’t Grunniger ABC
Geplaatst op: 3 november 2012 Hoort bij: Stad toen 7 reacties
Vanwege de discussie over de robuuste karren, kreeg ik ‘Het Grunniger ABC’ toegestuurd. Het rijmwerkje zou, gezien wat het bij de letter E bevat, van ongeveer 1930 of iets eerder kunnen dateren, en een leerlinge zou het indertijd hebben geschreven voor een schoolfeest. Er bleken bij nader inzien meerdere versies van te bestaan, die ik maar in elkaar heb geschoven:
A is d’AKKEDEMIE dij opent de stoet,
doar kroamen de prefesters heur wieshaid in oet.
B is de BEURS woar ain kerel op staait,
dij doarom de ‘Kerel van Korenbeurs’ hait.
C is CATS’ BITTER en CATS’ levertroan,
As je dat pruift, loat je d’r alles veur stoan.
D is ‘t DOOFSTOMMENHUUS, dat leert jonk en old,
het zwiegen is zulver maor ’t spreken is gold.
E is ’t ELECTRISCH STROATLICHT in stad,
doarveur hebben wie nog de lanteernopsteker had.
F dat is FONGERS zien FIETSENFABRIEK,
Doarr moaken ze fietsen, ze hebben geliek.
G is ’t GEVANGENHUUS dat geft groatis loozjies,
moar ik loozjeer laiver bie Willems of Suisse.
H is d’HARMONIE dei grode soosjetait,
woar men veur ’n concert altied geern hin gaait.
I is de IESBOAN veur wintervermoak,
moar zummers den lopen doar koubaisten voak.
J is ‘JAN PLEZAIER’ om met uut rieden te goan,
met kouke en ranja, ’n haile karrevoan.
K is ons KOUKE da’s wereldbekend,
ain pond ‘wrakke latten’ dat kost moar acht cent.
L is ’t LEGER DES HAILS dei binnen overaal,
Ze kennen alles bruken, al is ’t nòg zo maal.
M bennen de MOLLEBONEN, dij moaken ze in stad
doarom hebben stadjers dij noam altied had.
N is ‘t NEISBLAD VAN T NOORDEN woarop èlk zuk abbeneert,
ook al hebben ze ’t lezen soms haildal nait leerd.
O is ’t Museum van OLDHEDEN, as gast
mout je d’r jonk hèngoan, aans hollen ze joe d’r vast!
P is ’t PLANTSOEN da’s jandorie zo’n pracht,
dat de poartjes d’r lopen te kuieren bie bie nacht.
Q is nait Grunnigs, dus wat mout je d’r met
Der is niks van te zeggen, dus gooi moar in mien pet.
R is de RENBOAN doar lopen peerden zuk dood,
of as ze loos bennen, gooien ze berieder in sloot.
S dat is t SLACHTHUUS boeten STAINTILPOORT,
doar wordt ’t vei op ’n menselieke wieze vermoord.
T is de TOREN biegenoamd ’Lange Jan’,
en ’t Peerd op zien kop wiest de windrichting an.
U dat is ’t UURWAARK met klokkemuziek,
doar zet elk zien horlozie en klokke met geliek.
V is de VISMAART, moar allennig in noam,
want vis is d’r aans nait, as met kermis in ’n kroam.
W bennen de WOAGENS, geelachtig van kleur
dij roek je in de verte al, van ‘t Grunneger odeur.
X dat is NIKS dat is goud in joen ogen,
doarmet heb ik deze keer ècht woar nait logen.
IJ is ain WOATERLOOP moar aigenlieks boeten stad
as AE wordt ’t maist schreven, din waiten ie dat.
Z is ’t ZAIKENHUUS wel hail netjes baauwd,
moar om d’r te liggen is toch moar benaauwd.
—
Met dank aan Kor Feringa.
Kidnap uit het Zwijneparadijs
Geplaatst op: 29 oktober 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 7 reacties
Er was eens een Gronings jongetje, dat mee moest met ‘Boze Griet’. Dankzij de Courant kwam Jacob uiteindelijk uit Breda terug, maar niet heelhuids. Hij maakte een akelig sprookje mee. 1)
“Het word bekent gemaakt”, meldt een advertentie in de Groninger Courant van 1 augustus 1749, “dat er een kind word vermist”. Het gaat om de vijf jaar oude Jacob Abrahams, die dan al ruim een maand spoorloos is. Zoals gebruikelijk geeft de advertentie ook een signalement van de vermiste: “aan hebbende een bloemt rokkje en een bloemd buisje, een zwart fluwele bonnètje op het hoofd, hebbende geel krul hair”.
Over de toedracht van de vermissing zegt de advertentie dat de kleine blonde krullebol uit de stad meegenomen is door ene Maria, “een oude vrouw”, “die aan heeft een bruyne borst-rok, hebbende een doek om den mond”. Lezers die deze gesluierde vrouw en de jongen gezien hadden, kregen het verzoek dat te melden bij courantier Sipkes.
De advertentie was bij de Courant opgegeven door de grootvader van de jongen, omdat die het verdriet van de moeder, zijn schoondochter Frouke, weduwe van de soldaat Abraham Jacobs, niet langer kon aanzien. Samen met haar vermiste zoontje woonde deze Frouke Abrahams in bij een oudere weduwe, onmiddellijk buiten de Kranepoort aan de stadsgracht. Vanwege de morsigheid heette die plek – nu het uiteind van de Melkweg – ook wel “’t Swijneparadijs”. 2)
Sowieso leefde een soldatenweduwe al in bekrompen omstandigheden en toen haar zoontje Jacob eind juni een zweer aan de hals had, ging Frouke er dan ook niet mee naar een dure chirurgijn, maar naar een vrouw die sinds kort in herberg De Toren van Babel aan de Laan logeerde en daar Neurenberger zalf verkocht. Deze kwakzalfster nu, was de Maria waarover de advertentie in de Groninger Courant spreekt. Maria had Frouke binnen de kortste keren ingepalmd. Ze woonde eigenlijk in Oldehove, vertelde ze Frouke, en had daar net zo’n “jonkje” verloren als de kleine blonde Jacob. De kleertjes van dat overleden jochie bewaarde ze nog in huis, die zouden Jacob vast wel staan. Ze was net van plan om weer even naar Oldehove te reizen, dan kon Jacob mooi mee om die kleren te passen. Met acht dagen kreeg Frouke hem terug, beloofde ze. En Frouke stemde toe.
Dat zou vrouw Abrahams berouwen, want Maria hield zich niet aan de afspraak. Toen haar zoontje na die acht dagen nog steeds niet terug was, ging een zeer ongeruste Frouke zelf naar Oldehove om hem te halen. Maar in Oldehove bleek niemand Maria te kennen. Wel hoorde Frouke naderhand in de stad dat “dat vrouwmensch” en Jacob in Drenthe gezien waren. Ook Drenthe had ze daarom afgezocht. Tevergeefs, ze bleven onvindbaar. En omdat Frouke erg “verlegen” was om haar kind, en er “zeer om kreet”, besloot haar schoonvader om die advertentie in de courant te zetten. Dat kostte hem een lieve duit, maar die krant kwam wèl op veel meer plaatsen in den lande, dan Frouke bereizen kon.
Zo bereikte de Groninger Courant ook Breda. En al leverde de advertentie ook daar dan geen onmiddellijk resultaat op, haar inhoud bleef er wel hangen. Dat bleek maar liefst acht maanden na de vermissing van Jacob Abrahams, in maart 1750, op een steenkoude avond in herberg de Prince Tafel op het Bredase Nonneveld.

Het was vlak voor Vastenavond. In de jachtweide van de Prince Tafel tracteerde de waard, Johannes Meel, zijn buurmannen omdat zij dragers waren geweest bij de begrafenis van zijn schoonmoeder. Om half elf ging Meel naar boven, waar een vrouw, en naar hij van haar aangenomen had haar zoontje, samen al een paar dagen op een kamertje bivakkeerden. Op de trap voor de bewuste kamer vond de waard het jochie “in zijn naakte hemt” en verstijfd van de kou. De hele avond al was het ventje buitengesloten geweest.
Meel haalde zijn echtgenote Martijntie erbij en op haar aandringen bracht hij het verkleumde kind naar beneden, waar hij een nieuw vuur aanlegde om het op te warmen. Bij dat vuur verzorgde Martijntie Meel enige wonden van de jongen, die sterk mishandeld was. Ook maakte de waardin een doek los, die de arm van de jongen stijf op zijn lijf bond. En anders dan Martijntie verwachtte, bleek er met die arm eigenlijk helemaal niets mis.
Terwijl Martijntie hem verzorgde, deed het blonde ventje zijn relaas. Hij zei dat het helemaal zijn moeder niet was, die daar op die kamer sliep. Die “mooi” (moei, opoe) had hem meegenomen. Ze waren samen in Maastricht en Bergen op Zoom geweest en onderweg had ze hem al menigmaal “deerlijk” geslagen. Sterker nog, ze bond zijn arm steeds weer strak aan zijn lijf vast om die “lam te doen worden”.
Het nog veel ernstiger letsel aan zijn neusje verklaarde het jochie met de gruwelhistorie, dat de vrouw hem daar met een schaar het “middelkbot” uitgeknepen had. Met ’t neustussenschot was een stuk van zijn verhemelte meegekomen. Tegen de mensen zei “de mooi” steeds dat hij aan kanker in zijn neus leed en zwaar verlamd was, dit om hun medelijden op te wekken. En “zo was zij met hem gegaan overal te bedelen”.
Toen Martijntie Meel, de waardin van de Prince Tafel, dit bizarre verhaal ’s ochtends vroeg aan haar buren vertelde, wist één van hen weer, dat er precies zo’n kereltje in de krant had gestaan en dat het van de echte moeder gestolen was. Martijntie werd zo hellig, dat ze haar kostgangster stante pede de deur uitsloeg. Daar had de waardin beter even over na kunnen denken, want buiten de deur kreeg de uitgestoten vrouw van iemand uit de volksoploop te horen, dat er al een “diender” voor haar onderweg was. IJlings nam ze de benen. Ongezien verliet ze Breda.
De waard en waardin van de Prince Tafel kwamen er al gauw achter dat de advertentie in de Groninger Courant had gestaan, en schreven een brief naar de courantendrukkerij in het verre Groningen. Vanaf de Grote Markt seinde courantier Sipkes de moeder van het jochie in. Frouke Abrahams bleek intussen verhuisd naar de Leliestraat, waar ze bij haar zuster en zwager woonde. Die zwager kreeg van de diaconie wat reisgeld los, waarmee Frouke dadelijk naar Breda kon gaan om haar zoontje op te halen.
Het werd een weerzien, “dat de moeder en het kind beyde zeer ontstelde”. Temeer daar Frouke natuurlijk meteen zag, hoe verminkt het aangezicht van haar kind was. Tegen haar weldoeners in de Prince Tafel, en ook tegen de Bredase aanklager verzweeg Frouke dus maar, dat ze haar kind eerst om wat kleren meegegeven had. De ontvoerster, vertelde ze, had haar Jacob met een “stuijver koekje” meegetroggeld vanuit school.
Het Bredase gerecht deed wel moeite om de ontvoerster te vinden, maar alle naspeuringen bleken tevergeefs. Als de vrouw dus niet zo dom was geweest om zich opnieuw in Breda te vertonen, waar ze nota bene met hetzelfde voorwendsel opnieuw een jochie ontvoerde, dan zou ze nooit gepakt zijn. Haar recidive in uitgerekend die stad was Gode verzoeken. Het duurde dit keer dan ook niet lang, of ze liep tegen de lamp.

Dat gebeurde anderhalf, twee jaar nadat de Frouke Abrahams haar geschonden zoontje weerzag. Op zaterdagavond 13 november 1751 nam de ontvoerster haar intrek in een andere Bredase herberg, die van Jan Bos aan de Oosterpoort. Daar logeerde ook een jongetje waar de waardin op paste omdat zijn moeder even naar Middelburg was. Tegen de waardin zei de nieuwe gaste dat ze dat jongetje wel kende, “en terwijl het zoo naekt en slegt in de kleeren was, zy ’t selve andere kleeren zoude besorgen”. Een wijnkoopman uit de Nieuwstraat had haar kinderkleren beloofd, ze moest er binnenkort heen, dan kon die jongen mooi mee om die kleren te passen. En ’s maandagochtends kreeg de vrouw de herbergierster inderdaad zover, dat ze haar oppaskind voor dat doel meegaf.
Bij de wijnkoper werden de vrouw en de jongen die dag niet gezien. Wel bij verschillende andere huizen in Breda, onder meer dat van een gereformeerde diaken. Aan de deur van deze armvoorstander vertelde de vrouw dat ze gereformeerd lidmaat was en een lamme arm had. Thuis zat ze met vijf gebrekkige kinderen, zei ze. Het jongetje dat ze aanwees was er één van, die kon dus niet praten en was stom. Omdat ze met haar eigen handicap en al die ongelukkige kinderen zelf onmogelijk de kost kon verdienen, vroeg ze de diaken om een aalmoes uit de diaconiekas. De diaken geloofde haar verhaal en gaf haar twaalf stuivers, het equivalent van een bescheiden dagloon.
Van tevoren had de vrouw het jongetje toegebeten, “dat sig moeste houden als stom”. Gezien het succes van de bedeltocht bracht ze hem niet terug naar de herberg aan de Oosterpoort. De rijkelijk gegeven munt die ze die dag uit het medelijden sloeg, spendeerde ze ’s avonds in de Pasbaan, een derde Bredaas logement, waar ze “zeer hard kreedt en lammeteerde” over haar gebrekkige kroost, en enige soldaten op bier tracteerde, voordat ze “beschonken en zat” haar bed opzocht.
De volgende dag, dinsdag 16 november, ging ze met het jongetje langs de aalmoezenier van Breda. Hem deed ze ongeveer hetzelfde verhaal als de diaken en kreeg daar zes stuivers mee los. Ook bij een pastoor kwam ze aan de deur. Toen de prelaat weigerde iets te geven, gaf ze hem “quaadt bescheijt” en dreigde haar kinderen voor zijn deur achter te laten. Dit èn het feit dat ze andermaal bij de diaken was komen zeuren om een officieel bedelbriefje, deed haar de das om. Dezelfde avond nog kon ze haar zonden overdenken in de Bredase Gevangentoren.
Bij de eerste twee verhoren voor de Schepenbank onder voorzitterschap van mr. Rombert Melchior Damisse, plaatsvervangend Drost der Stad en Baronie van Breda, gaf ze haar meest recente delicten in grote lijnen toe. Die feiten waren ook te vers om te ontkennen. Interessant zijn deze verhoren vooral door de biografische gegevens van de vrouw. Voluit heette ze Anna Maria Stuarts, weduwe Jan van den Berg, en net als haar Groningse slachtoffer Frouke Abrahams was ze met een soldaat getrouwd geweest. Ze werd 48 jaar eerder geboren in Venlo, waar wijlen haar vader Jan Stuarts, die bij het regiment Stuart opklom van soldaat tot sergeant, in garnizoen lag. In een andere Zuid-Nederlandse vestingstad met een Nederlandse bezetting, Ieper, groeide ze op, kennelijk zonder veel onderwijs, want ze tekende haar verhoren steeds met een kruisje. In Ieper trouwde ze met die soldaat Johann van den Berg. Toen haar man daar in het militaire hospitaal overleed, vertrok ze naar Antwerpen, waar ze bij het Casteelplein een huisje kon huren. Ze voorzag er in haar levensonderhoud met het venten van groente. Maar dat bracht blijkbaar te weinig op, want ze reisde ook wel naar de Noordelijke Nederlanden om er te gaan bedelen. Zo bezocht ze in de eerste weken van november Rotterdam en Dordrecht, vanwaar ze op zaterdag de dertiende in Breda gearriveerd was.
Gelijk al bij ’t allereerste verhoor werd Anna Maria Stuarts geconfronteerd met Martijntie Meel, de waardin van de Prince Tafel, die bevestigde dat het Stuarts was, die omtrent Vastenavond 1750 met een jongetje in haar herberg logeerde. Stuarts gaf toe dat ze twee maal in Breda verbleef, de eerste keer in de Prince Tafel. Inderdaad had ze destijds een jongetje bij zich van een jaar of vijf, zes, Jacob genaamd. De moeder had het haar meegegeven “om een week off drie dae mede te gaan bedelen”. Dat jongetje had ze niet mishandeld, zei ze, maar ze had er ook niet goed opgepast. Moeder en kind kende ze van Groningen, waar ze negen dagen in De Toren van Babel verblijf hield om Neurenberger zalf te verkopen.
Omdat mr. Damisse, de Bredase aanklager, zonder Groninger hulp niet veel verder kwam met de bewijsvoering inzake de ontvoering, mishandelingen en verminking van Jacob Abrahams, stuurde hij een brief naar zijn Groninger ambtgenoot waarin hij de zaak uitgebreid uit de doeken deed. Dat Anna Maria Stuarts de zeer belastende verklaring van Martijntie Meel tegensprak, zat hem duidelijk hoog. Hij verzocht zijn collega in het hoge noorden dan ook om Frouke Abrahams “te onderhouden of haar kind Jacob niet tegens haar wil haar ontstolen is, en met wat gebreken zij ’t zelve hier wederom van Breda heeft afgehaalt”. Van haar “gebuuren” ontving Damisse eveneens graag verklaringen onder ede. Bovendien vroeg hij zijn Groninger confrère om een exemplaar van de Groninger Courant, waarin Jacob Abrahams’ signalement had gestaan. Om alle vergissingen uit te sluiten gaf Damisse zelf een beschrijving van Anna Maria Stuarts: “Dit vrouwspersoon is lang en redelijk gezet van postuir, draagt een doek om ’t hooft en bedekt daar mede verscheyde sneden of quetsuuren in haar tronie, twijfele niet oft zal aan de moeder van dit kint wel bekent zijn.”
Die moeder, Frouke Abrahams, bleek inmiddels echter naar Amsterdam verhuisd, waar ze volgens een gerucht als min de kost verdiende. Een nader adres konden haar zwager, schoonzus en een buurvrouw in de Leliestraat niet geven, “als hebbende met haar gene verkering” meer. Kennelijk liet Frouke na haar vertrek niets meer van zich horen, misschien was ze door een onechte zwangerschap met haar familie gebrouilleerd geraakt. Maar de zwager, schoonzus en buurvrouw legden wel verklaringen af, waaruit zonneklaar bleek dat Frouke haar “jonkje” Jacob had meegegeven om het kleren aan te passen, en dat Anna Maria Stuarts het kind vervolgens ontvoerde. Ook de verminking van Jacob was deze Groninger getuigen allerminst ontgaan. Na zijn thuiskomst had het jongetje zijn ontvoerster zelfs “Boze Griet” genoemd, alsof hij gefigureerd had in een akelig sprookje.
Begin december ontving mr. Damisse de stukken uit Groningen. Omdat die hem zo wel voldoende houvast boden, liet hij geen naspeuringen meer verrichten naar Frouke Abrahams in Amsterdam. Dadelijk confronteerde hij Anna Maria Stuarts met het ontvangen bewijsmateriaal. Ze ontkende dat ze Jacob Abrahams met wat lekkers van school had meegelokt, en zei nu dat ze het kind voor veertien dagen had meekregen, zij het niet om te bedelen, nee.
Dat ze Jacob na die termijn niet terugbracht, kwam doordat “zy te ver van huis was en om dat zy dogt daer nog mede een stuyvertie kon verdienen”. In de acht maanden dat ze Jacob bij zich hield, bedelde ze met hem in respectievelijk Drenthe, Twenthe, Maastricht, Antwerpen, Rotterdam, Middelburg, Bergen op Zoom en Breda. De jongen had dus heel wat van het land gezien; in het oosten en zuiden denkelijk vooral vestingplaatsen, die Stuarts, afkomstig uit een soldatenmilieu, moet hebben gekend van garnizoenswisselingen of verhalen.

In al die tijd, beweerde Stuarts, had ze twee maal een brief naar de moeder laten schrijven, te weten uit ‘Harmelo’ en Bergen op Zoom. Maar daar had ze nooit antwoord op gekregen. Het kind zou heus wel weer bij zijn moeder terug zijn gekomen, bezwoer ze, daar “zy van intentie was, het kint selvers na huis te brengen, omdat zy niet van gedagte was het langer by haar te houden”.
Stuarts bekende dat ze het kind dikwijls sloeg, maar dan wel “opt gat met een roeij en op de rug”, wat blijkbaar minder erg was. De zogenaamde lamme hand van Jacob gebruikte ze inderdaad met het doel “om daer door meer te krijgen”. Dat hij zijn neustussenschot kwijtraakte was helemaal geen opzet geweest: “Dat zy eerst het kint een slag voor de neus heeft gegeven dat het bloeyde, en doe na het neussie heeft gekeken, en met de vingers aen het middelschot gevoelt, dat het aen de vingers bleeff hangen, maer dat zulx by ongeluck is geschiet”.
Damisse verhoorde ook nog alle Bredase getuigen in beide ontvoeringszaken en vond het toen tijd om korte metten te maken met Anna Maria Stuarts. In zijn strafpleit voor de Schepenbank achtte hij haar “verregaande mishandelingen” van Jacob Abrahams voldoende bewezen, en ook haar “falsiteijten en misbruijken der publique aalmoesen en fonsen, die alleen voor waare arme en gebrekkelijke luijden zijn gefundeert”. De manier waarop ze beide jongens meekreeg, noemde hij “haare sinistre practijke”. Het ontvoeren of stelen van minderjarige kinderen mocht, wist hij, met de dood worden bestraft. Exodus 21:16, Deuteronomium 24:7, Keizer Karels Blijde Inkomste (1549) en de latere Costumen van Brabant waren daar duidelijk over. Daarom eiste Damisse de doodstraf tegen Anna Maria Stuarts, te voltrekken met het koord aan de wurgpaal, waarna haar lijk op een rad tentoon zou worden gesteld, tot het door weer en wind was vergaan.

Helaas voor Damisse volgde de Schepenbank hem niet in die eis. De Schepenbank achtte op 14 december 1751 de kinderontvoeringen, mishandelingen en “God tergende falsiteiten” weliswaar bewezen, maar streek toch de hand over het hart, waarschijnlijk omdat Anna Maria Stuarts nooit eerder gestraft was geweest. Ze werd dus alleen maar streng gegeseld en gebrandmerkt, bij welke lijfstraffen ze een strop om haar hals droeg. Vervolgens ging ze voor twaalf jaar het tuchthuis in, om er met eigenhandige arbeid haar kost te verdienen. Als ze daar nog levend uit kwam, dan bleef ze levenslang uit de Stad en de Baronie van Breda gebannen, en kwam ze onverhoopt toch nog terug, dan dreigde alsnog de wurgpaal. 3)
—
NOTEN
1) Dit verhaal verscheen eerder in Stad en Lande, Cultuur-historisch tijdschrift voor Groningen, jaargang 2004 nr. 3. Het is grotendeels gebaseerd op twee procesbundels: a) Groninger Archieven, Rechterlijke Archieven III (Stad) ll (Aanklachten en ingewonnen informatiën) 1751/90, met brief dd 21/11/1751 van mr. R.M. Damisse uit Breda en de daarna opgenomen verklaringen van Izak Smit, Jurjen Brants wed., Trintje van Agten, en Johanna Engberts. b) Stadsarchief Breda, Archief Schepenbank, procesbundel R. 147 – 8.
2) Het Zwijneparadijs buiten de Groninger Kranepoort bestond later uit twee koemelkerijtjes onder één kap. Zie de Groninger Courant van 24/10/1826 en vervolgens het kadaster. De huidige lokatie is het uiteind van de Melkweg, nabij de Hofstede de Grootkade. Op de eerste kaart van Haubois (1634) is hier nog geen pand aanwezig. Op de zogenaamde Kleine Haubois echter (1652) staat er een kleine boerderij. Als huisplaats dateerde dit Zwijneparadijs dus uit de tussenliggende periode. Overigens waren er nog twee Zwijneparadijzen binnen de wallen van de stad Groningen. De eerste bevond zich bij Achter de Muur, een lange achterafstraat. De tweede lag aan het Zuiderdiep.
3) Schepenbank Breda, Archief I – 1b R 116, Register Criminele Vonnisen Stadt en Lande van Breda 1750 – 1775 ; fo. 10 sententie dd 14/12/1751.

Robuuste karren
Geplaatst op: 28 oktober 2012 Hoort bij: Stad toen 8 reacties
Op het Flickr-account van HJR zag ik bij de serie oude foto’s van de Oosterpoort deze kar, die zich omstreeks 1930 bevond op het terrein van de reinigingsdienst aan de Verlengde Lodewijkstraat. Waarvoor de kar precies ingezet werd, staat er helaas niet bij. Maar hij is wel degelijk gebruikt door de reinigingsdienst, in 1936 nog, hoewel de dienst toen ook al vrachtauto’s had.
In elk geval deed de kar me door zijn robuuste voorkomen sterk denken aan de turfkar, die Ids Wiersma in 1911 schilderde en die zich nu in de collectie van het Groninger Museum bevindt.. Ik vroeg me zelfs even af of het geen turfkar was geweest, maar dat zal wel niet. Het wielenstel wijkt af, evenals het wagenschot:

Een spokend wijf bij de Hereweg
Geplaatst op: 27 oktober 2012 Hoort bij: Stad toen 11 reacties
Op de plek waar nu het Van Mesdagasiel staat, bevond zich in de 18e eeuw de gerichtsplaats, waar af en toe ter dood veroordeelde misdadigers ten aanschouwe van een massaal toegestroomd publiek werden geradbraakt of opgehangen. De lichamen van deze criminelen liet men ‘tot lering en exempel’ van datzelfde publiek aan de galg hangen of op het rad liggen, tot ze waren vergaan. Voorbijgangers zullen er wel eens een neus hebben dichtgeknepen.
Even verderop lag op de grens van het stadsgebied de Helperlinie, een aarden verdedigingswal met een gracht (nu: het Helperdiepje). Waar Hereweg en Helperlinie elkaar kruisten kon men de buitenwacht aantreffen. Soldaten van het Groninger garnizoen hielden daar het in- en uitgaande verkeer zo’n beetje in de gaten, als ze niet al te dronken waren.
Die tijd heette niet voor niets De Kleine IJstijd, ’s winters kon het nog gemeen koud zijn. Dat was eind november 1734 ook weer het geval. Toen in die vorstperiode op een avond het rantsoen turf in de buitenwacht was opgestookt, besloten de totaal verkleumde soldaten een rad van de gerichtsplaats te halen. Ze namen niet eens de moeite het hoofd van de terechtgestelde vrouw eraf te nemen en smeten het hele geval zo op hun zieltogende vuurtje.
Uiteraard werden de autoriteiten dit gewaar. De eerste die op onderzoek uitging was een majoor van de krijgsraad. Helaas zijn ’s mans papieren niet bewaard gebleven; we weten dus niet wat hij te horen kreeg. Maar ook de stadsfiscaal (aanklager) wilde er vanwege de geruchten die in de stad rondgingen het zijne van weten. De beide verslagen van de verhoren die hij afnam, kan men nu nog steeds raadplegen op het archief.
De haren rijzen je te berge! De getuigen, die de namen van de betrokken soldaten niet wilden noemen, gaven als bijzonderheden dat het hoofd van Trijne – want zo heette de geëxecuteerde vrouw – tot twee maal toe van het vuur was afgesprongen en dat het, nadat het er ten derden male op was gelegd, finaal uit elkaar was geklapt.
Geen wonder dat het was het gaan spoken, daar aan de Hereweg. Een soldaat die in de buitenwacht een uiltje knapte had zich een tijdlang absoluut niet meer kunnen verroeren: hij was ‘zonder handen vastgehouden’. En een andere soldaat had een zwart ding door de schoorsteen zien vallen, een ding dat de gedaante aannam van een hond. Misschien was het wel een Drentse weerwolf, je wist maar nooit waar die op kwamen duiken, bij winternacht.
—-
Ingekort en herzien verhaal uit De Oosterpoorter (ca. 1993). De tekening is van Thomas Rowlandson en vond ik in de collectie van het British Museum.
Ranjalied
Geplaatst op: 25 oktober 2012 Hoort bij: Stad toen 4 reactiesDe zingende Broeder, die op de Ranja-party in de Groninger Archieven (13 september jl.) onder meer het Ranja-lied vertolkte, heeft dat nu op YouTube gezet.
De tekst dateert van vlak nadat Ranja op de markt kwam (1920) en is van de hand van van Koos Speenhoff, de bekende cabaretier uit de jaren twintig. Deze tekst stond op een liedvel, dat Swaalfke ons voor de Ranja-expositie in bruikleen gaf.
Expliciet wordt in de tekst dus gesteld dat Ranja alcoholvrij is. Zoals op de tentoonstelling duidelijk werd, was Ranja in eerste instantie vooral bedoeld voor geheelonthouders. Ook meldt de tekst dat je het drankje in café’s kon bestellen. De Groningse fabrikant C. Polak Gzn. mikte bij de introductie van Ranja dus op volwassenen. Pas later werd Ranja iets voor kinderen. Toen ook, evolueerde de merknaam Ranja (met grote R) tot de soortnaam ranja (met kleine r). Iets wat ook in de hand gewerkt werd door de vele namaak, waarvan de tekst al gewag maakt: “Nagebootst wordt ook de naam!”
Waarschijnlijk was de melodie een contrafactuur (“gezongen op de wijze van”), maar ondanks verwoede naspeuringen welk andere lied de ‘onderlegger’ kon zijn, heeft De zingende Broeder dat niet kunnen achterhalen. De melodie waarop hij het lied zingt heeft hij zelf gecomponeerd.
Epilepticus drinkt bloed onthoofde
Geplaatst op: 22 oktober 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 5 reactiesAls op 17 juni 1754 de Damster Aaldrik Bruns wegens veediefstallen, heling, bigamie en mishandeling buiten de Groninger Herepoort onthoofd wordt, maakt het Nederlandsche Jaerboek daar uitgebreid melding van (pag. 602 e.v.). Per slot van rekening was het de eerste kapitale executie in opdracht van Hoge Justitiekamer, het nieuwe oppergerechtshof van Stad en Lande. Er kwamen nieuwe procedures aan te pas en daar schonk de Jaerboek-redactie graag aandacht aan. Maar bovendien ging de onthoofding gepaard met een ontstellend incident dat tot grote ophef had geleid, en dat waarschijnlijk niet alleen in Groningen.
Aaldrik Bruns kreeg op die zomerdag zijn doodvonnis door een secretaris van de Hoge Justitiekamer voorgelezen. Hij was bang geweest dat de heren hem, “met meer schande”, op zouden laten hangen, en bedankte ze meermalen voor de “genadige sententie” dat ze hem door het zwaard aan zijn einde lieten komen. De knechten van de scherprechter hielpen hem op de wagen, zodanig dat hij achteruit reed en de knechten vooruit. Naast Bruns zat de predikant van het Tuchthuis. Voor de wagen liepen een detachement soldaten en een afdeling ruiterij, na de wagen volgde weer een detachement voetvolk en helemaal achteraan kwam de wagen van de scherprechter en diens zoon. De stoet stopte bij de gerechtsplaats aan de Hereweg (ter hoogte van het Van Mesdagasiel), waar Bruns de wagen werd afgeholpen, en twee predikanten uit de stad hem “een lange poos” op het sterven voorbereidden…
…waer na hy gebragt werd voor het zandbergje en hem bevolen te knielen. Zoo ras hy nederlag werd hy met een doek geblind, en ’t gebed voor hem gedaen door dnus. Zwyghuizen. Toen de leeraer eenigen tyd gebeden had, betuigde de patiënt aen den scherprechter dat hy dus op zyne knieën niet langer zitten kon, en de doek voor zyn gezicht afgleed. Het gebed werd dan kort afgebroken; de scherprechter nam het zwaerd in handen, en sloeg, na wel gemikt te hebben, den veroordeelden in éénen slag het hoofd van de schouderen.
Normaal zou een dergelijk verslag met de verdere lotgevallen van het stoffelijk overschot eindigen, maar hier deed zich dus dat curieuze voorval voor:
Dicht by den nedergeknielden zag men, tot verwondering van velen, een Jongeling van veertien of vyftien, anderen willen zestien of zeventien jaren oud, in deze stad woonachtig, met een kop of kommetje in de hand, waerin hy, onmiddelyk naer het onthalsde lichaem toeschietende, een goed gedeelte bloeds ving, dat hy schielyk geheel en al opdronk. Toen liep hy, zoo ras en snel als de adem lyden en de beenen zich bewegen konden, henen; met een drift, die hem het afgudsende zweet deed uitbreken.
Bij het publiek heerste ontsteltenis:
Een grote menigte der aenschouweren, onbewust van ’t gene hier mede bedoeld werd, stond niet weinig verzet over deze schynbare ontmenschtheid: maer ook waren er anderen, die ’t raedsel wisten uit te leggen, en verzekerden, gelyk het ook de waerheid is, dat deze daed tot oogmerk had om den jongeling , door het drinken van verschgestort menschenbloed, te ontheffen van de Vallende Ziekte, die hem kwelde, en dat dit hulpmiddel geene gewenschte uitwerking hebben kon, tenzy het ten allerdpoedigsten verzeld ging van eene sterke lichaemsbeweginge.
Over die lichaamsbeweging is het Jaerboek niet zo uitvoerig. Het zegt alleen:
…dat de Jongeling, onderweg weder een aenval van zyne kwale gehad heeft, hoewel met mindere hevigheid.
In het dagboek van ooggetuige David Stheman, een aankomend predikant, staat eveneens een verslag over dit “notabel geval”, dat dankzij een A. Kamping uit Winschoten in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van zaterdag 6 april 1940 terechtkwam. Stheman, zelf nog niet zo oud, schatte de ‘bloeddorstige’ jongeman veel jonger dan het Jaerboek dat deed en ook rept hij van een medisch aandoende begeleiding van de jongen door mensen die hem schoonmaakten en ijlings met hem de gerichtsplaats verlieten:
Een jonge van meer of min 11 a 12 jaaren, seer heftig en dikwijls geplaagt met de vallende siekte, stont niet verre van den hoop zant (waarvoor de misdadiger op de knien sat) met een steenen kop in de handen, en so dra de delinquent het hooft was afgehouwen, heeft hij het bloed, hetgeen hij in den kop had opgevangen, tot op den bodem uitgesopen; dit gedaan sijnde, sijn twee personen toegetreden, en hem de kin, de mont en de klederen (waar bij langs het bloed, wegens het seer schielik slorpen voorbijgelopen, was neergestort) hebbende afgewist, seer schielijk met hem door een ontelbare schaare van anschouwers sijn heengedrongen, en na 4 uuren agtereen gestadig geloopen te hebben, soo hart als de patient eenigszins konde bijbrengen (opdat het ingeslorpte bloet niet mogte ’t saamronnen, maar verteert, en met sijn bloed en spiritus animales verenigt worden) met hem binnen de stad wedergekeert, en hem terstont hebbende te bed gebragt, tot smoorens toe toegedekt, opdat de patient, alreede door loopen afgemat, nog al meer en meer soude sweeten.
Ook Stheman brengt een en ander in verband met epilepsie. Bij geruchte had hij vernomen wie de begeleiders van de jongen zouden zijn:
Men segt dat dit middel soo en in dier voegen geappliceert, een kragtig remedie is of ter geheele wegneminge van de vallende siekte, of ter inteugelinge van de benautheid en hevige trekkingen en volteringen in de stuipen, dog ik voor mij telle sulke remedie totnogtoe onder de fabels, ook komt mij seer suspect voor ’t gerugte, dat de medicinae professores sulx souden hebben geordonneert, hoewel men tegenswoordig bij dees gelegenherid verspreit, dat sulken remedie te Dantsig en op dees en gene plaatsen in Duitsland van succes geweest is.
Mogelijk was er een medische publicatie? Het Jaerboek was even sceptisch over het middel als Stheman:
Of de genees- en natuurkundigen nu eenig begrip of kundigheid hebben van zulk een vreemd middel, dan of het rust op eene grillige vindinge, die menigmael onfeilbare kracht tegen ongeneeslyke Ziekten stelt in zaken, waer voor de natuur schynt te gruwen, weten wy niet. (…) Van den verderen uitslag word ons niet gemeld; doch gedyd deze niet ten bate, het zal ’t vooroordeel en der bygelovigheid aen geene uitvluchten noch redenen ontbreken, die de rechte genezinge dezer ziekte verhindert hebben.
Hoorde Stheman dat een dergelijke remedie eerder in meerdere Duitse steden epileptici had geholpen, ook in Nederlandse steden was ze niet onbekend. Zo blijkt het mij voorlopig oudst bekende geval (p. 24) zich voorgedaan te hebben bij de onthoofding van een doodslager in Utrecht anno 1593:
…snelde een lijder aan vallende ziekte toe, schepte met de holle hand driemaal het warme bloed van den onthoofde en dronk het op, in de vaste overtuiging dat hij daardoor genezen zou.
In Middelburg deed zich in 1754 een soortgelijk geval voor, dat gereleveerd wordt in hetzelfde Nederlandsche Jaerboek als dat van het Groningse geval melding maakt (pag. 817).
Buiten Nederland bestond de praktijk in het midden van de 19e eeuw nog. Zo is er in eind 1851 dit bericht uit het Zwitserse Porrentruy, ten noorden van Bern:
Bij de doodstraf (…) op een wegens moord veroordeelde volbragt, was een man, die toen het hoofd van den misdadiger was gevallen, een glas vulde met het uitstroomende bloed, en het dadelijk leeg dronk. Het was iemand, die aan vallende ziekte leed, en door dat verschrikkelijk middel hoopte zich te genezen. Het laat zich begrijpen, welk een vreeselijke indruk het aanwenden van zoo’n middel bij het akelige der gebeurtenis zelve op de verzamelde menigte maakte.
En dan is er dit verhaal uit Hannover, 1857, waarbij het opmerkelijk mag heten dat degenen die de executie uitvoerden de bloeddrinkers gewoon hun gang lieten gaan, wat echter wel politieke repercussies had:
Den 25 September is het bijgeloof oorzaak geweest dat er bij gelegenheid der onthoofding van eenen veroordeelde nabij Hannover grove ongeregeldheden hebben plaats gehad. Toen het hoofd van den schuldige viel, hebben eenige personen, aan vallende ziekte onderhevig , of bevreesd, dat zij er door aangetast waren, het schavot bestormd, om het nog warme bloed van den misdadiger te drinken , dewijl het bijgeloof er de kracht van genezing aan toeschrijft. De knecht van den scherpregter heeft het hun zonder moeite verleend. Dit afschuwelijk tooneel heeft eene groote sensatie in de hoofdstad gemaakt, en men hoopt, dat de Koning er in zal toestemmen dat de teregtstellingen niet meer in het openbaar plaats hebben welk verzoek hem reeds door de prov. staten van Osnabrück gedaan is.
Uit Zweden komen de berichten die alle andere in bizarriteit verre overtreffen. Zo werd daar in 1843 de moordenaar, brandstichter en dief Alexander Dreitfeldt met een bijl onthoofd. Hierbij maakte de scherprechter conform de lokale traditie gebruik van een blok, waarop de veroordeelde zijn hoofd moest neerleggen. Achter dat blok lag een kuil, waar het hoofd automatisch inviel en naderhand “het verdere lijk” werd gedeponeerd. Net als in Hannover kon een lijder aan epilepsie hier gewoon zijn gang gaan, maar de praktijk werd hier zelfs door de vingers gezien door de overheid:
Zoo hier als in Noorwegen en Denemarken heerscht onder het volk een bijgeloof, dat het bloed van eenen onthoofden , inwendig gebruikt, een onfeilbaar middel tegen de vallende ziekte is, en het opvangen van dat bloed ten bedoelden einde wordt nog altijd door de overheid gedoogd. Zoodra nu het hoofd van Dreitfeldt was afgeslagen, zag men eene reeds bejaarde boerin, lijderes aan vallende ziekte, de onthoofdingsplaats naderen, om een stuk brood , hetwelk zij in de hand had , in het warme bloed te doopen; maar op het oogenblik van dit te zullen doen, overviel haar een harer toevallen en zij stortte dood ter neder in den kuil zelven , waarin het afgeslagen hoofd zoo even gevallen was.
Door alle krantenberichten kreeg de remedie uiteraard ook meer bekendheid. Bij een in 1851 in Zweden plaatsvindende dubbele executie was er zelfs sprake van een ware oploop van epileptici:
In Zweden heerscht nog altijd het volksgeloof, dat het bloed van een onthoofden misdadiger, versch gedronken, het ligchaam sterkt en van alle ziekten, bijzonder van vallende ziekte, geneest. Daar nu den 28sten Januarij j.l. te IJstad twee personen wegens moord zouden worden onthoofd (het eerste doodvonnis, sedert 1843 in Zweden uitgevoerd) stroomde uit den omtrek eene groote menigte toe met kopjes, kommen, glazen, zelfs ketels, om het bloed der veroordeelden op te vangen. Toen de hoofden vielen, konden de 600 soldaten, die rondom het schavot geschaard stonden, de aandringende menigte naauwelijks stuiten; er ontstond eene worsteling, waarin de militairen zich met de geweerkolven duchtig weerden. Onderwijl voerde de policie de lijken weg en deed den grond, waarop het bloed gestroomd was, omspitten. De menigte trok teleurgesteld af; omstreeks 200 personen waren meer of min zwaar gewond, en een nog grooter aantal anderen had kneuzingen bekomen.
Bij het einde van de Ranja-expositie
Geplaatst op: 15 oktober 2012 Hoort bij: Stad toen 10 reactiesAan alles komt een eind, ik weet het, maar het opruimen van een aantrekkelijke expositie is toch een beetje melancholieke aangelegenheid:

Ranja stond centraal. Een glas met het oudste logo, zoals dat ook te vinden is in gerestaureerde muurreclames in Delft en Valkenburg:

Het Groningse bedrijf C. Polak Gzn. bracht de limonadesiroop Ranja in 1920 op de markt. Het spul, genoemd naar naranja, het Spaanse woord voor sinaasappel, was meteen een doorslaand succes. Van de winst konden twee fabriekshallen worden neergezet, B (linksachter) en C (rechts). Linksvoor was A, het oudste deel, dat al vanaf 1906 bij de Singelstraat, de latere Petrus Campersingel, stond. Zie je dat erkertje op één hoog bij de binnenplaats? Daarachter zat de directeur:

Vanaf ongeveer 1925 vormde een mannetje het beeldmerk. Het was opgebouwd uit een sinaasappel, een pers en een glas, steunde op een rietje, en kreeg de naam Ranja Rienes. Eerst was het wat houterig, maar de Amsterdamse reclameman Dirk Hart, wiens creatie het was, zou het in de loop der jaren steeds verder styleren:

Polak wilde het Ranja-succes dolgraag copiëren. Ranja kreeg er een zusje bij en naderhand nog wat van dat grut. En toen in de jaren dertig de gazeuses (of priklimonades) in de mode kwamen, bracht Polak diverse eigen varianten op de markt:

Er zaten echter kleurstoffen in deze drankjes, en dat werd ergens in de jaren vijftig verboden. In één klap was CP, zoals Polak inmiddelskortweg was gaan heten, zijn hele marktaandeel kwijt. Sisi kon dat meteen inpikken. Directeur Ten berge van CP was woedend.
Polak bracht twee merken op de markt, Grenadine (1903) en Ranja (1920), waarvan de namen het zouden schoppen tot soortnamen. Met beide merken mikte Polak aanvankelijk op geheelonthouders. Toch was daar niets principieels aan, want het bedrijf bleef tegelijkertijd ook in alcoholhoudende producten doen. Zoals advocaat, waarvoor er naast fabriekgebrouw een grote kippenren stond:

Een ander bijprodukt was koffiesurrogaat. Volgens een ouwe CP-arbeider die de expositie bezichtigde, werd het gemaakt van paardebonen, maar dat zie je toch niet als ingrediënt op de etiketten staan:

Die arbeider had er tientallen jaren gewerkt. Over zijn ouwe bazen geen onvertogen woord. Er zijn inderdaad tekenen, die wijzen op hun bijzondere omgang met het personeel:

(De getoonde objecten zijn grotendeels van een particuliere verzamelaar en het Groninger Museum. De bouwplaat (1952) komt uit de collectie van de Groninger Archieven.)
Fongers, herkenbaar merk
Geplaatst op: 14 oktober 2012 Hoort bij: autobio, Stad toen 3 reactiesOp de Dag van de Groninger Geschiedenis was ook Jos Rietveld met zijn collectie Fongers-fietsen aanwezig. Deze transporter zette hij het eerste neer:

Van een andere fiets herkende ik het zadel en het zadeltasje – zulke had mijn vader ook. Een affiche op de wand meldde dat het ging om een ‘Fongers-hygiënisch’ zadel, maar hoe Fongers dat hygiënische nou precies zag? Tijdens de afsluitende borrel braken we ons er het hoofd over:

Het vaandel van de Fongers-agent, met het stad-Groninger wapen boven het eigenlijke logo van de fietsenfabriek:

Een carbidlamp. Precies zo’n exemplaar lag rond 1960 nog in ons fietsenschuurtje te verroesten.

Op mindere grond: Vinkhuizen
Geplaatst op: 14 oktober 2012 Hoort bij: Hoogkerk, Stad toen 10 reacties
Volgens meester Mulder, de onderwijzer van Hoogkerk in 1828, lag de buurtschap Vinkhuizen op twintig minuten lopen van zijn kerkdorp. Ze bestond indertijd uit vier boerderijen, die gezamenlijk de naam Vinkhuizen droegen. Eerder was dat slechts een eenzame hoeve geweest, want op oude kaarten stond nog een Vinkhuis enkelvoud. Als je Mulder mag geloven, kwamen toponiem en huisnaam van de vogel:
Mogelyk vond men hier te voren vele Vinken die daar door de Groningers gevangen worden – of deze plaats was vroeger, mogelyk om derzelver boschrykheid en het zich daarin op houdende gevogelte, een geliefkoosde wandelplaats voor de stedelingen, die uit liefde voor de vinkjes, het bosch of het huis alhier naar deze vogeltjes noemden.
Net als meester Mulder meende ik – tenminste tot voor kort – dat de naam met de vogel te maken had. Ik dacht zelfs dat er bij Vinkhuizen een vinkenbaan had gestaan. Tot Jan van den Broek me uit de droom hielp, want vink of vinke, vertelde hij, had nòg een betekenis, namelijk die van minderwaardige, lichte turf, een betekenis die inderdaad in het middelnederlandse woordenboek blijkt voor te komen en die ten grondslag ligt aan toponiemen als Vinkega en Vinkeveen.
Van bos in de streek tussen Hoendiep en Leegeweg is ook geen sprake in historische bronnen. Een kaart uit de vroege 18e eeuw toont in deze omgeving een enigszins trapeziumvormig poldertije, omgeven door een met sloten omzoomde “nieuwe dijk”, die ik op het bovenstaande kaartje, dat ontleend is aan HisGis, groen heb aangezet. Vinkedijk, zo heet deze dijk ook wel. Aan de noordkant loopt langs die dijk het Vinkemaar naar het westen. Het bedijkte land was waarschijnlijk het Vinkeland waarvan in bronnen sprake is. Van het oudste Vinkhuis, later het Grote Vinkhuis genoemd, horen we voor het eerst in de 17e eeuw. Het trapeziumvormige poldertje zal niet veel ouder geweest zijn. In elk geval werd het in ’t leven geroepen om het land, dat (deels) in het bezit was van het Armhuiszittend Convent en het Heilge Geestgasthuis, tegen water van buiten te beschermen.
Het poldertje besloeg overigens maar een fractie van de huidige wijk Vinkhuizen, namelijk het meest zuidwestelijke deel, vanaf de Diamantlaan tussen het Hoendiep en de Dolomietstraat naar de Van Zweedenlaan in het westen. De helft van het gebied wordt nu ongeveer ingenomen door stadspark De Held, waar nogal wat waterpartijen zijn. Eerder was dat park een opslag voor tarra van de suikerfabriek, de grond is hier blijkbaar nooit erg duur geweest.
Academie kampte met kappentekort
Geplaatst op: 6 oktober 2012 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Eedel Mogende Heeren,
De Heeren Gedeputeerde Staeten, van
Groningen en OmlandenRemonstreren met behorlijk respect Rector ende Professoren der Provinciale Academie van Stadt en Landen, dat er een seer besondere Academische casus voorgevallen is, te weeten datter drij broeders sich op eenen dag publice met Kap en Tabbert sullen laeten promoveeren; maer datter tot noch toe niet meer als twee geweest sijnde, nootsaekelijk bij dit voorval een derde sal moeten gemaeckt werden. Behalve datter eene van de oude Kappen geheel verscheurt sijnde, meede met nieuw fulip sal moeten overtrokken werden. Boven dit werden seer nootsaekelijk vereischt vier Gordijnen voor de Glaesen in Curia Academiae.
So ist, dat sij haeren toevlugt neemen tot U Ed. M, gewoonelijke Eedelmoedigheit ende liberalitijt, die versoekende te gelieven te ordonneeren dat de onkosten daer toe behooren angewent, mochten betaelt werden.
jussu Senat. Acad.
G. Lammers
Acad. h.t. Senatus
Dit rekest aan Gedeputeerde Staten als voedsterheren van de Groninger academie, is met (potlood)notities op het stuk gedateerd op 1693, respectievelijk z.j.e.d. Het jaartal lijkt precies, maar ik ben geneigd voorlopig in dat ‘zonder jaar en datum’ te berusten, omdat enkele andere rekesten uit dezelfde bundel (Statenarchief inv. nr. 456) ook behoorlijk misgedateerd zijn.
Eigenlijk wilde ik in het Album Promotorum nakijken op welke dag deze drie promoties tegelijkertijd plaatsvonden, maar de RUG besloot in al haar ondoorgrondelijke wijsheid het Album Promotorum op internet ‘RUG only’ te maken, terwijl ik een oude cd met het Album kwijt ben, zodat ik dat onderzoek tot nader orde heb moeten staken. In elk geval was de medicus en filosoof Gerard Lammers van 1666 tot 1719 hoogleraar en maar liefst negen maal rector, zodat we daar een weinig houvast aan hebben.
In het rekest maakt de senaat (rector + hoogleraren) dus melding van een zeer bijzondere gebeurtenis, namelijk het plaatsvinden van drie promoties met de kap op één en dezelfde dag. Echter, het bestuursorgaan beschikte slechts over twee kappen, waarvan er een ook nog draadversleten was. Het wilde graag dat dit laatste exemplaat met fulp (een langharig fluweel) overtrokken werd, waarbij GS tevens het verzoek kreeg om een nieuw, derde exemplaar te betalen.
Zo’n promotie met de kap is een intrigerende aangelegenheid. Vaak vonden meerdere van dergelijke promoties plaats op universitaire hoogtijdagen. Zo waren er ook drie bij de viering van het tweede eeuwfeest van de Leidse academie, op 9 februari 1775. In de Pieterskerk stonden er toen (pag. 5-8) twee katheders opgesteld, een voor de promotors en een iets lagere voor de promovendi. Een gedachtenwisseling, dialoog of examen kwam er niet aan te pas, zowel de promotors als de promovendi hielden toespraken. Het ceremonieel nadien bestond uit een vijftal handelingen met evenzovele eerbewijzen:
De Heer Promotor ging nu over tot het Ceremonieel van deze Promotie onder het voorstellen van de Zinnebeeldige beduidinge der Eeretekenen (welke aan hem , door de Heeren Paranymphen wierden overgegeven, die dezelve uit handen van een Pedel ontfingen) zynde 1. een Zyden Tabbaart, die de Candidaten reeds by hunne aankomst by de Promotors aan hadden, 2. een Boek het welk hun dóór den Promotor geopend wierd voorgehouden. 3. een Gouden Ring, die hun door den Promotor aan den voorsten vinger van de Regterhand werd gestoken. 4. een Fluweelen Agtkante Bonnet, die op hun hoofd wierd gezet en 5. een Gouden Medaille, welke hun aan een lint wierd op de borst gehangen.
Misschien kan het ritueel eens nagespeeld worden, bijvoorbeeld bij het vierhonderdjarig bestaan van de RUG in 2014.
—
De tekening is van Jacobus Buys en berust in het Rijksmuseum.
Een maandagmorgen in Groningen (ca. 1850)
Geplaatst op: 1 oktober 2012 Hoort bij: Stad toen 5 reacties
Het is drie uren in den morgenstond en men kan evenmin zeggen, dat het donker, als dat het licht is. Een flaauw, naargeestig grijs licht verbreidt zich tegelijk met eene gevoelige koude door de straten, en stelt ons in staat, de uitgebleekte straatsteenen en de huizen behoorlijk te onderscheiden. Alles is stil, als in het graf. Een oogenblik treft ons oor het verwarde gejoel en geschreeuw van een troepje nachtloopers, die in de eene of andere naburige straat arm in arm met waggelenden tred voortstrompelen. Ook worden eenige langzame, afgemeten treden in de verte hoorbaar, en op den hoek der straat ontdekken wij een korporaal der hoofdwacht, van een tweetal soldaten vergezeld, bestemd om hunne makkers op hun post af te lossen, en wier heldenvuur op de brits zoodanig is uitgedoofd, dat zij zich thans maar als automaten schijnen te bewegen in den lamlendigen pas, waarvoor de sabel van den korporaal op zijne kuiten de maat slaat.
Somtijds ook vertoont zich een nachtwacht op een hoek, wiens zware tred door de ledige straten weergalmt; een enkele kraai vliegt met zijn akelig ka! ka! over ons hoofd, en een ongelukkige hond, wien de armoede of wreedheid zijns meesters een nachtverblijf ontzeide, snuffelt langs de huizen, om zich straks hongerig en mistroostig onder een bank neder te leggen en van leverworst en kluifjes te droomen. Buiten deze weinige uitzonderingen, die dan toch ook alle nog maar zeer voorbijgaande zijn, ontdekt men geen teeken van leven, en bovendien zijn zij van een aard, dat zij den indruk van doodsche slaperigheid zoo mogelijk nog vermeerderen.
Maar de lampen worden opgestoken. De toppen der torens en van de gevels der huizen weerkaatsen een liefelijk licht, waarin geel en purper hunne tinten vermengen. Het is, of de levensfakkel, die in het oosten aan den hemel wordt ontstoken en hare stralen gedeeltelijk door de ledige straten werpt, de huizen uit hunne slaperigheid wekt. Frisch en vrolijk vertoont zich alles in den zachten gloed en het geheel doet zich voor, alsof zoo op het oogenblik eerst de verwer de laatste hand aan alles gelegd had.
Om de vrolijkheid van het oogenblik nog te vermeerderen, beginnen al de torenklokken te slaan. Martinitoren laat de zuivere toonen van zijn welluidend klokkenspel door de frissche morgenlucht trillen, het snikklokje op de Apoort heft zijn schel geklingel aan, als het keffen van een dameshondje tusschen het knorren en grommen van den grooten bullebijter, en het is vier uur. Voor ons raam zien wij een tweetal paren mannen en vrouwen deftig voorbij stappen. De handstokken en reiszakken in de handen der mannen, de onmisbare parapluien en proviandtrommetjes in die der vrouwen doen ons hen kennen als reizigers, die van de vieruurschuit gebruik willen maken. Op hunne gezigten staat een air van gewigt; de mannen zetten hunne voeten veel harder op de straatsteenen neer, dan noodig of dienstig is, en de vrouwen doen bijna bovenmenschelijke pogingen, om met hen gelijken pas te houden. Geen wonder! Zij gaan op reis, waarschijnlijk wel tot zelfs buiten de provincie, en wat is er, dat ons gewigt in onze eigene oogen meer verhoogt dan dit? (…)
Terwijl onze reizigers den hoek van de straat, die aan ons uitzigt een eindpaal stelt, omslaan en wij weer nederzien in de stille, ledige straat, slechts door het licht bewoond, hooren wij tegen ons over het raam op eene bovenkamer openen, en het fidele bonjourl van eenen muzenzoon (student HP) klinkt ons tegen, wien heilige aandrift voor de wetenschap of wel het uitzigt op een dagelijks nader aanrukkenden examendag zoo vroeg uit het bed en naar zijne boeken heeft gedreven. Overigens blijft alles stil, en slechts een troepje duiven stapt met al de haar eigen deftigheid over de straat, begeerig ieder korreltje oppikkende, dat de achteloosheid der ongevederde tweebeenigen daar mogt hebben neergestrooid.
Een uur verloopt in onafgebroken stilte, behalve wanneer een zwaar geklompt persoon, die er een handwerk van gemaakt heeft, fatsoenlijke lieden in hun slaap te storen, op een sukkeldrafje voorbij klotst en, overeenkomstig de bestelling, den vorigen avond ontvangen, bij mijnheer Smiling aanschelt, maar, daar hij eenigermate in onzekerheid is aangaande het huis, waar hij wezen moet, voorzigtigheidshalve ook bij de beide naaste buren van genoemden heer het geheele huishouden door een verschrikkelijk luiden aan de huisbel op de been brengt: – een beleefdheid, waarvan wij niet durven beweren, dat zij aan de buren van den heer Smiling bijzonder aangenaam is.
Vijf uur! Paardengetrappel en het ratelen van wagenwielen verkondigen ons reeds lang voor wij ze zien kunnen, dat er rijtuigen in aantogt zijn. Het geoefend oor van den stadbewoner onderscheidt dadelijk aan het geraas op de straatsteenen, welke soort van rijtuig hem nadert. Wij durven ons beroemen, het in deze onderscheidingskunst tot eene tamelijke hoogte gebragt te hebben, en wedden tien tegen één, dat wij hier nu chars-à-bancs zullen aanschouwen. Wanneer er zoo weinig op straat gezien wordt, dat onze aandacht boeit, wordt ieder voorwerp voor ons een belangrijk ding, en waarlijk, wij kunnen bij het naderkomen der bedoelde rijtuigen een gevoel van blijdschap niet bedwingen, dat wij weer wat zullen zien, en reeds liggen wij halverwege uit ons vensterraam.
Neen, wij bedrogen ons niet. Twee chars-a-bancs, een groene en een gele, en een gezelschap jongelui binnenin. Op ieder van de zes banken een jong heer met een sigaar, die sterk naar kaneel ruikt, in den mond, en naast een ieder hunner eene jonge dame met een witten zakdoek in de hand. Kort en goed, zes Groninger jongens en even zoo veel Groninger wichter (en dat woord: „Groninger wichter” is al genoeg om aan te duiden, dat het lieve, knappe meisjes als melk en bloed zijn) allen in hun zondagspak, gezamenlijk leden van een zanggezelschap, waar men Evangelische gezangen en Hazeusche liederen vierstemmig zingt. Thans hebben bassen en alten, sopranen en tenors één doel, t. w. een dag pleizier hebben voor het geld in den pot, door inleggen en boeten tot een zoet stuivertje aangegroeid. Nu jongelui, goede reis en veel pleizier!
Nieuw wielengeraas van de andere zijde! Welk een contrast! Daar nadert een roodgeverwde equípage (van de reinigingsdienst HP), zoo als men ze slechts in onze oude vaderstad aanschouwt, met één paard bespannen, bestuurd door een koetsier in zeer bijzonder liverei, terwijl een schop en bezem achterop de plaats der lijfknechten innemen. Welk een contrast tusschen de rijtuigen van zoo even en dit! Pleizierwagens en het pleizier behooren tot het ideale, tot de poëzij des levens; hier een rijtuig, dat aan bittere werkelijkheid en het platste, meest alledaagsche proza herinnert. En toch: hoe fier en stemmig zit de koetsier op zijn bok (…)
Er komt meer leven en beweging op straat‘.(…) Handwerkslieden, metselaars en timmermansknechten, met hunne schootsvellen voor, stappen, vaak rekkende en geeuwende, ons raam voorbij, en zekere bijzondere bewegingen en geluiden schijnen aan te duiden, dat neus en keel nog dien graad van reinheid missen, welke hun regtmatige eigenaar van hen verlangt. Ook de kleine leerjongen spoedt zich naar zijn winkel, terwijl geheel zijn uiterlijk aanwijst, hoe alleen eene harde noodzakelijkheid hem uit zijn bed gedreven heeft. Met voorover gebogen hoofd en hoog opgetrokken schouders, het gelapte buisje zoo digt mogelijk toegeknoopt, loopt hij slaapdronken voort op eene wijze, die ons bij ieder tred vreezen doet, dat zijn neus in gevoelige aanraking komen zal met de harde straatsteenen.
Wanneer wij zoo van gesloten huizen spreken, dan maakt het huisje daar ginds vlak op den hoek daarop eene uitzondering. Reeds voor een groot kwartier werd het geopend, de kleine toonbank afgeveegd, en nu is er al drukke nering. ’t Is een klein inloopje, waar des daags talhout bij het bosje, bezems, mosterd en snoeperijen voor de kinderen verkocht worden. Maar het best van de negotie is de klare, die uit het vat loopt, en hoe vroeg het ook nog zijn moge, er loopt al magtig veel uit het vat, waaromheen zich zoo vele personen als verdringen, die voor drie cent een hapje nemen, eer zij met schik naar hun winkel of karrewei kunnen komen. Er zit een oneindige aantrekkingskracht in dat winkeltje; maar weinigen die niet binnen worden getrokken. Wat meent gij, dat het jeneverlust is, die hen naar binnen en het glas aan hunne lippen voert? Och neen! de zaak is maar, dat zij een medicijntje gebruiken. Vraagt het die lui zelven, en zij zullen u zeggen; „Man, dit is er een voor de pieren, en dat is er een voor de maag!” Die slagtoffers! Men kan hun ook wel aanzien, hoeveel werk zij er van hebben, de medicijn in te nemen. Hoe trekken ze met de lippen, hoe lang houden ze ’t vocht in den mond, eer het zakken wil, en hoe brommen en kreunen ze, als het eindelijk naar binnen is!
Langzamerhand en als met onmerkbare trappen neemt nu leven en beweging op straat toe, vooral naarmate het oogenblik nadert, waarop de torenklokken ons verkondigen, dat het zes uur is. Sommige winkels, wier eigenaars gaarne den naam hebben, dat zij knap bij de pinken zijn en geene gelegenheid om iets te verdienen laten voorbij gaan – een zeer betamelijke trots! – worden geopend door den winkelbediende, die ons bij die gelegenheid den vollen aanblik vergunt van zijn geel of rood vijfschaften hemdrok en zijn leeren bretëls. Op sommige stoepen aanschouwen wij werkvrouwen, met het blaauwwollen voorschoot opgerold onder den arm, besteld om heden, daar het maandag is, de groote wasch te doen, en om toch vooral‚ vroeg te komen, daar er zoo ijsbaarlijk veel vuil goed is. Op andere stoepen zien wij jongens en meisjes, ieder met een mandje in den arm, welks inhoud, schoon voor allen die niet slapen zigtbaar, nog ten overvloede kenbaar wordt gemaakt door het onophoudelijk geroep van: „rediesl redies!” waarmede deze maagsterkende vrucht wordt uitgevent.
De straten worden hoe langer zoo drukker en voller, terwijl zij voor weinige uren nog zoo diep eenzaam en verlaten waren. De straks al genoemde roode equipages doen ware omnibusdienst, daar zij alles opnemen, wat haar voorkomt, waarbij een geweldig ratelen van den voerman eene zeer aangename muziek verwekt. Turfwagens, zoo groot, dat men onwillekeurig medelijden krijgt met den armen knol, die ze trekken moet en onophoudelijk door een klein kataas van een jongen in den bek getrokken wordt, komen met horten en stooten over de straatsteenen aandreunen, en de paarden voor de hooggevulde korenwagens schijnen elkander in het oor te fluisteren, dat ze grooten lust hadden, om de voerlui eens een uurtje voor den wagen te spannen en zelven daar boven op de zakken te gaan zitten.
De melkvrouw met haar rood juk en sierlijk blanke koperen melkemmers doet hare ronde, onder het meten een klein discoursje houdende met de meid, die nog en profond négligé vóór komt, om melk te nemen; hier en daar ook in een woordenstrijd gewikkeld, uitgelokt, door de omstandigheid, dat de meid hoog en duur verzekert, eergisteren morgen betaald, en partij even hoog en duur staande houdt, geen cent ontvangen te hebben. Soms bemerken wij ook eene meid, die met de haren onder de nachtmuts weg flodderende, gewapend met den huissleutel, een boodschap in de buurt gaat verrigten met een haast, waardoor zij bijna een student in de armen vliegt, die van portefeuille en duitsche pijp voorzien, heden zijn eerste collegie gaat houden.
De winkels zijn nu. alle open; leerlingen en winkelbedienden hebben het druk genoeg met de glazen af te vegen en de koopwaren zoo te rangschikken, dat zij den kooplust der voorbijgangers het meest opwekken. Nergens echter is meer drukte, dan in het voorhuis van den bakker, waar nagenoeg alle meiden uit de buurt, trippelende van ongeduld, wachten op het uitkomen van het eerste baksel wittebrood, en middelerwijl een zeer fragmentarisch gesprek aanknoopen, waaruit duidelijk blijkt, dat allen het bijzonder druk hebben van daag, en door een toevalligen zamenloop van omstandigheden zich juist heden bijna allen verslapen hebben.
Naarmate het later wordt, verdwijnen de koperen emmers van de ‘straat, en opgehoopte manden met allerlei soort van groenten hangen thans aan dezelfde roode jukken, terwijl het honderdvoud herhaalde: „Jufvraauw, ook gruinte?” telkensde voorbode is van een knibbelen en dingen, dat met niets vergeleken kan worden, dan met het overmatig eischen van de verkoopster.

Allerlei soorten van geluiden treffen ons oor en vormen eene muziek, die ons onwillekeurig aan Hogarths ‘Geplaagden Musicus’ denken doet. De koopman, die daar achter zijn kruiwagen schuift, roept zijn: „Ook zand?” eene aria, die door gindschen vriend in een duet wordt veranderd door zijn: „Ook turf?” terwijl dit weder tot een trio aanleiding geeft door het: „Talholt!” van een ander, totdat het muziekstuk, alle graden van quartet, quintet en sextet doorloopen hebbende, eindelijk in een vol koor zich oplost, door brieschende paarden, knarsende wagens, schreeuwende jongens, vloekende voerlui, kloppende, zagende en vijlende ambachtslui en uitventende kooplieden uitgevoerd.
Acht uurl..-. half negenL… kwart voor negen! Nieuwe, heden nog ongeziene gezigten vertoonen zich op straat. Toevalgerwijze vormt zich daar voor ons vensterraam een groep. Vooraan die dienstmeiden, ieder met een meisje of jongetje aan de hand, dat eene geforceerde wandeling naar de school doet en welks korte beentjes, ook zelfs in de sukkeldrafbeweging, nog het tempo niet schijnen aan te slaan voor de driftige haast, welke de meid bezielt, die luidkeels klaagt over ’t geloop en gesjouw, dat men in eene huishouding heeft, waar „kinder” zijn. Het knaapje leert braaf op school en wordt groot, wat alle kindertjes worden, die zoet leeren. Vooral is rekenen zijn lust, en zijn spaarpot, met zoo vele mooije dubbeltjes van oom en tantes en een paar guldens van grootvader, getuigt, hoe hij sparen kan. Achter hem zien wij een jongen winkelbediende, trotsch op zijn bruin voorschoot, gekleed in een rokje met korte slippen en een pet op één oor, een koopmanskar schuivende.
Nommer drie is eveneens een winkelbediende, maar ouder en grooter; — een paar haartjes om de kin geven veel hoop op een baard à la grecgue, en een sigaar in den mond en een reiszakje onder den arm getuigen, dat de drager van beide thans met de hoogere bezigheden van den handel is belast en voor zijn patroon zaken gaat doen. In onze verbeelding zien wij in zijn rokzak eene bruine portefeuille, waarin een paar wissels, die straks een paar arme zielen aqua tofana zullen doen zweeten
Hierop volgt een jongman, zeer netjes gekleed met een hooge das en groote boorden, en naast hem een snoeperig gezigtje, om weer vervangen te worden door een jongen man, die aan een pakhuisknecht, met een zeker hoog air, zijne orders uitdeelt.
Wat verder de straat op aanschouwen wij een man van een deftig uiterlijk en van middelbare jaren, met een meisje van negen jaren aan de andere zijde: een achtenswaardig burger, door velen benijd, maar door allen geacht, lid der kamer van koophandel en van nog vele genootschappen, tot nut en welvaart zijner medeburgers ingesteld.
Rondom al deze personen woelt en gonst eene bonte menigte. Bureaulisten, met zorgvuldig afgeborstelde hoeden en zeer glimmende schoenen, begeven zich naar hunne bureaus; commissionaírs met monsters en stalen gaan naar hunne kalanten; ambtenaren van hooger of lager rang begeven zich, waar belang en pligt hen roepen. Tusschen beide snort eens doctors rijtuig over de straat, en mogt de medicus soms over eene gezondheidsepidemie klagen een blik op gindsche vrouw, die daar: „ook diksoepen of room?” uitkraait, op dien kruiwagen met onrijpe appelen en zoo goedkoope gele pruimen kan hem hoop geven op talrijke patiënten.
De werklieden gaan ten tweeden male naar hun werk, Joden en andere kleinhandelaars venten hunne waren uit, schippers en sjouwers snellen in vollen draf ons raam voorbij: alles is leven en beweging en het slaat — negen uur!
Dat is een gewigtig oogenblik! — Nu begint de dag in vollen ernst, met al zijn zuur en zoet. Wat wij tot dusverre hoorden en zagen, was nog maar voorbereiding voor den dag.
Ingekorte versie van: ‘Een maandag-morgen’, de tweede van ‘Een paar schetsen uit de stad Groningen’, te vinden in Teekeningen en schetsen uit de nalatenschap van Thineus (Groningen 1857).
Met dank aan Otto Knottnerus voor de tip!
Een zondagochtend in Groningen (ca. 1850)
Geplaatst op: 30 september 2012 Hoort bij: Stad toen 3 reacties
Tonnis van Duinen (1817-1857) was zoon van een Groninger ambtenaar en al vroeg voorbestemd om hervormd predikant te worden. Na zijn theologiestudie, ook in de stad Groningen, stond hij vanaf 1841 op de kansel in een aantal Friese gemeenten (o.a. Surhuisterveen) en ook een Drentse (Vledder). Hier deed hij veel aan sociaal werk. Tegelijkertijd publiceerde hij een aantal literaire schetsen en verhalen, dat ook gebundeld is, deels postuum. Onder die schetsen bevinden zich twee die gaan over de stad waar hij geboren en getogen was. Ze zijn heel aardig, zij het nogal breedsprakig. Ik heb ze ontdaan van de metaforiek en vooral ook van de al te wijdlopige moralistische passages, en zet ze in deze ingekorte, meer zakelijke vorm op dit weblog, te beginnen met de schets over de zondagochtend in Groningen, waaruit ik met name de passages selecteerde die gaan over het straatleven tussen ongeveer acht en elf uur.
“Het is bladstil op straten en pleinen. Geen schreeuwende kooplieden en kramers, geen ratelen van zwaar bevrachte wagens en karren storen de stilte; hoogstens rolt een enkel rijtuig met pleiziergangers onze deur voorbij, en alleen de melkvrouw doet zonder gedruisch hare gewone ronde.
Een enkelen keer vertoont zich eene dienstmeid op straat, om het verzuim eener boodschap bij den bakker, slager of kruidenier te herstellen, die ze gisteren avond warempel in alle drokte vergeten heeft, en snelt haastig en als ter sluip voort, den ingekochten proviand zorgvuldig onder haar voorschoot bedekkende. Somtijds ook stapt een man in een langen jas – den wel bewaarden zondagspronk – en met een witten halsdoek, die een krachtigen blaauwseldoop heeft ondergaan, zoo haastig voorbij, als het balanceren van een hoogen, zorgvuldig afgeborstelden hoed op zijn hoofd hem veroorlooft, om nog vóór kerktijd een boodschap bij zen baas of bij meneer te verrigten; terwijl eindelijk hier of daar een jonge knaap voor de halfgeopende straatdeur des huizes staat, wien de gedachte aan een nieuw buisje, het eerste, dat hij over de broek zal dragen, of aan een paar nieuwe laarzen vroegtijdig den slaap uit de oogen dreef en die geen rust had, voordat hij aangekleed was, om nu zich zelven te bewonderen en de bewondering van alle voorbijgangers op te wekken.
Naarmate echter het oogenblik nadert, waarop de wijzers der torenklokken eene vlakke, horizontale rigting aannemen, wordt de levendigheid op straat vermeerderd, en de dertig minuten tusschen negen uur en half tien bevolken straten en pleinen met geheele groepen kerkgangers, zich begevende naar de onderscheidene kerken, al naar dat hunne geloofsbelijdenis of een blik op het kerkbriefje hunne schreden eene bepaalde rigting geeft. Allen gaan zij daar henen, knap of sierlijk gekleed, armen en rijken, thans met één doel bezield, om namelijk de plaats te bezoeken en Hem te dienen, waar en voor wien geen armoede of rijkdom der wereld geldt. De zondag oefent zijnen invloed onwillekeurig op hen uit, gelijk zelfs in den tred en den gang van allen zigtbaar is. Het is de zondagspas, geheel verschillend van dien, welke des daags door ijver en winzucht of gunstbejag wordt bestuurd. Langzamer en slepender, ernstiger en deftiger is de tred der schare, als ging zij ter bedevaart (…)
Nooit biedt eene stad verhevener schouwspel aan, dan tegen het begin der openbare morgengodsdienstoefening. Goddank! dat in onze vaderstad de menschen nog niet te wijs zijn, om in eenvoud des geloofs te vertrouwen, dat de eeuwige Wijsheid wijze bedoelingen had met het instellen ‘van den wekelijkschen rustdag, en nog niet genoeg doordrongen van eenen uitheemschen geest der eeuw, die het woord eens gewijden schrijvers bespot: „Laten wij onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten!”
Gaarne vertoeven wij om dezen tijd op de Groote Markt, in de nabijheid der Martinikerk. Meermalen welt dan een traan, die geene bitterheid kent, in ons oog op bij het zien van de lange rijen, die daar van alle kanten opkomen, om de woorden des levens te vernemen; terwijl de plegtigheid en majesteit van het geheel nog verhoogd wordt door de dreunende toonen van het kerkorgel, die in onbestemde klanken ons oor bereiken en de scharen als het ware toeroepen: Heiligt u voor Hem! De Heer is nabij. (…) Als kind dachten wij eens op zulk een oogenblik, dat de engeltjes daarboven nu wel regt blijde zouden zijn, omdat zoovele menschen naar de kerk gingen, om den goeden God te bidden en te danken, en ja, ook nu nog gelooven wij gaarne, dat zulk een aanblik de blijdschap des hemels verhoogt.
In het midden der voetgangers rolt soms eene vigilante of statige huurkoets in het onder huurkoetsiers aangenomen sukkeldrafje over de straatsteenen, om eene oudachtige dame of een podagreus heer kerkwaarts te brengen: eene ellendige nabootsing, een schim en schaduw en dat nog maar naauwelijks, van de kerkstaatsie in vorige dagen, waarvan de grijsaards nog met geestdrift spreken, toen dertig, soms veertig eigen koetsen door Groningens straten daverden en in lange rijen voor de deuren van Martini- of Broederkerk op hare meesters en meesteressen stonden te wachten. Dat waren nog tijden. – O!
Langzamerhand vermindert de toeloop en nog maar enkelen spoeden zich met verhaasten tred voort, want het speelwerk van Martinitoren stelt zich in beweging; het is half tien en de godsdienstoefening begint. Straten en pleinen zijn nu in een oogenblik onbevolkt en slechts hier en daar ontmoet ge nog iemand, die niet regt op den tijd kan klaar komen, en nu met alle kracht zich rept, om ten minste nog onder het eerste gezang de kerk te bereiken en dus niet al te veel stoornis te verwekken. (…)
Onder kerktijd biedt zich wel weinig voor onze beschouwing aan op die stille straten, door helle zonnestralen verguld. Alles schijnt u toe te roepen, dat uwe plaats thans elders is. Ja, zoo stil en rustig is het dikwijls, dat gij het gonzen der vliegen en uit de verte de hooge toonen van het statig kerkgezang verneemt…. twee liederen voor den Allerhoogste!
Nu en dan echter ziet ge, dat er eene huisdeur geopend wordt, waaruit een dienstmaagd treedt met den kamerbezem gewapend, om de stoep nog eene kleine reiniging te doen geworden en tevens te voldoen aan het bevel eener zorgvuldige moeder, om eens rond te zien naar de „kinder” twee kleine zusjes met een nog kleiner broertje in hun midden, die, allen in hun zondagspak en met vol mathematische juistheid gescheiden haar, handje aan handje zoo lief op het riepien (klinkerstoep HP) en in het zonnegien heen en weer kuijeren (…)
Somtijds ook bemerkt gij een klein troepje jongens, bezig met een spelletje, waarvoor de bruine Bremer vloeren van een huisstoep noodwendige vereischten, althans zeer geriefelijke dingen zijn, een spelletje, gespeeld tot groote ergernis van de meid, die ondanks alle aangewende en herhaalde pogingen ondervindt, dat het niet zoo gemakkelijk is, het erf van zulke kwade katazenvan jongens als van stof en vuilnis te reinigen, totdat zij in eenen policiedienaar een bondgenoot krijgt, wiens opgeheven stok de beenen van het kleine goed in bijzondere vlugheid brengt.
Hebt ge het gezigt op een dier kelders, waarin des middags naauwelijks meer dan schemerlieht heerscht en waarin menschen wonen, als waren zij geboren mijnwerkers, drie tegen één, dat dan, nagenoeg om half elf , op den trap, die naar dat onderaardsch verblijf voert, den oudsten zoon van het molachtig huisgezin zult ontdekken, een jongman, die van ’t jaar meeloten moet (voor de dienstplicht HP), stralende en blinkende in den helderen zonneschijn met al den zwier van een wijde broek van licht blaauw laken, een geel gestreept vest en blaauw en wit gestreepte hemdsmouwen, maar bovenal van een zilveren horologieketting om den hals en een koperen sleutel met een rooden steen op de broek. In zijne handen ziet gij een lange pijp, gisteren avond op den koop toegekregen van den tabaksverkooper waar hij ieder zaturdagavond zijn wekelijkschen inslag doet van baai of krul, en aan zijn haar bespeurt gij de onmiskenbare sporen van groote zorgvuldigheid, kunst en pompwater, door wier vereenigde krachten alleen zulke dingen tot stand kunnen worden gebragt, als ge nevens de slapen van zijn hoofd opmerkt: volmaakte afbeeldsels van twee reusachtige kurketrekkers.
Kwartier voor elven! elf uur! Er begint langzamerhand meer levendigheid op straat te komen. Enkele mannen stappen vrij haastig voorbij, veel gelijkende op de zoogenoemde kwartiermakers die de aannadering van een armeecorps vooraf gaan. Zij zijn de voorloopers uit de kerk, die in het Amen, waarmede de preek besloten werd, het met ongeduld verlangde sein hoorden om nu maar te vertrekken. (…)
Levendiger en levendiger wordt het nu spoedig op straten en pleinen. Van alle kanten dagen bonte scharen op, die voor een oogenblik de straat als overstroomen. Daar ziet gij een deftigen burger naast zijnen buurman of een goeden bekende aankomen, in levendig gesprek gewikkeld over de gehoorde preek. Ginds een ander met zijne vrouw gearmd en telkens groetende, daar zoo velen hem voorbijgaan, die in hem den achtenswaardigen man gaarne erkennen. Daar tusschen in ook verliefde paartjes, zoo puntig en netjes gekleed, voor wie het naar huis brengen eene zaak van even veel gewigt is, als de bijgewoonde godsdienstoefening. Daar deftige matronen met neepjesmutsen onder de zwart zijden hoeden, en met lange zwart lakensche omslagdoeken. Hier nadert een echtelijk paar uit de burgerklasse hunne woning en wordt reeds in de verte opgemerkt door de oogen van hun kroost, dat sedert een kwartier op de stoep staat te wachten, om vader en moeke in ’t gemoet te loopen als zij uit de kerk komen. (…) Straks weer gaat een jeugdig echtpaar uit de.mindere burgerklasse uw raam voorbij, pronkende met een, zoo lang gewenschten, katoenen parapluie, schoon geen wolkje aan den hemel regen belooft; en eindelijk ziet gij den student driftig doorstappen, om zijn kast te bereiken, onder ieder vrouwenhoedje naar een lief gezigtje turende. Zoo gaan allen daarheen en kruisen elkander; — maar geweken is de statige en afgemeten tred, die een paar uren geleden de kerkgangers kenmerkte. Er is een magneet, een sterke magneet, die allen nu huiswaarts trekt: de gulle, lieve koffijpot, het echt Groningsch elfuurtje!
Het uitgaan der kerken mist al het stichtelijke van het aangaan. Meteen ook hoort men slaande trommen en luid schetterende trompetten, die de aannadering der kerkparade verkondigen, en straks ziet ge, zoo ge in de Stoeldraaijer- of Kijk in ’t Jatstraat mogt wonen, de militaire bezetting voorbij marcheren, innig verheugd, uit eene plaats ontslagen te zijn, waar zij zeer doelmatig achter den preekstoel en zware pilaren zoo geplaatst is, dat de meesten niets zien en niets hooren kunnen, en waar alleen de allerchristelijkste vloeken van den juist zelf ontwaakten korporaal of sergeant eene geheele bank van slapende Marszonen weer wat kunnen opfrisschen. Al deze beweging en drokte duurt echter niet lang. Spoedig keeren de straten wel niet tot de doodsche stilte van zoo even, maar toch tot de plegtige rust van den zondag terug.”
Uit: ‘Een zondag-voormiddag’, de eerste van ‘Een paar schetsen uit de stad Groningen’, te vinden in Teekeningen en schetsen uit de nalatenschap van Thineus (Groningen 1857).
Met dank aan Otto Knottnerus voor de tip!
Zware theologische kettingen
Geplaatst op: 28 september 2012 Hoort bij: Stad toen 6 reactiesIk mocht vanmiddag aanwezig zijn bij het symposiumpje, gehouden ter gelegenheid van het uitkomen van Jonn van Zuthems boek ‘Harde Grond‘. Dat gebeuren vond plaats in de voormalige SNS Bank (nog eerder Nutsspaarbank), aan de Oude Ebbingestraat. Straks trekt in dat stevige bankgebouw de Protestantse Theologische Universiteit, de postacademische predikantenopleiding van de kerken. De verbouwing is op enige afwerking na voltooid, maar de gehoorzaal kon al wel worden gebruikt.
In een tussenruimte, maar ook in de gehoorzaal, hingen deze loeizware, handbrede kettingen, verticaal en strakgespannen tussen zoldering en vloer:


Nog steeds vraag ik me af waarvoor ze vroeger dienden. Mijn eigen gissing: voor de lift. Maar een andere aanwezige dacht dat ze iets te maken hadden met een kluis, en dat klonk ook wel plausibel.
Bij de receptie na afloop van de plechtigheid vergat ik er een mogelijk deskundige over aan te schieten. Inmiddels heb ik tevergeefs gegoogeld en zijn er wat mailtjes uitgegaan om opheldering te krijgen in deze brandende kwestie. Helaas geven degenen die het weten kunnen voorlopig niet thuis. U zult dus, net als ik, enig geduld moeten betrachten.
Het antwoord, 22.50 uur:
De heer Immink, rector van de Protestantse Theologische Universiteit, bericht mij zojuist: “Aan die kettingen zitten loketten vast in het souterrain. Die werden aan de kettingen omhoog gehesen bij de wekelijkse uitbetalingen, heb ik me laten vertellen. We hebben die kettingen laten zitten en ik dacht dat je beneden ook nog iets van de loketten kunt zien.”
Het zat dus toch weer anders dan we dachten. Overigens is in de kelder van het gebouw ook nog de oude bankkluis te zien.
Stokoud kwartetspel van margarinefabriek
Geplaatst op: 24 september 2012 Hoort bij: Stad toen 14 reacties
De margarinefabriek ‘Groningen’, voorheen Hendriks Brongers & Bos, bestond in elk geval al in 1893, zo leert een klein krantenonderzoekje. In 1902 staat de fabriek aan de Eelderstraatweg (de latere Paterswoldseweg) nabij het Noordwillemskanaal, maar aan de Westerhavenstraat zit wat later het kantoor. Uiteindelijk zal het bedrijf in 1931 naar Rotterdam verhuizen, waar de grondstoffen blijkbaar wat goedkoper zijn.
Nu ruim een eeuw geleden gaf dit bedrijf een kwartetspel uit, dat als het ware een zelfportret vormt. Onlangs werd dit spel ter scanning aangeboden aan de Groninger Archieven. Een rare samenloop van omstandigheden wil, dat de plaatjes nu op internet zijn gezet door Borstkas. Kennelijk zijn er, anders dan vermoed, nog meerdere exemplaren van dit spel in omloop. Ziehier de slideshow.
Ranja-party met drank, banket, zang en praatje
Geplaatst op: 13 september 2012 Hoort bij: De actuele wereld, Stad toen 1 reactie
Het was me het Ranja-dagje wel, bij de Groninger Archieven. Op de Ranja-party voor de lokale erfgoedsector, tevens seizoensstart, kon men zich tegoed doen aan ranja uit een heuse ranja-fontein en diverse soorten ranja-banket, onder de vrolijke tonen van de Zingende Broeder die onder meer het Ranja-lied van Koos Speenhoff en Ranja met een rietje van Johnny Lion zong.
Mijn eigen bijdrage bestond uit een praatje over Ranja en over C. Polak Gzn. NV, het Groningse bedrijf dat in 1920 Ranja op de markt bracht, een produkt dat indertijd vrijwel meteen een rage werd. Een nijvere vakbondsreporter vond mijn verhaal wel iets voor de lokale FNV-leden, zodat mijn spiekpapier nu ook te lezen valt voor mensen die het feestje niet konden bijwonen. Zie de derde link in de middenkolom op deze pagina.
NB (28 maart 2015): Aangezien de FNV het praatje als niet meer actueel van zijn website heeft gegooid, plaats ik het hier maar even onder deze link:
ranja praatje voor 13 september 2012

Recente reacties