Een incompleet liedje
Geplaatst op: 23 januari 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen Een reactie plaatsenEen lezeres benaderde me vandaag met het verzoek of ik haar helpen kon. In haar jeugd had ze een liedje geleerd, waarvan ze zich nog twee coupletten kon herinneren. Maar ze wilde graag ook de rest er weer bij hebben. Ze had overal zitten zoeken en googelen, maar zonder resultaat. Of ik de coupletten die ze nog wel wist op mijn weblog wilde plaatsen, met de vraag aan de lezers, of zij zich misschien nog de rest herinneren.
Bij deze – de nog wel gekende coupletten luiden als volgt:
Dou’k nog te schoule ging
‘k waas nog zo’n lutje ding
Ik haar een schoetje veur
Dat was zo’n rooie kleurDoar kwam mien vrijer oan
Hai zag mie hail nait stoan
Hai luip mie stoef veurbie
Ik docht “Verrek om mie”.
In gezelschap van volwassenen werd de laatste regel gekuist tot “Vergoa om mie”. Het liedje dateert in elk geval van voor 1960.
Dus: wie kent het?
Terwijl het draadjesvlees geurde
Geplaatst op: 11 januari 2013 Hoort bij: Kunsten, Stad toen 4 reacties
Silhouet-tekening uit een advertentie van de Fa. P. Mees Lzn., Vismarkt 24 Groningen. Deze firma deed, u raadt het vast al, in “complete keukeninrichtingen”. Deze werden door het gehele land bezorgd. De advertentie stond in het Groninger Adresboek van 1920 en 1921.
Dichte gordijnen ten teken van rouw
Geplaatst op: 7 januari 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 12 reactiesGeert H. vertelde me jaren geleden een keer, dat in de straat alle gordijnen dichtgingen, als er een buurman of buurvrouw begraven werd. De gordijnen gingen dicht en alle buren gingen buiten en voor hun deuren staan. Men zweeg. De mannen deden hun hoeden en petten af als de rouwstoet voorbij kwam.
Dat was in de Groninger volkswijk de Oosterpoort, in de jaren vijftig, toen mijn zegsman jong was. Maar dat sluiten van de gordijnen was ook een officiële gewoonte, merkte ik onlangs, want bij de begrafenis van gemeentesecretaris Van der Blij in 1932 heet het:
“Van de gemeentelijke gebouwen waren heden de gordijnen ten teken van rouw neergelaten.”
Vanwege deze toevalsvondst deed ik een steekproefje met de zoektermen rouw + gordijnen (+ neergelaten) in de digitale leggers van het Nieuwsblad van het Noorden. Zodoende kwam ik aan de weet dat dit neerlaten van gordijnen gewoon usance was in openbare gebouwen bij begrafenissen van belangrijke personages.
Zo waren bij de laatste tocht van de Van Panhuyzen in 1907 de gordijnen neergelaten in het stadhuis, het provinciehuis, de universiteitsgebouwen en het academisch ziekenhuis. Maar hier niet alleen, want onderweg, op de route door de stad naar het westen, gold dat ook voor “enige huizen”. Bij aankomst van de stoet in Leek, bleek dat dorp zelfs in zware rouw:
“De gordijnen van de verschillende woningen waren neergelaten.”
De laatste meldingen van dit ooit dus vrij algemene gebruik stonden in 1961 in de krant – het betrof onder meer de begrafenis van Commissaris der Koningin Offerhaus.
Dat het gebruik sindsdien, en waarschijnlijk nog in de jaren zestig uitstierf , blijkt impliciet uit een verhaaltje van Simon van Wattum. Hij schrijft in 1981:
“Niemand droeg meer rouw, zelfs de gordijnen gingen niet meer dicht gedurende de tijd dat de dode boven aarde stond.”
Dit sloeg waarschijnlijk op het sterfhuis zelf, maar als dààr al niet de gordijnen dichtgingen, waarom zouden buren dat bij de begrafenis dan nog wel doen?
Aanvulling, 8 januari 2013
Kor F. wees me op de voorschriften in het etiquette-handboek van Amy Groskamp-Ten Have, Hoe hoort het eigenlijk? Volgens de vierde druk uit 1940, pag. 32:
“In het sterfhuis gaan onmiddellijk alle gordijnen dicht tot na den terugkeer van het kerkhof op den dag van de begrafenis.
De buren ter weerszijde en aan den overkant sluiten de gordijnen op den dag van de begrafenis tot na terugkeer der familie van de begraafplaats.”
Kunstenaarssociëteit de Baboen (1967-1976)
Geplaatst op: 6 januari 2013 Hoort bij: autobio, Kunsten, Stad toen 7 reacties
Midden jaren zeventig had je in een steegje aan de Poelestraat, links naast bioscoop Het Concerthuis, een kunstenaarssociëteit: de Baboen. Ook als alle kroegen met avondvergunningen gesloten waren (volgens voorschift moesten deze om 1 uur ’s nachts dicht), kon je je daar nog na betaling van een gering lidmaatschapsgeld vol laten gieten.
Ik ben er een paar keer geweest. Je kon er over de koppen lopen, tenminste als de atmosfeer – een bijkans snijdbaar mengsel van tabaksrook, alcoholdampen en geslachtshormonen – dat toeliet. Het was voor de hedonistische kant van artistiek en alternatief Groningen dè plaats om iemand op te pikken.
Bij toeval kwam ik wat krantenberichtjes tegen over deze sociëteit, die aangevuld met wat andere, ons een inzicht verschaffen in haar geschiedenis.
De Baboen was een initiatief van eerstejaars van academie Minerva die graag een centraal gelegen ontmoetingsplek in de stad wilden, omdat hun opleiding er over meerdere lokaties verspreid lag. Begin december 1966 hielden ze een publieke driedaagse actie ‘Poen voor Baboen’ om het geld bij elkaar te krijgen. Van de Grote Markt maakten ze een ‘dynamisch werkcentrum’, waar de mensen met hun pasmunt mee konden schilderen aan een ‘kollektief schilderij’, mee konden plakken aan een geldcollage, of mee konden hakken in een boomstronk waar een totempaal uit moest komen. Ook stonden er een ‘deliriumwagen’ en bakfietsen met pop-art, terwijl in het het voormalige snelbuffet De Kwinke, Herestraat-kraampjes en het Concerthuis benefietverkopingen van kunst plaatsvonden. Zelfs het nationale TV-programma ‘Van Gewest tot Gewest’ besteedde aandacht aan de actie
Deze bracht 3200 gulden op, wat het nagestreefde minimum overtrof, zodat de herinrichting van de voormalige oud-katholieke kapel aan het steegje naast het Concerthuis kon beginnen. De verbouwing van dit gemeentelijke eigendom gebeurde om het goedkoop te houden in eigen beheer. Boven de enorme bar kwamen lampen, gemaakt uit bamieblikken met bamboematjes eromheen. Verder stond er veel tweedehands meubilair. Op last van de brandweer, die de zaak inspecteerde, moesten de toegangsdeuren nog worden omgezet, zodat ze naar buiten draaiden in plaats van binnen.
Op 17 november 1967, dus in het nieuwe schooljaar, ging de zaak dan eindelijk open met enige plechtige handelingen door W.E. van Koldam, kabinetschef van de burgemeester en voorzitter van de stedelijke kunstraad. In de soos bleek er ruimte voor 60 personen, veel minder dan ik me kan herinneren. Maar aanvankelijk stonden er ook nog tafeltjes en stoelen, begrijp ik.
Gelijk bij de opening was er al sprake van culturele avonden, met films, lezingen, teach-ins en muziek, door Minerva te subsidiëren met 100 gulden per avond. In elk geval ging er vanuit de Baboen in het voorjaar van 1968 een Cineclub van start, die in Het Tehuis aan de Lutkenieuwstraat films draaide. In het bestuur van deze club zat onder meer Dick Stapert, die als archeoloog later nationale bekendheid verwierf door het vals verklaren van Tjerk Vermanings ‘paleolitische artefacten’. De Cineclub was duidelijk meer links dan artistiek – in 1968 behoorde ze tot de organisatoren van de 1 mei-optocht waarvoor geen vergunning was aangevraagd en die daarom al bij de start uit elkaar geslagen werd door de Groninger gemeentepolitie.
Later vernemen we niets meer van de filmclub. Qua openbare culturele activiteiten ging er helemaal niets meer uit van de Baboen. In feite sleepte de sociëteit zich van crisis naar crisis. In de zomer van 1972 ging ze al eens dicht, en eind 1973 sloot ze andermaal. Nadat de brandweer er ’s nachts een in de hens gevlogen gevelkachel moest blussen, bleek namelijk dat de nooduitgang was dichtgetimmerd en ook leken de electrische leidingen nogal gammel.
Net als alle horecagelegenheden in de binnenstad merkte de Baboen hoe het junkendom opkwam. Zo werd er in 1974 de flipperkast eens leeggehaald. In de winter van 1974 op 1975, ging de soos opnieuw geruime tijd dicht. Ik denk dat de zaak op de fles ging, want er volgde een doorstart onder een andere naam: Artis. In juni 1975 werd dat geopend door cultuurwethouder Jacques Wallage. Overigens burgerde de nieuwe naam niet in – in de volksmond bleef de soos de Baboen heten. In het laatste jaar van haar bestaan, 1976, was de bekende kunstenaar Tom Hageman voorzitter van het stichtingsbestuur, en zelfs hij noemt de sociëteit in zijn cv Baboen.
Het enige wat nu nog aan de Baboen herinnert is de Baboen-Bokaal, hoofdprijs van het jaarlijkse Pinkstertoernooi voor kroegvoetbalteams. In het tweede jaar van zijn bestaan, 1974, werd dit toernooi gewonnen door Freaks United, terwijl de gedoodverfde winnaar Blue Trippers afdroop na een mislukte strafschoppenserie. Zelf was ik in de jaren zeventig nog wel eens bij de toeschouwers te vinden – hier een sfeerbeeld van het Pinkstertoernooi uit die tijd. Het toernooi om de Baboen Bokaal bestaat nu nog steeds, en zo te zien is er qua ambiance weinig veranderd.
—
NB: de illustratie is van Emily Balsley (Flickr creative commons).
Jacques Wallage en de linke lijsterbes
Geplaatst op: 3 januari 2013 Hoort bij: Stad toen 10 reacties
Jacques Wallage was nog niet zo lang burgemeester van Groningen, toen ik vanuit de burelen van de gemeentelijke dienst Ruimtelijke Ordening aan het Zuiderdiep een licht gemor hoorde opstijgen. De ambtenaren daar vonden de nieuwe burgemeester maar een “ijdel mannetje”. Volgens mijn zegspersoon, zelf werkzaam in die burelen, zou Wallage zich zich met punten en komma’s bemoeien, en met zaken waar hij zich helemaal niet mee te bemoeien had. Ik mocht dit overigens niet verder vertellen.
Als ik iets niet verder vertellen mag, dan vergeet ik het vaak. Het kwam weer bij me boven, toen ik vanmiddag de lezing las, die Wallage eind 2011 als voorzitter van de ‘Raad voor Openbaar Bestuur‘ hield voor de conferentie Prettig Contact met de Overheid.
Wallage vertelt in die lezing, dat hij in 1998 nog maar een paar weken burgemeester was, toen hij een brief ontving van een “mevrouw”. Zij schreef dat ze “iets heel raars” meemaakte:
“Bij mij voor de deur staat een lijsterbes en ik kreeg een brief van de gemeente dat die gekapt moest worden en dat ik bezwaar kon maken. En terwijl ik met mijn bezwaar naar de brievenbus liep zag ik dat mijn lijsterbes was gekapt. Wat vindt u daar nou van burgemeester?”
Dus Wallage belt de directeur Groen: “Leg mij eens uit, hoe werkt zoiets?”
De directeur Groen: “Ga jij elke keer bellen als wij een lijsterbes kappen?”
Wallage: “Nou ja, als dat de relatie tussen overheid en burger raakt misschien wel.”
Directeur: “Okee, ik zoek het voor je uit”.
Er gaat een dag overheen, dan belt de directeur Groen Wallage terug.
Directeur: “Euhm, ja, we hebben een fout gemaakt.“
Wallage: “Okee, wat voor fout?”
Directeur: “We hebben de verkeerde brief gestuurd. We hadden een brief moeten sturen dat het een noodkap was, want dan hoef je het bezwaar niet af te wachten”.
(Zo’n noodkap kan alleen als een boom gevaar oplevert voor de omgeving.)
Wallage tegen de directeur: “Heb je ooit wel eens van een levensgevaarlijke lijsterbes gehoord?”
Directeur: “Nou nee, dat niet”.
Wallage: “Okee, wat gaan we nu doen?”
Directeur: “Hoe bedoel je?”
Wallge: “Nou, wat gaan we doen? Ik zou zeggen – plant een nieuwe lijsterbes!”
Volgens Wallage, en dat kan ik dus indirect bevestigen, ging dit verhaal bij de ambtelijke diensten rond
“…als het voorbeeld dat je met deze burgemeester wel een beetje op moest passen, want die deed gekke dingen.”
Ook verder trouwens wel een aardig verhaal, die lezing van Wallage uit 2011.
Ol boer op klompen
Geplaatst op: 30 december 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 13 reacties
R. zei dat ze nog oude agenda’s had. Die van 1947 lag toevallig onder handbereik. Het bleek een zakboekje, uitgegeven door de LIJEMPF, de Leeuwarder IJs en Melk Producten Fabriek. Veehouders konden er bijvoorbeeld in aantekenen, wanneer hun koeien waren gedekt. Maar in dit geval waren die pagina’s nog blanco. Achterin het boekje stonden stukjes voorlichting over onder meer melkmachines en tussen ettelijke pagina-paren lagen klavertjes vier. Die verzamelde haar moeder, vertelde ze. Haar moeder had er echt kijk op. Die zette haar kruk bij een koe neer om die koe te melken, en dan zag ze verderop een pol klaver staan en daar haalde ze zo de klavertjes vier tussenuit.
Eerst ventte haar vader zo veel mogelijk melk uit bij klanten in de stad en ging alleen de overtollige melk naar de LIJEMPF in Briltil. Toen de oorlog vorderde, mocht dat niet meer en moest eerst alles naar de LIJEMPF. Daar werd de room eraf geslingerd en dan kregen ze, zeg maar, de blauwe melk in twee soorten terug: taptemelk en melk waar nog een klein beetje vet in zat. Nog weer later, na de oorlog, moest haar vader een keuze maken tussen zijn melkloop en de fabriek. Hij koos voor de fabriek. Eerst was dat de LIJEMPF, maar naderhand moesten ze voor een andere fabriek kiezen en dat werd de Ommelanden aan de Friesestraatweg.
In de oorlog hielp ze haar vader wel mee met het melk rondbrengen in de stad. Daar had ze ook nog zo’n agendaboekje van. Sommige klanten rekenden namelijk niet meteen af, maar pas aan het eind van de week. Dus tekende ze met potlood de bedragen op in dat boekje. Ik vroeg of ze zich nog de naam van zo’n klant wist te herinneren. Ja, Rut Hofman was daar een van. Die had een kapsalon op de zuidhoek van de Carolieweg en de Herestraat. Hij was ook toneelkapper, grimeur, toneelspeler en regisseur en deed samen met zijn vrouw altijd de Tomasvaer en Pieternel op Nieuwjaarsdag.
Bij haar thuis waren ze lid van een rederijkersvereniging, OBK in Adorp. De afkorting stond voor ‘Oefening Baart Kunst’. Maar als ze er de gek mee wilden scheren, zeiden ze ook wel eens: “Ol Boer op Klompen”. OBK had zo’n drie keer per winterhalfjaar een uitvoering. Ze wist nog wel, vlak na de oorlog was het een keer zo glad op de weg, dat ze er op klompen heengingen. Bij OBK hadden ze er helemaal niet op gerekend dat de leden van de Paddepoel die avond nog zouden komen.
Via de OBK waren ze ook lid van de Grunneger Sproak. Ze herinnerde zich nog de voorzitter, Barth de Ridder – die had een radiozaak ergens in de stad. De secretaris, met wie hij later ruzie kreeg, mijn oudoom Hein Vondeling, was wel eens bij ze aan de deur geweest om een praatje te maken.
Burgemeestersmop voor de Febowiko
Geplaatst op: 20 december 2012 Hoort bij: Stad toen 3 reacties
Groningen was voor de oorlog een echte congresstad. Zo kwamen hier eind juni 1933 zowel de sigarenwinkeliers uit den lande bijeen , als de Federatieve Bond van Winkeliers Organisaties in het Koloniale Warenvak (Febowiko), waarvan de bijbehorende Inkoop Centrale bekend stond (en staat) als het Sperwerverbond.
Bij zo’n congres hoorde een ontvangst ten stadhuize, en die eer ging aan de Febowiko niet voorbij. Het college van B&W stond klaar, compleet met de gemeente-secretaris. Uit naam van het Groninger gemeentebestuur heette de burgemeester de winkeliers welkom en wees op de grote betekenis van hun congres, dat wel degelijk ook een algemeen belang diende. “De overheid”, zei hij, “heeft zich met den middenstand nooit al te veel behoeven te bemoeien”. En hij diste een aardig staaltje van overheidsbemoeiienis uit het Groninger verleden op, met een tabakshandelaar in de Peperstraat,
“…die om zijn pijpen aan te prijzen een bord voor zijn raam had met het volgende opschrift: „Kleine stelen en groote stelen, maar groote stelen het meest”.”
Vanuit het gemeentebestuur was de winkelier te verstaan gegeven dat dit toch eigenlijk geen pas gaf. Waarop hij bij wijze van amendement een nieuw bordje bij het oude neerzette:
„Op last van het Stadhuis, zijn de groote abuis”.
Stad stond er nait best op bij de Ter Apelers
Geplaatst op: 19 december 2012 Hoort bij: Stad toen 1 reactieIn een interview uit 1936 herinnert Dirk Rudolph de Marees van Swinderen zich zijn wethouderschap (1900-1914) van de gemeente Groningen. Hij had in zijn portefeuille de stadsbuitenbezittingen in de polders en venen van Oost-Groningen. De Marees vond het “mooi werk met veel afwisseling”, maar stipt ook de lastige juridische procedures aan die zijn stad indertijd over de stadsrechten moest voeren. Want:
“De stad was toen niet erg populair. In Ter Apel vertaalde men de letters S.G. (stadsgrond) op de bordjes langs de stadsgronden bij voorkeur als Stooln Grond…”
‘Stadstaat Groningen’ gratis te downloaden
Geplaatst op: 13 december 2012 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenTip van Kor. ‘Stadstaat Groningen’, het boek van Meindert Schroor over de heerschappij van de stad over Oost Groningen, is uitverkocht. Daarom kan je het nu gratis downloaden op deze pagina van Meinderts geografisch-historische onderzoeksbureau Varenius.
Pino, addio!
Geplaatst op: 1 december 2012 Hoort bij: Stad nu, Stad toen 6 reacties
Was toch altijd aardig om te zien, deze gevelreclame aan de Hereweg, als je naar het zuiden fietste. Maar het pand Hereweg 97 wordt binnenkort gesloopt. Daarom, ten afscheid, deze foto uit 2005. Over de plek weet Beno Hofman meer te vertellen, in woord en gebaar.
De krantenpolitiek van de Commercieele Club
Geplaatst op: 22 november 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 3 reactiesDe secretaris vraagt, in welke bladen in het vervolg moet worden geadverteerd. De oplagen der te Groningen verschijnende bladen is als volgt:
Nieuwsblad v/h Noorden
Groninger Dagblad
Nw. Prov. Gr. Crt.
Het Vrije Volk
Ons Noordenca. 40.000 exemplaren
,, 21.000 ,,
,, 22.000 ,,
,, 24.000 ,,
,, 11.500 ,,Besloten wordt, om voortaan niet meer te adverteeren in het Vrije Volk, omdat men van meening is, dat de lezers van dat blad toch geen belangstellende menschen zijn voor de Commercieele Club. Mochten er toch nog enkele belangstellenden onder zijn abonné’s zijn, dan zijn deze zeker ook wel gebonneerd op één der andere 4 bladen.
Verder wordt meteen besloten, dat “de Waarheid” in ’t vervolg geen uitnoodiging meer zal ontvangen voor onze lezingen, terwijl de voorzitter op de eerstvolgende lezing bij de opening zal mededelen, dat wij het op prijs stellen, dat de pers niet in debat komt, aangezien de pers-menschen zich als verslaggevers in ons midden bevinden en dus een geheel andere taak hebben.
Uit de bestuursnotulen d.d. 9 december 1946 van de Commercieele Club te Groningen. Wat allereerst opvalt is dat het ‘neutrale’ Nieuwsblad van het Noorden op dat moment alweer verre de andere titels overvleugeld heeft, terwijl het na de oorlog toch een poos niet is verschenen. Het kwam pas sinds eind januari 1946 weer uit, op dat moment in een oplage van 35.000 exemplaren, die in ruim tien maanden tijd dus alweer met 5000 gegroeid was.
Drie kranten, respectievelijk Het Vrije Volk – van socialistische huize – de gereformeerde Nieuwe Provinciale Groninger Courant en het liberale Groninger Dagblad hebben iets meer dan de helft van de oplage die het Nieuwsblad aan de potentiële adverteerder opgaf. Het katholieke Ons Noorden zette half zoveel kranten af als deze middenmotors.
De Commercieele Club, een vereniging voor directeuren van grote ondernemingen, maar ook wel van kleinere handelsmensen, had duidelijk moeite met de rooie pers. In het Vrije Volk adverteerde men niet, omdat men onverschilligheid veronderstelde bij zijn lezers, vooral leden van de PvdA en het grootste vakverbond, het NVV. In feite wist men natuurlijk weinig van die belangstelling, de werkelijke reden zal gewoon zijn geweest, dat daar de doelgroep van de Commercieele Club niet zat.
De communistische krant De Waarheid wordt niet genoemd in het oplagenlijstje. De redactie hiervan krijgt zelfs geen uitnodiging of persbericht meer van ophanden zijnde lezingen, waarschijnlijk omdat een Waarheid-verslaggever wat al te fel debatteerde met iemand die zo’n praatje voor de Commercieele Club hield. Aan de andere kant zit in de weerzin, die tussen de regels door schemert, ook al iets van de Koude Oorlog. Volgens de boekjes begon die met de Fultonspeech van Churchill, op 5 maart dat jaar.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, toegang 1545: archief Commerciële Club Groningen 1946-1978, inv. nr. 2 – bestuursnotulen 1946-1950.
‘Alles ongemeen vermakelyk voor ’t gezicht’
Geplaatst op: 20 november 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 4 reacties
Notaris Van der Jagts passages over Groningerland zijn ten eerste opmerkelijk, doordat hij de Hondsrug, die “ryzenden en dalenden grond”, herhaaldelijk de Bisschopsrug noemt, al slaat hij de plank mis door deze vernoeming aan de bischop van Münster toe te schrijven. ‘s Mans algemene schetsen en historiserende bespiegelingen laat ik ook hier maar voor wat ze zijn, er staat helemaal niets in wat hij niet uit boekjes kon halen. Zo brengt hij over het Oldambt en de drie Ommelanden nauwelijks iets origineels te berde; elementen die door hun detaillering aan een echte reisbeschrijving doen denken, tref je eigenlijk alleen maar aan in zijn stukjes over de Stad en Hoogezand-Sappemeer.
Van der Jagt kwam vanaf Zuidlaren over de Bisschopsrug:
Langs zeer breede boomryke wegen, tusschen veel hooger gelegen zaailand zyn wy door het dorp Haren naar de Stad Groningen gereden. Men wordt verrascht door eene fraai beplantte voorstad; door dezelve nadert men de buitenwerken, met eene drooge gracht omvangen, daar achter eene schoone plantaadje en aangelegen tuinen. De singels zyn daar met verscheiden ryen boomen beplant, de gracht is er zeer wyd en de groene wal, ook met boomen bezet, verbazend hoog. Alles is hier breed, groot, ongemeen vermakelyk voor ’t gezicht.
Volgens Van der Jagt bestond er al decennialang economische groei in de stad Groningen:
Men dryft er grooten handel in de voortbrengselen des lands als paarden, ossen, koeien, boter, kaas, granen, turf enz.
Wat betreft de gebouwde omgeving leek de Hollandse notaris vooral onder de indruk van de Grote Markt, die volgens hem “voor de grootste der Nederlanden” werd gehouden. Over de Martinitoren tekende hij op: “Beantwoordt aan de ruimte der breede Markt”. Net zoals tegenwoordige toeristen dat zouden doen, beklom hij deze toren:
Een matroos draaide zich rond aan den staart van den windwyzer, een paard verbeeldende. Wy vergenoegen ons met het beklimmen van den pynappel en ’t aller schoonst gezicht over de Stad, het landschap en Drent.
Die pijnappel bovenop de Martinitoren, ooit alleen te bereiken met een doodeng trappetje in de open lucht, is tegenwoordig allang niet meer voor iedereen toegankelijk. Weer veilig op de begane grond afgedaald, sprak Van der Jagt zijn bewondering uit voor een stukje straatmeubilair:
Men ontmoet, daar water ontbreekt, fraai gebouwde pompen.
Ook gaf hij door wanneer je het meeste volk zou kunnen aantreffen op de Grote Markt:
Dingsdags en vrydags is ’t hier marktdag.
Verder ging hij alle kerken en grote openbare gebouwen af. Een unieke observatie levert de notaris, zelf immers ook een rechtsgeleerde, van de Hoge Justitie Kamer in de Boteringestraat:
Op de lezenaars vonden wy de onderscheiden deelsrechten dezes landschaps, en de landrechten der naastgelegen landschappen, waarop men zich hier ook beroept, wanneer eigen landrecht zwygt.
Aardig is ook nog wel ’s mans kijkje buiten de Herepoort,
…langs de breede boomryke voorstad naar de Plantaadje, waarin een schoon Starrebosch en frissche waterkom, met rustbanken omzet, op welke verscheiden lanen uitloopen. Door een van de langste lanen deze plantaadje zien men St. Maartens Toren.
Maar het meest bijzonder vind ik toch zijn beschrijving van het elders weinig beschreven Hoogezand en Sappemeer, waar hij met de Winschoter trekschuit aankwam. Hoogezand was in zijn ogen “eene nog nieuwe volksplanting”:
De gedurige doortogt maakt hier den weg, die met boomen beplant is, zoo levendig, dat men zich gemaklyk verbeeldt aan den weg van Amsteldam op Haarlem te zyn. Daarby is de vaart bij uitstekenheid scheepryk. Hier is bosch, bouw- en weiland. Uit onze rustplaats zien wy de toren van Zuidlaren, in ’t geboomte. De kloktoren van ’t Hoogezand staat by den kerkhof en is door de vaart op eenigen afstand van de kerk gescheiden. Men vindt hier venery, allerlei ambachten, in ’t byzonder ook veele groote schuitmakeryen, kalkbrandery enz. Bevalligheid is hier met regelmaat gepaart. De dwars- of kruisvaarten zyn ook gebouwt met zinlyke huizen en beplant met hoog opgaand geboomte. Op ’t veld ziet men allerlei gewasschen. Op eenigen afstand wordt men verrascht door een wildgroeiend starrebosch en rustplaats van zoden, in gemeen gebruik, doch eenzaam. Men vindt hier lutherschen, doopsgezinden en roomschen. Enkele mannen onder de doopsgezinden dragen hier nog lange baarden.
Zowel Hoogezand als Sappemeer noemt hij “alom zeer volkryk”. Over Sappemeer constateert hij: “Men vindt hier veele buitenplaatsen”. Een daarvan, mogelijk die van gezworene Star Lichtenvoort, stond er deerniswekkend bij. Net als in Meppel ging het om een nog zichtbaar restant van de Oranjefurie die vanaf september 1787 over het land ging:
Wy zagen een aanzienlyk huis, met planken versiert. Wy hebben de overblyfsels der verwoesting op ons reisjen door ’t Vaderland niet overal gezien of opgemerkt; veel is herstelt; men moest hier, gelyk alom, vrolyk zyn.
Bij Sappemeer maakte Van der Jagt een lange wandeling:
Dus ziet men ook eens eene verbazende uitgestrektheid van bouwland, waar te voren bosch en veen was. Als op deze hooge landen, waarin de sluizen het water binnen houden, het hout gekapt en uitgeroeit, en de turfaarde afgestoken is, bemest men ’t land voor ’t eerst met stratendrek, anders is er nooit iets goeds van te maken, gelyk duidelyk te zien is op die plekken, daar men hiermede te zuinig was en dit wilde verbeteren. Men heeft aan turf en turfaarde, door brand, wel schade geleden.
Vergeleken bij deze beschrijving doen Van der Jagt zijn schetsen van de andere Groninger landstreken maar bleek, plichtmatig, afgeraffeld aan. Zo verliet hij de provincie langs het Hoendiep, met de trekschuit op Stroobos. En weet hij eigenlijk alleen nog over Hoogkerk en Noordhorn iets te zeggen, dat lijkt voort te komen uit eigen waarneming :
Nu varen wy door ’t westerdeel, ’t geen noordwaards vruchtbaar bouw- en weiland, zuidwaard bosschaadje en omtrent de stad lage wei- en hooilanden heeft. (…) Het dorp Hoogkerke, ’t geen wy langs varen, heeft geen toren, de klok hangt in de open lucht. Schoon is ook ’t gezicht van dezen kant, op de Stad. Hoe wel smaakt het zoogenoemde windbier, aan het dorp Noordhorn!
—
Bron: Gerrit van der Jagt, Het Vaderland (Amsterdam 1791) pag. 568-586.
Bommen Berend in de kerk van Zuidlaren
Geplaatst op: 17 november 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 3 reacties
Myne officieren en getrouwe soldaten, neemt ter ooren en herten dese reden, dien ick niet alleen als een Bisschop, maar als een Vorst des Heyligen Roomsen Rycx aen u lieden sal doen. ’t Is u allen bekent, dat ick voor vele jaren, my in de wapenen en niet in de Heylige Schiften hebben geoefent, de wapenen hebbe mijn oock tot deze waerdicheyt en tot Hooft over so veel Benden verheven. Hoeveel magtige Steden hebben hare poorten goetwillig voor ons geopent, alleen het wrevelige Greuningen heeft die gesloten, en tot noch toe alle ons gewelt van bomben, granaten, vuurballen, en canonnaten onverdrietelyk verdragen. Moeten wy dese Stadt verlaten, ’t sal onse voorgaende luyster verduysteren en wy sullen een spot der Geusen worden, die wy dagelicx van hare wallen horen blasen Staet op Heer toont u onversaecht, soo werden sy verstroyt ende verjaecht. Ia wy sullen achter onse ruggen en voor ons aengesichte moeten hooren, dat wy wel verradischer wyse plaetsen konnen vermeesteren, en niet door sterckte van onse wapenen doen, dat de Heylige Maecht verhoede. Daerom, toont u alle als leeuwen, valt aen in de loopgraven, werpt vuurwercken, en doet alles dat de moet der vyanden moogt doen verflauwen, niet aensiende het gevaer of de doot, want die aldus sterft willen wy versekeren dat de Heylige Roomsche benedictie sal genieten, ende gratie ontfangen, in geen vagevier te komen, maer van de aerde terstont ten hemel sal varen, derhalven sal ‘t haest tyt syn, dat wy op de Stadt begeeren te stormen. Stormt daerop als op het Koninckrijcke der Hemelen, sult voorseker winnen het Heylig Kruys, ’t welck ick morgen alom door onse wercken sal doen dragen en sal u een teken sijn, dat den Gekruyste met u is, en uwe handen wil versekeren, doet soo en sijt versekert van ’t gene ick segge. Hoewel dat mijn toverboecken u een anderen uytslag beloven, maer ’t is geen konst voor een priester, veel min voor een bisschop, den Duyvel te besweeren ofte bedriegen.
De tekst van een mij onbekend klein pamfletje op vrij slecht papier, gedrukt bij Mattheus Iansz te Amsterdam in de zomer van 1672. Uiteraard betreft het geen echte preek, maar een satire. Nadat een hele ris steden als Zutphen, Deventer, Zwolle, Kampen, en Coevorden gemakkelijk in zijn handen vielen, stoot Bommen Berend zijn neus voor Groningen. Van de wallen daar hoort hij psalm 86 toeteren. Hij lijdt liever geen gezichtsverlies door het beleg op te moeten breken en daarom spoort hij zijn soldaten aan om deze vesting te bestormen. Ze moeten maar niet bang zijn voor de dood, hij belooft ze dat ze het vagevuur mogen overslaan en rechtstreeks naar de hemel gaan. In zijn toverboeken staat weliswaar een heel andere uitslag, maar ach, een bisschop als hij kan de duivel best wel voor het lapje houden.
The principal inns at Groningen
Geplaatst op: 13 november 2012 Hoort bij: Stad toen 1 reactieI

II

Er zit een klein verschil tussen de delen I en II van Thomas Nugents Grand Tour (1749) voor wat betreft het lijstje van belangrijke herbergen in de stad Groningen.
In het eerste deel wordt de Grote Toelast nog genoemd. In het tweede deel heeft De Valk de plaats van deze herberg ingenomen.
In beide gevallen staat vermeld dat de trekschuiten naar Delfzijl bij het Raadhuis van Emden afvaren. Genegeerd wordt het feit dat de trekschuiten uit de richting Leeuwarden aankwamen bij de Stadsherberg.
Alle genoemde herbergen en hun lokaties:
- De Stadsherberg – buiten de A-poort aan het Hoendiep;
- De Grote Toelast – wijnhuis en ordinaris (restaurant) aan de noordzijde van de Grote Markt Markt;
- De (gouden) Helm – zuidzijde Grote Markt ter hoogte van het huidige hotel De Doelen; hier reden de postwagens naar het zuiden af;
- Het Raadhuis van Emden – noordzijde Damsterdiep:
- De Valk – aan het Hoogstraatje.
Bron: Thomas Nugent – The Grand Tour (1749), deel I pag. 146 en deel II pag. 118.
Een vroege beschrijving van de papiermolen
Geplaatst op: 6 november 2012 Hoort bij: Stad toen 3 reactiesWerd geadverteerd , dat te Groningen op Woensdag den 3 Juny aenstaende voor de eerste, en op den 10 Juny voor de tweede en laetstemael, om voort te aenvaerden, ten huyze Van de wynhandelaer Nicolaes Bloemhoff, by publyke veylinge zal worden verkogt: een extra groote welgereguleerde, en in den jaere 1734 nieuw getimmerde Wit PAPIERE WIND-MOOLEN , aldaer by een lopende rivier van zoet en helder Water geleegen, met een octrooy van 25 jaren, in ’t jaer 1732 door de Ed. Mog. Heeren Burgermeesteren en Raed in Groningen verleend; zynde dezelve groot 84 voeten vlugt, waer in 4 Maelbakken, 3 Schepkuypen, 7 Parssen met zyn Werkhuys, Pakkamer en Droogschuur, in alles lang 412 voet, met alle deszelfs Gereedschappen; benevens nog 13 Graesen Weyland en een royaele Wooning, Paerdenstal, Turfschuur, en een welgereguleerde Hof, rondsom in zyne Gragten geleegen. lemand nader onderrigting begeerende, addresseere zig by den Heer Dirk Willem de Wilde, wonende op de Oudezyds Agterburgwal by de Koestraet t’Amsterdam, en by de voorn. N. Bloemhoff in den Guldenstaert te Groningen.
Bron: Amsterdamse Courant, 5 mei 1739
Commentaar: het betreft de papiermolen die stond op de plek van het tegenwoordige zwembad. De eerste veiling was bij opbod, de tweede, na een verhoging van het hoogste bod, bij afslag. Met de rivier zal het Hoornsediep zijn bedoeld. Werkhuis, pakkamer en droogschuur waren met elkaar zo’n 120 meter lang, in het midden zal de eigenlijke molen hebben gestaan.

Recente reacties