Toernooispel buiten de Herepoort

“Op het versoeck van enige edellieden ten einde haer mogte toegelaten worden om op toecomende maendag buiten d’heer poorte een tournoy spil aen te stellen, en dat haer die paelen soo op het osse merckt worden gebruyckt daer toe mogten worden gelient, hebben d’heeren Borgemesteren ende Raadt ’t versogte geaccordeert, wordende de stadsbouwmr. gelastet deselve te laeten volgen, mits dat eene daer voor teeckene dat deselve schaedeloos worden gerestitueert.”

Notitie van een rekest en apostille in het rechtdagenprothocol van het  Stads Volle Gericht d.d. 18 maart 1669.

Onder het “tournoy spil” moet geen toernooi worden verstaan, met ridders die elkaar met gevelde lansen van paarden proberen te wippen en zo.  Tenminste, dat zei Duco Kuiken me indertijd. Maar wat het dan wel was? In elk geval vertrouwde het stadsbestuur de jonkers niet de palen van de Ossenmarkt toe, zonder dat er een voor tekende.


Een gevaarlijk sujet op de Peizerstraatweg

Bron: De Tijd, 18 april 1890.


Kwestie om de Kuil van Helpman

Dat Helpman omstreeks 1600 nog fungeerde als een Drentse buurtschap, met in elk geval gemeenschappelijke woeste gronden, maar mogelijk ook nog onverdeelde groenlanden en collectieve oogstwerkzaamheden, wordt aangetoond door een kwestie, die in de jaren 1627 – 1629 speelde.

Voor het Volle Gericht van de stad Groningen diende in laatstgenoemd jaar de “schelinge” tussen enerzijds Allert Coenders van Helpen, Assuerus Croon en de voogden van het Sint Jurgensgasthuis, en anderzijds Johan Luyloffs en Coppen Albert Jarges.

Kwamen de verweerders Luyloffs en Jarges uit vooraanstaande stad-Groninger geslachten, aanlegger Coenders van Helpen was in Helpman waarschijnlijk de lokale jonker die de Coendersborg  bezat. Gewoonlijk woonde hij echter in Bourtange, de vesting waarvan hij de commandant was. Het op zijn hand zijnde Helper Sint Jurgensgasthuis was een opvangcentrum voor melaatsen (lijders aan lepra). Officieel werd het in 1599 opgedoekt, wat niet wegneemt dat we er nog tot ongeveer 1700 over horen. In de 17e eeuw waren er sowieso nog voogden, die menigmaal hebben geprobeerd om met een rest van de fondsen deze leprozerie nieuw leven in te blazen.

Volgens Coenders c.s. had Helpman nog een marke en kende deze marke 30 “buyrdielen” of waardelen, dat waren aandelen in alles wat er in zo’n marke nog collectief was. Ze beweerden dat zij zelf maar liefst de helft van deze buurdelen bezaten, namelijk Coenders 13 buurdelen en Croon en het gasthuis elk eentje.

Nu hoorde er bij de Helper marke “een groot water offte visscherije”. Dit meertje lag aan de oostzijde van het Schuitendiep, oftewel de andere zijde van het Oude Winschoterdiep, gezien het beeld op de eerste kadasterkaart waarschijnlijk in de omgeving waar nu de oostelijke helft van Bornholmstraat ligt, een omgeving die onlangs ook weer bedreigd werd door water. Enige jaren voor de rechtszaak was de “waeteringe ofte cuijle” hier drooggelegd en tot “vast ende bruijckbaer lant” gemaakt. En hoewel de “Helper Cuijle” voordien nog collectief bezit van de Helper markegenoten was, hadden Luijloffs en Jarges het nieuw gewonnen land omstreeks 1619 eigenmachtig  onderling verdeeld, althans volgens Coenders c.s..

Daarom eisten Coenders c.s. dat ze erkend zouden worden als mede-eigenaars van voorheen de Helper Kuil. Luijloffs en Jarges moesten de helft van hun grondbezit hier dus afstaan aan hun.

Dat wilden beide heren uiteraard helemaal niet! Hun eerste verdedigingslinie was een formele: het was onduidelijk wie er allemaal meededen met eisers. Eisers mochten dan wel beweren dat ze namens veel meer mensen handelden in deze zaak, maar dat maakten ze helemaal niet aannemelijk. Weliswaar erkenden verweerders dat Coenders c.s. ooit mede recht op de grond van de Helper Kuil hadden, maar al geruime tijd voor de scheiding van die grond was deze al voor de volle honderd procent het eigendom van verweerders en dat “gerustelick sonder enige interruptie of turbatie”. Coenders c.s. kwamen, met andere woorden, dus op gedane zaken terug.

In deze kwestie hadden de Ambtman en de bijzitters in het Gericht van Selwerd eind 1627 al twee uitspraken gedaan. Eerst waren Luijloffs en Jarges in het bezit gelaten van “de questieuse landen in Helper Cuijle”, voor zover ze dat bezit konden konden bewijzen met verzegelde koopbrieven etc. Coenders c.s. mochten toen nog wel proberen te bewijzen  dat de Helper Kuil gemeenschappelijk bezit was geweest. In tweede instantie werden zij in het ongelijk gesteld. En dat gebeurde ook in derde instantie. Na ampele bestudering van het pak stukken, dat eisers en verweerders indienden, kwamen Burgemeesteren en Raad van Groningen in hun Volle Gericht tot de conclusie, dat Coenders c.s. geen recht hadden op land in voorheen de Helper Kuil.

 Bron: RHC Groninger Archieven, toegang 1534 Volle Gericht van de stad Groningen, rechtdagenprothocol (voorheen Rechterlijke Archieven III a), inv. nr. 95, uitspraak onder de datum 10 februari 1629.


Schouwbaar in het Westerhamrik (1754)

Op zoek naar historische gegevens over de waterstaat van de Peizerweg-omgeving, die in de 20e eeuw meermalen overstroomde, vond ik een register, in 1754 vastgesteld op verzoek van de PrinsesGouvernante. In het stuk staan alle dijken, wegen, tochten en maren (uitwateringssloten en -kanaaltjes), waarover de Scheppers van het Westerstadshamrik de schouw hadden. In dit stadsgebied ten westen van de stad Groningen, dat later ook deel uitmaakte van de gemeente Groningen, zagen deze waterschapshotemetoten dus toe op zulke werken, en konden zij boetes opleggen aan onderhoudsplichtigen die in gebreke bleven. Op hun beurt vielen de Scheppers weer onder het oppertoezicht van het Aduarderzijlvest, want het water van het Westerhamrik verdween uiteindelijk via de Aduarderzijl naar open zee. Daarom was die uitwateringssluis hier ook van groot strategisch belang. Wie de Aduarderzijl beheerste, kon dit stadsgebied drooghouden of onder water zetten en beheerste daarmee de toegang tot de stad vanuit het westen.  Daarom zijn er rond 1600 ook honderden mensen in veldslagen om de Aduarderzijl gesneuveld.

Maar ik dwaal af. Ik laat hier een samenvatting van de lijst objecten uit 1754 volgen, als onderlegger voor volgende stukjes, eerst over de Peizerweg, en later over de Lingenhuizen, het buurtschapje aan het eind van de Peizerweg waar het Porrenhuis deel van uitmaakte.

Hoewel ik hierboven het meervoud wegen gebruikte, en dat pluralis ook een kopje in het register vormde, was de “Drentse Laan”, zoals de Peizerweg toen nog heette, de enige weg waarover de Scheppers van het Westerhamrik de (over)schouw hadden. Het begin en eind van die weg geven ze in het register aan als: “van de Hoornse Dijk tot aan de Lingenhuizen”. Ze bedoelden met die Hoornse Dijk de dijk, waar zich nu het eerste stukje van de Paterswoldseweg bevindt (tussen de Eendrachtsbrug en het spoor).

De dijken waarover de zeven Scheppers gezamenlijk het toezicht hadden, waren die aan de westkant van het Hoornse Diep tussen Paterswolde en de stadswal, en aan de westkant van het Reitdiep tussen de stadswal en het Hooihuis, wat een nog steeds bestaande boerderij aan de Frieestraatweg is. Bovendien inspecteerden twee  jaarlijks door de ingelanden gekozen Dijkrechters de Ruige of Onlandse Dijk die van het voormalige klooster Den Hoorn naar de Lingenhuizen liep. Deze dijk vormde tevens de zuidwestelijke grens van het stadsgebied. De Scheppers hadden hier het recht van overschouw.

Dan de tochten, maren en uitwateringen van het Westerhamrik. Dat waren

  1. de tochtsloot langs de noordkant van de Drentse Laan, 
  2. de beide tochten die van die sloot richting Hoendiep liepen (namelijk a. die langs de Wolvendijk, en b. de Simonsloot die tegenover de Lingenhuizen begon), en  
  3. het Vinckemaar, dat rond het poldertje van de beide Vinkhuizen liep.

Via duikers onder het Hoendiep door, waterden 1 en 2, net als 3 zonder duiker, uit in het Klijfdiep onder Hoogkerk, dat via een klijve of zijltje uitwaterde in het Aduarderdiep. Daarom was dat Klijfdiep met het uitwateringssluisje ook in gezamenlijk onderhoud van de Westerhamriker en Hoogkerker Schepperijen, net als de Simonsloot die op de grens van de stedelijke en Hoogkerker waterschaspsterritoria lag. Een tocht van de Hoornsedijk (de latere Paterswoldseweg) in het zuidwesten van het stadsgebied voerend naar “het huis van Aite Weerd” vormde een uitzondering op deze lozingsrichting. Die tocht en de Wildsloot aan de westkant van de Onlandse dijk spuiden het water via een klijfje in het Peizerdiep, ver bovenstrooms van het punt waar al het andere water van het Westerhamrik terechtkwam. Begin 19e eeuw zou dit lozingspunt overigens worden vervangen door een iets noordelijker, op het Koningsdiep, uitkomende molentocht van een nieuwe watermolen voor de zuidelijke landen van Hoogkerk.

Naast deze algemene en collectieve uitwateringen waren ook alle particuliere die hierop uitkwamen aan schouw onderhevig. Het was niet de bedoeling dat ingezetenen hun water niet konden lozen, “omdat een ander versuimt sijne sloten te graven of behoorlijke pompen te leggen”.


Droedels uit de jaren 1660

De schrijver die in de vroege jaren1660 het algemeen doopboek van de hervormde gemeente Groningen bijhield, had de gewoonte om het wit aan het eind van het jaar te vullen met penwerk van vogels. Misschien wilde hij zijn pen droog krijgen, misschien was hij ook wel behept met horror vacui. Hier een paar voorbeelden van zijn tamelijk vormvaste droedels:


Carel, zoon van de slavin Rosina

Gedoopt te Groningen in de Nieuwe Kerk op 28 februari 1771:

“Carel, den huisinboorling van den predikant W. Hommes, geboren op ‘t schip Landskroon den 1 meij 1769, welks moeder genaamd is Rosina, gedoopt op Batavia d. 19 jan. 1753, bevorens slavinne van bovengenoemden Hr. W. Hommes.”


Groninger statistieken van 1911

Uit het Nieuwsblad van het Noorden van 2 januari 1912. De tram bleek vooral in vakantiemaanden populair, bij de cijfers van het Groninger Museum zal het gaan om totalen en niet om gemiddelden per tijdseenheid en opvallend is dat maar liefst vijf maal zoveel heren als dames gebruik maakten van de OB. In de UB was het vooral ’s avonds nog heerlijk rustig.


Het Porrenhuis met een vergezicht op stad

Het Rijksmuseum bezit deze tekening – zie haar vooral groot – door de Groninger landschapstekenaar en koopman Egbert van Marum (1746-1816), die nog een poos directeur zou zijn geweest van Academie Minerva. De titel luidt: “Het Porenhuis met in de verte de stad Groningen”.

Het Porrenhuis, zoals het bedoelde stuk vastgoed meestal genoemd wordt, zal rechts in beeld staan. Het betreft een eenvoudig huis, waarachter zich een dito achterhuis bevindt. Volgens Jan van den Broek (p. 362 noot 134) stond dit Porrenhuis op de westelijke rand van het stadsgebied, ten zuiden van de plaats waar nu de Peizerweg (voorheen de Drentse Laan onder Groningen) overgaat in de Zuiderweg (voorheen Hoogkerk). Als je er een huidig adres aan zou moeten geven, dan zou dat Peizerweg 178 zijn.

Ik kom daar elke dag wel een paar keer langs. Tot na 1980 had het pand op dit adres de functie van café en het lijkt er sterk op dat deze strategische lokatie bij de driesprong van de wegen naar stad, Hoogkerk en Peize eeuwenlang zo’n horeca-functie kende, want B. Lonsain schreef in 1925 dat ook het Porrenhuis al een herberg was. Op het uithangbord van deze herberg, dat helaas op de tekening ontbreekt, stond volgens hem een voorstelling met een aap, een kat en een molen, waaronder je dit rijmpje kon lezen:

Deze aap en kan niet luizen,
Deze kat en kan niet muizen,
Deze molen en kan niet malen,
Die hier komt drinken moet betalen
Anders mag hem de drommel halen.

De naam van het Porrenhuis zal ontleend zijn aan de familie Por, die hier midden 18e eeuw nog woonde. Helaas komt de huisnaam maar een paar keer in de bronnen voor. Afgaande op het ‘Kohier der Vaste Goederen’ van 1805 ging het indertijd om een behuizing met 106 gras (of ruim 50 hectare) land, wat rijkelijk veel was voor zo’n eenvoudige herberg. Maar wellicht zat daar nogal wat minderwaardige grond bij: drassig hooiland en woest liggend veenland. Een veiling van 30 gras topgras, 20 gras haver op de wortel en 30 wagenvoeren turf in 1803 doet dit ook vermoeden. Het land was twee jaar later het eigendom van de weduwe J. Bolt, terwijl Annegie Jacobs, de wed. Harm Boerma, het huis bezat waaronder het land beklemd zat. Zij was dus de beklemde meier van het land, dat via een zijltje aan de westkant afwaterde naar de Woldsloot, die op zijn beurt het water via een watermolen loosde op het Peizerdiep.

Als we nog even terugkeren naar de tekening van Van Marum, dan zien we aan de linkerkant een nogal winters aandoend vergezicht op de stad Groningen, waarvan Van Marum de torens iets te hoog voorstelde. Op de voorgrond bindt iemand zijn schaatsen onder, rechts zien we een paardenslee, verderop een schuifslee en diverse schaatsers. Er lijkt sprake van nogal wat ijs en dat wekt misschien verbazing , want er is hier geen kanaal of meer bekend. Maar de Drentse Laan (de latere Peizerweg), een landweg die tevens nog als weiland werd gebruikt,  lag met het omringende land  nogal laag. Zelfs in de twintigste eeuw zijn er nog diverse overstromingen geweest. Zo zag men eind 1915, begin 1916, komend vanuit de stad, voorbij de spoorwegovergang van de Peizerweg “een zee, ’n gezicht ver water en niets dan water”, een “eindelooze watervlakte die zich uitstrekt zoover het oog reikt”. Zelfs de Drachtster tram kon hier niet meer langs, zodat er een soort veerdienst georganiseerd moest worden.  “Als curiositeit” plaatste het Nieuwsblad er tien jaar later nog foto’s van. Dankzij een betere bemaling zou het niet meer zover hoeven komen, aldus de krant, die in 1928 en 1932 echter opnieuw foto’s (a, b, c), maaar dan actuele, kon plaatsen van de “bare zee” tussen de stad, Peize, Hoogkerk en Roderwolde.

Iets van zo’n watervlakte zien we ook op de tekening van Van Marum. Zij het dat die vlakte dan bevroren is, wat een vriendelijker aanblik geeft. In zijn tijd waren er nog geen stoomgemalen, en kon men het water alleen met watermolens wegwerken. Vooral bij hoog buitenwater schoot dat niet op en daarom waren er aan de westkant van de stad, als het vroor, vaak schaatsers te zien.


Groningen, anno domini 1470

Fragmenten uit de video die momenteel in het Noordelijk Scheepvaartmuseum te zien is en die nog op dvd zal worden uitgebracht. Mooi werk, petje af, maar de gebouwen zijn volgens mij wel iets te hoog gemaakt, zodat Groningen grootsteedser allures krijgt dan in werkelijkheid het geval was. 

Overigens boet de stad door het mankeren van de Martinitoren – was er echt geen voorganger? – sterk aan herkenbaarheid in. De vraag is dan ook of deze video net zo goed verkocht zal worden als de video op basis van Haubois kaart uit ca. 1640.


Een nep-Arabier in de Folkingestraat

In de etalage van antiquariaat Albert Hoogeveen in de Folkingestraat ontwaren we dit miniatuur draaiorgel. Er zit een bordje op met een naam: ‘De Arabier’. En dat zal het hart van menig Groninger sneller doen kloppen, want menig Groninger vindt het nog steeds doodzonde dat het echte draaiorgel De Arabier naar Amsterdam verhuisde.

Maar lijkt dit miniatuur-draaiorgel ook wel op de echte Arabier? Neen, kunnnen wij constateren. In de verre verte niet. Zo ontbreekt zelfs het meest kenmerkende element, de schildering van een arabier op het linker frontpaneel. Ook de schildering van een haremdame op de rechterkant ontbreekt, om nog maar te zwijgen over de vier poppen ertussen:

De conclusie moet dan wel luiden dat de Arabier in de Folkingestraat een nep-Arabier is.

Tot slot van dit item nog twee moppies die menige Groninger pijn aan de oren zullen doen en die ze daarom maar moeten overslaan: Aan de Amsterdamse grachten en Tulpen uit Amsterdam.


Een handvol Groninger straattypes


Impressies veemarkt Groningen (1969)

EAB van Rouveroy Nieuwaal maakte de film, nu in bewaring bij het GAVA, in november of december 1969, op een zonnige maar koude dag, want sommige koeien dragen dekken en ademen damp uit. Het moet een van de laatste keren geweest zijn dat er veemarkt was op die plek, aan de rand van de Groningse binnenstad, daar waar nu het Cultuurcentrum Oosterpoort en een stel kantoren staan.

We zien het Trompbruggetje met de Martinitoren op de achtergrond. De markt is nog leeg, er staan wat mannen met hoeden af te wachten. De camera zwenkt, er komen veewagens in beeld bij het poortgebouw aan de Trompsingel. Een glimp van de klok. Het is zes uur ’s ochtends, het hek gaat open, de eerste koeien worden vanuit de vrachtwagen de markt opgetrokken, ze zijn onrustig en balsturig.

Een verkeersagent regelt het nu allengs drukker wordende verkeer. Mannen kopen kaartjes bij een loket, ik denk voor de waag waar je vee kon laten wegen.  De marktmeesters ginnegappen wat met elkaar. Een jongen kan ternauwernood een koe in bedwang houden, maar het lukt hem en hij blikt met een mengeling van verbazing en trots de camera in.

Een trio kalfjes van misschien een paar week oud lijkt gemakkelijker te hanteren, maar dat valt tegen.

We krijgen even een overzicht nu vanuit het bovenraam van café de Koophandel, op Veemarktstraat 5. Dan  zijn we weer beneden, op het plein met de goten en rijen palen met stangen waaraan ze koeien met touwen vastzetten. Iemand melkt een koe leeg en giet de schuimende melk in een bus. Diverse voorbeelden van palmslag, het handjeklap van eeltige handen die steeds harder op elkaar inslaan tot de koop besloten is. Geluk!

Bekrachtiging van de koop bij Jan J. de Vries, Tapvergunning. Er gaan tien briefjes van honderd ouderwetse guldens over de tafel. Nadrukkelijk wordt het geld geteld. iemand dronk een schone met suiker, anderen houden het bij cola en koffie. Maar iedereen, pet of hoed, rookt sigaren.

De trotse jongen van daarnet krijgt de koeien ook weer de wagen in.  Een impressie van de drek na zo’n ochtend handel.  De schoonmakers  van de milieudienst gaan aan de slag met sproeiwagen en veegkar. We kijken nog een keer vanuit het bovenraam van café de Koophandel en nemen afscheid van de nu weer lege veemarkt:

http://vimeo.com/32202421


De begrafenis van Jacob Pantjes

“Omstreeks kwart over negen vertrok de stoet van het sterfhuis door de van Sijsenstraat, Nieuwstraat. Frederikstraat, Oosterweg, langs Verbindingskanaal, Heereweg naar de Zuiderbegraafplaats. Overal waar de stoet waarin naar schatting 3000 menschen meeliepen, langs kwam stond het zwart van volk. Wanneer de lijkwagen voorbijging, gingen alle hoeden af en vrouwen weenden. Zoo bracht men hulde aan den gevallen kameraad, den medestrijder, den lafhartig vermoorden medemensch. Merkwaardig was het dat de menschen zelf langs den kant van den weg bleven staan en de rijen in orde hielden zonder dat de politie er bij te pas behoefde te komen.”

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 8 mei 1922

Achtergrond: De moord op Jacob Pantjes


Eierbal uitvinding van Sloots

Dat de eierbal een Groningse uitvinding is, lijkt wel zeker. Discussie is er evenwel op wiens naam we deze uitvinding mogen schrijven.

Van de week hoorde ik in onze bedrijfskantine weer eens beweren, dat Cafetaria Succes aan de Carolieweg in stad het produkt in de jaren vijftig ontwikkeld heeft. Welke opvatting een jaar of wat geleden ook met verve verdedigd werd door de Groningse reaguurder Kazonga op Geenstijl.

Onderzoek in de gedigitaliseerde kolommen van het Nieuwsblad van het Noorden wijst echter uit dat automatiek Sloots, aanvankelijk aan de Oude Ebbinge- en later aan de Oude Kijk in het Jatstraat het eerst met de eierbal; adverteerde. Dat gebeurde op 23 januari 1951. Succes bestond toen ook al, maar hield haar mond over deze specialiteit. Ook claimde Succes in latere publicaties de uitvinding niet, hoewel deze uitvinding haar veel goodwill kon verschaffen. Voorlopig houd ik het er daarom maar op, dat automatiek Sloots de eer toekomt!

Aanvulling:

De eierbal is buiten de noordelijke provincies sowieso onbekend. Niet-noordelijke kranten kennen het woord niet. Zie Delpher.


Maaier dou mie ’n kouke!

Naar aanleiding van het logje over het uithangbord van koekebakker De Haan in de A-straat, werd ik erop gewezen dat dit bord zich in de collectie van het Groninger Museum bevindt, en dat Egge Knol al eens over De Haan, diens bord en het rijmpje schreef in Stad & Lande 2007.2

Dat stuk had ik indertijd wel  vluchtig doorgenomen, maar het was in mijn geheugen als het ware overgeschreven door een amusante lezing die Egge later eens over Groninger koek hield.

Egge vergeeft me gelukkig mijn falende geheugen in deze, want van hem ontving ik inmiddels foto’s van dat uithangbord:

In mijn perceptie gaat Egge in genoemd artikel – ‘Groninger koek, iets aparts’ – wat minder diep in op de oorsprong van de Groninger koek, dan hij later bij die lezing zou doen. Het stuk is vooral inventariserend. Volgens het artikel was de latere Groninger koek anno 1766 nog een sukadekoek van Deventer deeg. In tegenstelling tot de Deventer koek, werd de latere Groninger echter met warm gronddeeg gemaakt.

De Haan zat aan de Astraat, waar nogal wat Friezen langskwamen, op weg van en naar de trekschuiten op het Hoendiep. Uit Egges artikel blijkt, dat er wel meer befaamde koekebakkers aan in- en uitvalswegen zaten, bijvoorbeeld hofleverancier Klaassens aan het stukje Herestraat tussen het Zuiderdiep en het Hereplein. A-straat en Herestraat waren voor 1874 poortstraten, en zulke vestigingsplaatsen doen denken aan het feit, dat in de 17e en 18e eeuw koekverkopers onder de poorten actief waren, die mogelijk de kiem van de Groninger koekfaam bij buitenstaanders hebben gelegd.

Egge vertelt in zijn stuk een paar prachtige anekdotes. Eentje geef ik graag door. Komt er in 1813 een woestuitziende Russische kozak op zijn onstuimige paardje voorrijden bij koekebakker Meijer, die enigszins beducht  voor plundering pal voor zijn winkeldeur heeft postgevat. Schreeuwt die kozak: Maaier dou mie ’n kouke! Bleek het een Groninger te zijn die in Rusland in het leger terechtgekomen was…