen stoeien op de landweg.”

Tijdens het lezen van Brabers artikel probeerde ik te doorgronden wie de illustraties maakte. De signatuur liet zich niet ontcijferen, maar het handschrift kwam me ergens bekend voor. Aan het eind van het stuk gekomen, bleek waarom: de tekeningen zijn gemaakt door Nico Visscher, decennialang de cartoonist van het Nieuwsblad van het Noorden, Binnenlands Bestuur en de Oosterpoorter.

3 't Stört bij Leens

Ik wist niet dat Nico ooit topografica had gemaakt en toen ik hem erover belde, bleek hij de tekeningen zelf ook niet meer te hebben: “Heel vaak kreeg ik ze niet terug.” Hij had er nog meer gemaakt, vertelde hij. Hopelijk bevinden ze zich nog in het archief van de Provinciale VVV – ik kan me haast niet voorstellen dat iemand zoiets weggooit.

4 Garmerwolde


Henri de Wolf in Forma Aktua

Even naar de Henri de Wolfexpositie in Forma Aktua geweest, waar werk uit particuliere verzamelingen hangt, dat je anders niet zo snel te zien krijgt.

Waar ik het meest mee had, waren de composities in olieverf van begin jaren zestig, toen De Wolf – denk ik – nog niet zo’n kroegtijger was:
2015-01-02 011
Toch is ook dit werk erg tijdsbepaald, waarmee ik bedoel dat je het niet zo gauw in een andere era zou plaatsen:
2015-01-02 013
Dat geldt uiteraard voor De Wolfs geëngageerde aktie-grafiek.  Een affiche tegen de neutronenbom (ca. 1978) met een flamboyant besnorde klompenboer die een kruisraket op een bedje van tulpen vertrappelt:
2015-01-02 020
Met zulke grafiek hangt het er vol. Deze is heel wisselend van kwaliteit, zo lijken vooral de posters voor de CPN en mantelorganisaties me snel in elkaar geflanst maakwerk toe.

Wel weer mooi vond ik deze kleurige prent voor de bevrijdingsbeweging van El Salvador met in de tekst een paar kruisjes die de abuizen tegelijkertijd verdoezelen en benadrukken:
2015-01-02 026

Morgenmiddag en zondagmiddag nog te zien.


Abacus Theater reed in binnenstad rond

Op het Waagplein stuitte ik op de ‘Timecruisers’ van Abacus Theater:
2014-12-27 010
Twee gingen er net op weg naar de Herestraat:
2014-12-27 015
Op zo’n machine moet je je gezicht wel een beetje in de plooi kunnen houden, hè:
2014-12-27 025
Hoge zit, souverein overzicht:
2014-12-27 026
De nanometer staat nog in het zwart:
2014-12-27 028
Een derde apparaat bleek behept met panne:
2014-12-27 030 was 038
De piloot en boordwerktuigbouwkundige:
2014-12-27 034
In de tachograaf (?) zat een deuk:
2014-12-27 035


‘Volg uw overtuiging, waak voor uw karakter’

Op de begraafplaats Esserveld, aan de zuidelijke rand van de stad Groningen, bevindt zich het grafmonument van de socialistische voorman Johan Hendrik Schaper (1868-1934):

2014-12-13 034

Met het beeld van voorover leunende, filosofisch voor zich uit kijkende arbeider, waaraan beeldhouwer Willem Valk tussen juli en september 1935 werkte:

2014-12-13 044

2014-12-13 054

Aan de voet van het beeld dit dubbele motto:

aaa2

Meer info:


De schelmstukken van Lewe

De woede tegen Lewe van Aduard kwam natuurlijk niet uit de lucht vallen. Zijn bejegening van de boerenvolmachten in Aduard gaf hoogstens een extra grief, bovenop allerlei andere.

Van die eerdere klachten zijn we goed op de hoogte dankzij een schimp- en hekelvers dat waarschijnlijk dateert uit de zomer van 1748: ‘Droom, wegens verscheide schelmstukken gepleegd by E. Lewe, Hr. van Aduwart’. Enkele jaren later verscheen dit poeem nog eens in het Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen, een bundeling van politieke poëzie uit de omwentelingsperiode. Vooral Amsterdam komt daarin aan bod, maar dus ook Groningen, en zelfs Steenwijk, waar nog een orangist is opgehangen, die later eerherstel en een herbegrafenis kreeg.

In zijn droom over Lewe ziet de auteur deze machtigste staatsgezinde jonker van de Ommelanden voor de hemelpoort staan:

“Doch de poort was just gesloten,
Dies zo gaf hy dien een kink
Met een van zyn Lewe pooten,
Dat ze schier sprong uit de klink.”

Sint Pieter (of Petrus), zoals bekend de hemelpoortbewaker, ontlokte dit een ruwe basterdvloek:

“…akkermast!
Is dat kloppen, vent, wat zoek je?
Zeg, wat ben je voor een gast!”

Lewe maakte zich bekend als de staatsgezinde heer, en Sinte Piet begon de jonker uit te maken voor alles wat maar lelijk was:

“…ik ken je,
O die plaag van wees en weeuw.

(…) eer-belieger, wees uitsuiper,
 Onrust rokker in den Staat
Boer bedrieger, ampt bekruiper,
Zo is uwen naam verhaat.

Wie heeft by u trouw vernomen?
Niemand; want gy hebt er geen:
Dan die zeker nooit met vromen,
Maar met schurken waart gemeen.”

Sint Pieter neemt het de “vervloekte Fiel” kwalijk dat hij niets te maken wilde hebben met de vromen en zich religieus afzijdig hield. Dan roert hij een aantal gevallen aan waarbij Lewe volgens hem ver buiten zijn boekje ging:

  • Lewe zou zerken van graven hebben gestolen, “een raboutstuk dat hу suste”, door nieuwe zerken te leveren,
  • Lewe zou iemand (een slachter) ten onrechte hebben vervolgd voor malversaties met lams- en schapenvlees. Met de 1500 gulden boete was de jonker financieel weer boven Jan.
  • Lewe zou voor de afbetaling van schulden in de stad 3000 gulden hebben geleend van een bejaarde “sul” en weigerde dat bedrag terug te betalen.
  • Hij had zich door list en leugen verzekerd van een schepperij in Friesland.
  • Ook zou hij zich op bedriegelijke wijze meester hebben gemaakt van de halve schepperij van Farmsum.

Wat er van deze beschuldigingen waar was, valt zonder nader onderzoek niet te zeggen. In elk geval is Lewe nooit in rechte vervolgd. Dat gebeurde wel met zijn tegenhanger in de stad, burgemeester Geertsema, al werd dat staatsgezinde kopstuk in 1753 op alle punten van de politiek gemotiveerde aanklacht vrijgesproken.

Voor zijn belangrijkste grief tegen Lewe geeft de droom-auteur Sint Pieter twee coupletten in de mond. Deze hebben te maken met het beruchte sodomietenproces van Faan (1731), dat op touw gezet was door Rudolf de Mepsche, anno 1748 een voornaam aanvoerder van de Ommelander orangisten. Lewe was ook tijdens het sodomietenproces al diens voornaamste tegenstander geweest – zo had Lewe iemand uit handen van De Mepsche gehouden, zeer tegen de zin van Sint Pieter:

“Maar, o gruwelsmet der smetten,
Gy beschermde een sodomyt,
En verbrak d’Omlander wetten
Dat gy hem van straf bevryd,
Gy zyt wel van Lewen groeizel,
Doch der Lewen naam niet waard,
Liever noem ik u ’t gebroeizel
Van een slang en addren aart.

(…)

Verder gaan uw schelmsche stukken!
Gy zoekt aan den Heer van Faan,
Die ’t gespuis zoekt te onderdrukken
Uw heillosen klauw te slaan,
Doch Gods wraak zal u niet missen,
Maar haast werpen van uw warsch
In de naarste duisternissen,
Met onlydlyk tandgeknarsch.”

Het staaltje Tale Kanaäns uit de laatste regels wijst er wellicht op dat we de auteur van de droom in bevindelijk-gereformeerde hoek moeten zoeken. In elk geval kwam Lewe bij hem de hemelpoort niet binnen. Sint Pieter verzocht de jonker naar de duivel te lopen, die zou Lewe dan wel een mooi plaatsje naast zijn broer Machiavelli geven.

Maar dat lokte Lewe niet erg aan. Hij kwam in de droom tot inkeer en beleed zijn schuld aan alle genoemde schelmstukken. Deze eerste tekenen van berouw bespeurend, gaf Sint Pieter de weg naar beterschap aan:

“Eerst zult gy de schaê vergoeden
Die gy Faan veroorzaekt hebt,
Door die guiten te beschermen.
Geef dan God wat Godes is.
Doe mildadigheid den armen,
Breng des Keizers in zyn kis.

Laat gemeentens niet lang dolen,
Geef de boeren ieder ’t zyn,
Van ’t geen gy hun hebt ontstolen,
Dat dan overblyft zy dyn.
Schend geen mensch met fonderschouwen
Handel op de monstring wel:
Zo gy dit oprecht zult houwen,
KOM DAN EENS WEEROM, EN BEL.”

Bron: Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen, deel II (Emden 1748 (1750)) pag. 35-40.


Inkle en Yariko, of: liefde staat boven slavernij

1 - Inkle en Yariko Wolthers b1

In de portefeuille van de heer Wolthers zit ook deze Duitse prent naar een tekening van de Neurenberger edelsmid Johann Samuel Vigitill (1733-1789), die dat ontwerp op de drukplaat liet brengen door zijn stadgenoot Christoph Daniel Henning (1734-1795). De prent toont in silhouet vier dames in verschillende poses links en rechts van een schildersezel met daarop een voorstelling. “Wie verschieden ausert sich nicht der Eindruk den einerlei Gegenstand auf das menschliche Gefühl macht”, staat er ter toelichting in sierlijke krulletters onderaan de prent. Vertaald:  “Hoe verschillend uit zich niet de indruk die één en hetzelfde onderwerp  op het menselijke gemoed maakt”. Daar weer onder vinden we nog een Latijnse spreuk in blokletters: “Non omnes pariter tanta infortuna terrent”, wat zoveel betekent als: “Niet iedereen schrikt even erg van ongeluk”.

De prent intrigeert, omdat ze haar strekking ondanks de toelichting niet meteen prijsgeeft. Uiteraard zien we wel meteen, dat de vier dames op de voorgrond met verschillende gemoedsaandoeningen behept zijn, immers: de meest linkse wringt haar handen in wanhoop, de tweede heft haar vuisten in woedende onmacht, de derde en oudste bekijkt min of meer verbaasd nog eens het tafereel op de schildersezel door haar lorgnet en de vierde wendt zich in afschuw daarvan af, met haar zakdoek paraat voor de tranen die mogelijk komen.

Uiteraard worden de emoties opgewekt door de voorstelling op de schildersezel. Zoomen we daarop in:

2 - Inkle en Yariko Wolthers b2

dan zien we getuige het fort en de schepen een koloniaal tafereel, met twee heren, waarvan de linker geld geeft aan de middelste die tegelijk wijst naar een geknielde, smekende, donkergekleurde vrouw, terwijl achter haar een man met  handboeien klaar staat. Als niet ook onder deze voorstelling tekst had gestaan, zou de hele prent een raadsel gebleven zijn, maar dankzij de namen Ynkle und Yarcko (boven), en de verwijzing naar het eerste deel van Gellerts Fabeln und Erzaelungen, bladzij 29 (onder), komen we er uit.

In het Duits verscheen dat werk van Gellert, het eerste van een zeer populaire trilogie, voor het eerst in 1746. Een geïllustreerde Nederlandse vertaling volgde in 1772, en die versie staat op Google Books, met een plaatje dat sterk doet denken aan de geëzelde voorstelling op de Duitse prent:

3 - Inkle en Yariko Gellert Fabels

In Gellerts omlijstende verhaal reist de zeer op winst beluste Britse koopman Inkle, wiens voornaamste deugd zijn rekenkunde is, naar Amerika. Vlak voor de kust belandt zijn schip echter in een storm en het breekt op een strand. Inboorlingen vallen er op de overlevende bemanningsleden aan – Inkle is de enige die in het oerwoud weet te ontkomen. Na dagenlang rondzwerven vindt Yariko, een “jonge negerin” hem daar en prompt raken ze verliefd op elkaar. Yariko vangt Inkle op in een hutje, waar ze hem liefdevol in leven houdt. Van zijn kant belooft hij haar gouden bergen, als hij eens met haar naar Londen weet te ontkomen. Daarom kijkt zij voor hem uit naar schepen en inderdaad verschijnt er op een dag een aan de horizon. Hand in hand gaan ze aan boord, het schip zet koers op Barbados, maar eenmaal weer aan wal vergeet Inkle zijn plechtig beloofde eeuwige trouw. De oude winzucht komt weer in hem boven en hij verkoopt Yariko als slavin. Dat ze hem smekend voor de voeten valt en roept dat ze van hem zwanger is, kan hem niet vermurwen. Het haalt alleen maar uit dat hij een nog hogere prijs voor haar bedingt.

Deze hufterige rotstreek is het dus, die bij de dames op de Duitse prent de emoties wanhoop, woede, verbazing en afschuw oproept.

Gellert was destijds een veel gelezen auteur, maar van het verhaal over Inkle en Yariko bestond ook een Nederlands toneelstuk (1781) dat op zijn beurt weer aanleiding gaf tot het maken van prenten.  Volgens een bespreking in de Vaderlandsche Letteroefeningen van 1789 had Gellert het verhaal ook niet zelf verzonnen, maar ontleend aan een Engelse Spectator. Inderdaad staat het verhaal in de Spectator van Steele, jaargang 1711. Het werd vanaf 1787 tevens opgevoerd als opera in Londen. Naar het zich laat aanzien bleef dat stuk in Engeland nog lang populair, zo is er nog een affiche uit 1799 van een theater in Bristol. Overigens bleek Steele het verhaal evenmin van zichzelf te hebben, hij ontleende het weer aan een geschiedenis van Barbados uit 1657, waarin het wordt opgevoerd als waar gebeurd.

In elk geval vormden Inkle en Yariko voor geletterden uit het laatste kwart van de achttiende eeuw een uiterst bekend motief. Voor hen viel de prent meteen te begrijpen. Door de hevige emoties van de dames op zijn prent laat de Duitse maker zien dat voor menige vrouw de liefde van een hogere orde was dan de slavernij.

Maar of invloedrijke mannen er ook zo over dachten? “Toevallig” werd in 1789 in Engeland een eerste wetsontwerp ingediend tot afschaffing van de slavenhandel, dat het Lagerhuis nog met tweederde van de stemmen verwierp.  Eenzelfde ontwerp haalde drie jaar later wèl de meerderheid, maar werd tandeloos gemaakt door een amendement dat die afschaffing héél geleidelijk wilde laten plaatsvinden.

Intussen kwamen Inkle en Yariko ook voor op politieke prenten welke inspeelden op een happy eind aan het drama:

4 politieke prent

 


Welvaart bracht schik in het ornament

Vignetje boerengereiDit vignetje bevindt zich in een portefeuille met schetsen, tekeningen, aquarellen en gedrukte prenten van Wolter Wolthers (1814-1870), een jurist van zeer notabele komaf die het tot burgemeester van diverse Groninger gemeenten zou brengen. In het vignetje kruist boerengereedschap en visgerei achter een zonnehoed met een slinger van rozen. We zien een visnet, een zeis, een hengel met een vis, een schoffel, een ‘rieve’, een fluit, een dorsvlegel, een korenschoof en een  schop. Een soortgelijke voorstelling meen ik ook  eens gezien te hebben in op de voorgevel van een grote boerderij, ergens in Groningerland. Maar waar?

Mogelijk niet in het Oldambt, zoals ik eerst dacht. Hoewel je daar wel soortgelijke voorstellingen op de voorgevels van grote boerderijen ziet:

– Ceres met korenschoven, een bijenkorf en boerengereedschap te Finsterwolde:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA
– Een boerenwagen, een ploeg, een bijenkorf en gereedschap te Midwolda:
KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA
– Korenaren, en een zonnehoed met bloemen en gereedschap te Nieuw-Beerta:
Nieuw Beerta
– Vaas met overvloedig fruit aan de Scheemder kant van Midwolda:
Scheemder kant Midwolda
Wat de voorstellingen zeggen: hoe genoeglijk is het landmansleven. Het vignetje van Wolter Wolthers zou biedermeyer kunnen zijn (ca. 1840). Wat er op de gevels zit is mogelijk van iets later datum, uit het derde kwart van de negentiende eeuw, oftewel de Champagnejaren voor de Groninger graanboeren. Voorheen waren die landbouwers nogal sober geweest, maar met de welvaart kwam de schik in het ornament.

Naschrift 22 november 2014:

Ik denk dat ik het gevonden heb, in Blijham aan de Winschoterweg:

2014-11-22 088


Stop tijdig!

Stop tijdig! b

Deze foto is als bladvuller te vinden in de jaargang 1966 van Kruisband, de schoolkrant van de Rijks HBS aan de Grote Kruisstraat in Groningen.

Het is najaar op de foto. Het waait en het regent en het asfalt glimt. Een brommer van het type buikschuiver – populair onder de zogenaamde nozems – houdt halt voor een lange zebra over een dubbele rijbaan die de helft van een stedelijke weg vormt. Mensen steken over. Op de andere helft van de weg staan auto’s uit de jaren zestig te wachten voor een stoplicht. Verderop zien we een man in een bushokje, een plein en nog heel wat verder weg staan lage flats.

Terwijl ik de foto bestudeer, rijst er twijfel of de foto wel in Groningen genomen is. De situatie komt me hier niet bekend voor. Maar is de foto dan wel gemaakt door een leerling van de Rijks HBS? De compositie en de focus op het licht komen ergens als professioneel over: een Cas Oorthuys of een Ed van der Elsken zouden zich niet voor deze plaat hebben geschaamd.

Bovendien bevatten de Kruisbanden uit de jaren 60 vrij weinig foto’s. De redactie plaatste wel eens beeldmateriaal van popsterren als Cuby en Ramses, maar dat betrof duidelijk gratis verkregen publiciteitsfoto’s die me bekend voorkwamen uit andere bron. Zèlf foto’s maken daarentegen, was nog vrij duur. In de Kruisband stond wel eens wat propaganda voor een fotocurusus, een enkele leraar zal fotograferen als hobby hebben gehad, maar bij leerlingen moest je zulke wat meer ambitieuze amateurfotografen met een lantaarntje zoeken. Als leerlingen überhaupt al foto’s maakten, waren dat vakantiekiekjes en geen foto’s met de kwaliteit van bovenstaande.

Deze overwegingen zorgen ervoor, dat ik toch maar even ga googelen op het onderschrift in de Kruisband, te weten: ‘Stop tijdig!’

En dan blijkt dat er onder die titel in 1966 een campagne van Veilig Verkeer Nederland was, om de veiligheid van zebrapaden te vergroten. In de jaren 60 democratiseerde het gebruik van motorvoertuigen als brommers, scooters en auto’s in rap tempo, wat in de steden, naast veel stank, veel ongelukken met voetgangers op zebrapaden ten gevolge had.

Het lijkt erop dat die campagne hielp, want getuige de kleine berichtjes in de krant verminderde het aantal ongelukken op zebra’s. Op basis van dezelfde berichtjes in ons huidig tijdsgewricht durf ik wel te beweren dat de laatste jaren het aantal ongevallen op zebra’s weer flink toeneemt. Eigenlijk is de tijd weer rijp voor zo’n campagne en deze plaat zou zo weer kunnen worden ingezet, alleen zou ik de brommer en de auto’s dan verruilen voor iets hedendaagsere exemplaren.


De kleinere schatten van het Rijks

Vandaag met het personeelsuitje naar het Rijksmuseum geweest.

Grote drukte in de hal met de mondiaal bekende topstukken:
2014-10-27 001 was 41
Terwijl zo’n Nachtwacht – ik vind er eigenlijk geen kloot aan, als ik eerlijk ben.

Geef mij maar de kleinodiën in veel minder drukke zalen, zoals deze drie anonieme weldoeners met de fundatiebrief van hun stichting, geportretteerd door Hendrick de Keijser:
2014-10-27 021
Of deze twee drinkebroers van roodbakkend aardewerk:
2014-10-27 025
Het portret van Johan de Wit, jammerlijk vermoord en verscheurd door het Oranjegepeupel in het rampjaar 1672:
2014-10-27 031
Erg gecharmeerd was ik van de Middeleeuwen-afdeling in de kelders, met deze pelgrim op een van de Zeven Werken van Barmhartigheid:
2014-10-27 069
Een koperen ridder te paard:
2014-10-27 078
Een tympaan van de Abdij van Egmond:
2014-10-27 084
Bij het zilver dit miniatuurkeukentje:
2014-10-27 102
Zelfs leuk: het porselein, met dit reclamebord uit de achttiende eeuw:
2014-10-27 104
Een prijskoe:
2014-10-27 107
In een zaaltje met toverlantaarnvoorstellingen een agressieve olifant:
2014-10-27 119
Verrassing: dit tegeltableau van tegels met scheepjes, ongeveer zoals die het huis in Obergum hebben gestoffeerd.
2014-10-27 121


Vogelpostzegels, een kortstondige hobby

Als jongen van een jaar of veertien heb ik mij nog een poosje toegelegd op het verzamelen van vogelpostzegels. Vanavond vond ik een verstofte envelop terug met een aantal exemplaren.

– De meest curieuze, dankzij zijn driehoekige vorm,  is de trotse, maar enigszins naïeve gier van de Islamitische Republiek Mauretanië:

vogelpost 1
– De Bondsrepubliek Duitsland gaf deze hop uit, met wat opcenten voor de jeugd – het gaat dus om een equivalent van onze kinderpostzegels:
vogelpost 2
– De fraaiere exemplaren echter, kwamen uit het Oostblok, waar ze volgens de mare werden geproduceerd om aan westerse deviezen te komen. Een voorbeeld uit een kippenserie van Roemenië:
vogelpost 3
– En dan onze grutto op een postzegel uit Polen:
vogelpost 4
– Nee, dat hadden die ouwe communisten wel goed voor elkaar: de plaatjes op hun zegels.