Als tichels in de Toren van Babel

Toren van Babel - chromolitho A. Crebas Groningen (hofleverancier) blog

Rond 1900 verkocht bakkerij Crebas in de Groninger Steentilstraat dozen bonbons met bijbelse voorstellingen op de dozen. Of Crebas echter zo bijbelvast was, dat zelfs doorgewinterde gereformeerden deze dozen van hem afnamen, is twijfelachtig.

Zo staat op Crebas zijn doos met de voorstelling van de Toren van Babel een bouwkundige ongerijmdheid, die de bijbelvasten dadelijk in het oog moest springen. Het betreft de enorme blokken natuursteen die op de voorgrond op maat schijnen te worden gezaagd, teneinde op het middenplan per paard en wagen richting de bouwplaats te gaan.

Gekkigheid! Onzin! Apekolder! Want daar op de laagvlakte van Sinear werd helemaal geen natuursteen gebruikt om de toren van Babel mee op te bouwen. De bouwers gebruikten gestreken tichelen, oftewel bakstenen, voor hun megalomane prestigeproject:

Bijbel Toren van Babelverhaal

Overigens, nu ik het verhaal nog eens weer lees, vind ik het wel een beetje kinderachtig van die Heere God. De mensen trekken een symbool voor hun vurige eenheidsverlangen op, en wat doet Hij? Hij reageert als een kleuter die uit nijd en naijver het blokkendoosbouwsel van een andere kleuter omgooit. En de gelovige is daarmee gewaarschuwd: elk streven naar eenheid is bij voorbaat kansloos.

Mensen zullen altijd langs elkaar heen praten, wil het verhaal. Het elkaar niet verstaan zit er ingebakken, als tichels in de Toren van Babel.

En toch probeert de mens het telkens weer, tegen het Beter Weten in. Zo brengt hij zelfs de euvele moed op om een peuter de achterhaalde eenheidstaal Esperanto te leren:


Bij de dood van Ypke Gietema

Geplaatst op 16 februari 2010  a

Ypke Gietema heb ik maar een keer of twee, drie gesproken. Niet echt vaak. Dit zijn dan ook wat losse, bijeengesprokkelde noties, van wat er is blijven hangen na al die jaren dat je hem alleen nog maar met zijn hond in de binnenstad zag lopen. Een oudgediende, waarmee het niet altijd goed ging.

Het was de man die in 1978 brak met de linkse meerderheidscolleges, waar ik toen nog behoorlijk in geloofde.

Midden jaren tachtig liet hij Rem Koolhaas de Brink-flats bouwen. De Oosterpoort, de buurt waar ik woonde, vond ze afschuwelijk en voerde actie onder de noemer van Ypjes LEGO-fonds.  Ik was niet zo anti-hoogbouw en vond die flats juist wel gaan. De op de man spelende actie vond ik wat kinderachtig – die  bekeek ik een beetje meewarig.

In ’87 wilde Ypke Gietema zo goed als de gehele Oosterpoort slopen, wat betekende dat ik zou moeten verhuizen. Op een bloedhete dag haalde hij in een stampvolle foyer van het Cultuurcentrum bakzeil voor het front van de verontwaardigde buurt, peentjes zwetend en op detailpunten steeds van spiekbriefjes voorzien door van achter naar voren rennende ambtenaren. Naderhand kwam er geld vrij voor een proef met casco-renovatie van twee blokken ongestapelde bouw.

Dat was veel te weinig vonden we, en onder de noemer ‘Oosterpoort klaar voor 2000’ vroegen we om geld voor het opknappen van de rest van de buurt. Vlak voor de raadsverkiezingen van 1990 zegde hij op een politieke wijkmarkt 1,6 miljoen op jaarbasis toe.

De museumkwestie speelde – alweer was ik niet zo’n tegenstander – en zijn partij ging terug van 18 naar 11 zetels in de raad. “Arme Ypke”, schreef ik sarrend in het GroenLinksblad: “in een wipke zomaar zeven zetels kwijt”.

Door het Buurtoverleg Oosterpoort maak je hem dan een paar keer mee: je leert hem waarderen als toch wel een aardige figuur, met humor bovendien. En naderhand dus die Kredietbankaffaire: anders dan de burgemeesters Batsen van deze wereld had hij tenminste wèl de ruggegraat om af te treden.

Kwade tongen beweerden dat hij zoiets makkelijk kon doen, omdat hij de vijftig al gepasseerd was en dus recht had op wachtgeld tot zijn pensioen. Wat mij betreft heeft hij dat wachtgeld echter ten volle verdiend. Begin jaren tachtig kende de stad Groningen immers nog een werkloosheidspercentage van 25 %. Dat ze uit dàt diepe dal kroop en er uiteindelijk zelfs beter dan gemiddeld afkwam, is in belangrijke mate de verdienste van Ypke Gietema en diens revitaliseringspolitiek geweest. Eigenlijk zouden we best wel weer zo iemand kunnen gebruiken.


De grote ontgoocheling

“Na de bevrijding kwam al gauw de grote ontgoocheling. In de oorlog was je één. Communisten, katholieken, protestanten en socialisten of gereformeerden, je was één. En je dacht dat het zo zou blijven. Maar dat was een grote vergissing. De oorlog was nog maar nauwelijks afgelopen of er werd weer onderscheid gemaakt. In de oorlog was de De Waarheid een geweldige krant, na de oorlog leek het wel of je een melaatse was als je die krant nog steeds las. Nog een voorbeeld. Direct na de bevrijding ben ik oprichter geweest van de Eenheids Vakbeweging, de EVB. Met elkaar zouden we sterk zijn. Maar al gauw gingen er mensen uit omdat er ook communisten in zaten. Die linkse jongens kregen dus al snel de overhand. Op een gegeven moment waren er praktisch alleen nog communisten over die de naam hebben veranderd in Eenheids Vakcentrale, de EVC. Ik ben er toen ook uitgegaan.”

Aldus Gerard Sampon, NvhN 18 mei 1985.


Reclame in ‘De Groninger Winkelier’

Van De Groninger Winkelier, het orgaan van de Algemene Groninger Winkeliersvereniging, lijkt maar een handvol exemplaren bewaard te zijn gebleven, waarvan de oudste twee uit 1936 dateren.

De voorpagina was een soort passepartout waarin steeds andere advertenties konden worden afgedrukt. Hieronder zie je de kop van het blad. Let op de Martinitoren, gezet tegen een ster die zijn stralen werpt op de edele trekken van Mercurius, god van de handel:

0 Winkelier orgaan AGWV aug 1936 2013-03-05 002

Zoals wel vaker bij oude tijdschriften is de reclame het leukst. Advertentie van A.J. Polaks puddingfabriek aan de Viaductstraat:

2013-03-05 004

Wits als het om witten ging :

2013-03-05 008

Nooit geweten dat er voor de oorlog al koelkasten waren:

2013-03-05 009

NASK was een bedrijf dat ook veel in de Groninger Adresboeken adverteerde:

2013-03-05 011 a y21

Een gerenommeerd bedrijf, hofleverancier zelfs, was L. de Vries Hzn. aan de Brugstraat:

2013-03-05 012

De naam van fietsenmaker Glaudé leeft voort in de aanduiding Glaudé-lokatie voor een stukje oude bebouwing aan het begin van de Hereweg wz. Tegenwoordig zie er nogal eens bakbrommers staan. Niets nieuws onder de zon, want Glaudé deed er al in:

2013-03-05 016

Drexhage was het bedrijf dat ook de reclame in de Adresboeken verzorgde:

2013-03-05 019


Circusprogramma’s van een halve eeuw her

Zo’n gemeente-archief herbergt soms onvermoede zaken. Zoals programmaboekjes van circussen uit het begin van de jaren ’60.

– Circus Toni Boltini (1962). Een paar jaar eerder nog op toernee onder de naam Italiaans Nederlandse Circuscombinatie:

a 2013-03-01 095

– Circus Krone (1962):

b 2013-03-01 049

– De Belgische clown Peter Bento van dat circus ging door voor “ein Spaßmacher von internationalem Format”:

c 2013-03-01 071

– Het affiche van Circus Jos Mullens uit 1960:

d 2013-03-01 029

Bron: RHC Groninger Archieven, toegang 1841 doos 28.

Circusmuseum


Begrafenis door kameraden

“Heden had alhier eene eenvoudige plegtigheid plaats. Het stoffelijk overschot van de dezer dagen overleden bedienden op de Groninger en Prov. Groninger Courantdrukkerijen, Sierks en Van der Horst, oppassende werklieden, vaders van huisgezinnen en in de kracht huns levens, werd door een veertigtal hunner kameraden grafwaarts vergezeld grafwaarts vergezeld, allen deftig in het zwart gekleed. De pleinen en straten, waarlangs de lange trein trok, waren gevuld met toeschouwers, die niet zonder aandoening en blijken van goedkeuring deze hulde zagen, aan afgestorven vrienden toegebragt. Nadat de lijken in een en ’t zelfde graf waren nedergelaten, werden door L. Grashuis en J. Rehwinkel eenige toepasselijke woorden ter eere van de nagedachtenis der beide afgestorven kameraden gesproken.”

Bron: Provinciale Groninger Courant 20 april 1858.

Commentaar: Een dergelijke begrafenis door vakgenoten was kennelijk zeldzaam in de tijd dat de gilden allang afgeschaft en de vakbonden nog lang niet geboren waren.  Vandaar dat deze uitvaart de krant haalde. Een voorvader van onze huidige burgemeester werkte kennelijk ook als letterzetter of krantendrukker.

 

 


Herinneringen aan ’t Groningen van 1900-1915

Vismarkt

“Overigens verkreeg ook dit marktplein een gans ander karakter door het toenemende verkeer. Ik herinner me nog de talrijke bodewagens, die er des dinsdags en vrijdags geparkeerd waren. De drukke eierenmarkt aan de noordelijke kant van het Stadhuis en de vele tweedehandsboekhandelaren. Hoevele oude bekenden mis ik hier. Waar is moeder Noorman, de stoere groentevrouw met de wollen muts op, die met haar bokkenwagen de markt bezocht en er haar groente uitventte. Waar is de evangelist Jacobus Horn, die er in zijn koepeltentje bijbelse en andere godsdienstige lectuur verkocht. Waar mijn oude vriend Cloetingh, die er zijn socialistische lectuur aan de man en aan de vrouw bracht. Waar onze oude bouquinisten Pieter Beyer, Frijdal, Leemhuis en Bouma? Wat heb ik niet in hun stoffige voorraden gesnuffeld en hoe rijk voelde ik me als ik weer eens voor luttele stuivers mij de bezitter wist van een boek, dat mijn belangstelling had.”

Deze unieke herinnering aan tweede handsboekenkraampjes op de Grote Markt is van Bernard Ram, PvdA-wethouder Arbeidszaken van Amsterdam, en hij schreef haar op in zijn nostalgische serie Een wandeling door Groningen, een halve eeuw geleden, die eind 1954 in het Nieuwsblad verscheen. Ram was opgegroeid in de stad-Groningen en beschijft toestanden uit zijn vormende jaren, zo tussen 1900 en 1915. Vaak schort het die herinneringen wat aan diepgang, de verhalen zijn soms nogal opsommerig, maar er zitten ook mooie passages in en met elkaar vormen ze toch een aardige momentopname van het Groningen van voor de Eerste Wereldoorlog. Daarom leek het mij wel dienstig om linkjes naar de hele serie te geven, met een korte inhoudsopgave per aflevering:

  • 1 –  Inleiding.  Vervoerszaken, straatverlichting en huisbrand. De badmeester en lantaarnschoonmaker Diephuis.
  • 2 – Armoe en bedéling, het Soephuis, lonen, werktijden en woningtoestanden, kroegen, de politiek. Beschrijving van de Boterdiepbuurt waar Ram opgroeide.
  • 3 – Vervolg jeugd aan het Boterdiep, het slepen van trekschuiten voorbij de Rodeweg, de kalkovens en de Halfwegsmolen buiten de stad. Nadere beschrijving van de Boterdiepbuurt: tapijtenklopperij, de joodse begraafplaats op Grote Verzoendag, het exercitieterrein, de vlintenklopperij van het armbestuur, kinderspelletjes.
  • 4 – De Grote Tentoonstelling van 1903, met het Japanse paviljoen. De komst van de labaratoria in de buurt. De academiebrand van 1906.
  • 5 – De bewaarschool in de Nieuwe Kijk in het Jatstraat, de populaire arts R. de Waard, de lagere school aan het Noorderkerkhof, de schoolbibliotheek, het verteluurtje, meester Bos van de schoolatlas, openbare lessen die door de ouders werden bijgewoond.
  • 6 – De Nutsbibliotheek aan de Uurwerkersgang met de belangrijkste titels. Spelen op het kerkplein van de Nieuwe kerk, Niemeijer, herberg het Blauwe Paard, de stalhouderij van Goldhoorn, het Guyotplein, Roorda van de leerboeken Engels.
  • 7 – De Ossemarkt en zijn voorname bewoners, Marktstraat, Oude Ebbingestraat, onderaardse gangen, de paarden en de electrische tram, tramremises, het Hereplein en het Viaduct.
  • 8 – De beide markten, die “in ongunstige zin” zijn veranderd sinds de oorlog. Benoeming van alle zaken vanaf de Boteringestraat met de zon mee. De tweedehandsboekhandel.
  • 9 – De torenwachter als gever van brandalarm.  Vismarkt e.o., Bommen Berend-viering, de houten wielerbaan die Groningen een tijdje gekend heeft.
  • 10 – Mei-kermis – opsomming van alle attracties, inclusief de “neger als portier” bij een stoomcarrousel. De uitdrukkingen “Drukke Dinsdag” en “Drukke Woensdag”. Een rondgang over het Martinikerkhof met het politiebureau en de brandweerkazerne.
  • 11 – De zuidzijde van het Martinikerkhof, het Toevluchtsoord, de Maagdenbrug , Boumans Hof, de diepenring tot de Noorderhaven met zijn bedrijvigheid zoals pompmakers. De beurtvaarder op Ameland en het motorbootje dat passagiers naar Schiermonnikoog vervoerde, de pleziervaart naar de Duitse eilanden Borkum en Norderney.
  • 12 – Langs de Reitdiepsdijk naar Blauwborgje en terug via de Paddepoelsterweg.  Zuidzijde Reitdiep met de barkmolen, het Noorderplantsoen met zijn Melkhuis en molen de Noordstar op de plek waar de watertoren kwam.
  • 13 – De Ebbingestraat, de Violenstraat met zijn scholen, omgeving Noorderstation, Studentenpad. De omgeving van het Damsterdiep, Singelweg, het Typografengasthuis en het Slachthuis.
  • 14 – Oosterhaven, Winschoterdiep, de Hereweg met café Waterloo en het Boschhuis, het zwembad bij de redoutes, het Engelsekamp, het wrongelhuis Vorenkamp in Helpman en Villa Gelria als keerpunt.

Hanebijtersgang (IV)

Wanneer ontstond die steegnaam eigenlijk?

De alleroudste koopakte, waarin sprake is van de “hanebyters ganck” dateert van 9 september 1664. Het betrof een “camer” (= éénkamerwoning) aan de westkant van het Zuiderkerkhof op pachtgrond.

Die begraafplaats, nu grotendeels ingenomen door het bioscoopcomplex van Pathé, was bestemd voor mensen die  zich geen plekje op een echt kerkhof konden veroorloven. Kijken we naar de stadskaart die Egbert Haubois uit 1631, dan zien we langs twee en een half van de vier zijden van deze begraafplaats al eenkamerwoninkjes staan.:

Zuiderkerkhof eo bij Haubois

Ter oriëntatie: door het midden van het kaartje loopt het Zuiderdiep. Noord is links, zuid is rechts, oost is boven en west beneden. Aan de onder- of westkant van het Zuiderkerkhof zien we de aan één kant half volbouwde steeg die dan nog geen Hanebijtersgang heet.

Voordat de steeg zo ging heten, werd nog de weinig onderscheidende aanduiding ‘bij het Zuiderkerkhof’ gebruikt. Als in 1664 de naam Hanebijtersgang voor het eerst in een koopacte valt, zal de aanleiding daarvoor nog vers in het geheugen hebben gelegen. De hoanebieterijen die aan het uiteinde van de steeg bij de stadswal plaatsvonden, zullen daar toen pas begonnen zijn.

Als we naar de omgeving in wat bredere zin kijken, zien we dat de plek vanuit de binnenstad inderdaad behoorlijk achteraf lag. De Folkingestraat, linksonder op het kaartje, liep nog dood tegen een vrij groot complex aan de zuidkant van de Nieuwstad. Hier kwam in 1667 wel een doorbraak – die na de bouw van de synagoge in 1756 de Jodenstraat of het Jodenstraatje genoemd werd –  maar in het verlengde daarvan kwam er geen brug over het Zuiderdiep. De dichtstbijzijnde brug waarover je de Hanebijtersgang kon bereiken was dus de Haddingeboog (aan de bovenkant van het kaartje) en die situatie bleef waarschijnlijk voortbestaan tot de demping van het Zuiderdiep in 1880.

Nog even de situatie in 1825, toen de steeg aan die ene kant al wel volgebouwd was en er een kazerne aan de walkant van het Zuiderkerkhof stond:

Hanebijtersgang eo

Bron koopakte: RHC Groninger Archieven, Rechterlijke Archieven III x (stad) deel 46 fol. 278 vso (geraadpleegd op microfiche).


Hanebijtersgang (III)

Jean-Claude Taburet

Het bericht over de Hanebijtersgang uit 1922 vond ik door te zoeken op de naam van Cloetingh (1881-1931), een socialistische boekhandelaar en leesbibliotheekhouder, wiens zaak  na zijn dood, bij de Bevrijding, werd vernietigd doordat een Canadese tank er brandend op inreed. Cloetingh was het boegbeeld van de buurtcommissie die in 1929 succesvol de naamsverandering van de Zuidersingelstraat in de Ubbo Emmiusstraat bepleitte.  Eenzelfde rol vervulde hij al in 1922 toen een buurtcommissie een (mislukte) schildering van een hanentoernooi boven de ereboog aan het begin van de straat liet aanbrengen.

Gister zat ik te zoeken op hanebijterij in de verschillende spellingsvarianten, en zo kwam ik de heer Cloetingh warempel wéér tegen, althans  zijn initalen P.L.C. onder een ingezonden stuk uit 1926, dat de geschiedenis van de “Zuidersingelstraat, wijlen Hanebijtersgang” behandelt. Citaat:

“De Zuidersingelstraat ontving in 1874 na de opheffing der vesting dien naam. maar nog steeds leeft in den volksmond de naam „Hanebijtersgang” voort.

Waaraan die naam haar ontstaan dankt, is niet met zekerheid te zeggen. Jhr. Mr. Feith hechtte geen geloof aan de hanebijterij. Of te wel hanegevechten die in deze straat vroeger plaats gehad zouden hebben.

Rasechte oude Groningers weten echter met trots te vertellen van die „hoanekerels”, die in een klein kroegje, waar ze met hun haan-favoriet verschenen, de tegenstanders kwamen uitdagen en onder aan de wallen werd dan zoo’n hanentournooi afgespeeld.”

Niet dat ik zo’n liefhebber ben van dat “rasechte” (meestal is het een adelsbrevet waaraan geen noemenswaardige prestatie ten grondslag ligt), maar ik denk wèl dat Pieter Leonard Cloetingh een goed buurtnetwerk had. Volgens zijn overlijdensbericht dankte hij een “groote bekendheid” aan zijn leesbibliotheek. Hij was trouwens in zijn jonge jaren nog lid van de gemeenteraad geweest voor de SDAP, en vakbondsvoorman van de Groninger typografen. Dat deze man dat gegeven van dat hanentoernooi zomaar verzon, wil er bij mij niet in, al speculeerde hij er na dit citaat wel graag op los..

Zoals gezegd was er in 1761 elders in de stad Groningen een “Sociëteit van de Hanebijterie”, die in een herbergzaal hanegevechten organiseerde, die zelfs door heren uit de hoogste kringen werden bijgewoond. De waarschijnlijk heel wat proletarischer hanengevechten in de open lucht bij de stadswal, waar de Hanebijtersgang naar toe voerde, vonden volgens Riddering plaats voordat die wal geslecht werd (ca. 1875). In Groningen zullen de hanengevechten de 19e eeuw niet hebben overleefd. Dat gebeurde wel in de Friese Woudstreek, waar in de crisisjaren voor de oorlog zelfs nog “hoannebiterijen” werden georganiseerd. De Leeuwarder Courant laat in 1970 enkele getuigen aan het woord die dit “wrede volksvermaak” met eigen ogen te Oudkerk en Murmerwoude hadden aanschouwd. Vooral werklozen hielden zich hier veelvuldig met de hoannebiterij bezig, ze fokten er speciale hanen voor op. Zo’n hanengevecht was “een grote attractie”, maar ook een “bloederig schouwspel”, en “na afloop was er nogal eens ruzie tussen de eigenaren van de kemphanen”.

Net als bij de Groninger stadswal mocht de politie er absoluut niet achterkomen. De hanengevechten vonden daarom ook in de Friese Wouden op achterafplekjes plaats. Streekbewoners waren woedend op een fotograaf die in een vakbondstijdschrift foto’s van zo’n hanengevecht publiceerde, al kwam dat waarschijnlijk ook door de redactionele bijschriften waarin ze als “grote slechterikken” waren neergezet. Zeker was het vermaak vrij oud in deze omgeving. In Drachten vierde de hanebijterij hoogtij tot een predikant er in 1767 een eind aan maakte. Net als in Groningen, Uithuizen, BafloScheemda en Gieten was in Augustinusga een nauw straatje naar de hanebijterijen genoemd , namelijk de ‘Hoannebitersstege’.


‘Wien Groningsch bloed door de ad’ren vloeit’

Ossenmarkt

Als in 1891 de Groninger veemarkt naar buiten de voormalige stadswallen verhuist, vinden bewoners van de Ossenmarkt het langzamerhand tijd worden dat hun plein een andere naam krijgt, een die recht doet aan hun eigen prestige en tevens elke herinnering aan koeienstront uitbant. Het Wilhelminaplein, zo luidt hun voorstel.

Het stadsbestuur leest het adres van de Ossemarkt-bewoners met een welwillend oog, en neemt hun voorstel zelfs over. Maar er is ook oppositie, want het studentengenootschap ‘Groningana’ stuurt de raad een tegen-adres. En uiteindelijk blijken de tegenstanders een grote meerderheid van de gemeenteraad op hun hand te hebben. Onder aanvoering van archivaris J.A. Feith ziet die de zin van de naamsverandering niet in. Daarom laat het college van B&W de voordracht vallen en houdt de Ossenmarkt haar eeuwenoude naam.

Mogelijk werd in de besluitvorming ook een rol gespeeld door een amusant vers, dat ruim een week voor de raadsbehandeling in de Nieuwe Groninger Courant stond, en dat door andere kranten was overgenomen. De auteur ervan noemde zich X, wellicht ging het om een lid van ‘Groningana’. In dit ingezonden stuk op rijm, herinnerde X aan andere oude en karakteristieke buurt- en straatnamen van Groningen die al teloor waren gegaan, zoals het Oude Bosch, de Lammehuiningestraat, (A-kerkstraat) en het Woerdje (Folkingedwarsstraat). Als de naam Ossenmarkt nou ook nog eens verdween, dan was het hek van de dam en verdwenen er nog veel meer oude namen, zo vreesde X. Alleen aan de naam Carolieweg mochten de heren zich wat hem betreft wel vergrijpen, als ze die dan tenminste op zijn middeleeuws weer Kerelsweg zouden gaan noemen.

Hier is dan het vers van X, dat gezongen kon worden op de wijs van het toenmalige Nederlandse volkslied:

“Wien Groningsch bloed door de ad’ren vloeit
(‘t Zij dan met vreemd er bij)
Wiens hart voor koek en molboon gloeit,
Verhef den zang als wij;
Hij stell’ met ons, vereend van zin,
Als diepbedroefden saam,
Het somber klaag- en smeeklied in:
„Laat de Ossemarkt haar naam!”

O Raad, bescherm, bewaak dien grond;
Dat niet de naam verdwijn;
Der plaats waar ’t vette beestje stond,
Welks graf de maag zou zijn;
Wij smeeken van Uw wijsheid, ziet,
Denkt aan uw jongenstijd,
Ontroof ons „’t Ossemarkt” nu niet,
Straks raken we alles kwijt.

Het Oude Bosch, de Spinhuisstraat, de Hanebijtersgang,
’t Lemuuntje en het Woerdje, o Raad!
Wèg zijn ze sedert lang;
„Weg Ossemarkt”, klinkt nu ’t gemor,
„Weg Papengang!” weldra,
O Dolhuisgang, o Kleine Snor!
Straks komt men u te na.

„Stoeldraaijer — bah! dat klinkt gemeen,
Niet minder „’t Koude Gat”
En daar toch al de visch verdween,
Raakt men „de Vischmarkt” zat,
Het Kreupeltje, het Lutjenij, De Laan, de Nieuwe Weg,
Verouderd saam, herdoop ze vrij;
„Dat is goed overleg.”

O Raad, weet gij bij slapte, zeg!
Soms met uw tijd geen raad?
Noem dan „de Croolie” Kerelsweg,
Dan geeft uw doopen baat;
Wïen Groningsch bloed door de ad’ren vloeit,
(‘t Zij dan met vreemd er bij)
Is dan voor u in dank ontgloeid
En roemt u, zooals wij.”

X
6 Nov. ’95


Het drama van de Salamander

In het stuk over de Salamander schreef ik, dat deze zaak in gummiwaren en aanverwante artikelen van 1943 tot 1946 helemaal niet meer adverteerde. Ook merkte ik op dat haar telefoonnummer na de oorlog veranderde, zodat ze waarschijnlijk een andere eigenaar kreeg.

Een en ander had een reden, zo bleek uit de Salamander-dossiers bij het Handelsregister.

In 1932 had Dago Wallage, geboren 1907, de zaak overgenomen van de eerste eigenaar en oprichter. Vanaf 1937 woonde Wallage ook definitief op het adres Grote Kromme Elleboog 22. In augustus 1943 stelde het Departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart een bewindvoerder aan, op basis van een “Verordening tot verwijdering van joden uit het bedrijfsleven”. Deze bewindvoerder was de Omnia Treuhand Gesellschaft mbH, die opdracht kreeg de zaak te liquideren. Het Departement van Handel deed dat niet uit zichzelf, maar na een briefje van het Reichskommissariat. Dat episteltje, uit juni 1943, is nog aanwezig:

2013-01-13 062

Dago Wallage, zijn vrouw Martha van Coevorden en hun drie kinderen waren op dat moment al dood. Martha en de drie kinderen werden op 14 januari 1943 in Auschwitz vergast, hun echtgenoot en vader kwam er enkele maanden later om, op 30 april.

Enkele maanden na de Bevrijding, op 15 augustus 1945, stelde het Militair Gezag een nieuwe bewindvoerder aan, een kandidaat-notaris aan de Kraneweg. Deze verhuurde het pand aan de Grote Kromme Elleboog op 1 december 1945. Gezien hun joods aandoende namen waren de huurders mogelijk verre verwanten van het gezin Wallage. Zij konden het bedrijf in 1951 volledig overnemen en hebben de zaak nog tot 1965 voortgezet.

Bron: RHC Groninger Archieven, Handelsregister Groningen (toegang 1972), de inventarisnummers 2007397 en 2019364.


Hanebijtersgang II

SDAP affiche haan

De naamsverklaring die ik voor de Hanebijtersgang heb, is nog steeds niet positief bewezen. Riddering herinnerde zich in 1933 dat er in de omgeving op de stadswallen hanegevechten plaatsvonden, en ik bracht die in verband met het van oudsher overgeleverde toponiem Hanebijtersgang. Dat er 1761 elders in de stad een “Sociëteit van de Hanebijterie” was, die hanegevechten organiseerde, vormde er een sterke aanwijzing voor dat de naam Hanebijtersgang te maken had met de hanegevechten op de achterliggende wal.

Zoals ik al schreef ligt de Ubbo Emmiusstraat, tussen het Zuiderdiep en zeg maar het Groninger Museum, tegenwoordig op de plek van de Hanebijtersgang. De naam Ubbo Emmiusstraat, ontdekte ik van de week, volgde echter niet rechtsstreeks op die van Hanebijtersgang. Er zat nog een naam tussen, te weten die van Zuidersingelstraat. Omdat de Zuidersingel inmiddels Ubbo Emmiussingel heette, en hun straat nu ook mooi opgeknapt was, vroegen de bewoners van de Zuidersingelstraat in 1929 of hun straat voortaan Ubbo Emmiusstraat mocht gaan heten. En dat vond het stadsbestuur goed, en de gemeenteraad ook, zodat de bewoners hun zin kregen en feest vierden.

A propos:: feest. Zeven jaar eerder, in 1922, deden dezelfde bewoners van de Zuidersingelstraat op hun manier mee aan het 250-jarige jubileum van het Gronings Ontzet. In de krant staat dan:

“Gedurende de a.s. herdenkingsdagen zal het deel der Zuidersingelstraat dat vroeger Hanebijtersgang heette, dezen naam weer dragen.”

Ter gelegenheid van deze buitengewoon heugelijke editie van Bommen Berend bouwde de bewonerscommissie bij het noordelijke uiteind van de Zuidersingelstraat een ereboeg. Aan de Zuiderdiepkant daarvan kwam er een “transparant” op de boog met de straatnaam Hanebijtersgang,

“…alsmede een door den’ heer Spoelstra vervaardigde schildering van een hanentoumooi.”

In de Beeldbank Groningen zit een foto van de bewuste ereboog. De foto is ter plaatse van het transparant wat vaag, en Spoelstra’s evocatie van een hanentoernooi lijkt wat aan de brave kant. Maar de artistieke kwaliteit, daar gaat het hier niet om.  Wat telt is, dat de bewoners van 1922 de voormalige Hanebijtersgang in verband brachten met hanengevechten. Als Riddering zich die gevechten in 1933 nog herinnerde, dan zullen zij dat ook hebben gedaan. Uit die nog levende herinnering kwam de magere evocatie voort.


Gummiwaren. Niet goed, geld terug!

1942 de Salamander 1942

Ik denk niet dat veel jongeren deze advertentie uit 1942 meteen zullen doorgronden en het is dat mij nog een verhaal bijstond van Jaap van Nieveld, die in de buurt van deze onderneming opgroeide, anders had ik er ook niet zo gauw bij stilgestaan. Met de “hygiënische artikelen” en “gummiwaren” bedoelde de adverteerder vooral condooms, ook wel kapotjes of sluifjes geheten, maar dergelijke rechtstreekse benamingen gaven absoluut nog geen pas in de krant (in dit geval het Nieuwsblad van het Noorden), vandaar de versluiering.

Hoe verhullend het taalgebruik ook was, ik denk niet dat een christelijke, laat staan katholieke krant een dergelijke advertentie opnam. Toen ik in de krantenbank van de KB echter de behoorlijk onderscheidende combinatie Salamander + Elleboog door de kolommen van het NvhN haalde,  kwamen er van 1927 tot en met 1976 maar liefst 3662 meldingen tevoorschijn.

Het Nieuwsblad had dus best een goeie klant aan De Salamander. Vooral in de jaren rond 1930 was dat het geval, toen De Salamander bijna dagelijks in deze krant adverteerde. Naderhand nam de frequentie zienderogen af tot hooguit enkele tientalen keren per jaar rond 1940, waarna er van 1943 tot 1946 helemaal niet meer geadverteerd werd en van 1946 tot 1974 weer hooguit eenmaal per week. De enorme afname tot de oorlog en de bescheiden frequenties sindsdien zullen samenhangen met de inmiddels  opgebouwde naamsbekendheid. De eigenaar van De Salamander vond het minder nodig om nog aan de weg te timmeren.

Wat me ook frappeerde, is dat de zaak al zo oud was. De Salamander vestigde zich begin november 1927 op het adres Grote Kromme Elleboog 22. In eerste instantie leek er sprake van een soort Groene Kruis- of zorgdepot:

1927 a Salamander 7.11.1927 vestigingsadv.

Bij een wat breder uitmeten van het assortiment, een anderhalve week later, was er echter sprake van “vrouwendouches” en “bustepillen”, zodat het volwassen publiek al een enigszins beter begrip van de handel kon krijgen:

1927 b Salamander 19.11.1927

Eind 1927 adverteerde De Salamander met middelen tegen “geheime ziekten”, nader gespecificeerd als “urinekwalen” en “vrouwenziekten”, waarbij het een groot deel van de lezers toch echt duidelijk geweest moet zijn, dat de adverteerder geslachtsziekten bedoelde:

1927 c Salamander 27.12.1927

Van het verhaal van Jaap van Nieveld wist ik nog, dat er in de buurt nog enige prostitutie bestond, waar De Salamander zijn klandizie voornamelijk aan dankte. Neemt niet weg dat de advertenties pas na verloop van tijd de core business noemden. Deze is uit 1932:

1932 Salamander 16.9.1932

Sprak de eigenaar hier heren aan, hij had wel degelijk ook dames op het oog (1935):

1935 Gummiwaren de Salamander 1935

De Salamander ging in de oorlog met een telefoonnummer adverteren. Na de oorlog veranderde dat nummer en zal een andere eigenaar op gekomen zijn. Iemand die het, afgaande op dat nummer, tientallen jaren heeft volgehouden. Hij legde er tot diep in de jaren zestig de nadruk op, dat het kopen van gummiwaren een zaak van goed vertrouwen was. Een voorbeeldje uit 1952:

1952 Salamander 19.2.1952

Ook bracht hij de inmiddels opgebouwde goodwill van De Salamander in stelling. De gummiwaren moesten indertijd nog van onze verre bondgenoot komen (1954):

1954 Salamander 12.5.1954

De eigenaar deed medio jaren zestig een poging om ’t vertrouwen nog een impuls te geven, door te vermelden dat al zijn gummiwaren electronisch waren getest:

1966 Salamander 24.11.1966

In maart 1967 verscheen in de advertenties een tekeningetje van het ideale gezin met, naast pa en moe, een jongen en een meisje (de zogenaamde rijkeluiswens). Tegelijkertijd werd  het woordje vertrouwen weggelaten:

1967 Salamander 1967 17.3.1967

Het doel  van de gummiwaren verschoof hiermee van voorkoming van geslachtsziekten naar geboortebeperking,  zoals in 1970 uitdrukkelijk bleek:

1970 Salamander 223.10.1970

Kortom, er verdween een taboe. Ook ‘gewone mensen’ gingen condooms gebruiken. Maar omdat de gummiwaren –  inmiddels tevens van Europese makelij – wat betreft de nieuwe focus een grote concurrentie ondervonden van de anti-conceptiepil etc., en ze onderhand trouwens ook gewoon boven de toonbank te koop waren bij de erkende drogisterij en uit automaten, ging het bergafwaarts met De Salamander.

Eind 1974 kreeg de zaak weer een nieuw telefoonnummer. Ze werd omgevormd tot een “sex-boutiek” eerst, naderhand een “sexfilmclub” met parenavonden (1975) en uiteindelijk een “strikt besloten huis” (1976). Dat bordeel kreeg, mogelijk vanwege de ongewenste associaties die de term salamander gaf, weliswaar een andere naam – Club Pussy Cat – maar die sloot in 1978 de deur. De inmiddels gevestigde horeca-functie bleef echter berusten op het adres, waar sindsdien respectievelijk café-chantant De Babbelaar (1978-1979), bar The Wish (1980-1982), het kunstenaarscafé De Verbeelding (1983-1987) en café Mulder (1987?-nu) hebben gezeten.

Vervolg


Breister, vaandels, jenever en accordeons

De laatste tijd neem ik karrevrachten kranten door, voor gegevens omtrent bepaalde personen. Naast de redactionele kolommen komt er ook nog wel eens een aardige advertentie voorbij.

Zoals deze uit 1910 van een winkel in tricotage-artikelen. Je staat er niet bij stil, maar er waren toen al breimachines voor huiselijk gebruik:

1910 Kuipers Nieuwe Ebbinge breimachine 1910

In de stad Groninger had je in die tijd de keus uit meerdere ateliers waar je vaandels kon laten ontwerpen en borduren. Meier in de Gelkingestraat was er één van:

1910 vaandelfabriek Meier gelkingestraat

De reclame-tekenaar van Van Calcar, de jeneverstokerij uit Hoogezand, nam de letters van zijn tijd:

1928 Van Calcar jenever Sappemeer

En in 1940 adverteerde muziekhandel Hemmes in de Steentilstraat zo met zijn core-business:

1940 Hemmes 30.8.1940

De zaak was toen nog van de vader van de bekende platenhandelaar Roel Hemmes. De zoon, die er tien jaar geleden mee ophield, zette vanaf ongeveer 1960 jazz en pop naast het Nederlandstalige platen-assortiment..


‘Gedenksteen in den Coehoornsingel’

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Vond bij toeval een krantenstukje over deze gevelsteen op de hoek van de Coehoornsingel en de Ubbo Emmiusstraat, nu in een stuk nieuwbouw van de gemeentelijke dienst RO/EZ. Oorspronkelijk zat hij ter plaatse ingemetseld in de boekhandel Cloetingh, waar in april ’45 een aangeschoten Canadese tank op inreed. De steen dateert van anderhalf jaar later:

“Zooals bekend, is men eenigen tyd geleden begonnen met den herbouw van Cloetingh’s Boekhandel in den Coehoornsingel, het eerste zakenpand, dat In Groningen herbouwd wordt. Ter herdenking aan de verwoesting in April 1945 werd hedenmorgen een gedenksteen in den muur van het pand gemetseld, met daarachter een oorkonde in een looden buis. Deze steen is aangeboden door de gezamenlijke bedrijven, die aan dien herbouw van de zaak meewerken, zooals de architect, de aannemer, het technisch-bureau etc. en stelt het pand voor zooals het er na de verwoesting uitzag, met de tank, die er toen stond er op. De inmetseling geschiedde door de echtgenoote van den eigenaar, mevr. T. H. Wever—Holle, in tegenwoordigheid van geheele personeel.”

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 9 november 1946.