De Blauwe Haan aan het Damsterdiep

Tot mijn verbazing beschikt het RHC Groninger Archieven over een kleine collectie tabakszakken. Zulke zakken bestaan sowieso uit de allerminste soort papier: goedkoop, grauw en snel vodderig. Ze zijn niet bedoeld om te bewaren, maar om weg te gooien.

Dat ze in dit geval dat lot bespaard bleef, danken we ten eerste aan de diakenen van de hervormde gemeente Garmerwolde. Zo tussen 1808 en 1861 borgen zij kwitanties in zulk verpakkingsmateriaal op. Ten tweede was het waarschijnlijk een geluk, dat er vrij lang niet naar het spul omgekeken werd. Toen het kerkarchief van Garmerwolde naar het Rijksarchief overgebracht en daar geïnventariseerd werd, was het al wel zo bijzonder dat de inventarisator er een apart verzamelingetje van maakte, dat hij in een archiefdoosje deed, om te bewaren.

Inderdaad zien de zakken er van een afstandje onooglijk uit. Soms is het vignet nauwelijks te lezen zoals bij deze van De Witte Roos aan de Rademarkt (ca. 1800):

046 De witte Roos - Rademarkt b

In andere gevallen staat het vignet er juist heel mooi op, en is het met niet al te veel moeite digitaal vrij te maken en bij te werken:

079 de Blauwe Haan Ddp nz v

Wat we hier zien is een haan, geflankeerd door links een kruik met rappé (een soort snuiftabak) en rechts een vat met tabaksbladeren. Het geheel doet denken aan een uithangbord of een snijraam. De vormgeving, met die slanke bokaal in top en die guirlandes, lijkt uit het eerste decennium van de  negentiende eeuw. Maar misschien zit ik er ook wel naast en is het ouder of zelfs jonger.

De tabakszak met dit vignet kwam van J. Gruno in de Blaauwe Haan aan het Damsterdiep noordzijde, wiens brede winkel-assortiment op de puut wordt omschreven als:

“Onderscheiddene soorten van Marijland en Portorico Tabak, Sigaren, Koffij, Thee, Jenever, Brandewijn en Likeuren, Kruidenierswaren enz.”

Wanneer Jan Gruno op dat adres in al die zaken handelde, is eenvoudig te achterhalen, omdat er een grote tabaksfabriek uit zijn onderneming groeide, waarvan de geschiedenis bij het honderdjarig bestaan door de krant opgetekend werd. Gruno verhuisde in 1842 naar de Blauwe Haan, en verliet dat pand in 1869 weer voor een grotere fabriek, even verderop.

Op zich komt Gruno’s bewaarde tabakspuut dus uit het midden van de negentiende eeuw. Toch lijkt het beeldmerk veel ouder en ik meen daarvoor ook een aanwijzing te hebben in de vorm van een uithangbord met een Blauwe Haan dat hier zeker vanaf 1774 te zien was.

Ook toen al was het een kruidenierszaak, al handelde de toenmalige uitbater Jan ten Post getuige advertenties tevens in aanmaak- en ovenhout, baggel– en sponturf, boomolie, chocoladezoetemelkskazen, verfstoffen en zaaigoed als grauwe en groene erwten, zeeuwse witte bonen en klaverzaad.

Toen Jan ten Post in 1804 op zijn 63ste overleed, leken de nabestaanden de zaak eerst te willen verkopen. Toch ging zijn zoon Eiko ten Post ermee door, op hetzelfde adres aan het Damsterdiep, “alwaar de Blouwe Haan uithangt”.

In 1827 deed Eiko als eigenaar-bewoner zelf een poging om het pand te verkopen. Dit vastgoed omschrijft hij dan als:

“..eene neringrijke KOOPMANSBEHUIZING waarin eene reeks van. jaren de KRUIDENIERS-, TABAKS- en IJZERWINKEL met goed succes is geëxerceerd en nog op heden wordt gecontinueerd, verder geschikt tot differente Affaires, staande aan het Damsterdiep , alwaar DE BLAAUWE HAAN uithangt. “

De verkoop ging niet door. In 1837, een maand voor zijn overlijden,  waagde Eiko nogmaals een poging met een wat andere omschrijving in de krant:

“Eene zeer aanzienlijke en groote KOOPMANS BEHUIZING, staande aan het Damsterdiep , te Groningen, alwaar de BLAAUWE HAAN voorhangt, voorzien van ruime KORENZOLDERS, met een TUINTJE en ANNEXEN, waarin sedert onheugelijke jaren de KRUIDENIERS- en TABAKSAFFAIRE met het beste succes is en nog wordt uitgeoefend.”

En in 1840 noemt Eiko’s zoon Johannes Bartes ten Post het:

“Eene groote BEHUIZING met TUIN , staande en gelegen aan het Damsterdiep, te Groningen , in het Wapen de Blaauwe Haan, waarin sinds lange jaren de KRUIDENIERSHANDEL , het TABAKSKERVEN, SLIJTEN IN STERKE DRANKEN, alsmede het BOEKWEIT- en MOSTAARDMALEN met goed succes wordt uitgeoefend. Zijnde inmiddels de MOLEN met TOEBEHOOREN ook alléén, alsmede het geheel UIT DE HAND TE KOOP.”

Drie maal was dit keer scheepsrecht, op termijn. Want in mei 1842 maakte deze kleinzoon van de bedrijfsstichter bekend dat hij verhuisd was naar een locatie vlakbij:

“De ondergetekende, thans woonachtig in de Blaauwe Haan op den NIEUWEN WEG, nabij de STEENTILPOORT, berigt zijne geëerde Begunstigers , dat, ofschoon hij zijne Behuizing aan het Damsterdiep aan den Heer J. GRUNO verkocht heeft, hij evenwel de AFFAIRE in ROODE HAANTABAK van EIKO ten POST , KOFFIJ en SNUIF op den ouden voet blijft uitoefenen.
J. B. TEN POST , Eico Zn.”

Lijkt het er sterk op dat Jan Bartes het uithangbord en het roodmerk meenam naar de Nieuweweg, het merk Blauwe Haan bleef aan het Damsterdiep, getuige de tabakszak van Gruno in de Groninger Archieven.

Gruno was in 1839 begonnen aan het Schuitendiep met een grossierderij in koloniale waren, waar een tabaksfabriek, een koffiebranderij en een theepakkerij aan vastzaten. Deze onderneming groeide daar al gauw uit haar jasje. Vandaar de verhuizing in 1842 naar het Damsterdiep.  Op de nieuwe locatie specialiseerde Gruno zich in tabak, koffie en thee; de koloniale waren gaf hij er verder dus aan. En dat bleek een goeie strategie, gezien het feit dat in 1869 opnieuw naar iets groters verhuisd moest worden, waarbij Gruno zich helemaal in de tabak specialiseerde.

In dat jaar 1869 kwam een bedrijf in de ouwe Blauwe Haan, waarvan de naam nog steeds heel bekend is. Want Jan Gruno verkocht het pand aan het Damsterdiep, de koffiebranderij en de theepakkerij met het merk De Blauwe Haan aan Klaas Tiktak, die zijn bedrijf na verloop van tijd Stoom-Koffiebranderij en Chineesche Theehandel “De Blauwe Haan” ging noemen. Volgens de Wikipedia had Tiktak een “voorliefde voor hanen” en liet hij daarom het beeldmerk ‘De Blauwe Haan’ in 1900 officieel registreren. De auteurs van het Tiktak-lemma waren duidelijk niet op de hoogte van het feit dat het indertijd al een 130 jaar oude huisnaam was.

In elk geval voerde Tiktak het merk Blauwe Haan nog tot de oorlog. Daarna bleef de haan nog als figuurtje op producten staan, tot vrij recent nog.

In 1902 verving Tiktak het pand dat vroeger de Blauwe Haan heette, door een nieuwe fabriek op dezelfde plaats. In de topgevel was er een haan te zien. Tiktak bleef nog op deze binnenstadslokatie tot 1984, toen het bedrijf verhuisde naar een nieuw onderkomen aan de Rouaanstraat, waar het met behoud van het hofleverancierschap opging in de multinational Segafredo.


‘Jachtwater doodt levend onrein’

c - Jachtwater doodt levend onrein Leekster Courant april 1920 b

Leekster Courant, april 1920.


‘Water zover het oog reikt… ’

in den storm - linosnede - Wandelaar 1935

“IN HET OVERSTROOMDE GEBIED

Beeld van verlatenheid

Es. — Als de auto door Groningen snort, parelt de vroege winteravond reeds over de huizen. De stad werkt nog koortsachtig, de ramen van fabrieken en magazijnen staan geel van licht in de donkere straatwanden. Lichtreclames, juist in gloed gezet, werpen wonderlijke arabesken op het asfalt, dat druipt van regen; de wind raast langs de regen-bestriemde raampjes van den auto.

In snelle vaart schieten helverlichte caféramen voorbij, erachter de leege kamer, die straks weggevaagd zal worden door de dagelijksche stamgasten. Hoog tegen het grijs-zwart van de avondlucht, waarover nog vegen van licht schijnen, staat de dreigende geweldigheid van den Martinitoren. De auto zwenkt over de Vischmarkt, die leeg ligt onder het geweld van een sterken wind, langs de Brugstraat, verder langs water en spoorweg, totdat de Peizerweg, duister nu bijna, de stralenbundels van de koplampen tusschen zijn naakte boomenrijen vangt.

Links is, na de onderbreking van een rij kleine huizen, nog even tusschen het grauwe schijnsel van den wegzinkenden dag de zwarte massa te ontwaren, die het Stadspark nu is. In zijn mooie lanen zal nu geen stadsmensch de weelde der natuur zoeken, het Paviljoen zal verlaten en met doode oogen voor het vijvertje staan, in de volière zal de gouden fazant kleumerig ineengedoken zitten en de rhododendronbedden, die nog onlangs een lieve lust voor het oog waren, zullen heen en weer ruischen in den wind, die een orkaan gelijkt.

Als een gierende, sluipende demon is het geweld van de elementen langs den voortrazenden auto. Regen striemt en klettert langs de vensters, zwaar ronkend worstelt de motor met woedende kracht, die door de kale takken der boomen, langs hun natte stammen, langs de druipende telegraafpalen een helsch lied zingt.

Rechts ligt de groote Friesch-Groningsche Suikerfabriek, als een wonderlijk reuzenlichaam met lichte oogen in groote wijdheid rondom, de lichtjes van den weg naar Hoogkerk knipperen in een ver verschiet, door de achterruit zie ik Groningen, een vage lichtplek tegen de nu indigo-zwarte, geweldige leegte, die boven de doorweekte aarde is.

Nog een paar honderd meter en de weg is omzoomd van water: bewegend, klotsend tegen den wegberm, is hier de waterkracht, die dreigend ligt van horizon tot horizon. De trambaan ls nog vrij. De weg is droog.

De auto stopt en moeilijk worstel ik naar buiten, onmiddellijk gegrepen door een windvlaag. Striemend slaat de regen in mijn gezicht, tegen mijn beenen, langs de warme beschutting van mijn veilige warme winterjas. Er is hier niemand bij het tweede bruggetje van den Peizerweg. Het gevaar is niet geweken, zeker niet nu de loeiende, storm en de kletsende regen de watermassa’s opzwepen en doen zwellen.

Dit lijkt het tooneel van den dood.

Eenzaam en grauw ligt de geweldige watervlakte om mij heen. Een mast van de electrische centrale staat als een spookachtig lichaam uit deze grijze wereld recht omhoog. Als hier de elementen de overwinning behalen op den kleinen vernuftigen mensch, zal het water de stad angstwekkend dicht naderen, maar men heeft gerechtvaardigde hoop. dat de waterwolf zal blijven staan.

Het is wel eens erger geweest.

Voor angst is er nu nog geen reden. De weg is nog niet overstroomd en de tram heeft nog vrij baan.

De auto gaat verder: overal een beeld van verlatenheid. Hier en daar een klein accent van teederheid, als om de troosteloosheid rondom nog dieper en weemoediger te maken: een huisje staat omsloten door water: binnen zal bet des te warmen zijn, des te knusser in het licht van de lamp, dat zwak door de neergelaten rolgordijnen naar buiten schijnt. Het scherpe silhouet van een grillige kamerplant staat tegen het gele vierkant van het raam.

Even sta ik bevangen in het schrelle licht van snel naderende lampen…. een auto rent voorbij dan is de verlatenheid weer des te dieper.

Mijn auto ronkt verder.

Overal dit ééne, dreigend donkere: water, zoover het oog reikt, water, klotsend in het gras langs den weg, waarover de storm vaart met groote streken. Een eenzaam man die diep gekromd en zwijgend een dammetje opwerpt rond zijn huis, dat klein en nietig enkele meters van den weg ligt, zegt: „Er geen gevaar nog, al staat het water hooger dan andere jaren, maar men weet niet wat er komen kan als zoo de storm blijft groeien en de regen de watervlakten doet stijgen….”

Terug in de stad.

Ik word omvangen door de roezige beweging van den avond in Groningen. De straten liggen glimmend en sidderend in het licht van de heen en weer zwiepende booglampen. De menschen blijven thuis. De storm loeit om hun huizen, ln de rood gloeiende kachel, langs de druipnatte daken.

Als dit noodweer niet verstild tot een strakken winterdag, zullen vele handen en lichamen moeten zwoegen om den watergolf gevangen te houden tusschen de dijken, die hij woedend grommend bespringt.”

Bron: De Telegraaf, 7 januari 1932.

Toelichting: Het raadselachtige Es. waarmee deze reportage begint, slaat er waarschijnlijk op dat de auteur ervan Eduard Elias was. Tussen 1929 en 1932 fungeerde hij als hoofdredacteur van de noodlijdende Provinciale Groninger Courant, die een paar jaar na zijn vertrek zou opgaan in het Nieuwsblad van het Noorden. Elias is nooit eenkennig geweest, hij publiceerde vaak in meerdere kranten tegelijk en heette ook wel een ‘stukjesfabriek’.

Een dag na deze reportage in de Telegraaf stonden er foto’s van de beschreven overstroming in het Nieuwsblad.


Westkant stad, ca. 1780

Apoortenbuurtje

De stad vanaf de westkant, in een cartouche op de ingekleurde versie van de Beckeringhkaart, die omstreeks 1780 gemaakt is.

Boven alles uit torent de A-toren met de barokke spits zoals die toen nog geen zeventig jaar bestond. Korenmolens op de dwingers produceerden het brood- en pannekoekenmeel voor de inwoners. Als de stad belegerd zou worden, gingen die molens er bij voorbaat af en moest men overschakelen op rosmolens of nog primitiever maalgerei. Maar een beleg van de veste is er na 1672 dus nooit meer geweest.

Op de wallen verder lindebomen – de meidoornheggen die er ook stonden liet de kunstenaar weg, maar roken in het voorjaar natuurlijk heerlijk. Een extra reden om over de de wallen te flaneren, sowieso al een genoegen wegens het uitzicht op het omringende platteland.

In het midden van het plaatje de buitenste A-poort en daarachter, onder die puntjes met vlaggetjes, de binnenste. Buiten de A-poort omringt enige lintbebouwing het Hoendiep. Dit was de afvaartplaats van de trekschuiten naar Strobos en Dokkum en verder naar het westen. Er stonden hier meerdere herbergen, zoals de Zwaan, de Slingerij en de Stadsherberg, waar de passagiers terechtkonden. Gek genoeg zien we niet de grote stallen bij de herbergen. Ook die liet de kunstenaar weg.

En dan linksonder het Reitdiep, de route naar zee, met een smakschip dat huiswaarts keert. Vlak voor de Kranepoortenbrug zie je het Zwijneparadijs, bekend van de kidnap die hier plaatsvond. Achter de brug de Kranepoort en links van de brug een baar of stenen dam, die het hogere water van het Reitdiep scheidde van het lagere water in de stadsgracht. Als een vijand zou naderen, liet men zo’n baar springen, zodat het Reitdiepwater zich een weg kon banen over heel het platteland ten westen van de stad.


Thee met sentimentaliteiten

In het komende nummer van Stad & Lande komt er, naast een artikel over het Sterrebos, ook een stuk over de Groninger firma Kahrel’s, die in thee en koffie deed:
009
In dit geval kost het zoeken naar illustraties weinig moeite, want er is een overvloed aan beeldmateriaal aanwezig.

Zo voegde Kahrel’s al vroeg allerlei kleurige plaatjes toe aan haar theepakjes. Er was bijvoorbeeld een serie bijbelse voorstellingen, waarvan er twee resteren: de vondst van Mozes in zijn biezen mandje op de Nijl, en Izaak zegent Jacob. De maker moet haast wel dezelfde geweest zijn als degene die bonbondozen van bakkerij Crebas versierde:
014
Een beetje vreemd zijn de minifotootjes van kindertjes in allerlei kledij, waar zelfs een album vol van is.  Zoetelijke kitsch, net als deze reclame appellerend aan de meer sentimenteel aangelegde theeconsument, die kennelijk een interessante doelgroep vormde:
016
Dit Hollandse molenlandschapje met gezichtsbedervende eigendunk heeft dan weer iets impressionistisch, vooral in de behandelijk van het zwerk:
020

Overigens hebben de laatste drie plaatjes de selectie voor Stad & Lande niet doorstaan. Er is veel beter spul voorhanden. Wilt u dat zien, wordt dan lid,

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1774 (documentatie bedrijven etc.) inv. nr. 932/1+2.


Het juiste adres voor een caravanhandel?

d - NvhN 6.6.1959

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 6 juni 1959.


De democratisering van het orchestrion

Duits exemplaar

Sommige reaguurders hier meenden zich erg negatief te moeten uitlaten over het verschijnsel orchestrion. De een deed zijn beklag erover dat het apparaat live-muzikanten het brood uit de mond stootte. Een ander was alsnog verheugd dat dergelijke instrumenten in 1911 te Groningen het zwijgen werd opgelegd.

En dat terwijl het volk zo lang heeft moeten wachten op orchestrions binnen zijn dagelijkse bereik.

In 1790 speelde het eerste Orchestrion, dat van de Duitse musicus Vogler, al in Amsterdam. Dit “meesterstuk”, naar Voglers ontwerp gemaakt door de Rotterdamse uurwerkmaker Kunkel, werd gedefinieerd als een orgel van 16 voeten (bijna vijf meter) groot. Dit telde vier klavieren en heette orchestrion

“vermits daarin alle instrumenten vereenigd zijn en een volkomen orchest oplevert”.

Lange tijd zag men dergelijke, voortdurende verbeterde kunststukken alleen op kermissen, of men moest er speciaal voor naar een echt grote stad als Amsterdam. Pas in juni 1895 werden de eerste orchestrions in Groningen door een winkelier verkocht:

De heer A. J. Jonkhoff, Oude Boteringestraat, annonceert in dit blad een nieuw instrument, zijn piano-orchestrion. Er is in de laatste jaren op het gebied van automatische muziekinstrumenten heel wat geproduceerd, waaronder werkelijk goede instrumenten, maar het piano-orchestrion spant de kroon. Het is het volmaaktste wat er tot nog toe op dat gebied is geleverd, en men maakt zich, als men het instrument hoort spelen, ongerust over wat in de toekomst het lot der piano-onderwijsgevenden zal zijn, want het piano-orchestrion geeft zonder bespeler alles van de volledige opera-fantaisie tot „Trek maar an ’t touwtje” zoo goed — met alle fortissimo’s en piano’s en in de juiste maat— als de beste pianino mèt een bespeler, met een verdienstelijke zelfs.

Als instrument kan men zich werkelijk niets beters denken, en als meubel zal het in elk salon op zijn plaats zijn. Zoodat wij den heer Jonkhoff wel succes met dit instrument durven voorspellen.”

Jonkhoff 16.6.1895

Dat 1895 als het jaar mag worden gezien dat het orchestrion te onzent in veler bereik kwam, moge ook nog blijken uit een advertentie in de Winschoter Courant van de 16e oktober.  Hierin bood een Jacob Appeldoorn uit Paterswolde orchestrions te huur aan voor kasteleins:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Deze Appeldoorn, geboren in 1858 te Bolsward, was bij zijn huwelijk met een Paterswoldse arbeidersdochter in 1881 nog boendermakersknecht. In 1929 stierf hij echter als ober van het Familiehotel in Paterswolde. Volgens zijn patroons was hij daar “vele jaren  tot genoegen” in hun dienst geweest. Ik denk daarom dat Appeldoorn in 1895 niet voor eigen rekening handelde, maar als agent voor een fabrikant van elders. Het moet een bijbaantje voor hem zijn geweest. In het Familiehotel zal bij wijze van demonstratiemodel vast ook zo’n orchestrion hebben gestaan, de horden Groningers die er op hun traditionele zondagsuitje langskwamen, zullen ongetwijfeld voor mond-tot-mond-reclame hebben gezorgd.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Piano-orchestrion in museum Vosbergen, Eelde.


Relletjes in uitgaansbuurt na muziekverbod horeca

” ’t Gaf Zaterdag hier ter stede ’n heele consternatie onder de kastelein[s], die muziek laten maken in hun localiteiten. Namens den Commissaris van Politie werd hun ’s middags door politieagenten gewezen op het artikel, dat dien dag was afgekondigd en waarin staat, dat het verboden is om in de café’s, danshuizen etc. muziek te maken. En dat op Zaterdag, waarop de Zondag volgt: de twee drukste dagen der week. ’t Was voor velen ’n strop, doch men heeft zich maar aan de verordening te houden. Dat heeft men dan ook algemeen gedaan; er is geen muziek in de café’s gemaakt. Hetgeen echter niet wegneemt, dat er ontevredenheid heerscht onder die caféhouders. In een der bedoelde café’s werd ons verteld, dat het daar aanwezige orchestrion f 4000 had gekost. „En wat moeten we er nu mee?”, jammerde de kasteleinsvrouw. Een andere kastelein vertelde, dat zijn muziekinrichting f 2000 had gekost en dat die muziek zijn kostwinning was. Zoo zijn er meer…”

Aldus het Nieuwsblad van het Noorden van maandag 25 september 1911. De krant berichtte ook dat het muziekverbod een uitzondering kende  voor horeca-uitbaters die een vergunning van de burgemeester hadden. Die maandagochtend zaten er dus meteen al ettelijke kasteleins op het politiebureau, waar de aanvraagformulieren voor de vergunningen klaarlagen.

Een bericht meteen erna vertelt over de relletjes die “aan de orde van den dag” waren in de Nieuwstad en de Folkingestraat

 “De toestand is daar in den laatsten tijd onhoudbaar; fatsoenlijke menschen kunnen er niet meer wonen. Ook Zaterdagavond was het weer misère. Een troep van pl.m. 50 belhamels waren weer bezig den boel op de Nieuwstad op stelten te zetten.”

Het slachtoffer van deze relschoppers was een slager Van Gelder, wiens spiegelruiten sneuvelden. Ook de politie moest het ontgelden en werd met stenen en flessen bestookt. Twee agenten raakten licht gewond. De politie trok de sabel en schoot in de lucht, wat hielp. Vier “bandieten”, “allen bekenden van de politie” werden gearresteerd. Nog lang na de charges stonden groepjes bewoners van de Nieuwstad en Folkingestraat voor hun deuren na te praten.

Dat de opstootjes samenhingen met het muziekverbod, laat zich niet uit dit bericht aflezen, maar dat zo’n verband er wel degelijk was, blijkt uit de aflevering van de rubriek ´Los en Vast´ die op 30 september in de krant stond:

“De uitbarsting is zonder twijfel een gevolg van de nieuwe politieverordening, dat er in kroegen etcetera geen muziek mag worden gemaakt. Goed of verkeerd, het doet er niet toe. Het feit blijft hetzelfde, dat voor een deel van het publiek, al is het ook niemand sympathiek, toch, voor een deel daarvan de gelegenheid, waar het zich gewoon was te vermaken, is weggenomen, zonder… en dat is de kern van de zaak, zonder andere, betere gelegenheid. Geen weldenkende zal, evenmin als ik, het willen opnemen voor herriekroegen, ieder zal het met mij eens zijn dat betere uitspanning voor de bezoekers van zulke lokalen gewenscht is…”

Volgens de rubriekschrijver waren de relletjes mede te wijten aan het ontbreken van een politiepost in deze uitgaansbuurt. Hij voorzag nog enige spanning:

“Het is te hopen, dat het met deze paar dagen uit is geweest, doch dit zal eerst kunnen worden geconstateerd na hedenavond en nog eenige Zaterdagen. De politie zal er zich wel doorslaan. Dat spreekt. Daarvoor is ze politie, die in opdracht heeft de orde te bewaren. En, als men zoo onder de menschen hoort, dan merkt men, dat velen gelooven, dat de harde hand nog wel meer noodig zal zijn, voordat de lui, die bezoekers waren van dergelijke inrichtingen, elders weer een „vermaak” hebben gevonden, dat hun het oude doet vergeten.”


Hoe Groningen zijn helden eert

c Rabenhaupt jenever

Was vergeten te noteren wanneer deze curieuze jeneverreclame in de krant stond en met zo’n belettering is de advertentie ook moeilijk terug te vinden. Maar het merk kwam in elk geval in het najaar van 1952 op de markt, getuige een  stukje in De Tijd-rubriek ’s Lands Kroniek:

“Het was Groningens historisch uur en Rabenhaupt werd de held. Nog altijd is de stad hem niet vergeten, zoals ons winkelend opviel. Er is een jenever gefabriceerd In Groningen, die Rabenhaupt als peet heeft gekregen, illustere inval om zijn gedachtenis te eren. De geest van Rabenhaupt, gevangen onder de kurk, zal nu geschonken worden aan burgers en buitenlui. Met bitterballen als Berends bommen voor garnituur. Dat had die oude Pandoer nog moeten beleven: stellig zou hij de eerste zijn geweest om dit, zijn monument, hem door een dankbaar nageslacht gewijd, plechtig te ontkuiken. . . “


Bakkerij ‘De Tijdgeest’ (II)

Het oudste levensteken van De Tijdgeest, inmiddels bekend van de plaatjes, is een advertentie van begin 1918, waarin G.J. Douwes en E. Boddé “hunne geachte clientèle” bekendmaken,

“dat hun dividend van het jaar 1917 in de maand Februari thuis wordt bezorgd en dus niet als gewoon van het kantoor kan worden afgehaald.”

Blijkbaar waren er klanten-geldschieters die recht op een deel van de winst hadden. In deze advertentie heet hun gezamenlijke onderneming nog een broodbakkerij.

Eind januari 1918 formaliseerden de bakkers Gerrit Jan Douwes en Edze Boddé, beide woonachtig in Groningen, hun kennelijk al wat langer durende samenwerking. Ze maakten bekend:

 “dat zij van hunne Brood- en. Beschuitbakkerijen eene vennootschap hebben gevormd, welke zal worden voortgezet onder den naam van “DE TIJDGEEST”, aan den A-weg no. 33 en 34. Door de levering van prima kwaliteit Brood en Beschuit hopen zij zich de gunst van hunne geachte clientèle waardig te maken.”

Bij notariële akte legden ze als doel van hun firma vast

“het uitoefenen van het bakkersbedrijf in den meest uitgebreiden zin des woords en zulks ter voortzetting van de bakkerszaken, door ieder der vennooten tot op 29 Januari 1918 voor afzonderlijke rekening gedreven. De vennootschap is aangegaan voor 27 jaren, ingaande 1 Febr. 1918 en wordt geacht na afloop van dat tijdvak stilzwijgend telkens voor één jaar te zijn verlengd, behoudens schriftelijke opzegging binnen 6 maanden voor den afloop.”

Pas van een jaar later, begin 1919, dateert de eerste commerciële advertentie van De Tijdgeest in het Nieuwsblad:

1919 NvhN 13 jan 1919 beschuitfabr Tijdgeest

Er was op dat moment dus sprake van een beschuitfabriek die grotere partijen leverde aan andere bakkers en winkeliers. Dat het Douwes & Boddé voor de wind ging, en dat ze ook eigen steunpunten verwierven, bleek halverwege dat jaar, toen een makelaarsadvertentie gewag maakte van de goed verlopen verkoop aan beide heren van een winkelbehuizing annex broodbakkerij op de hoek van de Meeuwerderweg en de Oliemulderstraat (waar nu nog steeds bakkerij De Terp zit). Even later stelden ze in de persoon van A. Juistema, Kleine Steentilstraat 43, een vertegenwoordiger aan, bij wie de afnemers uit de provincie Groningen voortaan hun bestellingen moesten opgeven:

1919 vertegenwoordiger

Tot dan toe was er steeds sprake van Douwes & Boddé. Maar in het handelsregisterdossier voor De Tijdgeest, aangelegd in 1920, wordt alleen Edze Boddé nog als eigenaar genoemd. Waarschijnlijk trok Douwes zich uit het bedrijf terug. In 1922 liet hij aan de Nieuwe Ebbingestraat ‘Scala’ bouwen, een horecagelegenheid met toneel- en concertzalen. Dat er ook een koekbakkerij bij zat, bleek tien jaar later, toen Douwes als exploitant en eigenaar failliet ging.

Boddé bleef dus over in De Tijdgeest, anno 1920. Hij werd in 1885 geboren in Uithuizen, waar zijn vader ook al bakker was, en trouwde in 1910 een blokmakersdochter uit de stad. Het echtpaar kreeg een zoon en een dochter en verhuisde in de jaren twintig nogal eens, tot het een definitieve woning vond aan de Steenhouwerskade, op 3a. Onder die woning zat een filiaal van De Tijdgeest, genaamd ‘Bakkerij voor Pain Couvert’, dat in 1934 werd opgeheven.

Juist in die tijd probeerde Boddé’s Tijdgeest voet aan de grond in het westen te krijgen. In 1935 ging er een filiaal met depot open in Rotterdam, dat binnen het jaar twee keer verhuisde en op 1 maart 1936 de deur sloot, waarna er op 30 november van dat jaar een nieuw depot kwam aan de Bellevooystraat. Dit zou het langer uithouden. Een filiaal en depot in Amsterdam kwam er in oktober 1938, en wel aan de Rozenstraat.  Beide filialen zouden in 1946 worden opgeheven. In 1954 kwam er nog opnieuw een filiaal in Amsterdam, nu aan de Overtoom en gedreven onder de naam “De Grönneger”, maar dat werd begin 1955 alweer verkocht.

Voor zover advertenties daar zicht op geven, boerde Boddé goed in het Interbellum. Hij had in elk geval in 1927 al een bestelauto, Ook valt op dat hij in de jaren dertig regelmatig inpaksters vroeg voor in zijn beschuitfabriek, meestal meisjes van een jaar of 14 à 16.

In een aanvullende opgave uit 1939 aan het Handelsregister heet het dat De Tijdgeest brood, koek, banket, en beschuit produceerde, en hier tevens in grossierde. Die grossierderij werd in 1940 uitgebreid tot chocolade, suikerwerken, koffie en thee en hun  surrogaten, peulvruchten, jams, stropen en andere zoetwaren, biscuits, grutterswaren, meelproducten, pudding etc. De verbreding van het assortiment moeten we zien tegen de achtergrond van de oorlog. Kennelijk bracht the core business niet meer voldoende op en wilde Boddé ook op andere wijze zijn klantenbestand gaan bedienen.

In 1953 schonken Boddé en het personeel van De Tijdgeest een vrij omvangrijke som  aan het fonds voor de slachtoffers van de Zeeuwse Watersnoodramp. Blijkbaar kon het er toen wel weer van af.

Intussen was Boddé’s vrouw in 1948 gestorven. Een foto die vermoedelijk iets later genomen is, met een stuk of wat wat andere in het bezit van de ‘aangetrouwde kleinzoon’ Wim Spaak,  toont hem en zijn huishoudster Fien Bartelds voor de gevel aan de A-weg, op een zonnige zondag:

1930 1950 bakkerij de Tijdgeest Aweg

In mei 1958 verkocht Boddé De Tijdgeest en anderhalf jaar later stierf hij na een kort ziekbed, bijna 74 jaar oud. Hij werd, en dat was toch wel tamelijk bijzonder nog, gecremeerd in Dieren. Onder de advertentie van de familie stond de naam van zijn enige zoon Henk Boddé, een cellist die zowel muziekles als recitals gaf, maar ook bij het Noordelijk Filarmonisch Orkest heeft gespeeld. Het personeel van DeTijdgeest plaatste eveneens een rouwannonce voor de oud-patroon. Enigszins aandoenlijk is de advertentie van huisgenote Fien Bartelds, die naar eigen zeggen 35 jaar had samengewerkt met haar “lieve mijnheer”.

In 1960 vroeg De Tijdgeest nog eens een nette inpakster en viel de naam van het bedrijf ook eens in de rubriek voor gevonden voorwerpen, in beide gevallen een teken dat de nieuwe eigenaar, D. Westerkamp & Zonen, de onderneming voortzette. Uit deze periode stamt een logo, dat waarschijnlijk ook al onder Boddé in het briefhoofd gebruikt werd:

1960

In 1961, ten slotte,  ging De Tijdgeest op in de 3B-Bakkerijen. Door de krapte op de arbeidsmarkt werd personeel steeds duurder, bovendien stond het bedrijf voor “enorme investeringen”, o.a. qua hygiëne. Produktie en personeel werden naar de 3B-bakkerijen overgebracht. De bakkerij aan de A-weg ging dicht en kwam leeg te staan. Niet lang erna trok Edu Wazkowsky erin, de beeldhouwer die hier het joodse monument aan de Hereweg maakte. Maar dat is dus een heel ander verhaal.

Bronnen, behalve de gelinkte:

  • RHC Groninger Archieven, toegang 1774 (documentatie bedrijven), inv. nr. 1296 (logo).
  • Idem, toegang 1972 (Handelsregisterdossiers), inv. nr. 2000855.

Bakkerij ‘De Tijdgeest’ (I)

De plaatjes – gedrukt met reliëf – komen uit een oud plakboek. Ik denk dat ik ze omstreeks 1965, 1966 vond op de zolder van de boerderij in Feerwerd.

Brahmahoen:
1
Aardeekhoorn:
2
Lophiomys:
3
Lorie
4
“Bewaar de plaatjes, ze zijn leerrijk”, staat er achterop. En ook dat ze gedistribueerd werden via koeksoorten van beschuit-, koek-, en cakesfabriek ‘De Tijdgeest‘ aan de A-weg in Groningen. Bij de koeken van deze bakkerij zaten ook bonnen, en met 75 van die bonnen kon je een album krijgen om de verzamelde plaatjes in te plakken:
5
Met de kennis van nu denk ik dat de plaatjes van ver voor de oorlog zijn. Van na de oorlog dateert een album van De Tijdgeest, dat in het bezit is van de Groninger Archieven:
6
De plaatjes in dit album zijn glad, veel stijver, en een stuk minder mooi dan de plaatjes van de Feerwerder zolder. Ze spreken me ook veel minder aan. Zoals je ziet is het archief-album lang niet compleet:
7
De achterkant van het album uit het archiefdepot:
014

Morgen iets over het bedrijf.

Vindplaats van het album: RHC Groninger Archieven, toegang 1774 (documentatie bedrijven), inv. nr. 1296.


Een gereformeerde relikwie: de bijbel met ’t bloed van De Cock

“Tot 1916 heeft de kanselbijbel in de gereformeerde kerk aan de Ebbingestraat te Groningen ergens met een bloedvlek geprijkt. Deze bijbel was gebruikt door de eerste afgescheiden predikant van Groningen, Hendrik de Cock. Ds. de Cock is jong gestorven. Hij had een zwak lichaam. Op een zondagmorgen in 1842 kreeg hij tijdens de dienst een bloedspuwing, die zo hevig was dat het bloed ook op de kanselbijbel spatte, Enkele weken later is ds. De Cock gestorven. Begrijpelijk dat deze bijbel als kostbaar erfstuk bewaard werd. Helaas bestaat hij niet meer.  Toen in 1916 roodvonk heerste in het gezin van ds. Hamming heeft men uit een oogpunt van ontsmetting de bijbel moeten verbranden.”

Bron: De Nieuwe Holevoet 12 juli 1966


* AJP’s goddelijke amandeltjespudding

1926 NvhN 8.10, 1926 s

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 8 oktober 1926 (bijgewerkt)


Geheel in het bos? Van molens en bomen

Het Groninger Molenhuis houdt zich de laatstste tijd nogal bezig met molenbiotopen. In een goede molenbiotoop is er een vrije windvang, zodat de molen regelmatig kan draaien, wat op termijn veel onderhoud scheelt. Bomen echter, staan nogal eens in de weg. Het probleem wordt dan, hoe je de windvang kunt herstellen zonder al te veel bomenliefhebbers tegen je in het harnas te jagen.

In tijden dat de wind nog de belangrijkste leverancier van energie voor ‘industrieel’ gebruik was, zaten bomen ook wel eens in de weg van molens. Hiervan getuigen o.a. de vele ver­zoeken van mole­naars aan het stadsbe­stuur, zoals die zijn afgeschre­ven in de zogenaamde re­kest­boeken.

Vooral de korenmo­le­naars op de wallen en in de dwingers van de stad waren de bomen een doorn in het oog. Niet alleen vingen die bomen wind voor hun molens weg, zodat ze “hunne calan­ten” (bijv. bakkers, brouwers en jeneversto­kers) minder gauw konden bedienen, ook konden de molenaars een storm of een on­weers­bui minder vlug zien aankomen.

Maar het stads­bestuur was vrijwel nooit genegen tot kappen, en alleen tot snoeien bereid als dat hoogst noodzake­lijk was en dan nog vaak slechts op kosten van deze mole­naars zelf. De bomen vertegen­woor­digden immers een economische waarde voor de stad en voor een wisse­wasje lieten Burgemeesteren en Raad de stadshovenier heus niet met bijl of zaag tekeer gaan. Die man had het al druk genoeg met de lindebomen in de stad en de meidoornheggen rond de wallen.

Ook de uitbaters van de vier molens aan het oude Winschoterdiep komen enige malen in de rekestboeken voor, en wel vanaf 1760. Op 18 september van dat jaar zijn Burgemeester Van Sijsen en zijn bijzittende Raadsheren door de rest van het stadsbestuur gemachtigd om “bekwaame plantsoenen te doen in­koopen als meede bij uitbesteedinge of dag[lonen] boomen de weg buiten Klein poortjen te doen beplanten.” Blijkbaar wordt er met gezwinde spoed werk gemaakt van de jonge aanplant aan de oostzijde van het Win­schoterdiep, want acht dagen later hangen de belanghebben­den in de vier mo­lens van de westkant al aan de bel:

“Op ’t rekest van de geïnteresseerden in de oly, pel, en saagmolens buyten het Kleine Poortje. Hoe tot haar leedwesen zien, dat aldaar op de Trekwegh voor bij langs hunne molens op order van U Ed[el] Mog[ende] de gaten reeds worden gegraven om daar in hoogstaande bomen te planten, welke na verloop van enige weinige jaren tot die hoogte kunnen koomen dat rem[onstran]ten daar door van het genot van de oostenwind worden gefrustreert. Oversulx versoekende rem[onstran]ten dat de trekweg onbeplant mag blijven soo ver daar door aan de molens eenige schade van wind kan worden veroorsaakt, of, onvermoedelijk U Ed. Mog. bij gemel­te voorneemen mogten persisteeren, U Ed. Mog. als dan van nu af aan gelieven te verstaan dat gem[elde] bomen niet hoger sullen mogen worden als op de hoogte van de swikstelling van de respective molens.”

Dit verzoek om de bomen niet in de oostenwind van de molens te zetten, of tenminste niet de wiekslag daarvan te laten hinde­ren, wordt, anders dan de molenaars durfden vermoeden, niet gehono­reerd. “De H. H[ee]ren Borgem[eeste]ren en Raad difficulteeren pro hoc et nunc in het gedane verzoek”, zo luidt de apostille (of kant­be­schikking) op het rekest. Hier en nu derhalve geen inwilliging door hunne Edel Mogende, maar men is natuurlijk vrij om er nog eens op terug te komen.

Dat gebeurt pas als de bomen uit de kluiten gewassen raken, meer dan dertig jaar later:

“Op den req[ue]ste van C. Poelman, Jan Arkema en Comp[agn]ie, E.P. Smid, B. Doornbusch en Jan Beerta qq, eigenaren en directie hebbende over de windmolens buiten het Klein Poortje ten westen het Trekdiep staande. Hoe wegens de toenemende hoogte der bomen aan de oostzyde op het Trekpad staande, merkelyk worden belemmert wegens de doortogt der wind en [wat] van tyd tot [tyd] zal verergeren. Waarom geerne zouden zien dat die bomen tot een matige hoogte gebragt en gehouden mogten worden, even gelyk de bomen op dezen stads wallen meermalen geschied, te meer dewijl hun mede de vrije wind aan de westzijde merkelyk word gestremt door de wassende Plantagie buiten de Heerepoort, ’t welk een en ander voor hun van de nadeligste gevolgen ander­zins zal worden, als moetende van de wind bestaan. Zo verzoe­ken Rem[onstran]ten dat hieromtrent dusdanige voorzieninge moge ge­schieden dat gemelte bomen op een matige hoogte worden gebragt en gehouden.”

Ook dit keer wijzen Burgemeesteren en Raad het verzoek, dat ook wel erg is aangedikt – men schijnt zelfs last van het Sterrebos te hebben – voor­alsnog van de hand.

De eigenaars en zet­bazen komen er eind 1795, als er een patriottisch stads­be­stuur of Municipaliteit is gekomen, op terug. Ze dragen dan voor…

“…hoe derzelver fabryken weegens de toenemende hoogte der boomen aan de oostzijde op het Trekpad staande zeer merkelyk worden benadeeld, wegens de onvrije doortogt der wind. Daar bij ook aan de westzijde merklijk in de vrije en nodige wind worden gestremt door de aanwassende hoogte der Plantagie buiten de Ooster- en Heerepoorten, zodat het te dugten is dat in ’t kort hunne fabryken door opgemelde bomen op het Trekpad ter eenre en de Plantagie ter andere zijde geheel in ’t bosch zullen bezet raaken. Alwaarom verzogten dat de boomen aan de oostzijde op het Trekpad buiten ’t Kleine Poortje staande zoo verre opgem[elde] fabryken zig strekken, mogen worden weggeslagen.”

Deze klacht van onze ‘fabrikanten’ is zo mogelijk nog overdreve­ner dan de vorige en de voorge­stelde maatregel gaat ook verder. De Municipali­teit weigert het verzoek in te willigen.

Krap een jaar later doen de molenaars van het Winschoterdiep opnieuw een poging:

“…zoo vinden rem[on]st[rant]en zig nogmaals gedrongen wegens de toene­mende hoogte dier boomen te verzoeken dat wanneer de wegrui­ming derzelve niet kan geschieden, dat als dan dezelve op een matige hoogte van 23 à 25 voeten, zo verre hunne fabryken zig strekken, mogen worden gekopt, of Rem[on]st[rante]n nader in commissie daar over te verstaan.”

De molenaars hebben wat water in de wijn gedaan, de bomen mogen wat hun betreft zeven à acht meter hoog zijn. Dit keer toont het stadsbestuur zich niet onwelwillend en wordt de zaak in handen van een commissie gegeven, waartoe ook ene J. Poel­man behoort, wel­licht een familielid van een der beide hout­zaagmolenaars. Op het advies van deze commissie besluit het stadsbestuur drie maanden later, dat de molenaars voor deze keer de bomen tot “eene behoorlijke hoogte” mogen terugbrengen, zonder erbij te vermelden wat die hoogte is. Maar een behoor­lijke hoogte zal wel iets hoger zijn dan een matige.

In 1802, tenslotte, blijken de bomen weer drie meter aange­groeid. Ook dan komen de molenaars van het oude Winschoterdiep hun beklag doen bij de Municipaliteit. Ze zeggen vooral bij zomer­dag (d.w.z. hun hoogseizoen, bij winter ligt het diep immers dicht en is er geen aan‑ of afvoer) last te onder­vin­den. Het stads­bestuur staat vervol­gens toe dat de loten die sinds de snoei­beurt van 1797 aange­groeid zijn, worden afge­kapt.

Over meer gegevens uit de serie rekestboeken beschik ik niet, maar ver­moede­lijk heeft men de anno 1797 bereikte hoogte van de bomen na 1802 aange­houden.

Bron: RHC Groninger Archieven, toegang 1605: Stadssecretarie 1594-1816 (anders gezegd rood na de Reductie) inv. nr. 321; de reeks rekestboeken over de jaren 1672‑1815 bestaat uit 97 delen, die allemaal op microfiche in de studiezaal van RHC Groninger Archieven staan.

Dit logje is een bewerking van een artikel in wijkkrant De Oosterpoorter, ca. 1994.


* Amsterdam en wederkerigheid

De weg van Groningen naar Amsterdam, zo ondervond onlangs nog de twitterende directeur van Oude Groninger Kerken, “is veel korter dan van Amsterdam naar Groningen”.

Iemand die dat in de jaren veertig al haarfijn aanvoelde, was Marie Kamphuis, de directeur van de Groninger sociale academie welke indertijd nog een bilocatie van de Amsterdamse was:

“…de noorderlingen, in het bijzonder ik, werden op de bestuursvergadering in Amsterdam verwacht, waar we minzaam, met schouderklopjes begroet werden omdat we van zo ver gekomen waren, maar ons doen en laten gewoonlijk de sluitpost op de Amsterdamse agenda was. Terwijl de situatie andersom natuurlijk niet plaatsvond, die reis was te ver. Toen ik naar het noorden kwam dacht ik dat het geklaag van hen die hier woonden over achterstelling ongegrond was. Maar toen ik hier was, merkte ik al spoedig dat mijn opvatting op vooroordelen berustte…”

Bron: Marie Kamphuis, Kijken in de spiegel van het verleden (Deventer 1986) pag. 78.