Op weg naar de bevrijding van Groningen
Geplaatst op: 11 april 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 4 reacties
De Canadese achterhoede op zaterdag 14 april 1945, als de bevrijding van Groningen haar tweede dag is ingegaan. Te zien is de Paterswoldseweg naar het noorden. Links op de achtergrond de tabaksfabriek van Niemeijer, het brandende pand rechtsachter was de kruidenierswinkel van coöperatie De Toekomst op de hoek van de Stephensonstraat.
Ik vond de foto, gemaakt door de Canadese legerfotograaf Daniel Guravich, op Faces of War, een beeldbank over de Canadese troepen in de Tweede Wereldoorlog. Het trefwoord Groningen leverde bij deze database 22 hits op, waaronder een soldaat die boeren hielp bij de graanoogst, een Josephine de Vries die met een Canadese militair trouwde, een peloton infanteristen dat voor het eerst sinds 24 uur een maaltijd krijgt en de aankomst van een half miljoen gratis sigaretten.
Faces of War bevat tevens beelden van een vuurgevecht bij het Oranjekanaal in Drenthe, een presenteert geweer! bij Hotel De Twee Provinciën te Paterswolde en de grote overwinningsparade te Eelde (23 mei 1945, vier stuks).
Potemkin in Groningen
Geplaatst op: 5 april 2012 Hoort bij: Kunsten, Stad toen 1 reactie
In een collectie documentatie van bedrijven en instellingen bij de Groninger Archieven, mapje Cinema Palace (een stad-Groninger bioscoop), bevindt zich dit originele programmaboekje dat verkocht werd voor de vertoningen van Pantserkruiser Potemkin. Zulke programma’s bevatten nooit vertoningsdata, waarschijnlijk omdat ze nog even mee moesten kunnen, maar dat chronologisch-onbestemde is de historicus een doorn in het oog, vandaar dat hij op zoek gaat naar een datum.
De klassieker van Eisenstein bleek in Cinema gedraaid te hebben vanaf vrijdag 29 oktober 1926 – zie het bericht rechtsonder en deze filmladder die een dag eerder in de krant stond. Omdat hij om zijn communistische tendens in veel landen en steden verboden was, draaide hij in Groningen eerst op proef voor de stedelijke autoriteiten en de pers. Burgemeester Bosch van Rosenthal, een conservatief protestant, keurde de vertoning goed, zij het met dezelfde coupures als in Amsterdam toegepast waren. Desalniettemin werd Potemkin hier een “groot succes”, zo bericht het Nieuwsblad een week later en daarom prolongeerde Cinema de vertoning. Vooral ook de “schitterend verzorgde” begeleidende live-muziek maakte de film aantrekkelijk. Een paar maanden later draaide hij nog in het Luxor Theater te Uithuizen.
Zoals ik al verwachtte, bleek de opvallende, expressionistische voorkant van het programmaboekje identiek aan het filmaffiche. Het was een ontwerp van Dolly Rudeman (1902-1980), dat ze in augustus 1926 maakte, dus een paar maanden voordat de film in Groningen ging draaien. “Het affiche wijkt zeer af van de gewone filmposters”, zo schreef een landelijke krant: “Uit alles zien wij, dat hier een artist aan het woord is, bijna gelijkwaardig aan hen, die de film zelve in elkaar zetten. ”
Wie de film nu nog wil zien, kan op YouTube terecht. Hier is deel I, de andere delen vindt men in de zijkolom.
Van Puinstad tot Tuinstad
Geplaatst op: 26 maart 2012 Hoort bij: Familie, Stad toen 3 reactiesHet was me nogal een eerbetoon aan Jan Tuin, eind maart 1965. Bij zijn afscheid kreeg de bescheiden, maar zeer geliefde burgemeester van Groningen in vier dagen tijd maar liefst drie dëfilé’s voor zijn kiezen: een van de politie (op de Vismarkt), een van de brandweer (op het Zuiderdiep) en een van duizenden Groningers en hun organisaties (op de Grote Markt). En dan betuigde de gemeenteraad in een apart belegde vergadering nog eens zijn waardering voor deze bestuurlijke spil van de Groninger wederopbouw. Geen fractie of ze had lovende woorden voor de scheidende stadhuisbaas, die weliswaar prominent lid van de PvdA was, maar zich in Groningen altijd boven de partijen had opgesteld.
De socialistische krant Het Vrije Volk wijdde een speciale huis-aan-huiseditie – ‘Van Puinstad naar Tuinstad’ – aan Tuins afscheid, en verspreidde deze uitgave in maar liefst 55.000 exemplaren in en om de stad Ook het Nieuwsblad van het Noorden pakte uit. Zo wijdde de Groninger schrijver Jan Boer in deze krant een column vol loftuitingen aan Tuin. Aan het eind sprak Boer de verwachting uit, dat de Groningers deze burgemeester niet licht zouden vergeten.
Maar dat bleek nogal een misrekening. Voor Tuins afscheidscadeau hield men een collecte, die maar liefst 90.000 gulden opbracht. Op aandrang van Tuin ging deze som het startkapitaal vormen voor een jongerencentrum, dat men naar hem het Jan Tuincentrum noemde. Na een tumultueuze periode met conflicten, geweld en drugs, raakte dit centrum in de jaren zeventig in zweverig vaarwater en uiteindelijk ging het als ‘De Tuin’ omstreeks 1990 definitief dicht. Waarmee de naam van Jan Tuin qua gebouwde omgeving in de vergetelheid raakte, want een straat is er nooit naar hem genoemd..
De vergetelheid kwam nog in een ander opzicht. Terwijl Ter Laan in zijn oude Groninger Encyclopedie (1954) de hele carrière van Jan Tuin nog opsomde, zal in de Nieuwe Groninger Encyclopedie (1999, 2000) tevergeefs een lemma Jan Tuin zoeken. Wel bevat die laatste Encyclopedie allerlei efemeriden, in het verschijnjaar toevallig bekend van de regionale radio en tv, maar mensen als Tuin die als boegbeeld van een hele era kunnen gelden, werden er rücksichtlos door de redactie uitgesodemieterd.
Vanmiddag heb ik in verschillende bibliotheken en archieven gezocht naar ‘Van Puinstad naar Tuinstad’, de bovengenoemde huis aan-huiskrant van Het Vrije Volk. Ondanks de toenmalige oplage van 55.000 exemplaren is deze nergens meer te vinden. Ook in de HVV-leggers bij de Groninger Archieven zit hij niet. De titel levert evenmin hits op bij antiquarische websites als Boekwinkeltjes en Antiqbook. Hij lijkt van de aardbodem verdwenen.
Ware het niet dat ik hem een keer gezien heb bij een aangetrouwde neef van mijn vader. Dat exemplaar was afkomstig van zijn schoonmoeder, een zus van mijn opa. Van beide was Jan Tuin de neef.
De erfgenaam van mijn vaders neef heb ik vanavond maar eens gebeld, en hoogstwaarschijnlijk heeft hij ‘Van Puinstad naar Tuinstad’ bewaard. Ware er geen familietrots, dan kon de geschiedenis het wel schudden.
Geit in bedstee
Geplaatst op: 2 maart 2012 Hoort bij: Stad toen 4 reacties
“Onze afbeelding, een reproductie van een keurige penteekening van den heer P. Sennema, teekenleeraar hier ter stede, is het oude moeskershuis, dat tot voor eenige laren in de Moesstraat stond, direct bij den overweg. Dit oud, aardig Moesstraathoekje moest bij den aanleg van de Fruitstraat worden afgebroken, ’t Was een mooi type van een boerenwoning, zooals er maar weinige meer zijn. De blauwgrijs gepleisterde muren van het voorhuis, de schuine daklijnen, de helderroode pannen gaven het boerenhuisje een bijzonder warme bekoring.
Lange jaren, van ongeveer 1850 tot ruim 1880, woonde hier de familie Severien, aan wie ook de groote achterliggende tuin behoorde. Vóór 1880 reeds werd de schuur als woning ingericht. Bij het leggen van den spoorweg Delfzijl— Groningen moest de kruin van den Hondsrus voor een deel woeden weggegraven, zoodat het scheen, of het huis op een hoogte was gebouwd. Daarom werd het dan ook „’t huis op de hoogte” of alleen „de hoogte” genoemd.
In de achterkamer van dit huis woonde een dertigtal jaren geleden een oude turfventer: „Pait Zand”. Hij was weliswaar arm, maar was toch in ’t gelukkig bezit van een geit. die gestald was in een der hokken hij ’t huis. De jongens van de Moesstraat — jongelui kunnen in hun overmoed soms zoo wreed zijn — plaagden steeds maar weer het arme dier van Zand. „Pait en vrouw” besloten daarom de geit in de woonkamer, in een leege bedstede te stallen…”
Bron: T. (Jacob Tilbusscher), ‘De Moesstraat te Groningen‘ in het bijblad Ter Verpoozing van ‘t Nieuwsblad van het Noorden d.d. 15 december 1928.
Kluinkoppen
Geplaatst op: 23 februari 2012 Hoort bij: Stad toen 11 reactiesStad-Groninger carnavalsverenigingen heten Vloertrappers of Trefplonzers. Die namen hebben geen enkele traditie en ik kan me voorstellen dat namen die dat wel hebben, zoals Mollebonen of Klokkedieven, wegens hun culinaire karigheid of vermeend criminele inslag niet in aanmerking komen, maar constateer toch met enig leedwezen dat de carnavalsclubs een kans hebben laten liggen, want ze hadden zich met evenveel historisch recht als groot plezier Kluinkoppen kunnen laten noemen.
Dat ze het niet deden, tekent evenwel de teloorgang van deze oude bijnaam voor de stadjers. Toen de Westerbroekster dominee Laurman in 1822 zijn bijdragen over de Groninger tongval te boek stelde, leefde dat kluinkoppen nog volop als scheldwoord (p. 37). Sindsdien is het verdwenen, met de kluin, het Groninger bier. In de kolommen van het Nieuwsblad van het Noorden, voor zover die nu op internet staan, treft men het woord bijvoorbeeld niet aan.
In de jaargang 1804 van het (Groningse) Weekblad tot Nut van ’t Algemeen (niet op internet) wijdde Mattheus van Heyningen Bosch, alias Burgerhart, er nog een stukje aan. Volgens hem was het een naam die Nederlanders in het algemeen, maar in het bijzonder Friezen, Geldersen en Hollanders aan Groningers gaven. Friezen zouden er een handje van hebben om een Groninger voor de voeten te werpen: “Dou biste maar ien Groninger kluinkop”.
In Burgerharts tijd werd nog wel wat kluin gedronken, en voor de naamsverklaring kon hij dus gemakkelijk verwijzen naar dit “zeer krachtig , koppig en smaaklyk bier, dat alleen in deze stadt gebrouwen wordt, en voorheen wyd en zyd verzonden wierd”. Groningers waren ooit “grote liefhebbers” van dit straffe bier geweest en konden er “een aardig schepje” van op –
“En dat de Groningers ten dezen opzigte een zeer goede smaak hadden hebben de Nederlanders en vooral de Friesen (…) duidelyk beweezen. Immers wordt het veerschip, dat alle donderdagen van Groningen op Leeuwarden, vice versa, vaart, om de groote menigte kluin, die daarmede in vroegere dagen naar Friesland, en van daar naar elders vervoerd wierd, tot heden toe het kluinschip, en deszelfs schipper de kluinschipper genaamd.”
Dat “vroegere dagen” geeft intussen aan dat er een flinke achteruitgang in de kluinconsumptie plaatsvond. Burgerhart meende zelfs dat de Groningers van zijn tijd al nauwelijks meer de naam kluinkoppen konden dragen, aangezien ze hun bier sinds eind 17e eeuw meer en meer vervingen door koffie en thee, en sinds enkele decennia tevens door wijn. Vooral op dat decadente vocht uit het Rijnland en Frankrijk had hij ’t niet begrepen:
“De burger, die eertyds met zyn kluinkannetje by zich, onder zyn wyf en kinderen de lange winter-avonden zoo vergenoegd als een koning by eigenen haard versleet, terwyl hy met een goed vriend een dammetje zettede, en ten tien uure, met de burgerklok, te rikke ging, gaat thans in het koffyhuis eene flesch wyn drinken, speelt een kaartje, en komt eindelyk berooid van hoofd en beurs om middernacht te huis, terwyl vrouw en kinderen niet zelden aan de noodigste behoeften gebrek lyden.”
Onze zegsman lijkt dan ook terug te verlangen naar een tijd dat er überhaupt geen koffie en thee en nauwelijks wijn was. Tegenover het decadente heden zet hij een zuiver verleden, waarin dat kluinkoppen ook geen scheldwoord kon zijn, maar een erenaam was. Aan hun bier dankten de Groningers van weleer “hunne dikke billen en ronde koppen” en bovendien een “blos der gezondheid op de koonen”, en vanwege “dezen drank en hun gezond voorkomen” werden ze, in een tijd dat ze nog “welvaarende en gelukkig” waren, door hun naburen kluinkoppen genoemd.
Burgerharts opvatting van kluinkoppen als erenaam, houdt echter allerminst stand tegen de toets der historische kritiek. In De bisschop voor Groningen, een satirische tragikomedie die kort na 1672 gemaakt werd, dus in een tijd dat de Groningers nog volop hun kluin dronken, komt de term kluinkoppen namelijk al voor. Dat gebeurt om precies te zijn in het derde bedrijf, acte 3 van het stuk, als de soldaten van Bommen Berend en de Groninger burgers elkaar vanuit hun loopgraven en bolwerken voor alles en nog wat beginnen uit te maken. Het eerste scheldwoord dat de Groningers dan door de Munstersen toegevoegd krijgen, is, u raadt het al: kluinkoppen.
Willy Weits en zijn hammond-orgel
Geplaatst op: 20 februari 2012 Hoort bij: Muziek, Stad toen 8 reactiesIk heb hem in de jaren negentig wel eens zien spelen bij een jubileumreceptie van de Ouderen Soos Oosterpoort (OSO): nostalgische melodieën uit de jaren ’50 op een hammond-orgel, met een verticale bas en kwastjesdrums ter ondersteuning erbij. Niet bepaald mijn muziek, maar ik kan genieten van genietende mensen en heb het vast glimlachend gadegeslagen.
Voor Willy Weits (1930-2004) zal het een van de vele schnabbels zijn geweest. De man schnabbelde werkelijk net zo vaak als Loutje Leeuw tegenwoordig. Ook die doet aan nostalgie, maar dan van een wat een latere periode. Zo schuift alles op. Voor je het weet zit je op de bejaardensoos te rocken op Loutjes deunen.
Terug naar Willy. Diens carrère in de muziek begon zo ongeveer rond 1950, toen hij hier in Groningen als “accordeonvirtuoos” bars en dancings als De Pijp en De Corner bespeelde. Hoewel in 1952 noordelijk kampioen op de accordeon – je had er toen nog wedstrijden in – stapte hij niet lang daarna over op hammond-orgel en dat instrument bleef hij, ondanks latere uitstapjes naar o.a. de synthesizer, zijn verdere leven trouw.
In de jaren vijftig en zestig luisterde hij er menig feest mee op, van de Bond van Melkhandelaren tot de Reünisten van Beatrixoord. Maar hij kwam er ook vaak mee op de radio. Om te beginnen natuurlijk bij de Regionale Omroep Noord (RON), waar hij een vast contract had. In 1966 volgde hij bij de VARA “meneer ” Cor Steyn op – een hele eer! – en nog weer later kon je hem zelfs op de BBC horen spelen. Maar getuige de krantenstukjes bleef hij toch ook altijd in Groningen wonen, vandaar dus dat ik hem op die bejaardenclub in bezadigde actie kon zien.
Willy Weits overleed in 2004, maar een paar jaar voor zijn dood maakten cameraman Tjerk Bekius en interviewer Mieneke Zevenberg behoorlijk wat filmopnamen van hem, in de bedoeling er, gelardeerd met interviews met derden, een documentaire uit samen te stellen. Het project raakte in het slop, maar nu willen Bekius en Zevenberg het graag alsnog weer oppakken èn voltooien. Aan mensen die meer over Willy Weits weten te vertellen, daarom het vriendelijke verzoek zich aan te melden bij Mieneke.
De kopschuwe bruid van Pieter Albronda
Geplaatst op: 8 februari 2012 Hoort bij: Stad toen 2 reactiesBegin 1785 logeerde de uit Paterswolde afkomstige, en daar ook gegoede Aukjen Thijsens, weduwe van Hindrik Derks, enige tijd bij Pieter Albronda in de stad Groningen. Ze waren geen familie van elkaar en de rijkere Aukjen (52) betaalde gewoon kostgeld voor haar logies aan haar gastheer Albronda, die wat ouder was dan zij.
Een jaar later begon Albronda een proces, dat pas eind 1788 definitief zou eindigen. Bij dat proces eiste hij, dat Aukjen de trouwbelofte, die ze hem zou hebben gedaan, gestand zou doen.
Een proces waarbij een man zoiets van een vrouw eiste, kwam niet zo vaak voor. Veel vaker was het andersom. In het stereotype geval eiste een bezwangerd meisje, dat haar vroegere geliefde zijn huwelijksbelofte nakwam en haar zou eren door een huwelijk.
Pieter Albronda wilde dus dat Aukjen Thijsens met hem zou trouwen. In de eerste rechtszitting, op 14 maart 1786, ontkende Aukjen dat ze hem hem een trouwbelofte gaf. Aan Pieter om te bewijzen dat ze dat wel had gedaan.
In de belangrijkste, want meest inhoudelijke zitting van het proces, op 4 december 1787 voor het Volle Gericht, bracht Pieter naar voren dat Aukjen bij hem had ingewoond. In die periode had hij “lievde en genegenheid” voor haar opgevat, wat hij haar kenbaar maakte ook. In eerste instantie won ze inlichtingen in over zijn gedrag en omstandigheden, en toen dat allemaal goed leek, had ze zich door trouwbeloften aan hem verbonden.
Helaas voor Pieter mocht Aukjen niet helemaal alleen beslissen. Er waren ook nog mensen die wat van Aukjen te erven hadden, te weten haar kinderen. En die stelden “alle middelen” in het werk, om haar van haar
“wettig engagement af te trekken, het welk dan ook ten gevolge hadde gehad, dat de lievde verkoelde”.
Dat wil zeggen: de liefde van Aukjen, niet die van Pieter. Die drong zelfs nog sterker dan voorheen aan op het huwelijk. Maar tevergeefs, want na veel vijven en zessen hakte Aukjen de knoop door, en zei hem ronduit
“niet voornemens te zijn het huwelijk te voltrekken”.
Pieter probeerde haar huwelijksbeloften te bewijzen met twee getuigenverklaringen. De ene kwam van de koopman Conrad Verver, een vertrouweling van beide voormalige gelieven, en de andere van Catharina Swints, hun dienstbode.
Verver vertelde van de keren dat Aukjen bij hem in de winkel was gekomen en daar gerept had van de trouwplannen. Op 29 januari 1785 was dat voor het eerst gebeurd. Pieter Albronda had haar toen nog maar net ten huwelijk gevraagd en haar gezegd dat ze inlichtingen over zijn persoon en omstandighheden mocht inwinnen bij Verver. De koopman was dus een soort van referentie voor Pieter. Bij dit eerste gesprek met Verver, vertelde Pieters beoogde bruid dat haar kinderen in Paterswolde wilden dat ze haar fondsen door zaakwaarnemers zou laten beheren. Daar had ze niet zo’n trek in, ze voelde meer voor een huwelijk met Pieter, tenminste als Verver een gunstig getuigenis over Pieter kon geven. Wat Verver uiteraard deed, anders zou Pieter toch ook niet naar hem hebben verwezen.
Naderhand kwam Aukjen weer bij koopman Verver en vertelde hem dat ze zich “in huwelijks ondertrouw hadde verbonden” met Pieter en dat hun huwelijk voltrokken zou worden als ze wat zaken in de materiële sfeer zou hebben geregeld. Van deze ontmoeting herinnerde Verver zich tevens een relaas van Aukjen,
“dat zij met haar bruidegom over ijs naa Drenthe was geweest, en bij die gelegenheid deerlijk was gevallen.”
Pieter Albronda was de vader van een al volwassen dochter, die ook ging trouwen. Aukjen vertelde Verver hoe ze die dochter enig linnengoed uit Pieters kast verkocht. “Haar bruidegom” was daartegen geweest, waarop zij Pieter had geantwoord:
“Nu olde, hou die maar stille, het is dien dogter en ik hebbe linnen genog, ik wil dien kaste wel weer volmaaken…”
Ook vertelde ze Verver dat haar kinderen niet zozeer tegen het huwelijk op zich waren, als wel tegen een nadelig gevolg voor hen. In de stad zou ze naar Stadswet trouwen, en dat betekende dat ze “haar halve goed zoude verhuwelijken”. Aukje had begrip voor dat bezwaar van haar kinderen, ze vond die nadelige consequentie zelf ook “niet redelijk”, maar door te trouwen op huwelijkse voorwaarden kon die worden voorkomen. Ze verzocht Verver om dit in orde te willen maken.
Verver had liever, dat ze daarvoor een ander zocht en dat werd Artilleriemeester Trip. Deze heer kwam meteen de volgende dag al bij Verver om te overleggen over een concept-huwelijkscontract. Daarin stond dat er tussen de toekomstige echtelieden geen gemeenschap van goederen zou bestaan. Man en vrouw hielden dus hun eigen bezit, alleen voor het huisraad werd een uitzondering gemaakt, dat bezaten ze wel samen. Als de rijkere partner, Aukjen dus, eerder zou komen te sterven, kreeg Pieter voor de rest van zijn leven een toelage uit haar bezit van een daalder of twee gulden per week. Maar haar kinderen mochten dat weekgeld ook afkopen, door Pieter in te kopen in het een of andere gasthuis, waar hij als conventuaal dan voortaan de kost gratis kreeg.
Aukjen kon zich in deze opzet vinden. Verver had het beste met haar voor, zo zei ze, de koopman moest het maar verder in orde brengen.
Bij de uitgebreide verklaring van Verver stelde die van Catharina Swints niet veel voor. Zij verklaarde dat Aukjen, die inmiddels in Peize woonde, haar op 29 januari 1785 had “gehuurd” om Albronda te dienen voor een loon van 6 stuivers per week (boven de kost en inwoning). Bij dit aannemen als dienstbode had Aukjen tegen Catharina gezegd:
“Gij moet mijn olden man maar goed oppassen, ik zal er u voor betaalen.”
Volgens Pieter vormden de verklaringen van Verver en Swints samen het overtuigende bewijs “dat er waarlijk een engagement tot een huwelijk” tussen hem en Aukjen had bestaan. Van Aukjen hoefden de getuigen hun verklaringen ook niet onder ede te bevestigen. Daar had ze van afgezien en daarom moesten die verklaringen voor waar worden gehouden.
Aukjen was uiteraard een heel andere mening toegedaan. Volgens haar bewezen de verklaringen helemaal niet dat ze een trouwbelofte deed. Want volgen de Stadswet viel zo’n belofte alleen te staven door twee belangeloze getuigen, of een “wettelijke ondertekening van de verloofde perzoon”. En Pieter had noch het een, noch het ander. De beide getuigen die hij wel aanvoerde, hadden die trouwbeloften enkel van horen zeggen. “hetgeen in rechte niets opereerde”. Dat begreep Pieter ook zelf wel, omdat hij in aanvulling op de getuigenverklaringen gevraagd had om onder ede over de zaak te mogen worden gehoord. Bij tussenvonnis van 14 november 1786 was dit verzoek door het Volle Gericht afgewezen, en bij die gelegenheid had Pieter ook erkend dat zijn zaak door de dood van Artilleriemeester Trip er zeer zwak voor stond.
Dat vond het Volle Gericht ook Het wees Pieters eis af. En hoewel Pieter in hoger beroep ging, waarvoor hij in april 1788 maar liefst negen getuigen opriep, veranderde dat helemaal niets voor het Volle Gericht. Het oordeel van de heren stond vast – zij bevestigden hun eerdere uitspraak. Het huwelijk van Pieter en Aukjen ging definitief niet door.
De kost met burgermanspot
Geplaatst op: 6 februari 2012 Hoort bij: Stad toen 3 reactiesMatthias Broekman was in de kost bij Willem Vlugge, maar had daar op 17 augustus 1730 schoon genoeg van. Die dag vroeg hij voor het Volle Gericht van de stad Groningen ontbinding van hun onderlinge contract over kamerhuur, kost, beddegoed en bewassing, dat anders nog niet geëxpireerd was, omdat het voor een vol jaar gold. Broekman wilde bij Vlugge weg, omdat die zijn belofte niet nakwam om Broekman van “goede spijse en dranck” te voorzien.
Het Volle Gericht stelde Broekman in het gelijk, maar Vlugge gng in hoger beroep en dat diende een paar weken later voor dezelfde rechtbank. Bij de eerste sessie, zo voerde Vlugge aan, was hij uit de stad geweest. Als knokenhouwer (slachter) zat hij toen in Drenthe om schapen te kopen. En omdat zijn vrouw, die weinig van het recht snapte, destijds voor hem op moest komen, had hij die zaak verloren.
Om wat voor reden Broekman de kost opzegde, worden we nu pas gewaar. Volgens het contract zou Vlugge aan Broekman de kost conform een “ordentelijcke burger taefel” verschaffen. Maar daar voldeed de slachter in genen dele aan, want dit is wat hij zijn kostganger naar diens zeggen opdiste:
“…outbacken vlees ’t geene muff en bedorven waer en niet konde verkoopen en dat dagh an dagh sonder de minste toespijse, ja selvs op vastendaagen, als Rooms sijnde, seer sober getracteert wierde, konnende van sulken slegten spijse niet bestaen, als hebbende seedert een geruimen tijt de derdendaegse koortse gehadt.”
Dit verweeer van Broekman, die als malariapatiënt wel wat betere kost kon gebruiken, overtuigde de heren magistraten, die een commissie benoemden welke bepalen moest op hoeveel kostgeld en kamerhuur Vlugge nog recht had.
Dat zal dus absoluut niet het volle pond geweest zijn: 100 daalder of 150 gulden. Juist doordat dit bedrag in de proces-acten genoemd wordt, weten wij wat de minimale kosten van levensonderhoud ongeveer waren met een burgermanspot.
Dit bedrag laat zich ook mooi vergelijken met de twee tarieven die golden voor burgers die op een van de stadspoorten werden gezet. In het lage tarief kreeg de cipier 7 stuivers per dag om een gevangene te spijzigen en laven, in het hoge tarief was dat 10 stuivers. Deze tarieven kwamen per jaar neer op 128 gulden, respectievelijk 183 gulden. Tussen die beide bedragen in lag het kostgeld van Broekman bij Vlugge.
Broekman betaalde wel minder dan een student aan kamerhuur en kostgeld betaalde. Zo bleek in 1781, toen de kostbaas Bruin Berends de student H. Amsing voor het Volle Gericht daagde. Berends had van Amsing nog 560 gulden tegoed wegens kamerhuur en kostgeld over de periode van 11 augustus 1778 tot 17 april 1781. Omgerekend kwam dat neer op een bedrag van 212 gulden per jaar. Maar het gros van de studenten was van een wat meer gegoede stand, die verteerden ook wat meer dan de gewone burgermanspot.
Van aansprekers tot en met zieken en zwakken
Geplaatst op: 26 januari 2012 Hoort bij: Stad toen 4 reactiesDe tien merkwaardigste verenigingen in de stad Groningen, opgericht en/of erkend in de periode 1855 – 1903:
- Het Leesmuseum (1868)
- Vereeniging van Timmer- en Metselaars-Werkbazen, onder de zinspreuk “Vrijheid en Orde” (1877)
- Vereeniging van Burgemeesters in de provincie Groningen (1877)
- Vereeniging “Werkmanslust” (1880)
- Asyl voor zieken en zwakken (1884)
- Vereeniging van Aansprekers (1888)
- Koek- en Banketbakkersvereeniging “de Vriendenkring” (1888)
- Vereeniging van zakkenverhuurders (1895)
- Anti-sociaal-democratische vereeniging van Nederlandsch spoorwegpersoneel, onder de zinspreuk “Recht en plicht” (1896)
- Groninger bierhandelaren en mineraalwaterfabrikantenvereeniging (1902)
Wie een bepaalde vereniging uit genoemde periode zoekt, kan die vinden via de database, die vandaag op het web is gezet en die in totaal 9000 Nederlandse verenigingen bevat.
Topografica uit Leiden online
Geplaatst op: 25 januari 2012 Hoort bij: Kunsten, Stad toen 6 reacties
Veel van de topografische prenten die het Geheugen van Nederland vandaag online zette, kende ik natuurlijk wel. Toch zaten er ook nog verrassingen tussen, zoals dit Gezicht op Helpman, omstreeks 1800 gemaakt door de Groninger kunstschilder Gerardus Wieringa.
We zien hier Helpman vanuit het zuiden. Op de voorgrond de Hereweg. Een ruiter houdt er even in bij een groep wandelaars, van wie er een hem wat aanbiedt. Het gehucht op het middenplan, spottend ook wel eens ‘voorstad’ genoemd, gaat bijna schuil in hoogopgaand loofhout. Er zijn wat lage daken zichtbaar van boerderijen en rechts een wat hoger dak, denkelijk van een borg of buitenhuis. Op de achtergrond links de A-toren in de stad Groningen, en centraal, boven alles uit de Martinitoren.
Andere fraaiigheden uit de collectie, voor wat betreft de stad Groningen, zijn een tekening van het Prinsenhof uit 1734, vermoedelijk van de hand van Cornelis Tromp, een ets van Groningers in hun klederdracht uit de 17e eeuw (volgens mij verschilt de mode hier niet zo, maar goed) en een paar tekeningen van de omgeving Noorderhaven, ca. 1900 gemaakt door FG Müller, die ook het interieur van de Harmonie vastlegde.
Lang niet alle plaatsen zijn in de collectie vertegenwoordigd, zo miste ik onder andere Havelte, Beerta, Finsterwolde en Hoogkerk. Daar staat tegenover dat bijvoorbeeld Anlo, Appingedam, Assen, Delfzijl, Dwingeloo, Feerwerd en Winschoten wel aanwezig zijn en soms met meerdere prenten. Het kan dus geen kwaad om in de plaatsnamen-index te kijken of de plaats van voorkeur in deze collectie zit.
Café De Jachtwagen viert vier jubilea
Geplaatst op: 24 januari 2012 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Nieuwsblad van het Noorden 23 mei 1952:

Uithangbordenjurisprudentie
Geplaatst op: 23 januari 2012 Hoort bij: Stad toen 1 reactieEen enkele keer kan je op boedelinventarissen uit de 17e en 18e eeuw een uithangbord aantreffen. In zo’n geval weet je dat het bord niet bij het aard- en nagelvaste goed behoorde, dat altijd samen met een pand verkocht werd.
In zijn boekje Stad-Groninger verhalen (1998) schreef Beno Hofman onder andere over een procesje dat ging over de vraag of een bepaald uithangbord wel aard- en nagelvast goed betrof. Het uithangbord in kwestie was van koper, het hing aan de gevel van een boekweitmaalderij in de Carolieweg en er stond de beeltenis van een ton op. De oude eigenaar van het pand vond dit bord kennelijk zo mooi, dat hij het meenam toen hij in 1728 naar elders verhuisde. Het gebeurde wel vaker dat uithangborden meegingen. In dit geval echter, meende de nieuwe eigenaar van het pand dat het aard- en nagelvast goed betrof en hij stapte daarom naar het Nedergericht. Deze instantie stelde hem in het gelijk, waarschijnlijk omdat dit bord “zedert altijdt” aan die winkelpui in de Carolieweg had gehangen, of in elk geval sinds mensenheugenis de opeenvolgende winkeliers in het pand had gediend.
Een ander rechtszaakje over een uithangbord preludeerde op het merkenrecht. Het diende voor het Volle Gericht, in 1711. Jurrien Reijsiger had bij zijn nieuwe herberg aan de westkant van de A een uithangbord opgehangen met een vergulde jachtwagen, en dat zinde Simon Fockens niet, want die had als herbergier aan de westkant van de A bij de Apoortenboog (A-brug) al véél langer een ‘gouden’ jachtwagen op zijn uithangbord.staan. Fockens eiste dus dat Reijsiger zijn uithangbord zodanig zou veranderen, dat het niet meer leek op het zijne, “opdat daar door in het addres van passagiers, goederen en brieven geen abuis moge werden gecauseert”. Reijsiger van zijn kant vond deze eis maar onzin. Zijn bord verschilde voldoende van het oudere, door de kroon erboven. Ook zag je bij hem onder de beeltenis de herbergnaam, namelijk “De gekroonde Jachtwagen”, terwijl dat bij Fockens niet het geval was. Behalve dat stipte Reijsiger ook nog aan “de verscheijdenheijt van de namen der bewoonders, welcke altoos in de addressen mede werden uijtgedruckt”.
Hoewel het er de schijn van had dat Reijsiger mee wilde liften met de reputatie van het oudere bedrijf, waarvan hij het uithangbord overtreffend copieerde, vonden Burgemeesteren en Raad zijn argumenten toch sterker dan die van Fockens. Reijsiger mocht zijn bord houden en Fockens moest de kosten van het proces betalen. Het zaakje preludeerde dan wel op het merkenrecht, maar dat recht stelde nog bitter weinig voor.
De Buurmande van Gelkingeland
Geplaatst op: 22 januari 2012 Hoort bij: Stad toen, Veldnamen 3 reacties

Oorkonde uit 1463, waarin Burgemeesteren en Raad van Groningen betuigen dat “die gemene buren ende egenarffden van Gelkingelandt” voor hun verschenen zijn om voor “ewelijcken ende arfflijcken” aan het Aduarderzijlvest over te dragen, het eigendom van
“soedane buermande, als die buren vorsz[eide] liggende hebben in Gelkingelande, daer Jurriens timmermans arve naest bij gelegen is aan die suder sijdt, ende Nederwolmer buermande an die noerder sijdt “
Buurmanden waren gemeenschappelijke stukken grond en je trof ze aan je in meerdere hoeken van het stadsgebied:
- buiten de oude Herepoort in het gebied waar je nu het station hebt,
- buiten de Boteringepoort, nog voor de Rijskampen waar de korvenmakers hun werkmateriaal vandaan haalden,
- en buiten de Steentilpoort, in de buurt van waar je nu de Ikea vindt.
Waar de buurmande van Gelkingeland lag, wordt uit de twee aangegeven zwetten (perceelgrenzen) helaas niet duidelijk. Zeker is alleen dat deze zich in het Gelkingeland en dus nog op stadsgebied bevond, Het moet een eind van de Lange Laan (Peizerweg) af geweest zijn, want alleen aan de zuidkant is er een “arve”, een heem met een huis. Vreemd is dat de Neerwolder buurmande zich aan de noordkant bevindt, terwijl Neerwold aan de zuidkant van Gelkingeland ligt, zodat je de bijbehorende buurmande ook ten zuiden van de Gelkinger buurmande zou verwachten. Ik elk geval lijkt de Gelkinger buurmande niet te bestaan uit het meest westelijke stuk van Gelkingeland, dicht bij de Peizermade, waar ik hem had verwacht.
Het Aduarderzijlvest belooft van zijn kant aan die van het Gelkingeland, dat ze voor eeuwig en altijd vrij zullen zijn van “sodane gelt off viii rinsche gulden” als ze jaarlijks moesten betalen aan het zijlbest. Dit is kennelijk de eerder afgesproken recognitie, waarvan het tarief intussen verdubbeld is van vier tot acht Rijnlandse guldens per jaar. Omdat dit tarief zowel voor Gelkingeland als de buren van de Lange Laan ten westen van de Wolvendijk gold, vallen de laatsten nu impliciet onder Gelkingeland. Het zijlvest herhaalt bovendien in uitgebreidere zin nog eens de belofte die het eerder bij de instelling van de recognitie al deed, namelijk dat die van Gelkingeland voor eeuwig vrij zijn van “alle zijlwarck, schot ende schulde die op desse zijlen vorsz[eid] die nu liggen off nije zijlen die men in de toekomende tijden leggen sollen vallen mogen”, terwijl die van het Gelkingeland voor eeuwig mogen blijven afwateren naar het Aduarderzijlvest en dat op de manier die ze zelf het best uitkomt, ver van de zijl af of of daar juist dichtbij.
Ook behouden de buren van Gelkingeland “enen notwech dwars over den lande ende buermande voorsz[eid] up die lane ende buermande, voor op die lane te komen”. Met zo’n notweg, nutweg of noodweg, wordt bedoeld een recht van overpad voor de aan- en afvoer van vee, hooi etc. Het servituut hier diende om van de voormalige Buurmande op de Lange Laan te kunnen komen, wat doet vermoeden dat deze Noodweg ten zuiden van de Lange Laan haaks op de Lange Laan stond. De enige weg die daar dan voor in aanmerking komt, is een weg die ter hoogte van de Wolvendijk aantakte op de Lange Laan, en waarvan we gedeelten nog op de oudste kadasterkaart en het Bonnenblad van 1900 terugvinden. De lokatie zou anno nu aan de westkant van het Stadspark zijn, parallel aan de Campinglaan. Waarschijnlijk eindigde deze noodweg bij de Onlandsedijk, in de omgeving van de Bruilweering. Daar moeten we de Buurmande van Gelkingeland dan ook zoeken.
De vier burgemeesters die het stadszegel aan deze afspraken lieten hangen en er hun handtekeningen onder zetten, waren: Hinrick Baroldes, Otto ter Hansouwe, Gosen van Dulck en Johan Rengers Schaffer. De tweede bezat en woonde ’s zomers op het Huis ter Hansouwe, dat zich tussen Eelde en Peize op de Peizerhorst bevond. Omdat de gewone weg van Paterswolde en Peize naar de stad ’s zomers langs de Lange Laan voerde, kwam Otto redelijk vaak langs Gelkingeland.
Bron: Groninger Archieven, Toegang 835, Handschriften in folio Register Feith, inv. nr. 21. folio 150-150 vso..
Van die wthwateringe bij die Lange Lane
Geplaatst op: 19 januari 2012 Hoort bij: Stad toen, Veldnamen Een reactie plaatsen
Verzegelde bekrachtiging door het Groninger stadsbestuur van een overeenkomst tussen:
- enerzijds de abt en de zijlvesten van Aduarderzijl,
- en anderzijds de ‘buren’ die grond hebben ten zuiden van de Lange Lane tussen de Olde Til in het oosten en de Eelder Hooidijk in het westen.
Omschrijving van beide partijen: Het Aduarder Zijlvest voerde onder meer het water van de kerspelen Eelde, Roden en Hoogkerk af. Onder die Lange Laan moeten we de Drentse Laan verstaan, wat nu de Peizerweg is. De Olde Til lag waarschijnlijk op de plek waar je nu nog een nauwelijks merkbaar brugje in de Peizerweg hebt, komend vanuit de stad vlak voor de dubbele knik of s-bocht En de Eelder Hooidijk heet hedentendage de Madijk en komt als zodanig uit bij het Transferium Hoogkerk.
Bepalingen:
1
De zijlvesten staan de buren van dit gebied op de stadstafel toe naar hun zijlvest af te wateren via de nieuwe watering, die Albert Jarges met de buren van Gelkingeland liet graven door het land van Wythe (?) Wigbolduszoon.
Interpretatie: Het Aduarderzijlvest had de buren van Gelkingeland toegestaan om een tochtsloot te graven naar het Peizerdiep ten noorden van het latere Eiteweerd. De buren van de westelijke helft van de Lange Laan zuidzijde mochten eveneens hun overtollige water hierdoor afvoeren.
2
Van hun kant beloven deze buren het zijlvest jaarlijjks op Midwinter te betalen vier Rijnlandse guldens (elk 36 kromsteerten waard). Deze belofte hebben ze door het stadsbestuur laten verzegelen, welke akte ze het zijlvest overhandigen, waarmee dit stuk voortaan de basis vormt voor het in rekening brengen van dit bedrag aan de buren.
Interpretatie: Als dit stuk de buren van Gelkingeland. niet regardeert, waar het inderdaad op lijkt, dan hebben de buren van de Lange Laan westzijde waarschijnlijk toch wel meegelift op een oudere overeenkomst tussen het Zijlvest en die van het Gelkingeland. Immers, in een volgende overeenkomst , waarbij bovenstaande recognitie werd afgeruild tegen een stuk land, wordt alleen gesproken over Gelkingeland en genoten de buren van de Lange Laan stilzwijgend in dezelfde gunst. Gelkingheland en de zuidzijde van de Lange Laan west zullen dan ook gedeeld hebben in dezelfde last. Vandaar dat ze eind 17e eeuw over één kam worden geschoren.
3
Met de afgesproken “iaerlickes pacht” houden de zijlvesten de buren van nu af aan vrij van alle verplichte werkzaamheden voor en zijlschotbetalingen aan het Zijlvest. Als het Zijlvest in de toekomst nog andere gebieden mocht inlaten, waaruit het inkomsten betrekt, zullen de buren van de zuidzijde Lange Laan west dat ook merken door een verlaging van de hun in rekening gebrachte bedragen.
Helaas ongedateerd, maar waarschijnlijk daterend van ca. 1440, 1450.
Bron: Groninger Archieven, Toegang 835, Handschriften in folio Register Feith, inv. nr. 21. folio 149.
Het Gelkingeland, waar lag dat precies?
Geplaatst op: 18 januari 2012 Hoort bij: Stad toen, Veldnamen 8 reactiesHet Gelkingeland vormde in de dertiendee eeuw, na ontginningen, de machtsbasis van de Gelkingen, een clan van Groninger kooplieden die samen met de Drenten in opstand kwam tegen de bisschop van Utrecht. Ergens in het Gelkingeland had deze clan een steunpunt, waaronder we een soort van mottekasteel of steenhuis moeten verstaan.
In zijn dissertatie ‘Een stad apart’ deed Jan van den Broek een poging om dit Gelkingeland te lokaliseren. Volgens hem was de oorspronkelijke kern van het Gelkingeland een strook stadsgebied ten zuiden van de Drentse Laan (nu Peizerweg) en aan de stads- of oostkant van de Wolvedijk (het haakse stuk Peizerweg en de Campinglaan). Later onderging dit rompgebied een flinke uitbreiding naar het zuiden, waar de Onlandse Dijk de zuidelijke grens van zowel het Gelkingeland als het stadsgebied ging vormen. Het Kraanland, de rechthoekige en afwijkend gestructureerde uitstulping van het stadsgebied ten westen van de Wolvendijk, rekent Van den Broek uitdrukkelijk niet tot Gelkingeland. Volgens hem was het oudste Gelkingeland al vroeg ontgonnen – zeg rond 1200 – terwijl dat met het Kraanland – zo genoemd naar de kraanvogels die er voor de ontginning nog leefden – pas na 1425 het geval was.
Dankzij twee sententies van het stedelijke Volle Gericht de dato 7 september en 13 oktober 1694 èn een kaart van het Westerhamrik uit de 18e eeuw, is het mogelijk een nog wat preciezere omlijning te geven van het middeleeuwse Gelkingeland. Daarbij zal ik laten zien dat Van den Broek gelijk had wat betreft romp en zuidelijke uitbreiding, maar niet wat betreft het Kraanland. Want ook dat behoorde tot Gelkingeland.
Die sententies (vonnissen) sprak het Volle Gericht uit in een civiel proces tussen Drost van Borck en consorten en de Gezworene Jongbloedt en consorten. In beide gevallen ging het om een groep eigenaren van land “omtrent de horensche dijck”. Tegenwoordig is dat een pittoresk dijkje langs het Hoornsediep, maar bij dit proces ging het om het dijktracé waarop in de negentiende eeuw de Paterswoldseweg zou komen. In het gebied ten westen van deze dijk, vallend onder het Westerhamrik, eigende de groep Van Borck zich het stemrecht toe bij de verkiezing van een Schepper van het Westerhamrik, met uitsluiting van de groep Jonghbloedt, die deze discriminatie aanvocht. De groep Van Borck baseerde de uitsluiting op het feit dat leden van de groep Jonghbloedt geen zijlschot hoefden betalen aan het Westerhamrik, een vrijstelling die voort zou vloeien uit het gegeven dat de landerijen van Jonghbloedt c.s. (oorspronkelijk) niet afwaterden via het Aduarderzijlvest, waarvan het Westerhamrik deel uitmaakte.
In eerste instantie velden Burgemeesteren en Raad het vonnis dat “die van de wester Horensche Dijck niet verder tot het stemmen sullen worden toegelaten als deselve landen sijn hebbende, dewelcke uitwaeteren nae de Aduarder Zijll”. Met andere woorden: van land dat niet van de diensten van het Westerhamrik en het Aduarderzijlvest gebruik maakte, van land waarvoor dus ook geen dijkschot betaald werd, kon ook geen stemrecht in het Westerhamrik gepretendeerd worden.
Tegen deze uitspraak tekenden Gezworene Jonghbloedt en consorten appel aan. Ook dat hogere beroep diende voor het Volle Gericht, dan nog de hoogste juridische instantie van de stad en haar onderhorige jurisdicties. Dit maal kwamen Jonghbloedt c.s. beter beslagen ten ijs. Interessant is, dat zij de Westerhoornse landen (de landen ten westen van de Hoornse Dijk) gelijk stelden aan de Gelkingelanden:
“…doordien de Gelkinge landen (sijnde dese landen) bij oude tijden niet is geoorlooft geweest om door de Aduarderzijl te mogen uitwaeteren, maer dat zulx bij vergunninge van het zijlvest hebben geoptineert, waervoor eerst een jaerlijx recognitie van vyer en meer Rijnlantse guldens aan het zijlvest hebben gegeven, hetwelcke naederhant met een Buirmande in het geheel is afgekoft…”
Met andere woorden: oorspronkelijk mocht het Gelkingeland niet afwateren via het Aduarderzijlvest, maar dat recht verkregen de buren van Gelkingeland op een gegeven moment door betaling van een jaarlijkse som gelds aan dit zijlvest. Naderhand kochten ze deze jaarlijkse recognitie weer af met de schenking van een gemeenschappelijk stuk grond, hun Buurmande, aan het zijlvest. En dit konden Jonghbloedt c.s. aantonen ook, en wel met twee verzegelde brieven, die beide hardop “in judicio” werden voorgelezen. Het waren overeenkomsten uit de vijftiende eeuw die zich ook nu nog steeds in zowel het stadsarchief als het archief van het Aduarderzijlvest bevinden.
Als de Gelkingelanders ingelaten waren en hun recognitie met een schenking ineens afkochten, dan liet dat uiteraard hun stemrecht onverlet. Het verweer van Van Borck c.s. hiertegen bleek zwak. Het kwam er voornamelijk nog op neer dat zij traditioneel het stemrecht hadden en dat de huidige verkiezingsprocedure al een eind op weg was. Ook zou de jaarlijkse recognitie, die naderhand met de Buurmande werd afgekocht, bedoeld zijn geweest om vrij te zijn van zijlschot. Wat de tegenpartij Jonghbloedt de dupliek ontlokte…
“…dat die van Gelkinge landt noijt zijlschot hebben betaelt en dat een citatie niemant regt van stemminge kan geven, dat oock voor desen soo nauw niet is ondersogt wel tot het stemmen gerechtigt zijn”.
Juist omdat Jonghbloedt c.s. met verzegelingen op de proppen kwamen, konden Burgemeesteren en Raad er niet onderuit. Ze veranderden hun sententie zodat de landeigenaars van het Gelkingeland, hoewel geen zijlschot betalend, toch stemrecht kregen bij de Scheppersverkiezing.
Nu naar mijn tweede bewijssstuk, een schetskaart van het Westerstadshamrik uit de achttiende eeuw, die Van den Broek ook al in zijn proefschrift opnam (blz. 245), hoewel hij een belangrijk aspect evan negeerde. Op deze kaart (Groninger Archieven THAG 692), die ik een kwartslag gekanteld heb zodat het noorden bovenaan staat en de aanduiding in kwestie meteen in het oog loopt, valt het Westerhamrik in drie delen uiteen. En op het middenste, afwijkend gekleurde part, staat te lezen dat dit “de van het schot vrijgekogte landen” zijn:

Dit is dus het Gelkingeland. Zoals Van den Broek op basis van middeleeuwse stukken al aangaf vormde de Drentse Laan de noordgrens en de Onlandse Dijk de zuidgrens. Maar anders dan Van den Broek meende, behoorde in het westen, vanuit de stad gezien aan de andere kant van de Wolvendijk, ook het Kraanland ertoe.
Tot slot heb ik de contouren van Gelkingheland nog even overgebracht op een kaart van de stad anno nu. Er liggen heel wat stadswijken op dat land, van Laanhuizen en de Grunobuurt in het noorden, via een substantieel deel van het Hoornsemeer in het zuiden, tot en met de Buitenhof en Kranenborg in het westen. Als de Gelkingen rond 1300 niet waren uitgestorven, en ze deze grond allemaal voor zichzelf hadden kunnen behouden, waren ze puissant rijk geweest.


Recente reacties