Een oorijzer in Maartenshof

Ik was nog nooit in verpleeghuis Maartenshof geweest, maar moest er vanavond even heen om voor Stad & Lande foto’s te maken van voorwerpen, verband houdend met de vooroorlogse katholieke armenzorg hier in de stad. Het ging vooral om de voorzittershamer van een collectantengenootschap.

Uit de kast waarin de voorwerpen bewaard werden, kwam ook bovenstaande artefact tevoorschijn. Men wist niet wat het was, maar ik  herkende er meteen een oorijzer in. Een Fries oorijzer, dacht ik. Of het van goud of (verguld) koper was, daarover twijfelde ik een beetje. De waarde schatte ik een beetje overmoedig op een paar honderd euro, de eigenaar moest er dus maar zuinig op zijn.

In een dergelijk geval heb ik een klederdrachtdeskundige achter de hand,  en die bevestigde dat het om een oorijzer ging. Volgens hem was het echter een Gronings oorijzer, en niet een Fries. Hij vermoedde dat het geval van koper gemaakt was, “en wellicht verguld”. Helaas bevond het oorijzer zich niet in volkomen staat: “De stiften ontbreken waardoor het oorijzer niet compleet is.”

Dat laatste was me even ontgaan in de Maartenshof. De waarde schatte de deskundige “tussen de 50 en 75 euro.” Als het verguld zilver zou zijn, “te zien aan de merken”, dan lag de waarde rond de 100 euro. De helft dus van wat ik dacht. (Daar gaat mijn antiqairscarrière.)

Het interessante is natuurlijk hoe zo’n oorijzer bij die RK armenzorgspullen beland is en waarom het bewaard bleef. Het zou een vrijwillig legaat kunnen zijn.  Of een stuk uit de verplichte erfenis van een bedeelde. Ik denk dat zo’n oorijzer in een tijd dat ze nog gedragen werden, zeg tot 1880, 1890 door oudere vrouwen, subiet verkocht zou zijn.  En later ook nog wel, maar dan vooral voor de goudprijs. Dat het ding bewaard is, kan wel eens te maken hebben met de zeldzaamheid ervan, op het moment dat het in handen van de armvoogden kwam.


Harm Visser, een tekenaar die te jong stierf

Ik tikte zaterdag bij een tweedehandsboekenhandeltje De stad rondom de hoge toren op de kop,  een ‘gedenkboekje’ wegens het 900-jarig bestaan van de stad Groningen in 1940.

Omdat ik het nog nooit eerder gezien had en benieuwd was wanneer het precies verscheen – nog voor of tijdens de Bezetting? – keek ik dat na in het gedigitaliseerde Nieuwsblad van het Noorden. Het boekje, zo bleek, kwam vlak voor Sinterklaas 1941 uit, dus tijdens de Bezetting, en was “zoolang de voorraad strekt” voor 85 cent te koop bij de “erkende boekhandelaren hier ter stede”.  In een tweede advertentie is er sprake van “slechts beperkte voorraad”.  Op 3 december dat jaar verscheen er nog een bespreking in de krant, die het boekje “alleraardigst” noemt. “Vooral de geboren en getogen stad Groninger” zou het werkje graag willen kopen,  “om aan de hand daarvan de glorierijke ontwikkeling van zijn stad de revue te laten passeeren”.
.
Ik kocht het boekje niet zozeer om de tekst. Nee, de reden was dat er een stuk of wat puike tekeningen in staan, die van een groot vakmanschap getuigen.  Vooral de bovenstaande van de A-poort spreekt me aan. Zelden heb ik dat bouwwerk zo plastisch weergegeven gezien. Deze poort dateerde uit de Bourgondische periode, eind 15e eeuw, en werd – meen ik – omstreeks 1840 afgebroken. Moet je je eens voorstellen dat zoiets er nog stond. Het zou een een enorme bezienswaardigheid zijn geweest.

Het gekke was dat ik ook nog nooit van de tekenaar gehoord had.  Ander werk van deze Harm Visser was me niet bekend en kon ik ook niet vinden. Dat is ook geen wonder, want hij heeft na verschijning van het boekje niet meer zo lang geleefd,  zo leerde de krantenbank. In het Nieuwsblad van woensdag  5 januari 1944 deelde Vissers weduwe mee dat hij “geheel onverwachts” was overleden, slechts 31 jaar oud.

Zo jong,  en plotsklaps, in die tijd? Het zal toch niet? Het blijkt van wel, want zijn naam is te vinden op een digitale erelijst voor gevallenen, subgroep verzet.  Je kunt er een virtueel bloemetje neerleggen, en dat deed ik.  Ben benieuwd wat hij precies gedaan heeft en hoe hij aan zijn eind kwam. Zal dat nog een keer gaan uitzoeken, op voorhand vermoed ik dat hij als tekenaar persoonsbewijzen vervalste en daarom gefusilleerd is.


”Wij lopen al hard naar 1951″

De Ranja-expositie bij de Groninger Archieven trekt ook bezoekers die wat meenemen. Zoals iemand die een halve eeuw geleden bij CP werkte en sindsdien altijd dit nieuwjaarskaartje van zijn oud-werkgever bewaard had:


De Grouwelderij en het water

Dankzij een bouwdossier van de vroegere gemeente Noorddijk heb Ik weer een kleine aanvulling op het thema Grouwelderij.

Al eerder vertelde ik dat de Grouwelderij na 1921 geen herberg bleef en dat Jaap Nienhuis en vrouw het voorhuis in 1936 geheel lieten  vernieuwen. Die verbouwing had nogal wat voeten in de aarde, onder andere doordat de burgemeester van Noorddijk in hoogst eigen persoon de eerste tekening afkeurde wegens de ramen die in de topgevel gedacht waren.

Volgens de bouwvergunning van 20 augustus 1936 kwamen die er inderdaad niet meer in. Aardig aan de bijgevoegde blauwdruk is, dat deze zowel de oude als de nieuwe voorgevel weergeeft. Oud:

Nieuw:

Volgens Reinie, de dochter van Jaap Nienhuis en Engel Bierling, was de verbouwing noodzakelijk omdat het metselwerk van de oude woning niet meer goed was. Vanaf zijn bed kon haar vader een steen uit de muur lichten en zo ’s ochtends met zijn hand voelen wat voor weer het buiten was, nat of droog.  Gedurende de verbouwing woonde het gezin op de achterdeel en in de stookhut. Die stookhut, ooit een stille knip, had anders ook wel een woonfunctie, vooral in de zomerperiode tot in het najaar.

Opmerkelijk aan de bouwvergunning vond ik vooral de regenwaterbak van 3000 liter. Kennelijk was de Paddepoelsterweg in 1936 als onrendabel gebied nog niet aangesloten op de waterleiding.

Volgens Reinie zwom er in die regenwaterbak wel eens een kikker rond. Dat had ook een voordeel, want al kwam het regenwater vanaf het dak door een filter van kiezels of cokes, er lag natuurlijk wel eens blad in de dakgoot en dan kon het maar zo gebeuren dat er een wormpje of zo meekwam met het regenwater. Zo’n kikker in de bak vrat zulke beestjes dan op.

Bij de boerderij zat ook een put waar je het water met een emmer uit op kon halen. Maar aan de Hereweg, waar de Nienhuizen eerder op een koemelkerij zaten, waren ze kristalhelder en zeer goed smakend water uit het zand gewend geweest. Aan de Paddepoelsterweg daarentegen, met zijn bodem van klei op knipklei, was de smaak van het water  “flauw”, bijna brak.

Het water uit de regenwaterbak en de put werden nog wel geschikt geacht voor wassen en schoonmaken, maar niet voor koken en drinken. Dat consumptiewater nam haar vader, die met melk in de stad ventte, op zijn terugreis in een melkbus mee van zijn broer aan de Moesstraat, waar ze wel al waterleiding hadden.

De bouwvergunning uit 1936 stipuleert ook: “De afvoer van faecaliën zal plaats hebben door middel van emmer of ton”.  Dat gebeurde op veel meer boerderijen, zelfs nog tot enkele decennia geleden. Als de emmer of het tonnetje vol was, werd die gewoon omgekieperd op de mestbult.

Pas in de jaren vijftig of zestig zou de Grouwelderij waterleiding krijgen. De riolering langs de Paddepoelsterweg liet toen nog enkele decennia op zich wachten. Het had zelfs niet veel gescheeld, of die was er helemaal niet gekomen.

Bronnen:
– RHC Groninger Archieven, bouwdossier Noorddijk 1936-09 (vindbaar bij 1936-61)
– Gesprek met Reinie Nienhuis, vanmiddag.


Onze Ranja-expositie op TV Noord

Het item staat nu ook op YouTube:


Ranja, een volwassen drankje

C. Polak Gzn. zette het merk Ranja in 1920 voornamelijk via beurzen in de markt. Van krantenreclame door het bedrijf was dat jaar nauwelijks sprake. Dat kwam later pas. Zoals bij een tekenwedstrijd in 1921. Het schijnt dat de inzendingen met postzakken tegelijk het bedrijf werden ingedragen. Boven zie je er een van, die prompt in het Noordelijk Sportblad verscheen.

De advertentie toont ook, dat Ranja indertijd nog bestemd was voor een volwassen publiek. Het was zelfs zo, dat Polak in den beginne vooral op geheelonthouders mikte. Pas later werd de Ranja echt iets voor kinderen. De merknaam ontwikkelde zich tegelijkertijd tot een soortnaam.

De advertentie zal tussen 1 augustus en 15 september samen met andere advertenties, affiches, briefhoofden, flessen, glazen, dienbladen. bedrijfsfoto’s, een voltooide bouwplaat van de fabriek etc. etc. te zien zijn op een tentoonstelling in de Groninger Archieven, gewijd aan Ranja en C. Polak Gzn. oftewel CP (zoals het bedrijf vanaf 1954 ging heten).


Groninger lichtmastreclame

Mijn opa rookte ze wel eens, deze sigaren uit Nieuwe Pekela:

Mijn vader haalde hier zijn hoortoestellen, eerst grote zwarte van bakeliet, later een platter, kleiner en modieuzer gevalletje in beige, nog weer later een gehoorbril, en het laatst een blokje op het rotsbeen achter zijn oor:

Hier werkte een achternicht als coupeuse:

En hier kocht ik als eerstejaars mijn studieboeken. Op rekening!

Het betreft reclame-ontwerpen, vakbekwaam uitgevoerd in plakkaatverf en gemaakt in opdracht van het nog steeds bestaande Nationaal Publiciteitsbureau, dat dergelijke reclame aan lichtmasten hangt. In Groningen werden die masten na de oorlog aan het NPB verhuurd door de dienst Stadsuitbreiding, en in het archief daarvan (Groninger Archieven toegang 1516) vinden we deze ontwerpen dan ook terug (inv. nrs.  26-40). Soms waren de Groninger ambtenaren erg kritisch en moest het NPB een ontwerp over laten maken, omdat bijvoorbeeld een kleur of lettertype niet beviel.


Hoogkerk en de oorlog van 1505-1506

Sinds vandaag staat de 16e-eeuwse kroniek van Sicke Benninge online. Ik heb eens gekeken of Hoogkerk erin voorkwam, en jawel, het dorp speelde een rol in het beleg van 1505-1506, toen graaf Edzard van Oost-Friesland de stad Groningen probeerde te onderwerpen.

De Ommelanden kregen in de zomer van 1505 te maken met terreur van twee kanten. Zowel door de Groningers als door de troepen van graaf Edzard werd het platteland geplunderd en gebrandschat. Als je je have en goed niet goedschiks afgaf, dan raakte je het wel kwaadschiks kwijt.

Dat merkten Hoogkerk en Leegkerk. Beide dorpen weigerden brandschatting te betalen aan die van Graaf Edzard.  En daarom gingen ze beide op een avond in vlammen op. Dat wil zeggen: de huizen die van hout, leem, stro en riet waren gemaakt, de boerderijen. De weinige stenen gebouwen – de kerk, de borg en de weem – bleven nog even staan.

Ongetwijfeld had de stad al de weilanden ten westen, ten noorden en ten oosten van de stad onder water gezet (ten zuiden, op de Hondsrug, was dat onmogelijk). De graaf maakte de toestand voor de boeren nog wat erger, door die zomer de dijken langs het Reitdiep en in de richting van Paterswolde door te laten steken, en diepen af te laten dammen bij de Aduarder Steentil en  Enumatil, “soo dattet tusschen Groningen ende Hogerkercken blanck see was”. Verderop stond het halve Westerkwartier onder water.

Die van Groningen hadden nog wel hun schepen. Daarmee trokken ze begin juli naar Hoogkerk, om hun tocht daar over land naar Roden te vervolgen, waar ze de ovens van de bakkers en de ketels en kuipen van de brouwers vernielden. De taktiek van de verschroeide aarde was ook toen al bekend.

In het najaar bezetten zo’n zestig man troepen van de graaf de kerk van Hoogkerk, en versterkten deze met bolwerken voor deuren en vensters. Potters “kamnade” aan de zuidkant van het diep (de latere borg Elmersma) braken ze af. Het “weemhues” (de pastorie) staken ze in de fik en wierpen de muren ervan ook maar omver. Zo konden die van Groningen niet meer langs Hoogkerk varen met hun schepen, en Vredewold,  Langewold en Humsterland niet langer bereiken.

Begin 1506 vroor al het water dicht. Wel vier of vijf dagen lang haalden stadjers over het ijs brandhout op uit de Hoornse landen en Eelderwolde. Hele gezinnen waren het soms, met mannen, vrouwen èn kinderen. Grafelijke soldaten, komend van Hoogkerk en De Punt, maakten een eind aan deze praktijk en verjoegen al het Groningse volk “dat daer int broeck was”. Vier “scamele lueden” sloegen ze dood en ze namen wel veertien wat meer vermogende burgers gevangen. Die mocht de familie dus vrij gaan kopen tegen flinke sommen geld.

In februari werd héél Hoogkerk versterkt, waarbij Ommelander boeren verplicht aan het werk werden gezet. De graaf gaf ze geen eten en drinken, ze moesten dat werk maar doen ‘op hun eigen kost’.

Nog steeds ging er wel eens een stadjer op hongertocht uit, maar als hij gepakt werd, raakte hij al het opgehaalde voedsel èn zijn hemd kwijt. En dat niet alleen, want de soldaten van de graaf sneden hem ook nog eens de oren af. Bij één man hingen ze die aan zijn hoed. Ze bonden hem de handen op de rug alsof hij een dief was, en hij kreeg ook nog twee haringen op zijn borst gehangen. Bovendien gaven ze hem een zakje met zout en een stukje brood mee. Dat moest hij maar naar de belangrijkste burgemeester gaan brengen. Van gesnapte vrouwen sneden de soldaten de rokken vanachteren af, die mochten in hun blote kont naar de stad terug. Een vrouw die het wat al te bont had gemaakt in de ogen van de grafelijke troepen, brandmerkten ze bovendien op beide haar wangen.

In het voorjaar van 1506 gaf de stad zich gewonnen. Toen liet de graaf een dwangburcht aan de zuidkant van de stad bouwen en werd zijn steunpunt Hoogkerk ontmanteld.

Sicke Benninge, Croniken der Vrescher Landen mijtten Zoeven Seelanden ende der stadt Groningen, pag. 168, 219-220, 251, 259, 265, 288, 297, 303, 318, 340.


De tol van Lingenhuizen in 1839

Ook in 1839 blijkt er een verpachting van de particuliere tol van Lingenhuizen te zijn geweest, dan voor zes jaar. Opmerkelijk is, dat “het tarief of bord bij het hek geplaatst” dan in zoverre veranderd blijkt, dat de passage voor een paard, koe schaap en varken anderhalve cent ging kosten, terwijl in afwijking van dit eenheidstarief nog een stuiver extra voor een paard betaald moest worden. Vergelijken we dit met de tarieven in 1824, dan was iemand met een paard duurder uit, en vooral iemand met een koe goedkoper, wat je een nivellerende maatregel zou kunnen noemen, omdat de gemiddelde paardeneigenaar beter af was, dan de modale koeienbezitter.

In tegenstelling tot 1824, toen dat nog impliciet bleef, werd nu uitdrukkelijk bepaald: “De voetgangers zijn onder de betaling van tol niet begreepen”. Was hier intussen verschil van mening over geweest? Nog steeds waren de pachters van de familie Bolt en de participanten in de Ruskevenne vrij van tol, tenminste, tijdens de uren tussen zonsop- en zonsondergang. Bij donker moesten ze nu dus net als alle anderen betalen, de extra moeite van de tolgaarder qua lantaarnopsteken werd zo dus gehonoreerd. Een geheel nieuwe uitzonderingsbepaling was dat ingezetenen van Peize, Eelde “en onderhorige boerschappen” voor hun heen- en terugreis naar de stad maar één keer hoefden te betalen. Voor alle andere passanten van de zomerweg gold, dat ze telkens in de beurs moesten tasten zodra ze door het Lingenhuister tolhek kwamen.

Ondanks de over het geheel genomen wat inkomstendrukkende bepalingen, leverde de verpachting van 1839 meer op dan die van 1824: 365 gulden tegen ruim 330 gulden. De man die het tegen deze voorwaarden en voor dat bedrag aandurfde was de oorspronkelijk uit Oost-Friesland afkomstige Pieter Benes Nannenberg, die zijn leven lang tolgaarder zou blijven, althans, zo stond hij ook te boek toen hij in 1872 te Adorp overleed..

Bron:

RHC Groninger Archieven,  archief notarissen Zuidhorn (toegang 99) inv. nr. 107 (bundel acten) acte nr. 8 d.d. 21 januari 1839.


Een verpachting van de tol te Lingenhuizen

Dankzij de onvolprezen krantenbank van de KB, weet ik nu eindelijk hoe het zat met de particuliere tol aan het eind van de Drentsche Laan (of Peizerweg). Enkele nummers van de Groninger Courant die er nu net op staan, bevatten namelijk  aankondigingen van de publiek verhuring  van “de WONING en het TOLHEK , LINGENHUIZEN genaamd , staande en gelegen buiten Der A-poort, dezer Stad, aan de Drentsche Laan”. Deze veiling, want zo mag je zo’n verhuring bij opbod wel noemen, vond plaats op dinsdagavond 17 februari 1824 in een herberg aan de Grote Markt in de stad. Omdat in zulke veilingaankondigingen altijd de naam staat van de notaris die de veiling organiseerde, weet je ook in welk notarieel archief je het eventuele huurcontract moet zoeken. In dit geval is dat vooral interessant vanwege de pachtprijs en de toltarieven.

Maar eerst iets over Lingenhuizen. In de 17e eeuw heette het nog Lingenhuis enkelvoud, maar in de 18e groeide het tot een meervoud en daarmee waarschijnlijk tot een piepklein buurtschapje. De naam ervan was in de aankondiging en de acte van de veiling synoniem met herberg het Porrenhuis volgens het eerste kadaster. Van de stad uit lag Lingenhuizen aan het eind van de Drentsche Laan (Peizerweg), d.w.z. op de lokatie waar deze linea recta overging in de Zuiderweg naar Hoogkerk. Anders dan tegenwoordig, maakte de Peizerweg hier nog geen flauwe bocht richting Peize. Zowel de Zuiderweg als de Drentsche Laan kwamen op de driesprong uit bij een tolhek, dat je door moest als je naar Peize wilde. Getuige de kadasterkaart – die van Hisgis heb ik aangepast naar de manuscriptkaart – neigde de weg, als je het tolhek doorkwam, eerst naar het Porrenhuis/Lingenhuizen, dat dan het tolhuis geweest moet zijn. De weg naar Peize (en Eelde!) liep daarvandaan eerst naar het oosten, vervolgens naar het zuidoosten, en eindelijk met een haakse bocht naar het zuidwesten,  tot het punt waar een bruggetje over het grenssloot met Drenthe lag. De tegenwoordige Peizerweg, waarvan ik het tracé met een stippellijntje op het kaartje heb aangegeven, loopt rechtstreeks naar dat bruggetje, maar dat is de effciënte situatie van na de opheffing van de tol. Want men merke op dat de tol zowel vanuit de richting stad als die van Hoogkerk zo dwingend was, dat je er een omwegje voor moest nemen, als je naar Peize wilde. Afgezien van dat kronkelige, mogelijk boomomzoomde laantje was dit wel verreweg de kortste weg naar Peize. Overigens kan je je daar  nog het beste zompige karresporen in een vrij kaal landschap bij voorstellen, te beginnen bij de Ruskevenne, waar nu het transferium ligt.

De tolverhuring van 1824 was op verzoek van de erven Bolt, die in deze omgeving veel vastgoed bezaten, zoals het Fraterland en de beide huizen van de buurtschap Lingenhuizen met het daarbij behorende land. De verhuring gold voor een periode van drie jaar, die inging op 1 mei 1824. Degene die op de veiling het hoogste bod deed, kreeg “alle regten aan het Tolhek verbonden’ en mocht als tolgeld heffen:

“…voor elk Paard en Koe vijf cents, Swijnen en Kalver ieder twee en een half cents en elk schaap Een en een half cent”.

Opmerkelijk is, dat bij deze voorgeschreven tarieven geen sprake is van mensen. Wandelaars zonder beesten behoefden dus geen tol te betalen. Ook wagens waren op zich vrij, maar die werden natuurlijk voortgetrokken door paarden, vallend in het hoogste tarief.

Meteen na de tarieven stipuleerde het contract enkele vrijstellingen van de tol. Artikel 4:

“Alle tijdelijke Participanten in de Ruskevenne zijn gedurende het geheele Jaar vrij van tolgeld.”

Mogelijk hadden de erven Bolt belangen in dit vastgoed meteen over de Drentse grens, dat het noordelijkste puntje van het kerspel Eelde vormde. Zeker is, dat ze hun pachters in het drukste seizoen van het jaar niet het vel over de oren wilden halen, want, artikel 5:

“De huurders van de Hooilanden behorend tot de nalatenschap van wijlen Mejuffrouw de weduwe Jacob Bolt, en liggende ten zuiden of ten noorden [van ] de Drentsche Laan, zullen gedurende het vervoeren van het Hooi van die landen vrij zijn van Tolgeld, doch verder niet.”

“De Huurder van het Tolhek zal geen Paarden noch wagens by zich te laten overnagten”, aldus artikel 6. Waarschijnlijk zette dit een rem op de groei van het Porrenhuis/Lingenhuizen als herberg. Verder bepaalde dit artikel dat de huurder de weg onberispelijk moest onderhouden vanaf “het hek de Lingenhuizen en zoo door het tolhek tot over de beide Bruggen”, waarmee dan de bruggen over de erfsloot en de Drentse grenssloot bedoeld zullen zijn, want die over het Eelderdiep/de Avingesloot lag immers geheel op Drents territoir.

De huurder mocht zijn jaar huur in twee termijnen betalen, op 1 augustus en op 1 november, wat duidelijk aangeeft wanneer het ’t drukste seizoen was: voorafgaand aan deze data. ’s Winters kon je hier ook nauwelijks langs, vanwege algehele drassigheid.

De hoogste bieder  bij de veiling was, na een schriftelijke ronde en een mondelinge met meerdere “opbotten”, ene Pieter Kok. Op dat moment woonde deze koopmansknecht nog aan het Zuiderdiep in de stad. Hij had de kastelein van de Grote Sociëteit in huis Panser aan de Grote Markt oostzijde als borg. Kok bood een pacht van ƒ 330,40. Exclusief recht van tol deed het Porrenhuis volgens een verpondingskohier uit 1806 aan huur 50 per jaar. Kok verwachtte dus minstens 280 gulden aan tol te beuren. Dat waren toch duizenden landbouwdieren in het drukste seizoen.

Bronnen:

Groninger Courant 3, 10 en 17 februari 1824

– RHC Gronuinger Archieven, toegang 1871 (notarissen Groningen standplaats 22 ), inv. nr. 77, de acte door Willem Jan Quintus van 1824 nummer 64, op de veilingdatum..


Beelden van literair café AaBC 1977-1979

Bruine schrootjes, dikke rook, langharige snorrebaarden, bloedmooie vrouwen en ironische dichters. Buddy Hermans filmde literair café AaBC in zijn beginjaren, toen het nog in een krot aan de Reitemakersrijge zat (1977-1979). Met onder meer opnamen van Cees Buddingh, Hans Dorrestijn, Levi Weemoedt, Rob Engelsman, Jan Kal, Herman Finkers, Drs. P., Driek van Wissen en Willem Wilmink. Voila.


Middeleeuwse raaimethodiek

De westgrens van het Groninger stadsterritoir kende vroeger twee stukken die samen een rechte lijn vormden. Deze grensgedeelten liepen over de Wolvedijk (nu het haakse en doodlopende stuk Peizerweg bij het terrein van de voormalige Groninger suikerfabriek) en parallel aan de Campinglaan ‘achter’ het Stadspark.

Als je beide stukken doortrekt, kom je in het zuiden bij de kerk van Eelde uit en in het noorden bij de kerk van Dorkwerd. Deze hebben duidelijk een rol gespeeld als oriëntatiepunten, toen, uiterlijk in de 13e eeuw, een omvangrijke strook riet-, broek- en woldland verdeeld werd tussen enerzijds die van Groningen, en anderzijds die van Eelde en Hoogkerk. Dat de Drenten naderhand een rechthoekig stuk aan de zuidkant van de Drentse Laan afstonden aan die van Groningen, waardoor die lijn onderbroken raakte, doet hier niets aan af.

De kerken van Eelde en Dorkwerd liggen hemelsbreed zo’n dertien kilometer uit elkaar. Jan van den Broek, die het raaien op deze kerken ontdekte, veronderstelt in zijn dissertatie dat de primitieve landmeters die het land verdeelden, op een plaats in het midden van die afstand zijn gaan staan, namelijk op de knik in de Drentse Laan/Peizerweg en dat ze toen hebben gekeken naar beide kerken.

Destijds zal het gezichtsveld inderdaad veel  ruimer geweest zijn dan nu. Maar zo ruim dat je vanaf dat punt beide kerken kon zien liggen? Die kerken waren nog erg klein en hadden waarschijnlijk ook nog geen torens. Bovendien zullen er in deze vochtige streek toch ook wel vochtminnende bomen als elzen, wilgen en essen hebben gestaan. Misschien niet veel, maar dan toch genoeg om het zicht op kerkjes die er op 6 à 7 kilometer afstand stonden, danig te belemmeren, zoniet geheel te ontnemen.

Tijdens een cursus van Jan, waarbij het raaien in ontginningsgebied ter sprake kwam, opperde ik deze bedenking. Maar hij bleek niet voor één gat te vangen en kwam met de suggestie dat het raaien op oriëntatiepunten ook mogelijk was door op die lokaties vuren te ontsteken. Inderdaad kan het best eens zo gegaan zijn. Ik denk dat zulke vuren dan wel aan twee voorwaarden moesten voldoen. Ze moesten a) veel rook geven en konden b) het best ontstoken worden bij windstil weer, zodat die rook, voor een zo secuur mogelijk raairesultaat, recht omhoog ging.

Windstil weer heb je vooral in de zomer, tevens de tijd dat zo’n rietmoeras er relatief droog bij lag. Ik zie nu mensen namens de diverse partijen in de weer met het afzwetten van dat moeras. Heel in de verte stijgt bij Eelde een rookpluim de lucht in, en aan de andere kant heb je precies zo’n pluim bij Dorkwerd. Zo zou het inderdaad wel eens gegaan kunnen zijn. Ik vind het een bevredigend beeld, waar ik meer geloof aan hecht dan aan het raaien op die kerkjes alleen.

Bron: Jan van den Broek – Een stad apart (Groningen 2007) 233, 258, 269-270.


‘Moderne gas- en electrische ornamenten’

Enigszins opgekalefaterd Jugendstil briefhoofd uit 1909, bewaard gebleven in een collectie briefhoofden bij het RHC Groninger Archieven. Wat mensen als modern zien is erg tijdgebonden.


Kwartetten met CP

Drie maal is scheepsrecht, ik heb het nu ook: het C.P.-kwartetspel.

De eerste keer dat ik het aangeboden kreeg, was in 2008. Iemand uit Amsterdam vond een van mijn logjes over Ranja, en vroeg me of het spel misschien iets voor het Groninger stadsarchief  was. Ze had geen idee wat wat er voor kon vragen. Ooit had ze een oud reclamebordspel verkocht aan Unilever en kreeg daar toen 75 euro voor. Ik schreef terug dat ik niet zoveel betalen kon als Unilever, maar dat ik er wel 20 euro voor over had.  Ze bleek echter in onderhandeling met nog wat andere partijen en uiteindelijk bood het Joods Historisch Museum in Amsterdam 100 euro, wat ze niet kon weigeren, maar waar ik wel begrip voor kon opbrengen. Dat spel kwam goed terecht.

De tweede keer bood iemand uit Rotterdam het mij aan. Dat was vorig jaar augustus, en opnieuw gebeurde dat via Gelkinghe. In een reactie zei de aanbiedster dat ze het net op Marktplaats had gezet en ik bood er 5 euro voor. Tegelijkertijd mailde ik haar dat ik het graag wilde kopen voor de Groninger Archieven, waar het in de collectie ontbrak. Dat echter. maakte voor haar geen verschil, ze ging – “nu het best wel zeldzaam blijkt te zijn” – voor het hoogste bod en wilde dat ik gewoon meebood. Wat haar betreft moesten de Groninger Archieven dat ook maar doen. En aangezien ik slecht tegen schaamteloze inhaligheid kan, deed ik het tegenovergestelde: ik trok mijn bod in. Het kwartet heeft vervolgens nog een maand op Marktplaats gestaan zonder dat iemand iets bood, tot ik een collega inseinde die het alsnog à 5 euro voor de Groninger Archieven bemachtigde. Zo kreeg ik dan toch nog mijn zin.

Onlangs zag ik het kwartet opnieuw op Marktplaats staan. Dit keer bood ik voor mezelf. Mijn bod van 10 euro werd per omgaande geaccpteerd en zodoende komt het dat ik het kwartet nu ook zelf heb.

Het stamt uit de jaren vijftig en is waarschijnlijk ontworpen door Dirk Hart. Het laat niet alleen vanuit verschillende hoeken de fabrieksgebouwen van de fa. C. Polak en Zonen aan de Petrus Campersingel in de stad Groningen zien, maar bevat ook tekeningen van de verschillende afdelingen in de fabriek, de machines die er stonden, de diverse produkten waaronder natuurlijk in de eerste plaats Ranja,  en de plekken waar zulke produkten werden geconsumeerd. Hier een keuze van vier kaartjes uit het spel:



Erfenis AAgrunol eindelijk opgeruimd

Voor bijna alle ramen in de buurt hingen zulke strookjes. Deze ziet er zo verfomfaaid uit omdat ik hem om mijn arm droeg bij een bezetting-achtig protest in het stadhuis. Onze buurt was na een stuk of wat branden AAgrunol spuugzat, terwijl burgemeester Buiter deze giffabriek, geheel tegen de adviezen van de brandweer in, de hand boven het hoofd hield . Ook de CPN, met Fré Meis voorop, was tegen sluiting van AAgrunol. Werkgelegenheid ging ze boven alles. Links was op dit punt ernstig verdeeld in een primair economisch en een vooral ecologisch denkende vleugel.

Het affiche haalde ik uit mijn archief, omdat er momenteel bij de gemeente gewerkt wordt aan een krant over de AAgrunol-sanering. Daarvoor zijn illustraties nodig.

In de jaren tachtig heeft met name het Rijk die sanering aanzienlijk vertraagd. Uiteindelijk ging begin jaren negentig voor een beperkt gebied elf meter grond eruit, voor een wat ruimer gebied vijf meter, en voor de rest een a twee meter. Deze uitgestrekte ontgronding is vervolgens volgestort met schone aarde, en daar staat nu de Barkmolenstraat op.

De grondwatersanering heeft langer geduurd. Die is dit jaar pas afgerond. Tot dit jaar hebben er aan de andere kant van de Europaweg putten gestaan, die het grondwater uit de richting van de Barkmolenstraat aftapten. Pas dit jaar is dat water zo schoon, dat het aan de milieu-eisen voldoet. Daarom gaan de putten weg, wat de gemeentelijke milieudienst niet onopgemerkt voorbij wil laten gaan. De erfenis van AAgrunol is eindelijk opgeruimd.

Zie ook