VERA in details

903500

Prachtige serie details van muziekcentrum VERA in Groningen, gemaakt door Tuppus (Tup Wanders). Ik was er vrijwilliger van 1979 tot 1981, de beelden roepen allerlei herinneringen op.

Meer van de maker:
Concertposters
Visitekaartje


Saul van Messel als leraar

JaapMeijer

Soms heb je als journalist veel te veel materiaal voor een stuk. Zo telde mijn interview met de nieuwe decaan bij theologie, Ed Noort, zelfs in uitgewerkte staat nog steeds ruim 600 woorden teveel voor een UK-pagina waar 1200, 1300 op konden. Domweg iets te enthousiast bezig geweest, zullen we maar zeggen. In zo’n geval is het adagium: kill your darlings, en dit keer betekende dat bijvoorbeeld het schrappen van een passage over Jaap Meyer, niet alleen de vader van Ischa Meyer, maar ook – onder zijn pseudoniem Saul van Messel – een zeer gewaardeerd Gronings dichter. Gelukkig heb je dan nog een weblog om zo’n om zeep gebrachte darling een wederopstandig te bezorgen.

Noort was op het Coornhert Lyceum in Heemstede leerling van Jaap Meyer geweest. “Voor zover ik weet, kwam dat dichterschap pas later”, zei Noort. Volgens hem was Jaap Meyer

“nog een echt ouderwetse gymnasiumleraar die in de wetenschap meedraaide en regelmatig publiceerde. Hij was een fascinerend verteller, maar ook best veeleisend. Het was niet iemand bij wie je alleen de jaartallen hoefde te leren, om er verder van af te zijn. Daar had hij niets mee. Maar als leerling moest je daar wel van houden.”

In de zoon, Ischa , zag Noort later veel van de vader terug:

“Qua grootte, lichaamshouding, gezichtsuitdrukkingen, de wijze van charmeren en het soms genadeloos doorprikken van iemand – bij beide waren die eigenschappen aanwezig.”

De hele familie Meyer was slachtoffer van onder meer het concentratiekamp Bergen Belsen. Legendarisch zijn de botsingen tussen vader en zoon:

“Jaap Meyer was zo’n vader die zijn kinderen inderdaad verstootte, en de deur niet meer voor ze open deed. Nee, dat gebeurde niet alleen bij Ischa.”

Noort bleef bij zijn omzwervingen als student en wetenschapper altijd contact houden met zijn oude leraar:

“We schreven nog wel en stuurden elkaar dingen op.”

Vanzelfsprekend kreeg Jaap Meyer ook een uitnodiging voor Noorts Groningse oratie, op 8 juni 1993. “Hij liet niets van zich horen”, vertelde Noort me,

“en dat vond ik al vreemd. Anders kreeg ik altijd een reactie in dat zwierige handschrift van hem. Naderhand hoorde ik dat hij precies op die dag is overleden.”

Hetgeen me nog deed denken aan een gedicht van Jaap Meyer / Saul van Messel:

De weg terug:
Voordat de kist van ongeschaafde planken zal worden gesloten
wordt volgens overoud gebruik in de diaspora het joodse lijk
plechtig bestrooid met aarde uit het heilige land
dat in kleine zakjes in joodse gemeenten wordt bewaard.
Als ik ooit nog eens naar Israël verhuis
zal ik niet vergeten een zakje zeeklei mee te nemen (uit het Oldambt)
en een zakje laagveen (uit Westerwolde)


Gangster-acteur leeft zich teveel in

Gister overleed een New Yorkse politieagent na een schietpartij met inbrekers die hij op heterdaad betrapte. Een van de verdachte cop-killers blijkt de 29-jarige Lillo Brancato, een acteur die voorkwam in de maffia-televisieserie The Sopranos. Brancato kreeg in november al een lemma in de Wikipedia, dat meteen flink aangevuld is.

Brancato speelde in zes afleveringen van The Sopranos mee. Hij verdween uit zicht via een executie, uitgevoerd door de gangsterbaas, Tony Soprano. Brancato speelde altijd mobsters. Twaalf jaar geleden maakte hij als acteur zijn debuut in ‘A Bronx Tale’, een film onder regie van Robert De Niro, die daarin zelf de hoofdrol speelde. Om zijn sterke gelijkenis met de hoofdrolspeler pikte De Niro’s agent Brancato indertijd van een strandje op.

Je zou bijna nog vermoeden dat de acteur aan research deed, om te leren hoe dat nou echt voelt, een gewapende inbraak plegen. Maar nee, in juni ontdekte de politie bij een verkeerscontrole al eens meerdere zakjes heroïne in zijn auto. Blijkbaar leefde Brancato zich toch wat al teveel in zijn rollen in.


Artistieke lingo

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Omdat gistermiddag de fietsenkelder van de Harmonie in verband met Sinterklaas al om vier uur dichtging, en mijn fiets alzo achter slot en grendel bleef, moest ik vanochtend lopend naar mijn werk. Dat nadeel heeft ook weer een voordeel: je staat sneller ergens bij stil. En je bent ook gauwer geneigd iets te fotograferen.

Zo kwam ik langs het Tschumi-paviljoen op het Hereplein, dat zaterdag weer eens een nieuw aanzicht kreeg. Er staan vijf panelen in, met elk 24 lichtgevende symbooltjes, al met al wel 120 verschillende. Een computer-programmaatje maakt daar per paneel weer een letter van en die letters vormen samen om de twintig seconden een nieuw vijfletterwoord. In feite vormt het geheel dus een soort van artistiek verantwoorde lingo.

Tot 1 maart kan iedereen zijn eigen vijfletterwoord nog opsturen naar de organisatie achter dit kunstwerk – deschool@home.nl – die plechtig heeft beloofd dat ze de ingezonden woorden zal opnemen in het aansturingsprogrammaatje.

Helaas kunnen mensen het ding niet rechtstreeks via internet beïnvloeden. Dat zou ik nog veel mooier gevonden hebben. Die Tschumi-redactie zal er ook wel terdege op letten, dat het allemaal verschillende woorden zijn. Daarmee is spijtig genoeg een stokje gestoken voor het spammen van mijn voornaam. Graag had ik een ferme verklaring tegen deze lieden afgelegd, maar het wordt me niet gegund. En daar zal ik dan maar in berusten.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


Vertelkunstenaar

26 vertelkunstenaar

Een performer moet zich meteen goed in de kijker spelen, vindt hij: “Draag een hoed, haal een schort uit je grootmoeders kast, neem de wandelstok van je overleden opa”. Zelf roert hij bij aanvang van een optreden steevast de trom. “Ik trommel alle aandacht naar me toe. Die trom is mijn icoon. Dat weten de mensen.”

Guillaume Pool, vertelkunstenaar uit Haren, geeft momenteel een cursus verhalen vertellen bij de USVA, het culturele studentencentrum hier in de stad. Natuurlijk lijden de cursisten aan podiumvrees, maar daar moeten ze zich niet te veel van aantrekken, houdt hij ze voor. Denk vooral niet te lang na hoe het verhaal ook alweer ging. “Laat het opkomen, opborrelen. Ga niet zoeken, dan raak je alle verhalen kwijt.”

Waarom hij zelf koos voor de vertelkunst, weet hij eigenlijk niet, zegt hij. “Ik weet wel wanneer en hoe het begon en ik weet heel zeker dat het nooit meer zal eindigen. Anderen zullen het van mij overnemen. Alles gebeurt per toeval.”


Anjet Daanje begint webfeuilleton

3 anjet daanje dudocq-spoortje2

De bij mij in de buurt wonende scenario- en romanschrijfster Anjet Daanje is vandaag een internetfeuilleton begonnen. Dit vervolgverhaal, De Januarikuur, schreef ze in 1998 als roman en is nog niet eerder gepubliceerd.

Voor degenen die Pharma-Bio Research in Zuidlaren kennen zal het verhaal nogal wat bekende elementen bevatten. Het speelt zich namelijk af in De Litsenburg, een kliniek die nieuwe medicijnen uittest op daarvoor betaalde, menselijke proefkonijnen. Warja Nagtzaam is een van hen. In De Litsenburg wordt Warja eerst opzettelijk besmet met een verkoudheidsvirus en krijgt dan drie weken lang een nog niet goedgekeurd, experimenteel geneesmiddel toegediend.
In deze periode moet ze gedwongen samenleven met een stel vreemden. Vormen de anderen weldra een hechte groep, Warja plaatst zich daarbuiten. Ze trekt al gauw op met een andere einzelgänger, Dizzy Nagtwaan, die aan een slaapdeprivatie-onderzoek meewerkt. Samen ontdekken zij dat de Litsenburg en zijn artsen iets te verbergen hebben.

Het feuilleton verschijnt vanaf nu in 53 wekelijkse afleveringen op het web. Iedere vrijdag komt er een nieuwe aflevering en naast tekst bevat zo’n hoofdstuk foto’s, tekeningen, recepten, en een plattegrond waar je door middel van van een tekenfilmpje doorheen kunt navigeren.


Drakeninflatie

Bij het opruimen van ouwe kranten vond ik berichten in het Parool en de Volkskrant over de archeologische activiteiten op het Damrak, waar ooit de haven van Amsterdam lag.Deze put op de Noordzuidlijn blijkt een archeologische goudmijn. Een topstuk dat er tevoorschijn kwam is het gave tinnen schutterstekentje van rond 1450, dat Sint Joris en de Draak voorstelt.

Sint Joris was de schutspatroon of beschermheilige van de Amsterdamse schutterij. De eigenaar van het insigne moet een burger geweest zijn, die met zijn wapen opkwam voor de stad. Zulke insignes werden door een tinnegieter gegoten in malletjes. Dat klinkt goedkoop, maar ongetwijfeld zat er in die tijd – figuurlijk gesproken – een behoorlijk prijskaartje aan vast. Hoe het onderscheidingsteken in de plomp belandde, daar kan je alleen maar naar gissen. Vertrok een malcontent of delinkwent voor altijd naar den vreemde en gooide hij dat insigne het water in om van zijn identiteit af te zijn? Of was het een daad van vernedering, uitgeoefend op een schutter die zijn eer vergat?

In elk geval wijst het insigne er weer op, dat in uitbeeldingen van Sint Joris en de Draak het monster lange tijd als vrij klein werd voorgesteld. Dat is een zelden onderbroken iconografische traditie van de Middeleeuwen tot in de twintigste eeuw, kijk hier maar. Of Sint Joris nu te paard of te voet, met lans dan wel zwaard de draak over de kling jaagt, in het gros van de gevallen torent hij hoog boven de draak uit, is de draak eigenlijk maar een petieterig monster, niet groter of afschrikwekkender dan een modale Komodovaraan.

Moderne figuratieven daarentegen, zoals Morillos en Hageman en allerlei fantasyschilders, maken in hun voorstellingen de draak juist veel groter dan Sint Joris. En hier treft dan een ongerijmdheid. Want de ouden geloofden vaak nog in het bestaan van draken, terwijl de moderne mens dat juist niet doet. Waarom beeldde die oude die draak dan af als een onderkruipsel, waarmee hij tevens de krijgskundige capaciteiten van de heilige Joris ernstig tekort deed, terwijl de ongelovige nazaat de draak van die kolossale proporties meegeeft?

Wellicht wilde de oude juist de andere, geestelijke grootheid van de heilige Joris benadrukken. Maar hij wist ook nog niets van Dinosauriërs af. Daarentegen gaat de ‘moderne’ de scepsis tegen met vertoon. En dat doet hij gewapend met kennis van de voorwereldlijke reptielen.


Pase el Agua

Geplaatst op 22 oktober 2005  reservata

Voor een wiskunde-proefwerk wilde ik nog wel eens schoolziek zijn. Op zo’n dag was het, dat ik ‘Muziek uit Middeleeuwen en Renaissance’ van Marijke Ferguson ontdekte, een radioprogramma dat later naar een voor middelbare scholieren toegankelijker uitzend-tijdstip verhuisde en dat ik toen regelmatig met mijn cassetterecordertje opnam.

Ik kocht ook platen. Onder andere van Musica Reservata. Met de mezzosopraan Jantina Noorman, die in de meer populaire deunen een enorme viswijvenscheur open kon trekken – hier een voorbeeld, aan te treffen op een latere plaat. Mijn eerste plaat van Musica Reservata was een goedkope sampler, ‘Muziek voor kerk en kroeg’, gekocht bij muziekhandel Spans in Meppel. Kant 1 opende met een dubbelzinnig Spaans volksliedje, ‘Pase el agua’, waarin een jongeman een meisje toeroept het water over te steken, om daar met hem rozen te gaan plukken:

“Pase el agua ma Julieta, Dama,
Pase el agua venite vous a moy.
Ju me’n anay en unvergel.
Tres rosetas fui culler,
ma Julioletta, Dama.
Pase el agua venite vous a moy.

Sinds ik mijn platenspeler de deur uitdeed, jaren geleden, heb ik dat lied niet of nauwelijks meer gehoord. Maar op YouTube blijkt nu ook die versie te staan:

(Logje herzien op 1 maart 2015, toen bleek dat de link naar een Andes-achtige versie van de Drolls zo dood als een pier was, waarop ik deze maar heb geschrapt.)


Henk Jurriaans obiit

13 henk jurriaans obiit

Henk Jurriaans, de stille kracht achter Marte Röling, is gister overleden, vlak voor zijn 65e verjaardag.

Toen het Harmoniecomplex de wimpel kreeg, ben ik eens bij ze op bezoek geweest, in Uithuizen. Stel je een gigantische Groninger boerderij voor, met op het erf onder andere terreinwagens en een starfighter. In de schuur meerdere projecten van Röling en haar partners, onder andere de wimpel. Ook is er, een beetje verloren in dat immense atelier, een open bibliotheek met een zitje.

Vagelijk wist ik dat er enkele legenden om Jurriaans heen zweefden, maar van de kapsonus of curieuze toestanden die je dan misschien verwacht, was hoegenaamd geen sprake. Het was gewoon een hele aardige kerel, in zijn met polyester besmeurde overall. Die vooral Röling het woord liet doen. Volgens Röling fungeerde hij als haar constructeur, haar technische man. Dat was de rolverdeling, zonder hem zou ze veel minder kunnen.

Röling en hij schuurden op dat moment van ’s morgens acht tot ’s avonds half twaalf aan dat beeld, vertelden ze. De twee huisgenotes lieten zich ook nog even zien. We dronken grote mokken koffie, en Röling bood me nog een sigaar aan, die ik beleefd heb afgeslagen.

Bij de onthulling van de wimpel, in juni 1999, ben ik niet geweest, maar ik zag ze er anderhalf, twee jaar later wel weer even bij terug. Want de wimpel was dankzij een storm iets uit het lood geslagen en moest eerst gespalkt om daarna met gelijkgekleurde polyester bij de voet te worden verdikt. Bivakkeerde het hele stel met een camper op het Harmonieplein. De rolverdeling bleef dezelfde: Röling extravert en bijna brutaal optimistisch, het boegbeeld en de matrone van de familiegroep. Jurriaans ingetogen, stug doorwerkend, dienend.

Vanmiddag las ik in Het Parool dat hij overleden is, en door dat bericht komen de ouwe verhalen ook weer boven. Over zijn wekenlang naakt poseren als levend kunstwerk in het Stedelijk Museum, medio jaren zeventig, over zijn achtergrond als psychotherapeut en guru van de ‘gekte-sekte’, over zijn uitlatingen die nu helemaal niet meer kunnen, en over zijn harem. De harem waar je als burgermannetje misschien hele wilde fantasiën over hebben kunt, maar die er in Uithuizen maar verdomd gewoontjes uitzag.


Druk

Heb het druk.
Maar gun jullie ook wat:
nietsdoen,
illusies en
extase.


Frown!

Een hele lading alleszins genietbare, cartooneske pauzefilmpjes. Met robots.


Hiëronymus

le chat noir

Omdat zo’n beetje alle webloggers van Nederland momenteel wegens verregaande komkommertijd vertederend over hun poezen smoezen, hier voor de broodnodige nuance op al deze zoetflemende poezenpropaganda het zelfportret van een nietsontziende, hele gemene, inktzwarte kat:

Ik ben de kat Hieronymus
of eigenlijk de kater.
Ik ben geen zachte lieve poes,
geen dot, geen schat, geen lieve snoes,
ik ben een mensenhater.
Mauw, maaauw, máááuw!

Wanneer je me soms aaien wil,
bedenk je dan maar tijdig.
Mijn snorren staan steeds recht omhoog
en toegeknepen is mijn oog,
want ik ben altijd nijdig.
Mauw, maaauw, máááuw!

Helaas, de tijd waarin ik leef,
dat is voor mij een slechte.
Wanneer ik vroeger had bestaan,
was ik in dienst bij ’n heks gegaan,
een onvervalste echte!
Mauw, maaauw, máááuw!

Uit: ‘Waarom Daarom‘ van Hans Andreus (1967)


Sederende tafereeltjes

Con van Velsen

Omdat ik benieuwd was naar het meest recente werk van mijn vroegere teken- en kunstgeschiedenisdocent Rikus van der Meer, zocht ik de site van zijn galerie Wiek XX eens op. Helaas, geen werk van Rikus meer te bekennen. Wel hangen er in de Nieuweschansker galerie voor figuratieve kunst nog tot en met dit weekend acht miniatuurschilderijtjes van Con van Velsen.

Deze Van Velsen (1948), een autodidact, schildert met een loupe voor z’n ogen op formica, geen alledaags materiaal. Naar eigen zeggen zit hij daarbij zo dicht op zijn werk, dat hij er mentaal helemaal in opgaat: “Op deze manier reis ik door mijn zelf gecreëerde wereld en geniet van de rust en de ruimte”.

Inderdaad zijn z’n voorstellingen erg overzichtelijk en harmonieus. De achtergrond bestaat uit de dorps- en stadslandschapjes met torentjes, kerkjes, huisjes, weidjes, slootjes en koetjes die we ook kennen van antieke staartklokken. Inderdaad zijn het helemaal niets-aan-de-hand-tafereeltjes, even rustgevend als het sonore tikken van grootvaders’ overerfde uurwerk. Maar tegen deze sederende decors treft de kijker altijd een magisch-realistische twist of knipoog naar het hier en nu aan. Zo voorziet Van Velsen zijn Hollandse landschapjes, waarin water natuurlijk een cruciale rol speelt, op de voorgrond van zeilscheepjes die weliswaar refereren aan exemplaren uit de tijd van Jan de Wit, maar bij nader inzien blijken te bestaan uit klompen, of wastobbes. Ook projecteert Van Velsen menigmaal eierschalen tegen zijn decors, wat dan verwijst naar Jeroen Bosch.

Het is fascinerend werk, dat gezien de prijzen ook behoorlijk aftrek vindt. Al vind ik de titels minder geslaagd. Van Velsen houdt namelijk van woordgrapjes, en noemt bijvoorbeeld een Frans landschapje met uitspruitende knoflookbollen Air France. Dat mag dan grappig bedoeld zijn, het komt op mij melig over. Maar enfin, de komende dagen ga ik zeker even naar Nieuweschans, om het werk van Van Velsen wat beter te kunnen bekijken. Het is nu toch museum- en galerieweer.

Meer over Con van Velsen:

 

Kunstkabinet Het blaauw Laaken, Heusden

Museum Möhlmann

Speelkaarten

 


Prayer of a Goat

geit

“Lord, let me live as I will!
I need a little freedom,
a little giddiness of heart,
the strange taste of unknown flowers.
for whom else are Your mountains?
Your snow wind?
these springs?
The sheep do not understand.
They graze and graze, all of them,
and always in the same direction,
and then eternally chew the cud of their insipid routine.
But I – I love to bound to the heart of all Your marvels,
leap Your chasms and,
my mouth stuffed with intoxicating grasses,
quiver with an adventurer’s delight on the summit of the world!”

Carmen Bernos De Gasztold

(Overigens woont de gekiekte geit tussen Haren en Harenermolen, op de Hondsrug.)


Kunst op het industrieterrein

reneman

Dit gietbetonnen wandreliëf bevindt zich op een zijgevel van de gemeentelijke dienst Stadsbeheer, Gotenburgweg 46, industrieterrein Zuid-Oost, Groningen. Het werd in 1965 gemaakt door Max Reneman (1923-1978) en vormde oorspronkelijk een architectonisch element van de katholieke Mariaschool aan de Pasteurlaan in de wijk Corpus den Hoorn. Daar kwam het tot stand in het kader van de zogenaamde procentsregeling, die bepaalde dat één procent van de bouwkosten bestemd was voor kunstzinnige aankleding van nieuwbouw.

Toen de Maria-school in oktober 1997 afgebroken werd, dreigden de slopers ook dit wandreliëf aan gruzelementen te slaan. Nog net op tijd stak de weduwe van Coen Bekink, de architect van de Mariaschool, daar een stokje voor. Jaren lag het reliëf opgeslagen, tot er een poos geleden nieuwbouw kwam van Stadsbeheer, waar het kon worden ingepast. Tegelijkertijd kreeg het ook zijn oorspronkelijke kleuren terug.

Max Reneman was niet alleen kunstenaar, maar ook tandarts in Groningen en wetenschappelijk medewerker bij de vakgroep tandheelkunde aan de Utrechtse universiteit. Anderen vonden dat maar een wonderlijke combinatie van bezigheden en spraken Reneman daar wel eens vervelend op aan. Maar die bedacht op een gegeven moment voor zichzelf dat hij kunstenaar was als hij kunst maakte en tandarts als hij tandheelkundige diensten verleende, zodat hij voortaan immuun bleef voor dat soort gezanik.

Als kunstenaar was Reneman een anarchistisch angehauchte, sociabele organisator. In de jaren zestig vormde hij samen met andere kunstenaars de Insekten Sekte. Zelf ontwierp hij in dat kader een monument voor gevallen vlinders. Ook zat Reneman in het Amsterdams Ballon Gezelschap, dat voor zachte, geluidloze luchtvaart opkwam, en in het Deskundologisch Laboratorium, dat onder meer het fenomeen verveling onderzocht.

Meer over Max Reneman 1
Meer over Max Reneman 2
Het archief van Max Reneman