Bossina en de typische kunstenaar

1923 Bossina blog

Bij mijn weten heeft deze artistieke, kennelijk grappig bedoelde, maar toch ook wel wat vooroordeelbevestigende  advertentie van de befaamde Groninger firma Bossina niet zo vaak in de krant gestaan. Toen ik ernaar ging zoeken kon ik het exemplaar waarin ze gestaan had, helaas niet terugvinden. Wel kwamen er allerlei conventionele advertenties van Bossina voorbij, waar kraak noch smaak aan is. Mogelijk kon de artistieke advertentie niet door de beugel van de snel verhitte cliëntèle, en is ze daarom niet zo vaak geplaatst.

Het plaatje dateert uit 1923, dat heb ik indertijd nog wel genoteerd. De letters, zowel de chinezerige boven als de bol welvarende beneden zijn handgetekend. Links de indertijd archetypische kunstenaar, met flaphoed, lang haar, een opgedraaide snor en een sik. Hij heeft een te wijd uitgevallen broek en puntschoenen aan. Zojuist heeft hij een portret op de signatuur na voltooid en hij toont het model zijn werk. Zij zwaait alvast met haar staart. Straks loeit zij goedkeurend.

Aan de couleur locale is ook gedacht. In de verte achter de schildersezel zien we de Martinitoren links en de toren van de A-kerk rechts. Hetgeen betekent dat we het tafereeltje van de schilder en zijn model ten westen van de stad moeten situeren. Omdat de zon laag staat en als het ware tussen beide oudste stadskerken door schijnt, is het nog vroeg in de ochtend. Deze schilder is bepaald geen nachtbraker en langslaper. Wat dat aangaat, heeft hij niets weg van een later stereotype.


Leerzame en vermakelijke rariteiten

Miniatuur boekdrukpers

Miniatuur boekdrukpers

JOHANNA PIETERSEN, wonende by Der Akerk, Lett. B, no. 174, maakt by dezen bekend, dat zy opnieuw ontvangen heeft zeer LEERZAME en VERMAKELYKE RARITEITEN voor het aanstaande Sint Nikolaas Feest, als: onderscheidene Land- en Legkaarten, Druk- en Handpersen, Comedies, groote en kleine Kerken, Bruggen, Stallen, die alle ontleed kunnen worden, Belegerings-spellen, Schaak- en Lotto-spellen in soorten, Toren spellen, groote en kleine Toverlantaarns, allerhande NIEUWIGHEDEN in Dozen, groote Verschansingen, Opstel-Figuren in soorten,  Vischjes, Walvischjes, Schepen door Magneet getrokken, Vestings, Legers, Thee en Koffy Serviesjes, Stad en Jaarmarkten, Teeken-dozen, zeer onderscheiden, verder Winkels, Keukens, Leden en Leeven gekleedde en ongekleedde Poppen, zeer mooije Pleeten wagentjes, Kykkassen met enkelde en dubbelde Vertooningen en veel meer RARITEITEN, te veel om op te noemen. By dezelve zyn ook te bekomen: beste witte en gekleurde STOVEN, CHOCOLADE KETELS,  CITROEN-DRUKKERS en meer Artikels, die in een Houtwinkel behooren.”

Bron: Groninger Courant, 30 november 1819.


Blanke boeman was voorganger van Zwarte Piet

1536_4777blog1

Groninger Archieven 1536-4777: reclame J.H. van de Weijer.

In de geschiedenis van Zwarte Piet, voor zover nu bekend, zijn vier stadia te onderkennen:

  1. In de late Middeleeuwen werd de Sint Nicolaasviering een kinderfeest met cadeautjes en correcties, koek en gard.
  2. Eeuwenlang opereerde Sinterklaas in zijn eentje als kindervriend en boeman, maar in de achttiende eeuw kreeg hij gezelschap van een knecht. Hoe die helper eruit zag, is tot nog toe onbekend.
  3. Vanaf het tweede kwart van de negentiende eeuw werd de knecht zwart. Hij nam – tegelijkertijd of al eerder – de boemantaken van de Goedheiligman over.
  4. Na de nationalisering en commercialisering van het Sinterklaasfeest, zo tussen 1870 en 1920, raakte de figuur alom ingeburgerd ten koste van vroegere helpers van Sinterklaas, die nog zeer verschillende namen droegen.

Over de stadia 1, 3 en 4 heb ik weinig nieuws te melden.  Wat betreft het tweede stadium echter, waarin de knecht van Sinterklaas nogal slecht uit de verf kwam, vond ik jaren geleden een beschrijving  in het  allereerste nummer, uit 1797, van het Weekblad voor den zoo genaamden Gemeenen Man. Dit was een uitgave van het Nut in Groningen en volgens de later bijgevoegde inhoudsopgave in het deel dat de afleveringen samenbindt, werd het bewuste artikel geschreven door Mattheus van Heyningen Bosch, dan nog een zeer verlichte en patriotse student die zich ook wel Burgerhart noemde.  Later kreeg Van Heyningen Bosch nationale en zelfs internationale bekendheid als schrijver van kinderboeken, maar ook in zijn vroegste schrijfsels had hij al pedagogische aspiraties, wat ook blijkt uit zijn openingsstuk in het Weekblad voor den zoo genaamden Gemeenen Man.

In dat artikel verzet Van Heyningen Bosch zich tegen de zijns insziens “zeer wreedaartge” bangmakerij van kinderen door verklede en vemomde figuren,  vooral met Sinterklaas. Hij vertelt daarbij over een traumatische ervaring die hij zelf als kind had. Omdat hij in 1773 geboren was, en uit zijn tekst blijkt dat hij al wat Sinterklaasvieringen had meegemaakt, kunnen we die ervaring dateren op omstreeks 1780. Dit is zijn relaas:

“Eens bragt ik, met myne zuster, naar oudere gewoonte, op een Sint Niklaas avond een schotel by onze Grootmoeder. Wat gebeurt? Nauwelyks waren wy in den woonkelder, welke eenige trappen diep in den grond is, gezeeten, of daar wierd een geraas, als van iemand welke zeer zwaar stapt, boven in het voorhuis gehoord. – Dat geraas naderde meer en meer – Daar kwam iets klos, klos, klos met een verward gerinkel, als van yseren ketenen, en een angstig gebrom de trappen afstommelen. Nog heden ril ik er van. Eindelyk wy allen zagen verwonderd naar de deur en nu trad er iets in, dat meer de gedaante had van een monsterdier dan van een mensch. Het spook, beter weet ik het niet te noemen, had zoo veel wy zien konden eene koehuid omgeslagen, zoodat de hoornen vlak boven het gezicht kwamen, dat achter een yselyke scherbilskop of mombakkes verborgen was, en de staart kronkelde achter aan. ’t Geklos van de zwaare houten klompen, welke hetzelve  om de voeten droeg, gevoegd by het gerinkel der ketenen, om het midden geslagen en op den grond sleepende,  alles saam genomen gaf zulk een vreeslyk geraas en aanzien, als ik voor of na nimmer weer gezien heb. Hooren en zien verging ons allen. Het ondier ging langs den muur het vertrek rond, trad toen by de tafel in ’t licht, en vroeg met een holle stem: Zyn hier ook stoute kinderen? – Wy kleinen gaven een gil en vielen meer dood dan leevendig, mag ik wel zeggen, onze moeder en Grootmoeder op den schoot, die beiden, evenals wy, ook doodlyk ontsteld waren. Het monster vertrok gelyk het gekoomen was  en dit had, om kort te gaan, ten  gevolge, dat wy dien nacht geen ogenblik rust hadden. De eerstvolgenden waren niet veel beter en van toen af hebben wy, als kinderen, nimmer weer alleen durven slaapen. Veele jaren bleef ons, als wy aan dat geval dachten, een benaauwde beklemdheid by, en nu nog, zoo als ik reeds zeide, kan ik er koud van worden.”

Kortom, een zeer luidruchtige boeman met koeienhoorns, –huid en -staart, met een mombakkes op zijn gezicht, zware kettingen  om zijn lijf, en lopend op klompen, ging in Groningen (waar de auteur opgroeide) vooraf aan de verschijning van Zwarte Piet.  Deze boeman was niet zwart, anders zou Van Heyningen Bosch dat zeker gezegd hebben. Weliswaar noemt hij in zijn stuk ook “den zwarten man met den langen baard”, maar dat was een boeman die ouders uitdrukkelijk “by andere gelegenheden” van stal haalden om indruk te maken op hun ongehoorzame kroost.

Van het “monsterdier” of  het “spook”, zoals Van Heyningen Bosch de kinderschrik met Sinterklaas dus noemde, is helaas geen contemporaine afbeelding  bekend. Maar als er vanaf 1846 vignetjes bij de Sinterklaas-advertenties in de Groninger Courant verschijnen:

GrC 30.11.1849 a

Groninger Courant 30 november 1849

herkennen we hem nog aan zijn klompen:

GrC 30.11.1849 b

Als tekens van zijn waardigheid draagt hij een mand met presentjes (zoals een molentje) en een roe. Maar zijn mombakkes of gezicht – een verschil kan je hier niet zien – is overduidelijk wit.

Uit 1849 is toevallig ook een strooibiljet voor Sinterklaas-artikelen van een Groninger boekhandelaar bewaard gebleven:

1536_4777blognu echt

Groninger Archieven 1536-4777 reclame J.H. van de Weijer

(Zie tevens bovenaan dit stuk.) In dit geval heeft de figuur nog steeds klompen aan, maar lijkt zijn kleding meer op die van de latere Zwarte Piet. In plaats van de roe zien we een soort van staf. Maar het alleropmerkelijkst is toch zijn gezicht, dat sterk doet denken aan een mombakkes, en ontegenzeggelijk blank is.

Onze huidige Zwarte Piet verving dus een blanke boeman. Wat de reden was voor de substitutie weten we niet, maar het zou best eens zo kunnen zijn dat verlichte geesten, die hun kinderen pedagogisch verantwoord wilden opvoeden, de figuur een zachter aanzien wilden verschaffen, door hem de trekken te geven van de aloude moorse page die ze kenden van schilderijen.

De hele Zwarte Piet-historie toont weer eens aan, hoe sterk bepaalde tradities, die we bijna als een vast gegeven zijn gaan beschouwen, aan veranderingen onderhevig zijn geweest. De dynamiek hoort bij de traditie, en gezien dat feit mogen ook wij best wel veranderingen in de traditie doorvoeren.  Niet wij zijn onderworpen aan de traditie, maar de traditie is onderworpen aan ons.

NB: nog tot 6 december is in de hal van de Groninger Archieven, Cascadeplein 4, een presentatie te zien van historische prenten, foto’s, teksten en tekeningen die te maken hebben met de sinterklaasviering in Groningen.


De Groninger kermis anno 1828

Anton Pieck - kermis in Groningen

Bij het doornemen van een pamflettencollectie kwam ik de zoveelste druk tegen van de Roare Raize. De eerste editie verscheen in 1828 – Siemon Reker nam die op als openingsstuk in deel I van zijn bloemlezing Goud Volk, het gaat dus om een van de oudste stukjes Groninger streektaalliteratuur.

In Roare Raize bezoekt de ik-figuur, een ietwat naïeve Hogelandster boer, de kermis in de stad en trakteert ons ons op een levendige beschrijving van zijn ervaringen daar. Zijn eerste gang is er naar de poppenkast, zijn tweede naar een tent met vreemde dieren. Dan stapt hij de zeer drukke Vismarkt op, waar horen en zien je vergaan door het kabaal van de kooplui. Hij wil tussen de kramen door lopen, maar komt er ondanks trekken en duwen helemaal vast te zitten en stelt zijn aankopen uit. Dan verlaat hij de jaarmarkt en komt via de stoep langs de huizen buiten adem op het A-kerkhof aan, waar hij bij een kraam vijf oliekoeken naar binnen werkt en er ook nog vijf voor zijn vrouw koopt. Uit een van de zijstraten, waarschijnlijk de wegens prostitutie beruchte Lamme Huiningestroat (wegens de slechte naam in 1874 herdoopt in Akerkstraat), hoort hij een viool klinken, en uitgerekend daar gaat hij zitten drinken in een tent met animeermeisjes. De ongelukkige afloop laat zich raden. Die blijft hier achterwege, omdat ze niets meer met de kermis te maken heeft.

‘k Gong dan eerst noa karmis stappen,
Om te kieken noar de grappen
Van Jan Kloas, dij roare vent.
Of rais in de baistetent.

‘k Kwam op ‘t Vismark, wat ’n heeren,
Juffers, kooplu, dij der reerden.
Wat ’n jeuden, loos als rout,
Wat ’n kouke, wat ’n gout!

Nou gong ‘k deur de rouf hen kaiern,
Moar mit knoflen en mit bairen
Kwam ik hail nait op de glee,
Moar bleef op de zulde stee.

Dou gong ‘k op de riepe loopen.
“Loat dij lu moar eerst wat koopen”,
‘k Docht: “As ze noar hoes tou zin,
Dan za’k moaken da’k er bin”.

’t Volk steut mie, ik ’t volk op ziede,
En ‘k kwam endliek, haile bliede,
An Droakerkhof, boeten oam,
Bie ’n euliekoukenkroam.

‘k Har aptiet en koft er vieve
Veur vief cent, die sluig ‘k te lieve,
En ik koft er, veur mien vrouw,
Nog wat euliekouken tou.

En mitain, zoo onder ’t proaten,
Doar in aine van de stroaten,
Vlak bie woar de kroamen stoan,
Heurde ik de vioule goan.

“Kom”, zee ‘k, “k bin zoo muid van ’t loopen,
‘k Wil rais gauw ’n seupke koopen,
En rais heuren hou of ’t gait,
‘k Hol nog wel van vrolekhaid”

‘k Goa der hen en heur der dansen.
‘k Mag dei kunsten van dei Fransen
Wel nait geern, moar ‘k gong d’r ien,
En vruig ’n half oort brandewien.


‘Reise Pas voor een Dorstigen Broeder’

Een pseudo-oorkonde of -bedelpas uit 1766, waarschijnlijk opgesteld door enkele alcoholminnende studenten.

Ik Jeremias Just van Noytnugteren, Generaal Gouverneur van zijne hoog vorstelijke Doorlugtigheid Bachi, Groot Canzelaer van ’t Bredspil, Vrijheer tot Bierau, Directeur van de lange pijpen en Virginij Taback, ter tijd bestelde Aerts Sluijkmeester in Wijnheim, Baron van Werp- en Kaertenbort, Erfheer in Brandewijnhuisen, Raddick Opper-Opsiender te Zoutenborgh &c. &c.

Bekenne en oirkonde hiermede tegens iedereen dat toonder dezes, de dappre Hans Altoosdorstig van geboorte uit Brandewijnhuisen bij Nooitnugteren onder mijne onderhebbende dorstige Broeder Broederschap, als een goede opregte suijpbroeder 15 jaeren in een winter, 20 maenden in een somer, 124 uiren in een dag en 160 minuten in een uur getrouw en vlijtig heeft uitgehouden en in die tijd bij alle swaere kroegen, volle glasen, en opgevulde kannen gedaene dienste seer wel versien., zoodat ik en mijne geheele Broederschap met hem seer wel tevreeden zijn geweest en hem wegens zijnen goeden gedaene diensten graag langer hebben willen houden, maer terwijl hij met een onheelsaeme siekte in de sack en daerbij bevindelijke teering en maagenkoors is overvallen geworden, ook weegens altevroegtijdig afstervende kragte van credit zijne dienste niet meer kan voorstaen, zoodat niets meer bij hem overblijft, en dieshalven al zijn geld en goed heeft verlooren, nademael zulke siekte bij hem tot hier toe niet heeft kunnen worden gecureert, als heeft hij uit dien hoofde zijne demissie om aen vreemde plaatsen een been aentebinden verzogt, ’t welk men hem niet afslaegen maer veel meer verleenen willen.

Zoo gaat an alle hoge en nedrige van wat staat en conditie zij zijn van mij en onsen dorstige Broederschap en consorten van de werelt genoemden Hans Altoosdorstig bij bier en brandewijn alle goede genegentheid te toonen en als hij mogte in de mist of geut zijn gevallen behulpsaeme hand te bieden, ook in alle herbergen en gasthoven, als ook bij goede maaltijden vrij en onverhindert pass- en repasseeren te laaten, ’t welk ik altoos en aen mijn plaats tegens eenen ieder dorstigen Broeder naer standsbehoor te verschulden gehouden ben.

Tot naerder verzeekeringe hebbe ik deesen eigenhandig ondergeschreven en mijn angebooren zeegul daer onder gedruckt. Geschied in onze residentie te Zwijn-Egelsborg den 9 Feb. 1766.

Pond Braedworst
Jeremias Just Nooitnugteren Gen. Gouverneur
Bartelt Suijpuit bestelde secret[aris]

Bron: Archief familie Meekhoff Doornbosch (het inv.nr. dat ik in de jaren ‘80 op mijn fotocopie van dit stuk noteerde, komt niet meer voor in de huidige toegang).


Jonkheer gaat met het circus mee

circus - Toulouse-Lautrec

Het waren niet alleen volksjongens als Hachek die met het circus meegingen. Dat deed ook Reneke Meinaard Adriaan de Marees van Swinderen (18571889), de zoon van een gelijknamige stad-Groninger jonkheer en notaris, en daarmee de telg uit een eeuwenoud Groninger regentengeslacht, dat ’s zomers op de Allersmaborg in Ezinge resideerde.

Réné, zoals zijn roepnaam luidde, was dan wel keurig opgeleid als jurist en netjes getrouwd met een dame uit de betere standen, maar zijn hart ging uit naar paarden, en dan niet zozeer harddravers, als wel dressuurpaarden. In het opleiden en trainen van die paarden bereikte hij ook een bepaalde faam – hij werd “als schoolruiter met eere genoemd”. Hij stak zelfs zoveel geld in zijn sport, “dat hij geruïneerd werd”. Wat zijn vader niet op prijs stelde – met die leefde hij in onmin, die gaf hem geen cent meer…

Uit armoe besloot Réné om zich professioneel met de dressuur bezig te gaan houden:

“Zijn vrouw (…) offerde haar kostbaarheden en Réné kocht drie schoolpaarden van een stoeterij in Z.-Rusland. Het waren Koneylan, volbloed schimmelhengst, schoolpaard; Wladimir, isabel Orlofhengst met manen van ruim 1 M., school- en vrijheidspaard; en Arabi Pascha, een Arabische volbloed schimmelhengst, school- en springpaard, dat o.a. een hindernis van 1.50 M. zonder aanloop nam.”

Réné en zijn vrouw bereden samen de paarden “en voerden ook een correcte Troika uit”. Zelf volgden ze nog weer lessen. Daarna namen ze als Monsieur en Madame Réné een engagement aan bij het Italiaanse circus Mariani, waar ze met “groot succes” een half jaar lang werkten, tot René een longziekte kreeg.

Zijn vrouw ging alleen door met hun nummer en werkte ongeveer twee jaar bij de circussen Mariani, Bourbonnel en Pierantoni in Italië en Zuid-Frankrijk. In Alois kreeg Réné het zo zwaar te pakken, dat hij niet langer met zijn vrouw mee kon reizen.

“Mevrouw telegrafeerde haar schoonvader. Deze toog direct naar Alois, verzoende zich met z’n zoon en beloofde hem, voor mevr. Réné te zullen zorgen. De stervende schoolrijder liet zich daarna door z’n vrouw beloven, dat zij de drie paarden zou laten afmaken, daar hij ze niet aan een ander gunde. Réné overleed — 1889 — en mevrouw telegrafeerde direct naar Montpellier, waar het circus zich bevond, dat de dieren moesten worden afgemaakt. De directeur weigerde echter gevolg aan de opdracht van mevr. te geven. Mevrouw reisde nu zelf naar Montpellier. Hier was de zaak uitgelekt en in de couranten verschenen lange artikelen pro en contra mevr. Réné. De directeur van het circus bood 25000 francs voor de paarden. Tevergeefs. De veearts weigerde de paarden te dooden. Zekeren morgen liet mevr. Réné de drie paarden buiten de stad brengen, en schoot ze zelf dood.”

Als weduwe hertrouwde ze later met ene Otto, die hoofdredacteur was van het Duitse blad Der Artist.

Bron,


Ottenhoff & Bruins, in zoute drop, Oprechte Winsumer Zalf en Zogdrank voor biggen

Op de kop getikt – een etiket van Ottenhoff, Bruins & Co., vervaardigd door de steendrukkerij van Van de Ven & Huisinga aan het Damsterdiep in Groningen.
a drop
Ottenhoff & Bruins was een groothandel in drogisterij-artikelen, chemicaliën en verbandstoffen die van ongeveer 1914 tot 1957 bestond. Aanvankelijk zat het bedrijf aan de Muurstraat, op 7, vanaf ongeveer 1920 aan de Coehoornsingel, eerst op 44 en later op 75.

Het pand aan de Muurstraat droeg een naam: de Bijenkorf.  Die naam zien we als beeldmerk op het etiket terug. Omdat zowel Ottenhof & Bruins, als Van de Ven & Huisinga nog tientallen jaren bleven bestaan, hebben we daaraan weinig houvast qua datering van het etiket. Maar het centrale deel daarvan wordt omlijst door een Jugendstil-achtig motief, zodat het uiterlijk begin jaren twintig zal zijn ontworpen.

Ottenhoff & Bruins adverteerde zelf nauwelijks, maar het bedrijf werd in advertenties voor allerlei middelen genoemd als grossier, ook als het notoire kwakzalverij betrof, zoals de spullen die juffrouw Wortelboer uit Oude Pekela aanbood (1920) en de Oprechte Winsumer Zalf (of Opwinza) van de slager en veehandelaar Jacob de Vries (1917):
b - 1917 Winsumer zalf
Bij Ottenhoff & Bruins kon de wederverkoper tevens inslaan Van Schaik’s Hoestpoeder (1914), het aambeienpoeder Piline (1917), de maagtabletten van apotheker Grootendorst uit Utrecht (1919), allerlei tabletten van Freco zoals tegen de zenuwen (1922), Bayer Certan (1923), textielverf van het merk Vossenkop in Ster (1923), wormdroppels OBO – een eigen fabricaat dat eens tot een vergiftigingszaak leidde (1927) – Dermolin Wondzalf (1931) en Medina anti-roos uit Emmen (1932):
c - 1932 Medina
Naast medicijnen voor mensen deed Ottenhoff & Bruins in middelen voor dieren, zoals het wasmiddel tegen schapenmaden, gemaakt door K. Trip te Zuidhorn (1917),  een uierzalf van Spaanstalige herkomst (z.j.) en een speciaal soort biggenvoer van vermoedelijk Duitse makelij (1930):
d - 1930 zogdrank


Het kluchtig postuur van een gebochelde snijder

Een paar van de allereerste circusgezelschappen deden ook Groningen aan. Ze brachten vooral paardennummers, serieuze, maar ook komische. De plek waar ze die vertoonden was het weiland achter herberg de Vonk aan het Winschoterdiep.

Anders dan vaak wordt gedacht is het circus zoals wij dat kennen nog helemaal niet zo oud. Het bestaat minder dan 250 jaar. De term circus zoals wij die hanteren werd voor het eerst gebruikt in 1782, toen iemand in Londen een permanent circustheater opende, dat hij The Royal Circus noemde. De man was een voormalige employee van Philip Astley, die vlakbij, maar al veel langer, een soortgelijk gebouw had. Alleen noemde Astley dat geen circus, maar amfitheater of rijschool.

Met deze Astley (1742-1814), wiens circustheater ook beschreven is in The Old Curiosity Shop van Charles Dickens, hebben we de ware grondlegger van het moderne circus te pakken. Tijdens zijn leven was hij al een legende om zijn paardendressuur en -acrobatiek. Feitelijk was hij de eerste die paarden op muziek liet bewegen.

Als jongen viel Astley al op door het gemak waarmee hij paarden wist te manipuleren. Dat talent kon hij helemaal gaan botvieren, toen hij zich tijdens de Zevenjarige Oorlog liet inlijven bij een Engels regiment dragonders, dat de Pruissische koning Frederik de Grote langs de Elbe hielp in zijn strijd tegen de Fransen. Daar in Duitsland onderscheidde Astley zich door zijn moed, en schopte hij het tot sergeant-majoor.

hoed onder knie door

Eenmaal weer uit het leger zette hij zijn zinnen op een rijschool voor de betere kringen. Hij verdiende het daarvoor benodigde geld door het vertonen van allerlei kunsten met paarden. Bij het rijden van rondjes in zijn manege ontdekte hij, dat hij zich dankzij de centrifugale krachten op het paard in balans kon houden, en zo ontstond de allereerste ring. In 1768 verwezenlijkte hij zijn droom.

Paardennummers vormden dus de kern van het moderne circus. Maar Astley, die aanvankelijk alleen optrad, wilde meer variatie. Nou raakten juist in die tijd de traditionele Engelse jaarmarkten danig in verval. De daar nog apart opererende muzikanten, acrobaten, koorddansers, goochelaars en clowns verdienden steeds minder. Zij traden graag bij Astley in dienst en zo bracht Astley de mix van nummers tot stand, die nu nog steeds de circusvoorstelling vormt.

In 1772 liet Astley de ring in zijn amfitheater overkappen. Het gebouw, vlakbij de Westminster Bridge, trok van heinde en verre publiek. Maar Astley maakte met zijn mensen ook reizen naar Parijs, Brussel, Wenen en Belgrado, waar ze aan vorstenhoven furore maakten. Een artiest die hij in Frankrijk engageerde, Franconi, begon later voor zichzelf en werd stichter van de eerste met grote tenten rondreizende circusfamilie.

hoelahoep

Ook in Groningen maakten mensen in die tijd de geboorte van het moderne circus mee, zij het dat het hier nog uitsluitend ging om zomers openluchtspektakel. Op 12 juni 1773 vroeg een oudere collega en inspirator van Astley, de eveneens te Londen woonachtige pikeur Jean Simson, aan Burgemeesteren en Raad van Groningen of hij hier zijn “wonderbare kunsstukken in het rijden op paarden” mocht vertonen. Dat was geen probleem. En dus zette Simson een advertentie in de krant, om het Groningse publiek op zijn voorstellingen te attenderen:

“Met permissie van de Ed. Mogende Heeren Borg. en Raad der Stad Groningen, zal de Heer SIMSON, welke de eere gehad heeft, van voor zijn Doorlugstigste Hoogheid den Heere Erfstadhouder in ’s Gravenhage, en nog aan verscheide Hoven van Europa, te vertonen meer dan twintig wonderbaare Kunststukken te Paarde; dezelve alhier mede te doen zien op Dinsdag den 15 Juni 1773, en eenige volgende dagen.”

De ruime “vertoonplaats” die Simson vond, was het land bij herberg de Vonk buiten het Kleinpoortje. Meer precies bevond die herberg zich aan het (oude) Winschoterdiep, op de plek waar nu de Albino-flat staat. Het bijbehorende weiland erachter strekte zich naar het noorden uit tot de Boermandeweg – toen nog de weg langs de stadsgracht, die later grotendeels vergraven werd voor de Oosterhaven.

Wat Simsons advertentie zo aardig maakt, is dat hij zijn belangrijkste nummers noemde. Zo sprong hij in volle vaart van zijn paard af en er overheen, bereed hij staande in een spagaat en met losse handen twee paarden tegelijk, en stond hij op zijn hoofd in het zadel:

“1. In den vollen loop regt en lings over het Paard te springen, en voort daar op weder op den Zadel te zitten.

2. Op beide Paarden te galoppeeren, hebbende het eene been hangende aan den hals, en de voet van het andere been in den mond.

3. Op beide Paarden staande, te galoppeeren zonder toom vast te houden, en drinkende teffens een glas Wijn.

4. De Piqueur, met één Paard, in een vollen galop, tot aan de Barière gekoomen zijnde, springt er lings af, en, terwijl het Paard over de Barière springt, springt hij alles teffens over het Paard en de Barière heen, zoo dat hij aan de regter zijde weder op den grond koomt.

5. Hij staat met zijn Hoofd op den zadel hebbende de voeten om hoog, en galoppeert in deze gedaante;

Te veel om ’t al te melden, en in de Biljetten nader gespecificeert.”

Jammer genoeg zijn die biljetten (zeg maar flyers) niet bewaard. Ook weten we niet of Simson veel publiek trok. Al ligt dat wel in de rede, omdat zo’n verzetje zich hier niet vaak voordeed. Net als Astley bleek overigens ook Simson een talentenjager:

“Zoo iemand geneegen is, de een of andere Kunst bij gem[elde] Heer te leeren, kan zig bij hem adresseeren buiten het kleine Poortje in de Vonk.”

over koord heen

Blijkbaar beviel het weiland achter de Vonk de Engelse kunstenmakers goed, want vier jaar later, in 1777, dienden zich daar twee collega’s van Simson aan, waaronder Price, opnieuw een ouwe kennis van Astley:

“Op HEDEN den 17 Juny en eenige volgende dagen tot Zaturdag voor de laatste maal, ’s avonds om 6 uur, zal de Heer PRICE en de Heer WATSON in de Vonk buiten het Klein Poortje, hunne groote en wonderbaare Exercitiën op één, twee, en drie Paarden op meer dan veertigderley onderscheiden manieren verrigten, waar van de meeste nooit door eenige andere in Europa zyn ondernoomen…”

Kennelijk werden er een eenvoudige tribune met meerdere rangen opgericht in dat weiland achter herberg de Vonk. “Daar is eene goede Zitplaats voor de Heeren en Dames”, verzekerden Price & Watson immers. De entree tot hun show was in elk geval niet goedkoop. Die bedroeg een gulden, ruim het dagloon van een vakbekwame, volwas timmerman.

Anders dan Simson, maar net als Astley, brachten Price & Watson variatie in hun voorstelling aan, door serieuze paardennummers af te wisselen met komische. Zo vertoonden ze “een Engelsche matroos in zyne grappige houding, rydende naar Portsmouth”. Maar ook imiteerde een van hen

“het klugtig Postuur van een gebochelde Snyder; verbeeldende te Paard rydende naar Brentford, om de Hr. John Wilkes te stemmen”.

Met dit laatste nummer toonden Price & Watson dat ze ware navolgers van Astley waren, want de aartsvader van het circus ontwikkelde ‘The tailor’s ride to Brentford’, zoals de act in het Engels heette, zo’n zeven jaar eerder in hoogst eigen persoon. Het was een hilarische farce, waarbij Astley aanvankelijk zelf als Billy Button (zeg maar Wimpie Knoop) in de ring verscheen. Deze kleermaker huurt een paard, maar het lukt hem almaar niet dat ros te bestijgen. En als hij uiteindelijk toch netjes in het zadel zit, weigert het edele dier eerst halsstarrig benen te maken. Plotsklaps echter, gaat het er als een speer vandoor, werpt de mislukte ruiter van zijn rug, achtervolgt hem door de arena. om hem uiteindelijk de ring uit te jagen.

x Taylor riding to brentford 1768 BrM

‘The tailor’s ride to Brentford’ werd een klassieker in de circusgeschiedenis. In allerlei varianten voerden circusgezelschappen het nummer nog tientallen jaren op, door geheel Europa en in wat andere vorm wordt het nog steeds wel opgevoerd. Oorspronkelijk baseerde Astley het echter op een actuele, politieke cartoon, voluit ‘The tailor’s riding to Brentford or the unaccountable sagacity of a horse’ getiteld. Deze prent, die het paard dus ook al toonde als de meest wijze, dreef de spot met de Londense middenstanders die achter de (toen nog) radicale en democratische politicus John Wilkes aanliepen. Wilkes was bij een lokale verkiezing in 1768 gekozen als parlementslid van Brentford, even buiten het toenmalige Londen, doordat Londenaren massaal alle wegen naar die plaats afgrendelden voor Wilkes’ tegenstanders. De prent nu, hekelde het feit, dat een eenvoudige ambachtsman zich boven zijn stand wilde verheffen door zich als ruiter te manifesteren en zich met de politiek te bemoeien. Ongetwijfeld was de circusact aanvankelijk behept met dezelfde moraal van schoenmaker blijf bij je leest (of kleermaker laat je naald niet in de steek).

y - Hogarth karikaturaal portret van John Wilkes met Vrijheidsmuts. 1763 Ets.

Price & Watson intussen, zetten op vrijdag 20 juni 1777 nog een advertentie in de Groningsche Courant, waarmee ze hun afsluitende optreden voor de volgende zaterdag aankondigden. In de gedeeltelijk nieuwe tekst maken ze ook gewag van kunsten met een touw, en een Juffrouw Bultley, waarschijnlijk dus een koorddanseres. Zelf hadden de heren overigens nog een sensationeel nummertje in petto: “Ook zullen zy een Kogel uit de Pistool schieten en op de punt van een Pennemes vangen”. Met zo’n lokkertje zullen de plaatsen op de tribune wel weer gauw uitverkocht zijn geraakt.

pistool afvurend

Na hun vertrek moest het Groninger publiek tot juli 1787 wachten, voor het nog eens naar een circus achter de Vonk kon gaan. Het was ook de allerlaatste keer, dat het weiland bij de herberg als circusterrein fungeerde:

“Met Permissie zullen de PAARDERYDERS van den Heer JONES, Directeur van de Groote Manedie te LONDEN, de eer hebben om op Donderdag den 26 July voor de eerste maal en geduurende eenige dagen, hunne extraordinaire Exercitiën en Manoeuvres op een byzondere Manier, dewelke hier nooit vertoond is te vertonen. Men zal met een, twee, drie en vier Paarden ryden, ook zal men te Paard de groote Sprongen doen, als over het Lint, en meer andere te veel om hier te melden.”

Dit keer vormde een variatie op ‘The tailor’s riding to Brentford’ het slotnummer:

“Men zal de Manoeuvres eindigen door Monsieur Dubois, dewelke de Party van de Comique Kleermaker zal vervullen, dezelve komt in de Manegie en vraagt een Paard om een Reis van Londen naar Parys te doen.”

Al droeg de kleermaker nu een Franse naam, hij bleef van het type domme August dat van misverstand naar misverstand strompelde. In een manege huurde men immers geen reispaard, laat staan voor een trip over zee.

Harry Perton

Eerder in iets andere vorm verschenen in wijkkrant De Oosterpoorter (ca. 2004).

spagaat


Scholtenmonument, Stadspark

“Men ziet den forschen kop, in brons gegoten, gemodelleerd door den fijnvoelenden kunstenaar Abraham Hesselink, die met groote liefde de hem bekende figuur schiep. Een tragische bijzonderheid aan dit werk van den meester verbonden is, dat hij plotseling stierf op den dag, waarop hij de laatste hand aan dit kunstwerk had gelegd.”

1b

“Voor de modelleering van het geheele monument was Mulock Houwer met Hesselink in overleg getreden. Dankbaar zullen wij hem blijven gedenken voor zijn artistieke medewerking, die ook Mulock Houwer op zoo hoogen prijs heeft gesteld. Het monument is in hoofdzaak van Beiersch graniet opgebouwd.”

2

“De bronzen reliëfs en de verdere beeldhouwwerken zijn uitgevoerd door de kunstvaardige hand van den bekenden heer J. W. van Tetterode, medewerker van den heer Hesselink. Zij symboliseer en, naar ik meen op voortreffelijke wijze, de paardensport en de paardenfokkerij waarvoor het bestuur der harddraverij vereeniging den ontwerper welwillend terzijde stond om de paarden van zuivere kwaliteit te doen zijn.”

3

“Wij zien de jeugdsport, uitgedrukt door de kranige figuren van een jonge vrouw en een jongen man, gereed om op te trekken naar de sportspelen, die in dit park op zoon intensieve wijze worden beoefend, voor de jeugd een bron van gezondheid in de vrije buitenlucht.”

4a

4b

“De kleurige wapens van Stad en Ommelanden toonen aan dat de hulde wordt gebracht door stad en lande samen.”

5a

5b

“De waterspuwers geven, door de klaterende stralen, de levendige geest weer van den man, wien dit werk is gewijd.”

(Niet meer aan te treffen, het bassin onder de spuwers is volgezet met bloemen.)

6

Bron /  meer lezen:


Groninger naturaliënverzamelaars (1825)

“Bijzondere verzamelingen van naturaliën vindt men hier vooreerst bij de volgende hoogleeraren:

  • Bij prof. P. Driessen eene van mineralen en hieronder bijzonder van Groninger steenen, versteeningen en kapellen.
  • Bij prof. G. Bakker eene van voorwerpen der ontleedkunde en vergelijkende ontleedkunde.
  • Bij prof. P. Hendriksz vooral van monsters en zieke beenderen.
  • De heer R.K. Driessen heeft eene verzameling van Groninger versteeningen en insecten.
  • De predikant J. Martinet Kuipers eene van naturaliën uit alle drie rijken der natuur en daarenboven vele zeldzaamheden, oorspronkelijk verzameld door deszelfs oom J.F. Martinet, te Zutphen overleden.
  • De heer J. H. Geertsema eene van inlandsche kapellen.
  • De heer S.P van Idsinga eene van opgezette vogels en conchijliën.
  • De heer A. van Berchuijs eene van opgezette zoogdieren, vogels en conchyliën.
  • De heer S.T. Emmen eene van inlandsche kapellen.
  • De heer Criens, bij den papiermolen, eene van opgezette zoogdieren, vogelen en visschen.

Behalve eenige andere verzamelingen, van eerstbeginnende jonge lieden, welke thans nog van minder belang zijn.”

Aldus de Korte handleiding voor vreemdelingen die het merkwaardigste in de stad Groningen willen zien, een toeristisch gidsje dat Theodorus van Swinderen eind augustus 1825 voor eigen rekening liet drukken.

Van de tien aanbevolen verzamelingen waren er drie van hoogleraren geneeskunde: Petrus Driessen, Gerbrand Bakker en Petrus Hendriksz. Verder zien we op de lijst een jurist, een predikant met een ooit beroemde oom, en vier personen uit notabele Groninger geslachten. Tot slot iemand die in het lompensorteerdersbuurtje bij de papiermolen woonde en die dus juist niet van gegoede komaf was.

Zoals ook wel uit reisbeschrijvingen blijkt, konden fatsoenlijke dames en heren zich bij zo’n verzamelaar aandienen voor een bezichtiging van diens kabinet. Wat er verzameld werd, spreekt meestal vanzelf, alleen gebruiken we termen als conchyliën en kapellen niet meer. Met het eerste werden vooral schelpen bedoeld en met het tweede vlinders.


Hoe Broekema zich presenteerde (I) Jannes de Vries

Vandaag arriveerde vanuit Drachten dit boekje, dat ik via Marktplaats kocht:
a 1928 omslag boekje Bij de zwarte menschen in zonneland
Niet dat het in het boekje zelf staat, maar deze uitgave van de Groninger stoomkoffiebranderij en theehandel Fa. P. Broekema dateert van november 1928. En het aardige is, dat Ploeg-kunstenaar Jannes de Vries het omslagontwerp en de tekeningen maakte.

Van Jannes de Vries is bekend dat hij er grafisch reclamewerk naast deed. Zo zegt de Wikipedia momenteel over hem:

Zijn deeltijdbaan als tekenleraar verschafte hem onvoldoende financiële middelen en de opbrengsten van zijn schilderijen waren niet genoeg om het tekort aan te vullen. Zijn activiteiten op het vlak van illustratie- en reclamewerk waren zo succesvol dat hij zich liet bijstaan door freelance medewerkers. Het ‘Bureau J. de Vries Ontwerper’ werd bekend door de ontwerpen voor blikverpakkingen van Tjoklat, Red Band pastilles en F. Broekema (koffie en thee). Daarnaast werd hij in opdracht van verschillende uitgeverijen boekbandontwerper. De inkomsten uit deze activiteiten verschaften Jannes de Vries de middelen om in 1937 een zomerhuis in Hooghalen te laten bouwen. Het ontwerpbureau was tot in de jaren 60 van de vorige eeuw actief. Van het werk is overigens weinig bewaard gebleven.

Dat ontwerpbureau heb ik niet in het handelsregister terug kunnen vinden. Ook adverteerde het niet in de krant. Ik weet ook niet of dat noodzakelijk was voor iemand in deze branche. Hoe dan ook, aan de hand van dit ene ontwerp voor Broekema kunnen we andere reclame-uitingen van de koffieproducent screenen op overeenkomstige stijlkenmerken.

Van de stoere letters op het boekomslag valt dan op, dat ze niet altijd uniform zijn.  De a is nu rechts, dan links schuin afgesneden, de Z is nu afgesneden en dan weer niet. Ook de witdistributie is ongelijk: het gaat om handwerk. Heel kenmerkend zijn het driehoekje dat het verbindingsstreepje in de a vormt en de het drietal afgesneden horizontaaltjes van de e.

In een briefhoofd van Broekema uit 1932 vinden we deze stijl gemodificeerd terug: het driehoekje in de a is nu een neerwaarts neigend streepje met nauw zichtbaar haaltje, terwijl de leggertjes van de e niet meer uniform scheef afgesneden zijn. Het briefhoofd kent een letterlogo: P.B met een kop en schotel erboven. Ook hier lijkt het te gaan om handwerk, getuige bijvoorbeeld de beide m’s:
b 1932 briefhoofd
Oppervlakkig gezien lijkt het briefhoofd in zwartwit gecopieerd op een kwitantie, die bewaard bleef uit 1937. Maar de regelmaat is hier veel groter en frivoliteiten als bij de a hebben het veld geruimd, terwijl de kop en schotel zich loszongen van het letterlogo::
c 1937 kwitantie c
Het blijft natuurlijk de vraag of De Vries wel consequent in één stijl werkte.

Van het merk Café Noir, dat in 1927 voor het eerst gedeponeerd werd, was dit na de oorlog het etiket:
d 1945 gedeponeerd merk
Er worden verschillende lettertypes gebruikt, waarvan de onderste, met het driehoekje in de a van Broekema, weer duidelijk verwantschap vertoont met dat op het boekje uit 1928. Werk van Jannes de Vries, zou ik zeggen. Vermoedelijk is dit Café Noir-etiket ook eerder rond 1930 ontworpen, dan na de oorlog.

Over het welbekende koffieblik van Broekema twijfel ik:
e 1950 blik
Het modernisme dat spreekt uit het boekomslag en het Café Noir-etiket, is in de vorm van de forse schreefloze letters zeker nog aanwezig in een advertentie voor koffiesurrogaat uit augustus 1940:
f 1940 surrogaat NvhhN 8.8.1940 affiche
Deze advertentie citeert echter ook een veel ouder reclame-affiche, waarvan de belettering naar het zich laat aanzien, gemoderniseerd is:
g 1940 z het oude affiche NvhN 8.8.1940 b
Mocht iemand dit affiche overigens nog hebben, dan hou ik me aanbevolen voor een foto, want als het al bewaard bleef, is het uiterst zeldzaam.

Hoe meer de koffie verdrongen werd door surrogaat, hoe meer de nostalgie toesloeg. In deze advertentie uit 1941 is de a een ware retro-a, die met zijn slingertje verwijst naar een gangbare Jugendstil-a van voor 1920. En nog erger – de kraantjespot op de verpakking moet suggereren dat de smaak van de inhoud nog ouderwets is.
h 1941 adv surrogaat met kraantjespot 28.11 NvhN

Op dit spoor ging de weinig stijlvaste Broekema na de oorlog door. Wel gebruikte de koffiebrander nog een tijdlang het letterlogo met de kop en schotel erboven, maar ik denk niet dat De Vries er toen nog bemoeienis mee had, want de kraantjespot bleek een blijvertje en in de jaren zestig keerde zelfs de aloude Witte Beer als beeldmerk terug. Maar daarover graag een andere keer.–


Koekebakker trots op akkedemie

Oud kaartje op de kop getikt met een ingekleurde tekening van het Groninger academiegebouw:
img080
De tekening is niet helemaal geslaagd, het academiegebouw lijkt qua toren en rechtervleugel zo plat, dat hij uit een bouwplaat lijkt te komen. Daarentegen springt de linkervleugel juist te ver vooruit. Maar deze feilen neem ik voor lief dankzij de precisie in details en vooral ook de gebruikte kleuren.

Het prentje zat ooit ingevoegd bij een verpakking koek van koekebakker Klaassens, uit het Herestraatgedeelte ten zuiden van het Zuiderdiep:
img081

Dat viercijferige telefoonnummer werd in elk geval van 1906 tot 1941 gebruikt.  Door de gebruikte terminologie (honig i.p.v. honing), spelling (cartons, telephoon) en de vormgeving van het kader, denk ik eerder aan de eerste helft van die periode dan aan de tweede helft.

Voor de leek lijkt het Groninger academiegebouw wellicht oud, dankzij de neo-renaissance bouwstijl waarin het opgetrokken is, maar het dateert feitelijk van 1909. Toen koekebakker Klaassens het kaartje bij zijn koek voegde, was het academiegebouw dus nieuwbouw. Dit gevoegd bij de optimistische kleuren van het kaartje levert op, dat Klaassens – en waarschijnlijk vele Groningers met hem – maar wat trots was op de architectonische aanwinst, en de toekomst van de universiteit zonnig inzag.


Schedellichting voor een fietsmachine

NvhN 7.8.1896 fietsen als machines

Nieuwsblad van het Noorden 7 augustus 1896.


Een waar woord en het allitereert ook nog

30 mei 1953 NvhN

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 30 mei 1953.


Groningens Ontzet was goede tijding in Amsterdam

Ontzetbericht

Toen het heugelijke bericht van Groningens Ontzet Amsterdam bereikte, ging drukker Jan Dirks op de Prinsengracht meteen aan het werk om dit nieuws verder te verspreiden.

Omdat het stuk niet voor iedereen even leesbaar zal zijn, zet ik het maar even om in hedendaags Nederlands.:

De bisschop van Munster voor Groningen niets anders vindende, dan kruit en lood, naast vele vrome en onversaagde krijgshelden, bleef de stad maar aanvallen, maar werd zodanig van binnenuit begroet, dat hij na enige weken belegering de stad heeft moeten verlaten. Daarbij heeft hij moeten achterlaten duizenden mannen, zowel doden, gewonden, krijgsgevangenen en overlopers, zodat zijn hele leger, dat 24.000 man sterk was, nu nog niet de helft over heeft. Waar de bisschop heen is, weet men niet. Nader bericht volgt.

Bron.