Een vertoning zonder voorbeeld
Geplaatst op: 11 juni 2013 Hoort bij: Oosterpoort, Stad toen 8 reacties
Rond de Oosterpoort, zoals die van 1623 tot 1874 bestond, heeft zich veel afgespeeld. Toch maakte ze in al die jaren van haar bestaan slechts één keer onderdeel uit van festiviteiten.
Dat was in 1808. In de lente van dat jaar beleefde keizer Napoleon de gelukkigste dagen van zijn leven. Hij stond op het toppunt van zijn macht en glorie. Zijn legers hadden achtereenvolgens in de slagen van Austerlitz, Jena en Friedland gezegevierd over de troepen van Oostenrijk, Rusland en Pruisen. Daarmee beheerste hij bijna de gehele kustlijn van Europa. En als de despoot zijn voor dat moment enig overgebleven vijand, Groot Brittannië, niet met militaire middelen op de knieën zou weten te krijgen, dan zou dat wel gebeuren door een totaal handelsembargo: het Continentale Stelsel.
Om dat embargo in onze contreien tot een succes te maken, had Napoleon in juni 1806 zijn broer Louis tot koning van Holland benoemd. Al spoedig na diens aantreden bleek deze eerste Nederlandse monarch zich echter dermate met de Nederlanders te identificeren, dat zijn machtige broer menigmaal in woede uitbarstte. Zo ging ‘de goede Lodewijk’ Nederlands leren, wat volgens beleidsbepalers aan het hof in Parijs maar een ten dode opgeschreven taaltje was.
Bovendien verzette Lodewijk zich tegen de invoering van conscriptie (zeg maar dienstplicht) hier te lande, was hij in de ogen van zijn broer véél te laks in de veldtocht tegen Pruisen (1807) en liet hij oogluikend toe dat er de hand gelicht werd met het embargo van het perfide Albion, dat hier te lande voor grote economische schade zorgde.
Op 27 maart 1808 schreef Napoleon dan ook aan zijn broer, dat er wat hem betreft een eind kwam aan diens koningschap. Het Hollandse klimaat was niet goed voor broerlief – Lodewijk moest maar koning van Spanje worden, een suggestie die Lodewijk overigens niet opvolgde.
Juist in die dagen was het, dat de Groningse Oosterpoort de enige triomfantelijke intocht uit haar bestaan beleefde. De directieven voor die intocht waren begin maart 1808 al uit Den Haag ontvangen, toen des konings ministers van Binnenlandse Zaken en van Oorlog per missive aankondigden dat een gedeelte van de Zijne Majesteits armee uit Noord-Duitsland zou worden teruggetrokken “om in het midden van hunne vrienden en broeders te verblijven”. En aangezien de soldaten dapper gestreden hadden aan de zijde “van onzen grooten Bondgenoot”, daarbij aan grote gevaren bloot hadden gestaan, maar veel roem en voordelen voor het vaderland hadden behaald, gaf dat hun “de rechtmatigste aanspraak op dankbare erkentenis der gehele Natie”. Vooral in garnizoensplaatsen zoals Groningen mocht er derhalve niets worden nagelaten om de troepen een feestelijk onthaal te bezorgen. Welnu, Burgemeester en Wethouderen van Gruno’s veste maakten er met gezwinde spoed werk van: reeds op 14 maart lag er een draaiboek voor de intocht klaar.
Twaalf dagen later wist men precies waar men aan toe was wat betreft het te ontvangen en in te kwartieren legeronderdeel, het aantal manschappen en de datum van aankomst. Eerst kwam er een brief van kolonel Lycklama uit Bremen, die van generaal Dumonceau bevel had gekregen om de 21e maart zijn beide bataljons infanterie af te laten marcheren naar Groningen. En vervolgens arriveerde er een schrijven van de Minister van Oorlog, dat het door deze bataljons te vormen Groninger garnizoen zou bestaan uit 77 officieren en ongeveer 1800 manschappen.
Deze soldaten hadden deel uitgemaakt van de bij de Weser gestationeerde achterhoede van het noordelijke leger in de strijd tegen Pruisen. In naam van de koning hadden ze Ost Friesland bezet. Aangezien het gehele koninklijke leger uit zo’n 20.000 man bestond, ging het om een kleine tiende van alle Hollandse manschappen.
Het eerste bataljon zou op 29 maart de stad binnentrekken en het tweede een dag later. Beide bataljons kwamen langs het Winschoterdiep, over de Bonte Brug en langs de Griffe. Volgens de Provinciale Groningsche Courant, die er van beide plaatselijke kranten nog het meest gedetailleerd verslag van deed, leverden de drie dagen van hun aankomst en onthaal “eene vertoning op, waarvan, tot dus verre, in de jaarboeken onzes Vaderlands geen voorbeeld gevonden werd…”
Nadat men in het stadhuis bericht had kregen dat het zover was, stapten burgemeester Quintus, twee wethouders en de stadssecretaris in twee koetsen, die zich, voorafgegaan door vijf raadsdienaars met ongedekt hoofd, op weg begaven naar de Oosterpoort. Intussen was de hele route van de markt tot buiten de poort afgezet met gewapende burgers.
Bij de Oosterpoort gekomen, stapten de stadsbestuurders uit om te voet de brug over de gracht te passeren. Op de belendende wallen en andere plekken had zich reeds “een ontelbaare menigte van aanschouwers” verzameld. De troepen stonden in slagorde geschaard op het lage land langs de gracht.
Voor hun front hield burgemeester Quintus een toespraak, die meermalen onderbroken werd met de juichkreet “Hoezee, leve de Koning!”. Kolonel Lycklama kreeg vanaf een zilveren presenteerblad een met driekleurige linten doorvlochten lauwerkrans aangeboden, die plechtig op de spits van het vaandel werd gezet.
Even na drieën kon de eigenlijke intocht dan beginnen. Op de Oosterpoortenbrug kregen de manschappen palmtakjes uitgereikt, waarmee ze hun hoeden en mutsen versierden. Ze passeerden de Oosterpoort die door de kunstschilder Wieringa opgetuigd was als triomfboog. Deze Groninger ‘Arc de Triomphe’ zag er zo uit:
“De gewelfde ingang met bloemfestonnen behangen – de met laurieren omgeven inscriptie boven dezelve: Voor de te huis komende Overwinnaars, Blijde inkomst, gul onthaal en vreedzaam verblijf – de twee pylasters van rood marmer – de beide witte krijgstrofeën in witte nissen nevens dezelve – de grauwe borstwering met schilden verzierd, van pallemtakjes omgeven, met de woorden: Krijgsbeleid en Dapperheid, Roem en Eer – de witte kroonlijst, en op dezelve de prachtige balustrade met het Koninklijk Wapen in het midden…”
Achter die balustrade zaten de stadsmuzikanten te spelen. Terwijl de militairen met hun bereden staf voorop, met vliegend vaandel, slaande trom en “onder een keurig muziek” langs de van turfwagens gezuiverde en aangeveegde en opgeruimde Rademarkt en Oosterstraat marcheerden, tussen de rijen gewapende burgers door, waarachter het eveneens “als met Volk bezaaid” was, luidden de klokken van de Martinitoren, waarvan ook een aantal nationale vlaggen wapperde. Aangekomen op de markt volgde nog een parade, voordat het bevel ingerukt mars gegeven werd en de manschappen hun verschillende kwartieren konden gaan opzoeken.
Op woensdag 30 maart herhaalden deze taferelen zich na aankomst van het tweede bataljon. ’s Nachts waren de verschillende burger- en militaire wachten geïllumineerd. Op donderdag de 31e kregen de troepen bovendien een maaltijd aangeboden. Het voetvolk mocht zich in de Martinikerk te goed doen aan rundvleessoep, ham, witbrood, ruim bier en een halve fles wijn de man. Geen wonder dat de soldaten hierna “met gepaste vreugde in de stad omwandelden”. Van het bier lieten ze nota bene nog drie oxhoofden (ca. 700 liter) onaangeroerd staan, die het stadsbestuur verdeelde onder de diverse arm- en weeshuizen.
De onderofficieren werden onthaald in de Korenbeurs en de hoofdofficieren kregen een diner van 42 couverts in logement De Doelen, waarbij 94 flessen wijn soldaat werden gemaakt. Ook allerlei Groninger hoogwaardigheidsbekleders zaten hierbij aan. Maar liefst vijftien toasts werden uitgebracht: op de koning, de koningin, de prins, de keizer, de minister, het leger, de landdrost, de commandant, B&W enz.
Wat betreft keizer Napoleon, pas vierde in de rij, klonken de glazen na deze inzet:
“Hij is boven alle lof verheven. Na alle helden overtroffen en zich met alle Militaire eer overdekt te hebben, zal hij ons een eervolle Vrede bezorgen, het geluk der gehele Waereld!”
Vijf jaar later zou alles anders zijn. De Oosterpoorter ‘Arc de Triomphe’ was in het najaar van 1808 al afgebroken. Het stadsbestuur kon het hout goed gebruiken. Want hout was duur ten tijde van het Continentale Stelsel – Brittannia heerste immers buitengaats.
—
Dit verhaal is eerder in iets andere vorm verschenen in wijkkrant De Oosterpoorter.
Fré Meis en de Hongaarse Opstand
Geplaatst op: 5 juni 2013 Hoort bij: Stad toen 4 reacties
Het neerslaan van de Hongaarse Opstand door de Sovjets deed de gemoederen op 4 en 5 november 1956 hoog oplopen. Naast stille tochten en vreedzame demonstraties door de meer bezadigde geesten, waren er alom in de Nederlandse steden ook erupties van geweld waarbij de veelal wat jeugdiger heethoofden zich lieten gelden. In Amsterdam viel een menigte van een paar duizend jongeren aan op Felix Meritis, het gebouw waar de partijleiding van de CPN zat, dat ook onderdak bood aan De Waarheid, de communistische partijkrant. Er bleef geen ruit van het gebouw heel, en een voorhoede stak aan de achterkant van het gebouw zelfs nog bijna de drukkerij in de fik.
Ook in andere steden trokken relschoppers af op CPN-burelen. In Groningen vormden het partijkantoor, tevens Waarheid-agentschap aan de Tweede Willemstraat het primaire doelwit van een groep stenengooiers, terwijl de politie soortgelijke groepen nog net op tijd wist te verdrijven aan de Westersingel, waar de Eenheidsvakcentrale of E.V.C. zat, de communistische vakbondskoepel.
In de zwaar gebarricadeerde communistische bolwerken zaten gestaalde kaders klaar met knuppels, boksbeugels en ploertendoders om ongewenste binnentreders op te vangen en subiet weer naar buiten te werken. Aan de Tweede Willemstraat schitterde één persoon echter door afwezigheid. Dat was het boegbeeld, de fractieleider van de CPN in de Groninger gemeenteraad, tevens lid van het landelijke dagelijks partijbestuur: Fré Meis. Er stonden ’s avonds veel mensen voor zijn woning in de Violenstraat, hij en zijn vrouw waren bang voor een aanval, en kozen het hazepad. Ze klommen aan de achterkant van hun huis over een plat dak naar de christelijke buren en zochten vervolgens hun toevlucht bij een tante, waar ze overnachtten.
Soms zijn de felste agitatoren niet de grootste helden. Naderhand namen zijn kameraden het Meis danig kwalijk dat hij zo onder was gedoken. Ze voelden zich in de steek gelaten en klaagden bij het partijbestuur. Dat gaf Meis na onderzoek een standje. Voor straf werd Meis bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1958 geen Gronings lijsttrekker meer. Hij kwam op plaats 3 en verdween zo voor een paar jaar uit de raad.
—
Bron: Lejo Siepe en Gerrit Voerman, Fré Meis (1921-1992).: handelsreiziger in revoluties (Zutphen 2002) pag. 41-44.
Muizenstad (II)
Geplaatst op: 21 mei 2013 Hoort bij: Stad toen 3 reacties
Van een muizenstad, die in 1960 de stad Groningen aandeed, is nog een dossiertje bewaard in het gemeentearchief. De attractie maakte toen nog geen deel uit van de kermis, maar toerde zelfstandig door het land. In Groningen stond de houten tent, qua oppervlak 14 bij 11 meter, die zomervakantie van 2 tot 10 juli op een deel van de pluimveemarkt aan het Damsterdiep. Men kon hier de Muizenstad ’s middags en ’s avonds komen bekijken. De entree bedroeg 35 cent voor kinderen tot 14 jaar en 50 cent voor mensen die ouder waren. Dat lijken me prijzen die wel wat hoger lagen dan op de kermis.
De eigenaar van deze onderneming was H. de Man, een 64-jarige oud-timmerman die op Scheveningen woonde, maar in Den Haag een postadres had (zie briefhoofd). Bij het schijven waarin hij de gemeente Groningen om de vergunning vroeg, zat een bijlage, waarin hij vertelde dat zijn “complete miniatuurstad” jaren eerder uit een hobby ontstond. Rond 1956 was de zaak in een stroomversnelling geraakt doordat geïllustreerde bladen en bioscoopjournaals in binnen- en buitenland er aandacht aan besteedden. Ook was “dit vooral voor kinderen zo boeiend kijkspel” twee maal op de toen nog prille buis geweest. Maar “de kroon op het werk” was een bezichtiging in Den Haag door koningin Juliana –
“vanaf die tijd werd de eigenaar niet meer met rust gelaten en van alle zijden werd op vertoning van dit unieke schouwspel aangedrongen”.
De Man beweerde niet dat hij de eerste met een soortgelijke attractie was – dat zou ook een leugen geweest zijn. Als zijn unique selling point noemde hij iets anders:
“De verzameling kleurmuisjes die tentoongesteld wordt, geheel in sprookjessfeer, werd nog door niemand eerder gebracht en er mag van gezegd worden dat het geheel interessant en voor jong en oud attractief en bezinswaardig is.”
Over die “kleurmuisjes” straks meer. Een advertentie voor zijn Muizenstad heb ik niet kunnen vinden, waarschijnlijk werkte De Man met affiches. Op 5 juli kort staat er wel een kort interview met hem in het Nieuwsblad van het Noorden. Hij zegt dan “stapelgek” te zijn op zijn “schatjes”, waarvan hij de allereerste zo’n tien jaar eerder in huis kreeg, toen een fröbelschooljuffrouw hem vroeg om tijdens de vakantie op een stel witte van haar te passen:
“Kom”, dacht hij, “ik zal voor die juffrouw een paar aardige huisjes bouwen, waar die beessies leuk in kunnen spelen.”
Dit groeide dus uit tot een hele muizenstad en sinds 1957 trok hij met die show, en met vrouw, knecht en hond door het land.
De Mans Muizenstad doet getuige de foto bij het interview qua formaat en lay out sterk denken aan wat ik gister op de Ossenmarkt zag, met o.a. de molen, de uitkijktoren, het klapbruggetje en het reuzenrad. In totaal reisden er 1200 muizen mee, maar slechts 400 daarvan bevolkten op enig moment de muizenstad, zodat De Man er 800 in reserve moet hebben gehouden.
De gekleurde muizen waren niet opgeverfd, zoals je zou kunnen denken op basis van de brief aan de gemeente, maar hadden allerlei natuurlijke kleuren: wit, blauw, bruin en zo’n dertig variëteiten daartussen. Volgens De Man liep er nooit eentje weg: ”Daar heb ik ze voor opgeleid”.
Dat de gemeente Groningen een aardige grijpstuiver verdiende door de verhuur van de standplaats bij het Damsterdiep, blijkt uit het gemeentelijke dossier. Voordat de huur inging moest De Man al 325 gulden aftikken, te weten 225 gulden voor de negen dagen huur (ƒ 25,- per dag) en nog 100 gulden als waarborgsom. Om alleen al die lasten eruit te krijgen, moest zijn Muizenstad minstens duizend jeugdige bezoekers hebben. Bovendien betaalde hij de gemeente 20 % vermakelijkheidsbelasting op alle ontvangen entree.
De eerste automatiek van de stad
Geplaatst op: 18 mei 2013 Hoort bij: Stad toen 4 reacties
Van het eten uit de muur weet je dat het een betrekkelijk recent verschijnsel moet zijn, maar wanneer diende zich dat dan aan? Daar kwam ik achter dankzij een foto die Harm Renkema onlangs op Flickr plaatste, en waarvan hierboven een bewerkte uitsnede staat. De foto maakte me nieuwsgierig, ik stelde een klein krantenonderzoekje in en het bleek te gaan om de allereerste automatiek van Groningen, in 1932 gevestigd op het adres Herestraat 45, tegenover het Hoogstraatje.
Het Nieuwsblad van 4 april dat jaar bericht over de ophanden zijnde verbouwing van dat pand tot een “automatisch restaurant” onder architectuur van T. Holthuis KHzn., die namens eigenaar M.E. Vorenkamp de verbouwing aanbesteedde. De bedoeling was er een zaak van te maken “waarin spijzen, gebak, bier, limonades, likeuren, sigaren, sigaretten enz. uit automaten zullen worden verkocht”. Boven de pui zou een grote lichtreclame komen met de aanduiding „Automatiek”. Binnen kwam er een “zeer modern ingerichte ruimte”:
“De wanden zullen geheel bekleed worden met marmer, de vloer betegeld, om alles zoo rein mogelijk te kunnen houden.”
Leek dit wellicht wat steriel in die bruinminnende jaren dertig, er zou bovendien
“een gezellig zitje worden gemaakt; waar het publiek op haar gemak (…) een en ander zal kunnen gebruiken.”
Aan de expertise van de uitbater hoefde niet te worden getwijfeld. Die had internationale ervaring opgedaan::
“De heer Vorenkamp is reeds eenige jaren in het buitenland op dit gebied werkzaam geweest en dus goed op de hoogte met dergelijke zaak, welke voor Groningen nieuw is.”
Zoals later bleek, dreef Vorenkamp de zaak met een familielid. De verbouwing moest in mei klaar zijn, aldus het Nieuwsblad, want
“het perceel zal nog voor de as. kermis worden geopend”.
Op 10 en 11 mei vestigden advertenties inderdaad de aandacht op de opening:

– die op donderdag 12 mei plaatsvond, terwijl de kermis in opbouw was. Het Nieuwsblad wijdde een redelijk lang stukje Zakennieuws aan het fenomeen:
“Groningen heeft eens iets nieuws gekregen, nl een automaten-restaurant, het eerste m het Noorden en het derde in Nederland. (…) Een mooie bronzen pui, vervaardigd door de machinefabriek „Helpman” van den heer H J. Naaijer, geeft een royalen entree. Bij het binnenkomen ziet men links de automaten met daartusschen het buffet, waar koffie en thee geschonken wordt, omdat dit beter is dan via een automaat. Maar ook hier betaalt men met munten, die men zich kan aanschaffen door kwartjes te werpen in de kleinen wisselautomaten.”
Er zijn twee groote Vendor-automaten, ieder met acht spijsjes, 5 Paternoster-automaten, elk met 1 spijsje en 5 drankautomaten waarvan de bierautomaat van een geheel nieuwe constructie is, die de kwaliteit van dit bruischende vocht niet aantast, zooals tot dusver het geval was.
Voor het buffet staan 10 stalen krukjes en achter in het restaurant zijn nog een paar zitjes met tafeltjes. Een groote tafel met marmeren blad in het midden dient om de gebruikte koppen, glazen, enz. neer te zetten.
De spijsjes worden in de modern ingerichte keuken op de eerste verdieping, waar een bekwame Duitsche kokin den scepter zwaait, gereed gemaakt en door een lift naar beneden gestuurd, waar een der buffetmeisjes ze achterlangs in de automaten brengt, zoodat alles zoo hygiënisch mogelijk gaat. Bij de geheele Inrichting met marmer en graniet is trouwens op de eischen van hygiëne gelet.
Achter het restaurant bevindt zich een keurige toiletgelegenheid.”
De krant vermeldde niet wat precies het assortiment was. Daar komen we pas achter door een advertentie uit 1933:

Kroketten waren er dus van meet af aan, maar tegen de visfilet, de broodjes lever en halfom, de advocaat, de wijn en de punch kijken we vanuit ons perspectief wellicht wat vreemd aan.
Vrouwe Fortuna op zijn Gronings
Geplaatst op: 15 mei 2013 Hoort bij: Stad toen 1 reactie
Zo zag vrouwe Fortuna er uit als Gronings tabaksmerk.
Ik vond haar op de website van voorheen het Amsterdamse Pijpenkabinet, nu omgedoopt tot Amsterdam Pipe Museum, een mooie instelling die over ettelijke Groningana beschikt.
De pijpekoppen interesseren me wat minder, maar ik keek mijn ogen uit op hun collectie tabakszakken uit de periode 1750-1940. Die puutjes en kladden zijn namelijk bedrukt met beeldmerken, waarvan de primitieve charme voor mij ruimschoots opweegt tegen heel wat officieel goedgekeurde kunst.
De voorstellingen vallen in drie groepen uiteen. Ten eerste heb je de beeldmerken die refereren aan de tabak zelf en de wereldwijde handel daarin, zoals De Tabaksplant(er), De 3 Marylanders, De Rokende Moor, De Koophandel en het Tabaksvat. Dit zijn vrij algemene merken en er horen tamelijk obligate voorstellingen bij, waar geen greintje couleur locale aan te bekennen valt.
Die zit er wel aan de merken welke verwijzen naar bekende gebouwen van de stad Groningen, zoals de onvermijdelijke Martinitoren, de Korenbeurs, het Akademiegebouw, de Waag en de A-poort.
Maar het boeiendst vind ik toch de beeldmerken, die samenhangen met huisnamen. Vaak zal de voorstelling op de tabakspuut immers afgeleid zijn van die op het uithangbord aan het desbetreffende pand, waar dan – meestal als niche van een kruideniersbedrijf – tabak geschikt gemaakt werd voor consumptie. In deze categorie passen heraldische merken als: (Het Wapen van) Amerika, Bentheim, Dokkum, Drenthe, Stad & Lande, Hunsingo en het Oldambt, naast beestachtige namen met bijbehorende voorstellingen als De Haan, de Leeuw, de Os, de Vos en de Zwaan, terwijl de Rozijnekorf en De 3 Webben verwijzen naar niches van de tabakshandel zoals het kruideniersbedrijf en de linnenhandel.
Dankzij hun link met uithangborden en huisnamen, laten deze ‘huismerken’ iets zien van het symbolenrepertoire van de stad.
Hoe de gezelligheid uit Groningen verdween (II)
Geplaatst op: 5 mei 2013 Hoort bij: Muziek, Stad toen 2 reacties
De “stoottroep” van de kersverse Groninger W.A.-afdeling had de stad-Groninger horeca nu geariseerd, maar er bleven nog doelen genoeg over om op los te gaan. Bijvoorbeeld de Harmonie, de grote stedelijke sociëteit aan de Oude Kijk in ’t Jatstraat die een heel concertgebouw en zalencentrum exploiteerde.
Op de avond van woensdag 26 maart 1941 vond hier in de grote zaal een “hyper-hot-jazz-avond” plaats met een optreden van, zoals De Zwarte Soldaat het formuleerde, “Joe Lewis met zijn negerband”. Er speelden ook joodse muzikanten mee, iets wat de W.A. al helemaal niet zinde. Daarentegen genoten ongeveer 600 aanwezigen van de swingende dansmuziek. Die vielen allemaal stil, toen de W.A,. binnenkwam. Volgens De Zwarte Soldaat werd er zelfs niet meer gekucht, wat de gewoonte was als men een fouterik in de buurt bespeurde:
“zoodat wij nu nog beter kunnen hooren van wat voor afgrijselijke klanken deze uitheemschen, gezeten op een podium, onze volksgenooten, onze jeugd laten ‘’genieten”. De stemming in de zaal schijnt al tamelijk “hot” te zijn, tenminste de negerhoofdman slingert zich als een wingerdplant in allerlei bochten om de microfoon onder het uitstooten van allerlei vreemde geluiden die dan blijkbaar bij de niet aan te hooren klanken hooren, die de rest van het stelletje aan hun instrumenten weten te ontlokken.”
Best een tof concert, dus. Maar de W.A. stelde zich op aan de zijkant van de zaal, Bresser stapte met zijn opperkompaan Kollé naar het podium en Kollé greep in opdracht van Bresser de microfoon:
“Volkschgenooten, Nederlandsche jeugd, moet gij nu nog langer dit gehuil aanhooren van een stel volksvreemden! Gaat naar huis en komt terug om te dansen als hier een arisch dansorkest behoorlijke melodieuze muziek zal spelen!”
De zaal liep onmiddellijk leeg. Onder druk van Bresser brak de impresario van het “neger-joden orkest” de tour af, zodat soortgelijke avonden in Winschoten en Hoogezand niet door konden gaan. Het orkest reisde af naar Lissabon. “Nog even verder, heeren”, riep De Zwarte Soldaat het gedupeerde gezelschap na, “dan bent u waar u thuis hoort!”
Hoe de gezelligheid uit Groningen verdween (I)
Geplaatst op: 4 mei 2013 Hoort bij: Stad toen 4 reactiesDe arisering van de Groninger horeca, die ons de beruchte bordjes ‘Joden niet gewenscht’ bracht, is niet van bovenaf doorgevoerd door de bezetter. Welnee, die werd maanden voordat er een officiële richtlijn kwam, al afgedwongen door Nederlanders.
Het betrof leden van de W.A.. De Weerafdeling, zoals die W.A. voluit heette, was de zwart-geüniformeerde militie van de NSB. Koste wat kost wilde ze de publieke ruimte veroveren, en ze ramde er voor dat doel graag op los.
Medio maart 1941 vestigde de ‘banleider’ van de noordelijke W.A., H. Bresser, zich vanuit Assen op het adres Paterswoldseweg 111 in de stad. Tegelijkertijd ging het Ban- of hoofdkwartier van de noordelijke W.A. op Emmasingel 14, nabij het Groninger Hoofdstation, de facto open. En dit vormde het sein voor de actie in de horeca, waarover het W.A.-orgaan De Zwarte Soldaat naderhand trots verslag deed onder de kop: ‘De W.A. bevrijdt Groningen van de joden’.
Dat was antisemitische grootspraak, maar de opzet van de op zaterdagavond 15 maart uitgerukte “stoottroep Groningen” van de W.A. was van meet af aan duidelijk:
“Het doel is om de joden uit het openbare leven te verwijderen.”
De groep ging naar De Faun,
“een van de bekendste groote café’s in de binnenstad dat bekend staat als een zaak waar joden en menschen, die aan hun leiband loopen (…) gewoon zijn bij elkaar te komen om de N.S.B. en de Duitschers eens lekker te kunnen bekladden en belasteren.”
In groepjes binnenkomend, brachten de W.A.mannen de fascistische groet, iets wat tot dan toe nauwelijks waargenomen was in de Groninger horeca. Ze begonnen luidkeels te zingen: “Wij melden U de nieuwe tijd”. Klanten pakten massaal hun biezen. Volgens het W.A-blad had de gerant er toen “absoluut geen bezwaar tegen” zijn zaak voortaan voor joden gesloten te verklaren:
“hij is er integendeel blij om op deze manier op kalme wijze daartoe gedwongen te worden, zeer begrijpelijk, lieden die een heele avond aan één consumptie zitten te lebberen, het hoogste woord voeren, de beste plaatsen bezetten en tot slot nog den kellner zijn fooi misgunnen, ziet men liever niet in zijn zaak. Nu hebben fatsoenlijke menschen ook weer eens een kans om rustig een kopje koffie te drinken zonder geërgerd te worden door brutale Oosterlingen.”
’s Zondags bedrukte een W.A.-er een flinke voorraad van de beruchte bordjes. ’s Maandags ging zijn banleider Bresser met wat kompanen naar De Faun, om daar zulke bordjes op te hangen. Ook werkten ze andere grote horecazaken af. Het ophangen van de bordjes lieten ze daar aan de uitbaters zelf over en deze bleken wat dat aangaat zeker niet nalatig:
“…als we weer opstappen verschijnt er kort daarna het bordje „Joden niet gewenscht”. Zonder eenig incident worden zoo op een enkele morgen de voornaamste zaken in de binnenstad geariseerd. Ook in Groningen is het nu niet meer mogelijk dat pseudo-Nederlanders de beste plaatsen in café’s bezetten. De lucht begint langzamerhand rein te worden.”
Natuurlijk sprak zich dit in de stad rond. Het zag er naar uit dat geariseerde horeca klanten zou gaan kwijtraken. Op dinsdagmorgen belegden de eigenaren van de voornaamste geariseerde zaken daarom een bijeenkomst met Bresser. Na uren heen en weer gepraat stelden ze een brief op, waarin ze op verzoek van Bresser aan hun nog niet geariseerde collega’s meedeelden, dat in maar liefst 36 zaken in de Groninger binnenstad joden niet meer welkom zouden zijn.
“Wij geven U in ernstige overweging de desbetreffende bordjes, die U zullen worden bezorgd, op een goed zichtbare plaats, bij den ingang, neer te hangen. Verwijdering van deze bordjes door onbevoegde handen zal streng worden gestraft.”
Op woensdagmorgen brachten de W.A.-mannen de bordjes rond in de stad. Volgens De Zwarte Soldaat werden ze overal “voorkomend” ontvangen;
“…toch waren er nog enkele jodenvrienden, die er niet op gesteld waren hun zaken jodenvrij te maken, maar er hielp geen lieve moederen aan: ze moesten eraan gelooven.”
De W.A. beloofde ook te controleren, of men zich wel aan het verbod hield. Als ze nog joden in een zaak aantroffen, zouden daartegen “de strengste maatregelen” worden genomen.
Op woensdagavond ging de “stoottroep” onder leiding van Bresser meteen al aan de slag. Wat bleek?:
“Op één enkel geval na hebben alle café’s de bordjes opgehangen.”
Die ene uitzondering was Bodega Dik aan de Guldenstraat, een bekende stamkroeg van artistieke types. De W.A. voorkwam hier dat de eigenaar de politie belde en bracht zelf de bordjes aan.
Volgens De Zwarte Soldaat was de hele actie verder “zonder eenig incident” verlopen. Het blad noemde deze een “opmerkelijk succes” voor de kersverse Groninger W.A.-afdeling. Een succes ook, dat een vrij gemakkelijk gevolg kreeg:
“In den loop van den Donderdag hebben zich reeds vele eigenaars van zaken aan den buitenrand van de stad uit eigen beweging op het Bankwartier gemeld om bordjes „Joden niet gewenscht” in ontvangst te nemen. Ook in Groningen is er voor de joden geen plaats meer.”
Bloemen voor gesneuvelde bevrijders
Geplaatst op: 4 mei 2013 Hoort bij: Stad toen 7 reacties
Geïmproviseerd militair kerkhofje van het Canadese leger tussen Groningen en Paterswolde, voorjaar 1945.
Koningin bezoekt Oosterpoortwijk
Geplaatst op: 23 april 2013 Hoort bij: Stad toen 4 reacties
“De politieke beroering van 1918, met die revolutiepoging van Troelstra, was vooral in het noorden erg. Daarom werd koningin Wilhelmina op stap gestuurd met prins Hendrik. Ze gingen bij de volkswoningbouw langs en zijn ook nog in de Oosterpoort geweest. Bij een familie Kok, achter bij de Meeuwerderweg. Hele vrome mensen waren dat. Via via heb ik gehoord dat ze bij het binnentreden van Wilhelmina zongen: “Dat des Heren zegen op u daal”. En ze boden de koningin ook een bijbel aan, ter signering. Maar Wilhelmina wilde haar handtekening niet zetten en zei: “De bijbel is niet om in te schrijven, maar om in te lezen”.”
Aldus de stokoude Klaas Lanting, die ik medio jaren negentig in Enschede sprak en die zich dit bezoek nog uit zijn jeugd herinnerde.
Lantings anecdote over koningin Wilhelmina maakte me nieuwsgierig en dus zocht ik eens uit, wanneer haar vorstelijke bezoek aan de Oosterpoortwijk nou eigenlijk plaatsvond. De datum bleek maandag 29 september 1919 te zijn. Het bezoek maakte deel uit van een goodwill-toernee die definitief orde op zaken stelde, zelfs in het potentieel revolutionaire Groningerland.
Op 11 november 1918, krap een jaar voor Wilhelmina’s bezoek aan Groningen, had de socialistische voorman Troelstra de Nederlandse arbeidersklasse nog aangespoord om de macht over te nemen. Wat zeer tegen de zin van andere zwaargewichten van zijn partij was, zoals de uit de Oosterpoortwijk afkomstige Schaper. Binnen een week haalde Troelstra bakzeil. Hij had zich vergist, erkende hij.
Elders in Europa vielen vele vorsten van hun voetstuk. Volgens de aanhangers van Oranje bleef het revolutiegevaar daarom op de loer liggen. Zo laakte de Provinciale Groninger Courant, die van duidelijk protestants-christelijke signatuur was, op zaterdag 27 september 1919 nog eens in krasse termen een “booze actie” van de roden ter verhoging van de ambtenaren-salarissen:
“De sociaal-democraten, die hier de vernieling willen, omdat zij in schandelijke hoogmoed nog altijd meenen, dat wie sloopen kan ook vermag op te bouwen, zijn in deze dagen bezig om onder de ambtenaren hun slag te slaan”.
En in haar openingsartikel van maandag 29 september 1919, de dag van het koninklijke bezoek aan Groningen, noemde hetzelfde dagblad de koningin het
“…middel in Gods hand om ons te behoeden, dat de druk van den krijg ons niet trof en dat de gruwel der revolutie, waaronder andere volkeren zoo zeer zuchtten, ons werd gespaard”.
Tot zover de achtergronden, nu het verhaal van Wilhelmina in de Oosterpoortwijk. Die maandag draaiden om ongeveer kwart over drie, half vier de drie koninklijke voitures en de vier volgauto’s met lokale hotemetoten en persmensen vanaf het Verbindingskanaal de Parklaan op. De stoet reed eerst langs de Sophiastraat, de Oosterweg, de Frederikstraat, de Meeuwerderweg, de HL Wicherstraat en het Winschoterdiep. Volgens het Nieuwsblad van het Noorden stond er overal langs de route een “dichte menschenmassa”, vooral ten oosten van de Meeuwerderweg:
“In den Meeuwerderpolder vooral was de drukte zeer groot. De menschen hingen overal uit de ramen en wuifden het Koninklijk Echtpaar toe. De politie had hier en daar moeite de menschenmassa in bedwang te houden, vooral was dit het geval toen de Koninklijke auto stopte voor de woning van de heer Kok aan de Meeuwerderbaan.”
Deze Kok, volgens het adresboek een werkman, woonde met zijn familie op Meeuwerderbaan 25-a, aan het eind van de zuidelijke, omstreeks 1970 voor de ringweg gesloopte straatwand, nabij het Winschoterdiep. In 1916 bouwde de christelijke woningstichting Patrimonium hier haar allereerste huizen. Bestuurders van Patrimonium wachtten ter plekke de koningin op, werden aan haar en de prins voorgesteld, en gaven informatie over het complex. Van te voren was Koks woning uitgekozen “als model der thans gebouwd wordende werkliedenwoningen”.
Met de Koningin gingen prins Hendrik en de burgemeester naar binnen. “Toen H.M. binnentrad”, vertelt de Provinciale, “zongen de kinderen haar toe: “Dat ’s Heeren zegen op u daal”.” Hare Majesteit sprak tegen de kinderen, zei dat ze mooi gezongen hadden en vroeg of ze veel van zingen hielden. Daarna bezichtigde zij onder begeleiding van Kok diens voor die tijd ruime bovenwoning, te weten de voorkamer met slaapgelegenheid, de achterkamer, de keuken, de slaapkamer met het balkon, de andere slaapkamer daarboven, de zolder en de overloop. “Toen H.M. een oogenblik op het balkon vertoefde, werd Zij door de op straat samengestroomde menigte spontaan toegejuicht”, aldus het Nieuwsblad. Over de inrichting van Koks woning toonde het hoge bezoek zich volgens dezelfde krant “zeer tevreden”. De Provinciale maakte uiteraard het meest uitgebreid melding van het voorval met de familiebijbel:
“Toen het Koninklijk echtpaar gereed stond om te vertrekken, trad de heer Kok naar voren met het verzoek aan H.M. om haar naam in den huisbijbel te schrijven. Na gevraagd te hebben waarom hij juist den Bijbel noemde, en de heer Kok had geantwoord, dat het zijn dagboek was, zeide H.M. gaarne aan het verzoek te willen voldoen en na haar handteekening te hebben gezet, verzocht ze den Prins dat ook te doen, waaraan ook hij gevolg gaf.”
Mijn zegsman Klaas Lanting had het dus in grote lijnen goed gehoord en onthouden. Alleen ging koningin Wilhelmina overstag na een kleine discussie, en zette ze haar handtekening dus toch wèl in de familiebijbel.
Bij het verlaten van Koks woning bedankte de voorzitter van Patrimonium het koninklijke paar, en verzekerde dat Patrimonium op de ingeslagen weg door zou gaan. De koningin, de prins en het gevolg stapten weer in de gereedstaande limousines en verlieten de Oosterpoort via de Meeuwerderbaan, de Van Sijsenstraat, de Joachim Altingstraat, de Meeuwerderweg, de Veemarktstraat, het Verbindingskanaal en de Oosterbrug.
Uiteraard vormde het bezoek van Wilhelmina aan de Oosterpoortwijk slechts een van de programma-onderdelen van de tweedaagse koninklijke rondreis door stad en ommelanden. Voordat ze de Oosterpoortwijk en het huis van Kok aandeden, waren Wilhelmina en haar gevolg al door de Groninger binnenstad gegaan en in het Stadspark geweest.
Hoewel Hare Majesteit pas om half twee per trein arriveerde, liepen ’s ochtends om achten al venters met oranjeknoopjes en -strikjes rond in de overvloedig vlaggende stad. Op de rode loper in het versierde stationsgebouw kreeg Wilhelmina van de Groninger visvrouwen een vergulde vis cadeau en in het Stadspark sprak zij onder andere met de grondwerkers die er in de werkverschaffing zaten over hun loon, werktijden en “arbeidsvermogen”.
Bij een ontvangst in het Stadhuis, later die middag, bleven de socialistische en communististische raadsleden demonstratief weg. Toch klonken er op de Grote Markt een duizendkoppig gejuich en een spontaan volksliederengezang. Ook in de Indische buurt en op De Hoogte bekeek de koningin moderne arbeiderswoningen. Zo bezocht ze op het Deliplein het huis van een agent van politie K. Swaak, wiens gezinsleden haar een bouquet bloemen overhandigden, en kreeg ze in het huis van Klaas Lantings broer op De Hoogte een rondleiding, waarover Klaas ook weer een smakelijke anecdote had:
“Wilhelmina schoot meteen door en liep met haar schoonzuster de huiskamer in. Ook architect Kazemier liep dadelijk door naar die kamer. Maar daar liep het vierjarige zoontje voor zijn voeten te drentelen. Kazemier wilde de jongen kwijt en gaf hem een rijksdaalder. De jongen vloog de straat op en riep almaar: “Ik heb een groot dubbeltje gekregen! Ik heb een groot dubbeltje gekregen!” Daarom dachten de buren dat de koningin er een zak met geld gebracht had.
In die woning praatte de koningin met de vrouw des huizes over huishoudelijke dingen. Hendrik had het met de heer des huizes over de militaire dienst, want die man was soldaat geweest in 1914. Nou, zo ging dat tot Wilhelmina zei: “Kom Henk, we gaan weer verder”. Het volk was razend enthousiast toen het de koningin weer naar buiten zag komen.”
Harry Perton
—
Dit is een bewerkte en ingekorte versie van een verhaal dat verscheen in wijkkrant De Oosterpoorter, het nummer van september 1999.
Leonidas, graaf van Sparta, een ‘Grieks fondsenwerver’ in de Nederlanden
Geplaatst op: 13 april 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 3 reacties
Hij noemde zich Joanni Nicolai Leonidas, graaf van Sparta en hij verscheen in het najaar van 1825 te Groningen. Naar eigen zeggen had hij als officier te Morea, dus op de Peloponnesos, gevochten voor de zaak van de Grieken, “zijne landgenoten”.
Op dat moment voerden de Grieken al vier jaar lang hun vrijheidsoorlog tegen de Turkse overheerser. Het zag er slecht voor ze uit en er gingen geruchten dat de Turken alle overlevende Grieken zouden deporteren naar Ethiopië, waarbij ze dan de Ethiopiërs in Griekenland zouden vestigen. Maar de kansen zouden keren. Europa koos massaal partij voor de Grieken, die opeens als christelijke broeders werden herkend, en begon ze geld, wapens en vrijwilligers toe te sturen.
Leonidas, graaf van Sparta, zei in Groningen geld in te zamelen voor Griekenland. Hij wilde naar de Peloponnesos terugkeren, was al naar een haven aan de Middellandse Zee geweest, maar kon daar de reis nog niet ondernemen. Inderdaad beschikte hij over een pas, in Neurenberg afgegeven voor een reis naar Marseille. Volgens die pas was hij geboren in Pera, bij de Bosporus. Naast dit reisdocument en andere “schijnbaar echte papieren” toonde hij “werkelijke aanbeveelingen van achtingswaardige mannen in Duitschland”.
Dat zit wel snor, dacht een “aanzienlijk getal van geleerde en achtingswaardige mannen te Groningen” en zij gaven Leonidas onbekrompen steun “voor de zaak der Grieken”. Toen Leonidas naar het zuiden wilde vertrekken, gaven de Groningers hem zelfs een certificaat mee, een door hen ondertekende “algemeene aanbeveling (…), dienende, om het medelijden der weldenkende Nederlanders op te wekken”.
Nauwelijks had Leonidas met dit stuk zijn hielen gelicht, “of men werd uit ingewonnene berigten gewaar, dat men om den tuin geleid was”. Op het logeeradres van de “avonturier” trof men een door hem achtergelaten briefje aan, waarin men “de bekentenis van zijn bedrog” las.
Een van de bedrogenen was het invloedrijke statenlid Jan Remees Modderman, die in 1813 als onderprefect van Oost-Groningen persoonlijk de Russsiche kozakken had binnengehaald, en die in 1823 de genius was achter een boerenpetitie tegen onbeperkte graaninvoer. Deze strijder voor de belangen van de boerenstand stuurde op 29 oktober een uitgebreide bekendmaking naar de Opregte Haarlemsche Courant, indertijd nog de grootste krant van Nederland, die Moddermans tekst op 3, 5 en 8 november plaatste.
Modderman wilde met zijn bekendmaking “het Nederlandsch publiek” waarschuwen tegen Leonidas, wiens signalement hij niet gaf, maar wiens papieren hij wèl beschreef:
“Deze waarschuwing moge dienen, om voortekomen, dat niet meerdere goedhartige menschen worden misleid, en, zoo mogelijk, het certificaat, beginnende met de woorden: alle weldenkende Nederlanders, in deze maand aan LEONIDAS afgegeven, en door den ondergeteekende eigenhandig geschreven, worden ingetrokken en aan den ondergeteekenden teruggezonden; waarmede men hem en zijne medeteekenaren ten hoogste zal verpligten.”
Gesteld dat Leonidas een oplichter was, zoals Modderman wilde, dan had diens fancy naam toch argwaan kunnen en mischien wel moeten opwekken. Leonidas noemde zich immers naar de koning van Sparta die de held van Thermopylae was, zo’n beetje hèt icoon van de strijdende Grieken. De schilder David had een beroemd schilderij van Leonidas bij Thermopylae gemaakt, bovendien figureerde de Griekse held in populair drama, en leende hij ook nogal eens zijn naam aan schepen. De naam lag dus nogal voor de hand. Dat de ‘Groningse’ Leonidas desondanks heren als Modderman, die niet helemaal achterlijk waren, wist te bedotten, pleit dan ook voor diens overtuigingskracht of toneeltalent.
Modderman besloot zijn advertentie met de mededeling dat Leonidas volgens berichten het laatst gezien was in Zwolle, op 27 oktober. Op de dag dat hij zijn waarschuwing schreef, 29 oktober, was Leonidas echter ’s nachts al gearresteerd, en wel in IJsselmuiden door de politiecommissaris van Kampen, dit op verdenking van daar “gepleegde opligtingen”. De procureur-generaal bij het Hooggerechtshof in Den Haag bepaalde dat Leonidas in Groningen terecht zou moeten staan, en naar die stad werd hij in december overgebracht.
Op 1 mei 1826 verklaarde de Groninger Rechtbank van Eerste Aanleg “Joanni Nicolai Leonidas, zich noemende Graaf van Sparta, en volgens zijn verklaring 28 jaren oud, geboren te Pera, laatst woonachtig in Horea, officier bij een Grieksch corps” schuldig aan:
“valschelijk te hebben vervaardigd en nagemaakt een acte op naam van een minister van het Grieksche Gouvernement, strekkende om de welwillendheid op te wekken, zoo voor hem als voor de Grieksche natie en dezelve onderstand te verschaffen, alsmede zich van die acte te hebben bediend…”
De rechtbank veroordeelde Leonidas tot een half jaar gevangenisstraf, plus 50 gulden boete en de proceskosten, begroot op 90 gulden. Helaas is hier geen procesdossier bewaard gebleven, maar het vonnis – en dat was voor deze tijd vrij uitzonderlijk – kwam ook terecht in de Groninger en Haagse couranten:
“De beruchte Joanni Nikolai Leonidas, zich noemende graaf van Sparta, en voorwendende afgezonden te zijn door den Griekschen senaat, om ten behoeve van de zaak des vaderlands in Europa inzameling van bijdragen te doen, is heden bij vonnis van de regtbank van eersten aanleg hier ter stede, in zake correctioneel, veroordeeld tot eene gevangenis van zes maanden en eene boete van vijftig gulden.”
Leonidas ging echter in hoger beroep, een appèl dat op 3 juli 1826 voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leeuwarden diende. De stukken daar heb ik nog niet kunnen bekijken, maar afgaande op een wat later tijdschriftartikel drongen zijn slachtoffers, “de persoonen zelve die hij bestolen had” er op zijn vrijlating aan,
“althans zij waren huiverachtig in het geven der vereischte verklaring. Zij wilden den bedrieger niet ongelukkiger maken dan hij reeds was, en veroorzaakten daardoor dat hij op vrije voeten kwam, en welligt tot inkeer geraakte.”
Door dat intrekken van de eerdere getuigenverklaringen, oordeelde de Leeuwarder rechtbank dat artikel 161 van het Wetboek van Strafrecht, de onderlegger van het Groninger vonnis, niet van toepassing was. Leonidas kon dus niet schuldig worden verklaard aan het daarin genoemde “wanbedrijf” van oplichting met vervalste overheidspapieren en moest dientengevolge worden losgelaten.
Dezelfde maand dook hij op in Rotterdam. Tenminste, dat laat zich afleiden uit de advertentie die hij de 18e in de Rotterdamsche Courant plaatste:
“De ondergetekende werd in het jaar 1823 van den Griekschen Senaat naar Europa gezonden, om er ondersteuning voor de ongelukkige natie intezamelen, doch werd in Kampen gearresteerd en na een onderzoek van negen maanden op den 3 Julij door de Regtbank van Leeuwarden in appel onschuldig verklaard en vrij gesproken.
JOANNI NiCOLAI LEONIDAS, Graaf van Sparta ”
De man ging dus door met zijn fondsenwerving. Intussen was er in Noord-Nederland echter een brede, officiële collecte voor de Grieken geweest, die in Groningerland via de predikanten verliep. Dat nam particulieren als Leonidas hier de wind uit de zeilen, en waarschijnlijk zocht hij daarom zijn toevlucht in het zuidelijke deel van het Koninkrijk, het huidige België. Dat zijn vrijspraak in Leeuwarden daar weer leidde tot geloofwaardigheid bij gulle gevers, kan je opmaken uit enkele nummers van De Argus, een soort van opinieblad dat in onze toenmalige hoofdstad Brussel verscheen. Het Argus-nummer van 4 oktober 1826 duidt Leonidas aan met een verfranste naam – Jean-Nicolas Léonidas – en verwijst denkelijk naar de Rotterdamse advertentie waar het schrijft:
“In een der dagbladen zijn er, betrekkelijk dezen gelukzoeker, eenige daadzaken opgegegeven, waaruit men scheen te moeten opmaken, dat hij een Griek van geboorte en van eerbaar gedrag was, willende al verder daarmede te kennen geven, dat deze Helleen, die men in Holland had gevangen gezet, een geheel ander onthaal zou verdiend hebben.“
De Argus had echter inlichtingen ingewonnen,
“waaruit het zeker blijkt, dat Jean-Nicolas Leonidas geen Griek, maar een Duitscher is. In 1824 moet hij zich te Harderwijk voor de militaire dienst in Indië hebben laten aannemen. Zijn gedrag was nogtans zoo schandelijk, dat men hem moest afzonderen en opsluiten, en wel zoo lang, tot dat men de gelegenheid vond om hem, wegens infirmiteiten, te doen ontslaan.”
Je zou toch zeggen dat zo’n ontslagen soldaat zich niet zo gauw toegang zou kunnen verschaffen tot de hogere kringen, maar het blijkt dat hij zelfs bijna nog de Koning te spreken kreeg:
“Hij heeft (…) de onbeschaamdheid gehad, op het Loo te komen en zich ter audiëntie aan te melden; dan hij werd door zijn gewezen overste toevallig herkend en drong er toen niet verder op aan den Koning te spreken. – Later leefde hij van afzetterij en bedrog…”
De Argus memoreert dan de arrestatie in Kampen, en meent abusievelijk dat Leonidas al voordat het tot een proces kwam nog in Kampen vrijgelaten werd, dankzij de “overmaat van goedheid” bij zijn meelijdige slachtoffers.
“Het blijkt alzoo dat hij geenszins op eene onredelijke gestrenge wijze, maar veeleer met alle mogelijke toegevendheid is behandeld geworden.”
In een vervolg-artikel in de editie die op 25 oktober 1826 uitkwam, zet ‘t blad de puntjes wat meer op de i en doet het alsnog de juridische procedure uit de doeken waaraan de “pseudo Griek” onderworpen was. Het commentaar:.
“Men was voorzeker te zeer overtuigd van den bedriegelijken handel des gewaanden graafs van Sparta, dan dat hij toegevendheid of bescherming verdiende. Wanneer men slechts een oog slaat op het aanzienlijk getal van geleerde en achtingswaardige mannen, te Groningen en elders die uit waren deelneming voor de zaak der Grieken, van zijnen aanslag de dupe werden, en wijders zijnen handel en wandel, die beneden den waarde van een fatsoenlijk man was, in acht neemt, dan is het te bejammeren dat men zoodanige overtreders straffeloos hunnen weg moet laten gaan.”
In Brussel bleef Leonidas ook niet lang meer. Het laatste bericht dat ik over hem vond, stond in de Overijsselsche Courant van 20 november 1827:
“Groningen, den 15 November. In het begin dezer maand is te Leipzig een bedrieger gearresteerd, die zich voor een graaf Leonidas, uit Griekenland, uitgaf en de inwoners geld aftroggelde. Denkelijk is deze dezelfde Leonidas, die alhier dergelijke rol gespeeld heeft.”
In dat jaar, 1827, wonnen de Grieken de facto hun vrijheidsstrijd, mede dankzij een zeeheld uit Zuidlaren, die ze liefkozend bébé (vader) noemden. Ze hadden de steun van de Europsese grootmachten Frankrijk, Engeland en Rusland. Voorlopig hoefden er geen collectes meer voor de Grieken gehouden te worden en daarom kon een charity wrecker maar beter een andere naam kiezen, dan een Griekse. Vandaar dus ook, dat Leonidas oploste in de nevelen van de tijd.
Louis van de bijen
Geplaatst op: 11 april 2013 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
In de achttiende eeuw stonden er in de hoven buiten de Here- en de Oosterpoort van de stad Groningen honderden korven met imen. De bijen overwinterden hier en vlogen in de lente op fruitbloesems. Anno 1778 vertoefde in deze omgeving ook even een Engelsman die een bijenshow opvoerde en betaald voorlichting aan bijenhouders gaf.
Aan het begin van een nieuw bijenseizoen, op 17 maart 1778, maakte de Engelsman Charles Louis via de Groninger Courant bekend, dat hij in de stad gearriveerd was. Voor liefhebbers van stand had hij een ietwat griezelige voorstelling in petto:
“Aan alle Heeren en Dames word bekend gemaakt, dat alhier is aangekoomen C. LOUIS uit Engeland om zyne kunst te laten zien met 40.000 Tamme BYEN die hy zal vertoonen in een BYEN KORF. Hy zal ze in de tyd van twee Minuten uit de Korf doen komen, op een hoed, en van den hoed op zynen blooten Arm, ja laten ze op de Tafel marscheeren op zyn Commando en aan het Gezelschap de Koningin laten zien. (…)”
Opvallend aan Louis’ tekst is de accuratesse. Hij had één korf bij zich en een goed overwinterd bijenvolk telt inderdaad ongeveer 40.000 bijen. Bovendien spreekt hij van een koningin. En dat is opmerkelijk. Weliswaar ontdekte de Nederlandse entomoloog Swammerdam al in de zeventiende eeuw dat het om een koningin ging en niet om een koning, maar tot imkershandleidingen drong die bevinding maar langzaam door. Zo spreekt de Friese Onderwijzer der boeren of landlieden uit 1758 nog van een koning, evenals een Gelders bijenboek van 1786. Pas De Honingbyenteelt, een verlicht vademecum uit 1797, noemt het beestje koningin. Maar ook dan blijven bijenhouders nog lang van een koning spreken. Deze Louis was zijn tijd dus behoorlijk vooruit.
“Deze wondere kunst”, zo meldde hij wervend voor zijn show, “is te zien voor Heeren en Dames alle uur by dag en by nagt, by my of aan de Heeren en Dames Huizen.” Liefhebbers konden Louis derhalve laten ontbieden bij zijn logement, al was dat ook weer niet op elk gewenst ogenblik, want daar voerde hij inprincipe ’s middags om drie en zes uur zijn show op.
Naast die voorstelling deed hij in een recept voor een middeltje tegen schadelijke insecten:
“Ook is by dezelve een Remedie om alle Hoffsteeden te bevryden van alle ongedierte dat de Vrugten of Bomen schaade doet, als Rupsen, Wespen, Mieren en diergelyke, men kan het Recept bekoomen om het zelfs te maaken. (…)”
En last but not least had hij een imkershandleiding te koop, “een Boek om den regten voordeel van de Byen te hebben”. Van dat werkje somde hij alle vijftien “artikelen” of hoofdstukjes op. Veel systematiek zit er niet in, al is wel duidelijk dat er veel aandacht uitging naar de beheersing en manipulatie van zwermen:
“No. 1. Om de Byen alle Jaaren tweemaal te rooken
2. Om de Byen te onderhouden met eenen reuk, om alle ligte Korven door den Winter te brengen, en de zware Korven hunnen honing te bewaren.
3. Om de Byen te doen zwermen.
4. Om de Byen het zwermen te beletten, omdat ze niet Volk genoeg hebben.
5. Om de Korven die moederloos zyn aan haar werk te houden, en
daar een andere in te maken.
6. Om de zwermen te laten komen waar men ze heen wil hebben.
7. Om de Rovers te beletten, dat nooit vreemde Byen aan uwe Korven kunnen komen.
8. Om veel jonge Byen te hebben.
9. Om de Byen veel doen zwermen.
10. Om kleine zwermen groot te maken.
11. Om alle Roofbyen te laten komen, waarmen ze hebben wil.
12. Om dat U de Byen niet steeken zullen.
13. Om zieke Byen gezond te maken,
14. Om de zwermen vroeg te hebben.
15. Om een zalve die de Byen geerne rieken, en haar in de Korven doen wonen.”
Mogelijk bedoelde Louis met die zalf in de laatste paragraaf ‘propolis’, een plantaardig goedje waar bijen verzot op zijn. Voor de rest gaat het om imkersweetjes, die kennelijk nog niet al te wijdverbreid bekend waren. Pas helemaal aan het eind van zijn relaas gaf Louis aan waar hij logeerde: “in de Bolderary in de Ooster Straat”. En daarmee bedoelde hij de Bolderij, sinds 1775 gevestigd in het tweede pand links vanaf de Grote Markt. De herbergier, Jannis Jansen – ook wel Johannes Janzing geheten – bood logies aan wel meer vreemde “reizende lieden”, zoals de goed geproportioneerde dwergin Maria Theresia van Corsica, de oculist Roodermel (een oogarts die er ook zijn spreekuur hield), joodse tandmeesters en Duits-sprekende kooplieden in kanaries, borst- en maagkruiden, mineralen en gesteenten en Zwitserse kaas.
Om op Louis terug te komen, zijn eerste bekendmaking telde maar liefst zestien regels, wat echt heel veel is voor een advertentie in de toenmalige Groninger Courant. Blijkbaar wilde hij meteen opvallen, en moest de eerste klap een daalder waard zijn. Gedurende dat voorjaar en die zomer zou hij blijven adverteren, zij het steeds minder uitgebreid. Misschien werkte zijn marketing voldoende, misschien kon hij ook wel steeds minder spenderen, wie zal het zeggen?
Zijn tweede advertentie kwam tien dagen na de eerste, op 27 maart. Opnieuw bracht hij zijn “konststok” onder de aandacht. Over de tijd die het hem kostte om zijn bijen rustig te krijgen, voordat hij ze vanuit hun korf via een hoed en zijn ontblote arm over een tafel liet marcheren, was hij nu wat bescheidener: 10 in plaats van 2 minuten. Wat natuurlijk ook een gevolg kan zijn geweest van hogere buitentemperatuur.
In tegenstelling tot zijn eerste bekendmaking noemde hij nu wel de prijzen van zijn show aan huis en zijn boek, respectievelijk 3 en 7 gulden. Flessen met zijn ongediertebestrijdingsmiddel verkocht hij voor een daalder – “om de proef te maken”. Dat was allemaal behoorlijk duur. Een sjouwer verdiende hooguit tien stuivers daags en een geschoold werkman hooguit een gulden. In elk geval lagen voorstelling, boek en weermiddel buiten bereik van de toenmalige Jan Modaal.
Op 17 april gaf Louis te kennen dat hij nu in herberg De nieuwe David verblijf hield, aan de westkant van de Hereweg nabij de Davidsteeg. Zijn bijen hoefde hij blijkbaar niet meer bij te voeren met stamphoning, ze vlogen op de bloesems van de talrijke fruitbomen buiten de Here- en Oosterpoort en hij was met ze mee verhuisd. Nog steeds voerde hij zijn kunststukjes op en ook had hij nog dat bijenboek en dat weermiddel te koop. Maar vanaf 26 mei – volop zwermseizoen! – liet hij zijn show varen. Opeens maakte hij reclame voor een boek met middelen
“om voor alle Hoffsteden schoon te houden, van Wespen, Mieren, Rupzen, zwarte Vliegen en Slakken en diergelyken voor een civiele prys, welk pro batum is.”
Zijn bijenboeken, die hij niet vergat, waren, “gelyk bekend is”, bedoeld
“om voordeel voor het Land te doen, waar zig een ieder informeren kan, die de Boeken van my gekogt hebben en haaren Honig nog in het Vat staan, of ik geve twintig Ducaten aan de Armen.”
Tussen de regels door is te lezen dat niet iedereen zijn handleiding even hoog aansloeg. Louis daagde twijfelaars uit zich te informeren bij degenen die zijn methoden in praktijk hadden gebracht. Was hun honingopbrengst er minder op geworden? Twintig ducaten zou Louis de armen schenken, wat neerkwam op maar liefst 105 gulden! Een aanbod dat hij tot eind juni bleef herhalen, maar dat bij mijn weten nooit tot zo’n charitatieve gift heeft geleid.
Intussen noemde Louis in zijn bekendmakingen geen adres meer. Blijkbaar veronderstelde hij dat als bekend. Toch was hij weer verhuisd, zij het binnen het buurtje buiten de Herepoort. Op 11 juni onderzocht de advocaat-fiscaal van de stad daar namelijk de aframmeling die Louis kreeg van wat ruiters. Bij dat onderzoek ging de aanklager te rade bij Laurens Weeber, de herbergier van het Wapen van Stad en Lande, zoals de Oude David sinds 1773 tijdelijk heette. Deze Weeber bevestigde dat er die bewuste maandagavond twee soldaten en vier ruiters bij hem in de gelagkamer waren geweest, die om 10 uur – met de ruimstraatklok, poortsluiting of taptoe – niet wilden vertrekken en nog wel een half uur bleven plakken. Volgens Weeber gedroegen deze militairen zich echter netjes en hoorde hij ook naderhand niets in hun nadeel. “Dat zy die persoon welk met zyne byen niet verre van Deposant in de steeg woont geslaagen zouden hebben”, had de kastelein helemaal niet gezien. “Jaa verklaart deposant niet gehoort te hebben door wie zulx geschiet zoude zijn”.
Weebers naam was haas. Waarschijnlijk had Louis zelf de herbergier als getuige genoemd. Maar omdat deze er duidelijk niets mee te maken wilde hebben, schoot de fiscaal geen steek op. Een eveneens als getuige genoemde buurman van Weeber, Harm Harms Wrongel, zo genoemd naar het ‘wrongelhuis’ dat hij exploiteerde (wrongel was een soort van kwark, een lekkernij) werd niet eens meer gehoord. En zo bleef het zaakje onopgelost. Het enige wat wij ermee opschieten is het nieuwe adres van Louis, ‘de’ steeg bij de Oude David. Vanuit de Nieuwe David was Louis waarschijnlijk gaan wonen in de achterliggende Davidsteeg, of anders in de tegenoverliggende Brandenburgersteeg, in een huisje met een hof. Maar dat nieuwe adres stond nooit in de courant. Blijkbaar moesten mensen uit de omgeving, zoals kastelein Weeber, eventuele bezoekers die met de situatie onbekend waren doorverwijzen. Maar dat Weeber geen vriendschappelijke gevoelens wilde etaleren jegens de Engelsman, blijkt weer uit de termen “die persoon” in Weebers verklaring.
Op 4 augustus, toen Louis zijn bijen wel naar de heide zal hebben gebracht, zat hij weer in herberg de Bolderij aan de Oosterstraat, getuige een advertentie waarin hij didactisch vooruitliep op het einde van het bijenseizoen:
“CAREL LOUIS maakt bekend aan alle Liefhebbers van de opvoeding der BYEN, om nu te bekoomen, alle voordeel wat men immer van de Byen kan profiteren, als Mee maken, goed Was, goede Honig, om geene Byen dood te maaken, voor dat zy 7 Jaaren wel voor haar Meester gewerkt hebben, en alle ligte Korven door den Winter te brengen. Per Korf 10 Duiten het welk ik gedaan hebbe te Aduart by Hindrik Putter Timmerman aldaar, ook om ze tam te maaken. Men heeft Boeken by myn van 39 Artikels gedrukt, op dat een ieder het wel leezen kan. Zy worden uitgegeeven in de Ooster Straat in de Boldery voor 5 Gulden”.
Bij het het tam maken, de productverwerking en het winterklaar maken van lichte korven die anders opgedoekt, uitgerookt en uitgemoord werden, bood Louis dus zijn hulp aan tegen 1,25 stuiver de korf, een service waarover die timmerman in Aduard goed te spreken was. Ook blijkt uit deze bekendmaking dat Louis door zijn voorraad bijenboeken heen was, want in plaats van de oude, die 15 hoofdstukken telden, verkocht hij nieuwe, die 39 paragraafjes omvatten. Wellicht had hij er nieuwe (lees-)ervaringen in verwerkt.
Dit was Louis’ laatste advertentie in de Groninger Courant. Omstreeks het einde van het bijenseizoen, traditioneel op 10 september, moet hij met de noorderzon verdwenen zijn, want de weduwe Hoitsema, in wier courant hij zoveel adverteerde, zette eind december, toen hij niet terugkwam, zelf een bekendmaking in dat blad:
“CHARLES LOUIS word verzogt de boeken by de Wedw. S. Hoitsema gedrukt, binnen 3 Weeken te komen afhaalen, of anders zullen dezelve na dien tyd publyk worden verkocht.”
Met andere woorden: Louis had zijn nieuwe boeken niet betaald en er lag nog een flinke partij bij de courantière die ze drukte. Omdat Louis ook op haar herhaalde oproepen niets van zich liet horen, besloot zij eind januari 1779 de voorraad zelf te gaan verkopen:
“By de Wedw. S. HOITSEMA is gedrukt en te bekomen, Boeken, waarin het geheim beschreven word, om den regten voordeel van de BYEN te hebben, bestaande in 39 Artykels, als ook om goede Mee te maken.”
Tot eind augustus 1783 plaatste zij deze advertentie meer dan veertig maal in haar krant, zij het vaak als ‘stopper’ of bladvulling. Of ze daarna door de winkeldochters heen was, is onbekend.
De bijenshowman en -voorlichter Charles Louis bleef verder in nevelen gehuld. Zo is hij in geen enkele Nederlandse wetenschappelijke bibliotheek te vinden als auteur van een bijenboekje. Ook niet onder de meer Engelse spelling Lewis. Misschien compileerde hij andermans teksten, maar dan zouden die 15 en 39 artikelen uit de titels toch traceerbaar moeten zijn. Ik hou het er voorlopig maar op dat zijn werkjes compleet van de aardbodem verdwenen zijn, want ook de door mij geraadpleegde Nederlandse en Engelse deskundigen op het gebied van de bijenhoudershistorie wisten van zijn bestaan niet af.
Bij toeval kwam ik nog wel een boekbespreking tegen in de Boekzael der Geleerde wereld’, een domineestijdschrift. Die recensie verwees met een uitgebreid vertaald citaat naar de ‘Dictionaire des Merveilles de la Nature’ van de Franse plilosophe Sigand de la Fond, een werk dat in 1781 te Parijs verscheen:
“Zekere Engelsman, Wildam, bezat eene zondelinge bekwaamheid, om byen, wespen en andere soortgelijke dieren op te kweeken.Den vierden van zomermaand 1774 nam hij, in tegenwoordigheid van veele hooge personadiën, proeven ten aanzien der opvoeding en huishouding van de byen. Hij vertoonde eenen byenkorf waarin zich byen bevonden, die hy binnen twee minuten uit denzelven lokte en zich op den hoed eens aanschouwers liet zetten. Van daar verzamelde hy ze op zynen blooten arm, alwaar zy eene soort van mof uitmaakten. Hier op lokte hy ze op zyn hoofd en aangezigt, waar zy een masker vormden. Verder moesten zy op zyn bevel, heen en weer marcheeren.”
Tot zover lijken deze Wildam en Charles Louis bijzonder veel op elkaar, al is er bij Louis geen sprake van een bijenmasker om hoofd en gezicht. Maar misschien overdreef Sigand de la Fond ook wel een beetje over die Wildam:
“Nog zonderlinger is de omstandigheid by dit mensch, dat hy dezelfde proeven met ieder anderen byenzwerm, die men hem bragt, ja zelfs met wespen en andere vliegen doen kan, en dat hy zelfs de wildsten, zonder door dezelven gestoken te worden, binnen vyf minuten tam kon maken.”
Ofwel Wildam en Louis waren één en dezelfde figuur, ofwel Louis was een wat minder getalenteerde leerling of navolger van Wildam. In het eerste geval zwierf er een man door Europa, die zijn naam nogal eens veranderde, om reden van de schulden die hij achterliet.
Overigens was Wildam wèl traceerbaar als schrijver van een obscuur bijenboek. Van diens Trattato sopra la cura della api uit 1771 bezit de bibliotheek van het Museo di Apicultura ‘Guido Tregonese’ in Treviso, Italië, sinds ca. 1990 een fotocopie. Het origineel zal wel in bezit van een particuliere liefhebber zijn.
Harry Perton
Deze tekst is eerder in iets andere vorm verschenen in wijkkrant De Oosterpoorter en het blad Bijen.
Sichterman in de bakkerstrog was mystificatie?
Geplaatst op: 25 maart 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 4 reactiesIk hoop niet dat ik jullie teleurstel, maar dat verhaal van gister over Sichterman in de bakkerstrog zou best eens een verzinsel kunnen zijn.
Ten eerste komt het motief van de verliefde rijkaard die zich moet verstoppen voor de quasi boze echtgenoot me nogal bekend voor. Ik vermoed dat het zelfs al te vinden is in de Decamerone of anders The Canterbury Tales.
Ten tweede blijken die memoires van Ludeman, waaruit het verhaal afkomstig is, helemaal niet door Ludeman zelf geschreven, maar door de jurist, mystificateur en oplichter Franciscus Lievens Kersteman.
Volgens zijn eigen memoires (uit 1792) had Kersteman de Bengaalse Sichterman inderdaad ontmoet ten tijde van de Roeters-affaire (1759), toen er in Amsterdam wegens achterstallige lijfrenten beslag gelegd was op Groningse eigendommen. Kersteman noemt de oud-VOC-Directeur “de alomberuchten vrouwenbeminnaar” en vertelt dat Sichterman indertijd verblijf hield in Wildervank:
“alwaar hij op zijn prachtig buitengoed een vorstlijke stoet onderhield, en dagelijks voor allerhande vreemdelingen, die hem aldaar kwamen bezoeken, behalven vrij logement, toegang tot zijn tafel gaf.”
Sichterman zou Kersteman hebben overgehaald om een paar dagen op dat buitengoed te komen logeren, zodat ze Sichtermans Amsterdamse zaken goed door konden spreken. Kersteman merkt op dat hij dat niet kon weigeren aan
“zulk een vette kalant, die mij binnen korten tijd meer dan een half duizend guldens salaris in den zak joeg“.
Dat van die vette klant legde Kersteman ook in de mond van Ludeman, waar die Sichterman typeerde. Naar eigen zeggen verbleef Kersteman tien dagen “in dat aangenaam buitenleven” te Wildervank. Na afloop van deze fijne werkvakantie zou Sichterman hem persoonlijk naar Groningen hebben gebracht
“…bij welke gelegenheid hij de goedheid had mij zijn kostbaar en overheerelijk gebouw, dat na een klein Koninglijk paleis geleek, en op de ossenmarkt stond, van binnen te doen beschouwen.”
Of dit dan wel waar was? De geciteerde beschrijvingen zijn tamelijk algemeen en geven niets wat niet algemeen bekend was. Bovendien kwam Kersteman net uit de gevangenis in 1759. Voor een tijd dat alles van de recommandaties aan elkaar hing, is het moeilijk voorstelbaar dat iemand als Kersteman werkelijk toegang tot Sichterman had, laat staan dat hij diens financiële belangen kon behartigen.
Maar misschien vergist ik me, en is er contact geweest.
De Bengaalse Sichterman op liefdesavontuur
Geplaatst op: 23 maart 2013 Hoort bij: Stad toen 1 reactie
Getuige een postuum verschenen werkje kreeg de indertijd wereldberoemde astroloog Johan Christophorus Ludeman (1683-1757) onder meer bezoek van een heer uit Groningen, wiens naam weliswaar niet genoemd wordt, maar in wie wij onmiddellijk Joan Albert Sichterman (1692-1764) herkennen. Deze heer, in de wandeling de Bengaalse Sichterman geheten, had als VOC-directeur in Bengalen dankzij smokkelhandel een enorm vermogen bijeengegaard, waarvan hij in Groningen het nog steeds bestaande stadspaleis aan de Ossemarkt liet bouwen. Sichterman wilde van de astroloog weten of hij kans maakte bij een Groninger bakkersvrouw op wie hij een oogje had. Het verhaal zoals Ludeman het geeft:
“Een Opperbevelhebber van Bengalen met 88 tonnen gouds gerepatrieert, en in allerlei opzigte door het wisselvallig element van het water begunstigt zynde, begon onmiddelyk by zyn aankomst in zyn vaderland een groot figuur te slaan, prachtig te Ieven en onnoemelyke geldverspillingen voor gekamerde matressen te doen. Onder anderen beving hem eens de lust, om van Groningen, daar hy woonachtig was, na Amsteldam te komen om zyn horoscoop door my te laten trekken. Ik zou my vry liever hebben laten geezelen, dan zulk een vette vogel van de hand te wyzen, en ik bedroog my niet in de verwagting die ik van zyne Oostlndische mildadigheid had opgevat. Om kort te gaan, ik trok zyn horoscoop, en ik verklaarde hem onbewimpelt dat hy met een oud, lelyk, kwaataartig, en ryk wyf daar te lande getrouwd was die hy om haare schatten genomen had. Hy beleet my met een grimlach dat ik de waarheid sprak. Vervolgens openbaarde ik hem uit de constellatie van zyn planeet ontdekt te hebben, dat hy toenmaal verlieft was op een getrouwde vrouw die by haare ongemeene schoonheid veel deucht voegde. Dat is juist de zaak waar over ik u kom raadplegen, viel de Bengaalsche Cresus my in de reede. Maar zou de glans van het goud niet bekwaam zyn om zulk eene verstaalsche kuisheid te overwinnen?, vroeg hy weder.
“Ik geloof niet mynheer”, zeide ik, “dat de eerbaarheid van die vrouw door geld te belagen zal zyn, en dat gy u oogmerk bereiken zult, zelfs meen ik uit de gewaarwording van u nativitiedsstar te kunnen besluiten, dat gy er zonder schade en schande niet wel afkomen kan als gy goedvind uwe bedekte aanslag te volvoeren.” Hy begon hierop andermaal te meesmuilen, zeggende dat hy het evenwel beproeven wilde, en vertrok heel vergenoegt na my een gerold papiertje met 20 Ducaten behandigt te hebben.
Ik vernam inderdaad korte tyd daarna het gevolg van deeze grappige historie. Men wist my te zeggen dat het voorwerp van zyne onwettige minnevlagen een bakkersvrouw van Groningen was, die niet minder kuisch, dan schoon zynde, ondanks de bekrompentheid van haar staat, alle de voordelige aanbiedingen van den ryke minnaar om haar te verleiden edelmoedig van de hand wees. Dog de zaken van den bakker ten laasten aan lager wal gerakende op eene wyze dat deeze ongelukkige luiden op de sprong stonden van een gedwongen bankroet te moeten ondernemen, besloot de eerbare vrouw met overleg en toestemming van haren man om de Oostindische Crefus een trek te spelen die bekwaam zoude zyn om hunne verwarde zaken te herstellen, zonder dat haar eer gevaar liep van daardoor gekwest te zyn.
En ziehier de geestryke en niet onaartige uitvinding van welke de schrandere bakkersvrouw haar bediende. Zy veinsde op een tyd dat haare schatryke minnaar haar op allerley wyze poogde te bewegen om hem de laaste gunst toe te staan, en haar ten dien einde voor een enkelde nachtvisite vierhondert dukaten en een paar fyne orlietten van groote waarde tot een geschenk aanbood, [door] de grootheid zyner aanbiedingen overwonnen te zyn en de vlag te willen stryken. Hoor, zeide zy met een nagebooste verlieftheid en beschaamde houding die hem bedroog: Ik wil niet langer ontveinzen dat uwe liefdensverklaringen myn hart getrofven hebben, maar begrypt dat eene gehuuwde vrouw ter bedekking van haar eer altyd verplicht is van zekere omzigtigheden omtrent haar man gebruik te maken –. Kom morgenavond tegen tien uuren wanneer myn man op de burgerwacht moet zyn en tot in den morgenstond uitblyft. Ik zal my dan nader verklaren aangaande de gunst die gy bedoelt.
De Bengaalsche Cresus, verrukt over een verklaring die zyne oogmerken scheen te vlyen, beloofde aan zyn kant haar op de bepaalde tyd te zullen behandigen de geschenken die hy haar voorwaardig belooft had. Intuschen had de bakkersvrouw ingevolge de afspraak met haren man zodanige welbeleide maatregelen genomen, waardoor haar de kans onmogelyk ontglippen kon.
De galant, hiervan onkundig, kwam ter bestemder uur opdagen en in de verbeelding van een groot gedeelte van den nacht tot het plegen zyner geile lusten ongestoord by haar te zullen doorbrengen, overreikte haar aanstonds de vierhondert ducaten en de beloofde diamante orlietten. Onmiddelyk daarna, meende hy van enige vrypostigheden gebruik te maken, dog zoodrae zy bespeurde dat hy haar met geweld op het ledikant wilde werpen, verzogt zy hem zoo nadrukkelyk haar één half uur ter herstelling van haare verlegentheid te willen vergunnen, en onderwylen een glasje punsch te zamen te drinken, dat hy ondanks de hevigheid zyner driften, goedwillig in dat kort uitstel bewilligde.
Terwyl zy daarmeede bezig waren, wierd er tot driemaal hevig aan de voordeur gescheld. Men geleek aan weerskanten ongerust, het schrander vrouwtje vroeg uit voorzigtigheid alvorens de deur te ontsluiten, wie er was en kreeg tot bescheid dat het haar man was. Zy vloog daarop met eene gemaakte onsteltenis wederom na de kamer daar haar minnaar zig bevond en verzogt hem met een gelaat waarin overhaasting en schrik uitblonk, van zig schielyk te willen verbergen in de trog die in de bakkery stond.
Dit geschied zynde, ging de doortrapte vrouw de huisdeur openen om haar man te ontfangen, die wakker begon te grommen dat men hem zoo lang op de straad had laaten wagten, zeggende vervolgens overluid tegen zyn huisvrouw dat hy verpligt zynde voor een zyner kalanten wiens vrouw onverwagt bevallen was, dien nacht bollen te bakken, volgens het gebruik ‘t welk te Groningen in kraambevallingen plaats heeft, hy om die reede van de burgerwacht huiswaarts was gekeert.
Hy wilde zig daarop naar zyn bakkery begeven, maar zyn vrouw poogde hem welstaanshalve daar van aftewenden. De bakker geliet zie of hy boos wierd. Wat is hier tog gaande, dat gy zoo ongerust scheint?, vroeg hy aan zyn vrouw — Och niemendal kind!, gaf zy heel bedeest ten antwoord. Intusschen doorsnuffelde de looze bakker alle de hoeken van de bakkery en vond Oom Kool in de trog verscholen. Toen was het dat hy zig verwoed veinsde te zyn. Hy trok zyn sabel waarmeede hy van de burgerwacht gekomen was en bedreigde de heetbloede minnaar daarmede den kop door te doorkloven: — Scburk gy staat bekent voor een hoerejager, gy komt zekerlyk hier om myn vrouw te debaucheren!, riep hy in een blakende gramschap uit, schoon zyn nagebooste toorn een geheel ander doelwit ten voorwerp had.
De Bengaalsche Cresus die op de bedreiging van den bakker begon te beven viel door de mande, en verzogt pardon, het geen hy ten laasten na veele scherpe woordenwisseling verkreeg onder beding dat hy alvorens te vertrekken, ten behoeven van den bakker een schuldbekentenis van tweehondert goude ryders ondertekenen moest, waartoe den bedotte galant hem zeer volvaardig betoonde zonder van de 400 ducaten en de orlietten die hy aan zyn eerbare schoone gegeven had, één enkeld woord te durven reppen.
Opdat de zaak niet ruchtbaar zoude worden, voldeed hy inderdaad den aanvolgende dag aan zyne belofte en zond een paar hondert ryders onder intrekking van zyn handschrift aan den bakker, welke hier door zyne verlopen zaken gereddert en zyn deuchtzame vrouws eer gedekt zag.”
Bron: Johan Christophorus Ludeman, Triumph-zaal van astrologische voorzeggingen; of de nieuwe spiegel der waereld, deel I (1787) pag. 93-96.
Zie ook: Sichterman in de bakkerstrog was mystificatie?
Dozen, dozen, dozen
Geplaatst op: 19 maart 2013 Hoort bij: Stad toen 15 reacties
(Groninger Adresboek 1930)
Schoenen sleten meer op Groninger plaveisel
Geplaatst op: 15 maart 2013 Hoort bij: Stad toen 2 reacties
Schoenmakers hadden in Groningen meer werk.
“De oplettenheid en de dagelijksche ondervinding leerden mij, dat een schoen geschikt voor de eene stad hetzelfde voorrecht niet hadt in de andere. Een schoen die draagelijk is in Den Haag, is minder goed te Amsterdam, en geheel onnut te Leeuwaarden, te Groningen, en overal alwaar de balsteenen (veldkeien, kinderkopjes HP), zonder gespleeten te zijn, dat is zoo als de heidevelden die opgeeven, gebezigd worden (…) of men moet door den tijd zig eene hebbelijkheid verkreigen om dat lastig gebrek door eene andere gangwijze voor te koomen.”
Bron: Petrus Camper, Verhandeling over den besten schoen (1781) pag. 4.

Recente reacties