In de Bijekoer bakt men Grinser koeke
Geplaatst op: 28 september 2011 Hoort bij: Stad toen 3 reacties
Uitsnede uit een foto van de A-straat en Brugstraat uit 1866. Aan de zuidwestkant van de A-brug zat indertijd de koek- en banketbakker F.E. de Haan, die op zijn uithangbord een goudkleurige bijenkorf had staan. De omringende, eveneens vergulde teksten waren echter niet Nederlands, maar Fries. Boven de bijenkorf stond “De Bijekoer” en links en rechts van dit voor een koekebakker buitengewoon toepasselijke beeldmerk kon de passant een rijmpje lezen:
“In ’t hûs de Bijekoer,
Der bakt men Grinser koeke,
En troch de goeie waer,
Mat men de minsken loeke.
Dat hûs dat stiet to Grins
Yn ’t westein fan de sted.
Rin oan de brêge ta,
Dan mist it jimme net.”
De Groninger koekebakker De Haan, mogelijk van Friese komaf, zal zo ongetwijfeld een wit voetje hebben gehaald bij de Friezen die per trekschuit over het Hoendiep naar Groningen kwamen. Vergeet niet, dat dit in de era voor de spoorwegen de hoofdroute van Friesland naar Groningen was. Tegelijkertijd vormden de A-straat en de Brugstraat hier de belangrijkste invalswegen voor Friezen.
Het rijmpje stond ook al in Zo fotografeerden zij Groningen 1868-1918 van de Groninger gemeente-archivaris A.T. Schuitema Meijer (1963), maar dan bij een foto van dezelfde situatie uit omstreeks 1888. Hoewel Meijer zelf zoon van een koekebakker was, citeerde hij het rijmpje onvolledig en verkeerd. Aldus Jan Riddering uit Havelte, die daarvan kond deed in twee ingezonden brieven, welke in september 1964 in het Nieuwsblad van het Noorden stonden.
Opmerkelijk is, dat de tweede brief exact op Ridderings onverwachte sterfdag in de krant stond. Je zou bijna denken dat hij een verbolgen Schuitema Meijer aan de lijn had.
Riddering was in 1882 geboren in Groningen, maar verhuisde als kleine jongen naar de Friese Woudstreek. Begin twintigste eeuw vervulde hij zijn diensttijd echter in Groningen, en toen frappeerde hem dat uithangbord van De Bijekoer, waarbij zijn dubbele binding met Friesland èn Groningen uiteraard een rol speelde. Riddering kreeg later ook wat met Drenthe. Op zijn oude dag woonde hij als kostganger in Hotel Buter bij de Boskampbrug in Havelte en als bewoner van dat Drentse dorp publiceerde hij onder andere een serie over de lokale geschiedenis in de Meppeler Courant en een jubileumbrochure over de plaatselijke kerk. Doordat ik in de digitale leggers van het Nieuwsblad bij de KB op Havelte zocht, trof ik beide ingezonden brieven van hem aan – weer een fraai staaltje van serendipiteit, dunkt me.
—
Bronnen:
De moord op Godert Walter
Geplaatst op: 18 september 2011 Hoort bij: Stad toen 5 reacties“Zondag 17 september 1944, het gezin geniet in de tuin van een stralende dag. Vier SD’ers stappen uit een auto en vallen hun huis aan de Dilgtweg in Haren binnen. Drost en Mowinski houden Agnes van Gelder en hun twee zonen in bedwang, Lehnhoff en Kindel nemen Godert Walter mee naar binnen en sluiten de gordijnen. Agnes hoort drie schoten vanuit het huis. Lehnhoff vuurt twee keer, Kindel één keer. De SD’ers nemen Walter zijn papieren af en duizend gulden en vertrekken zonder zich te bekommeren om zijn vrouw. Alles speelt zich in enkele minuten af.”
Godert Walter was het slachtoffer van de verrader Pieter Wichers, die na de oorlog voor het executiepeloton kwam. Henk Werk stelde een internetpagina over deze beruchte V-man en zijn slachtoffers samen.
Distilleerders en hun geheime recepten
Geplaatst op: 13 september 2011 Hoort bij: Stad nu, Stad toen 3 reactiesIn het nieuws was vandaag hoe Hero Jan Hooghoudt zijn zestigjarige bedrijfsjubileum vierde. Aardige man, vorig jaar heb ik bij een boekpresentatie een poosje met hem mogen praten. Hij verzamelt antiek glas, waarover hij ook zeer deskundig en enthousiasmerend kan vertellen. Het bedrijf dat hij mede groot maakte, speelt nu met de gedachte een aantal vroegere producten weer op de markt te brengen. De geheime recepten staan in een boekje dat de oude baas koestert.
Het is niet het enige geheime receptenboekje van een distilleerdersfamilie. Toevallig ontving ik vandaag ook een mail van een kersverse distilleerder uit Amsterdam. Hij wilde graag de naam en het adres van de laatste directeur van distilleerderij Catz, die ik een jaar of drie geleden interviewde. Hij was namelijk op zoek naar het recept van Catz Elixer, dat hij weer wilde gaan maken. Hij zei dat hij dat recept ooit had opgeduikeld uit het Bols-archief, maar het weer kwijt was geraakt. En bij Lucas Bols zouden ze het ook niet meer hebben.
Dat laatste moest op een misverstand berusten, schreef ik hem terug. Begin dit jaar had ik namelijk contact met de bedrijfsarchivaris van Bols in Zoetermeer en deze Ton Vermeulen bevestigde toen, dat het receptenboek van Catz nog steeds bij Bols in de kluis ligt. De recepten bleven echter bedrijfsgeheim.
Ik heb de Amsterdamse destilleerder succes gewenst bij zijn poging, het recept voor Catz Elixer los te krijgen. Wie weet wil Bols het verkopen aan iemand, van wie toch geen grootschalige concurrentie te duchten valt. Maar ik heb er wel een beetje een hard hoofd in. De foto’s die Vermeulen me indertijd toestuurde, en die ik mocht gebruiken, tonen weliswaar ondubbelzinnig aan dat het receptenboek van Catz nog steeds bestaat, maar laten ook slechts een glimp van de receptuur zien: Waarschijnlijk omdat ik het verhaal toen te dun vond, plaatste ik ze indertijd niet op Gelkinghe. Dat doe ik nu dan alsnog:
Overigens was het receptenboek van Catz jonger dan ik dacht: op het handschrift af te gaan nog uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Volgens Vermeulen paste de familie Catz het recept van Catz Elixer wel eens aan, zo werd er eerst gebrande suiker voor gebruikt en later gekookte. In het beurskrachjaar 1929 kostte de productie van 1100 liter Catz Elixer 2865 gulden, dat is dus ruim een rijksdaalder de liter, en daar kwam dan het bottelen, het verpakken en de distributie nog overheen. Het was dus beslist geen goedkoop goedje!
Windhoos bij de stad (1878)
Geplaatst op: 22 augustus 2011 Hoort bij: Stad toen 3 reacties
Bron: Schager Courant, 22 augustus 1878
Verradersloon
Geplaatst op: 11 augustus 2011 Hoort bij: Stad toen 6 reacties
Kapittel: ‘Van Misdaat tegen ’t gemeene best of Hooge Overigheidt’. Artikel I:
‘Verraders ende haare helpers, die heeren, Stadt of Land verraden, sal men levende het hert uit het lijf nemen, voorts in vier quartieren houwen, ende op verscheiden plaatsen hangen en setten het hooft op een staak, ter poorten uit, daar sij het verraat wilden gedaan hebben.’
Van dit draconische, om niet te zeggen bloeddorstige artikel verbaast vooral de volgorde ‘heeren, Stadt of Land’. De trouw aan personen lijkt belangrijker dan die aan de plaats van inwoning. Maar vergeet niet dat internationale politiek zich in deze tijd (1725) voornamelijk aan vorstenhoven afspeelde en dat het nationalisme nog uitgevonden moest worden. Als iemand het hier over zijn vaderland had, bedoelde hij vooral de stad. Of hooguit de provincie.
Dat het hoofd van een verrader buiten de poort op een staak werd gezet, op een plek waar hij zijn verraad zou hebben gepleegd, hangt samen met een oorlogsvoering die gericht was op het veroveren van vestingen. Daar was Groningen er een van. Men kon zich hier geen ander verraad voorstellen dan verraad dat de zwakke plek in de verdedigingswerken aanwees. Op die aanwijsbare lokatie kwam de staak met de lelijke verraderskop te staan.
In de periode van de Munsterse oorlogen, de jaren 1660, 1670, is er in Groningen zeker een kwartet ‘verraders’ terechtgesteld. Waarschijnlijk vormde die ervaring de achtergrond voor dit artikel in de criminele ordonnantie van 1725.
Welk artikel overigens een volkomen dode letter bleef. Groningen was dan wel een vesting tot 1874, maar werd in deze periode nooit meer belegerd. Vanaf 1798 golden er sowieso andere, nationaal-Nederlandse wetten. Bij de politieke twisten van na 1780 betichtten partijen elkaar naar hartelust van verraad, maar als een van hen aan de macht was, ging ze er niet toe over om letterlijk koppen te laten rollen. Voor verraad werd je te onzent hoogsten nog gegeseld, verbannen, en/of opgesloten.
Eerst Groningen zien en dan sterven
Geplaatst op: 8 augustus 2011 Hoort bij: Stad toen 6 reacties
(Bron: Schager Courant 27 augustus 1882)
‘Kempo Hillebrants tot het tuchthuis ewich verwesen’ (1621)
Geplaatst op: 1 augustus 2011 Hoort bij: Stad toen 1 reactie“Mercurii den 21. martii 1621 Gesien ende geëxamineert bij den heren Borgemeesteren ende Raet de informatiën ende confessien beroerende het faict geperpreteert bij Kempo Hillebrants, geboren van Steenwijck ende borger deser stadt, tegenwoordich gevangen op den Rosendaal ende daaruuth bevindende dat de voorszeide gevangen zijnde door alle rechten ende zijn borgereet verbonden tot den dienst van zijn vaderlant, den voorszeide eet alle eer ende natuurlijcke affectie vergeten ende te rugge gestelt hebbende in verleden sommer van hijr met quaden opsate vertrocken ende naar Bruissel verreiset is, ende aldaer tot ondienst van onsen gemenen vaderlande en den raet schrifftlicken geremonstreert ende te kennen gegeven heefft de gelegentheiden van dese stadt ende Steenwijck mitsgaders de middelen waerdoor de Aertshartogen in deselve lichtliken een invasie solden kunnen doen ende dese landen vermesteren, voor t’selve een recompens versoeckende, oversulcks tegens dese staat ende het gemene beste heefft geattenteert, soeckende sijn egen vaderlande, tot welckes behoudenisse hie oock onder ede verbunden was, in t’uterste verdarff ende elende te brengen, op alle t’welcke met behoirlicke consideratie gelettet zijnde, hebben d’hh voorss. den gemelten Kempo Hillebrants gevangen gecondemneert, ende condemneren bij desen, omme voor zijn welverdiende straffe ende tot een affschuwelick exempel van anderen door den scharprichter van t’levent ter doot gebracht ende enthovenet te worden. Welcke bij den gecondemneerde welverdiende straffe de heeren voorss. door de veelvoldige ende grote intercessiën en andere goede consideratiën bewogen, uuth loutere genade bij maniere van pardon in dier vougen hebben verandert ende gemitigeert, dat de gecondemneerde holdende zijn lijff ende levent, zijn levent lanck in t’ tuchthuis zal bliven en arbeiden, mit sulcke widere verclaringe dat bij aldien de Gecondemneerde tot enigen tijt onderstaet tegens dese sententie daeruuth te breken deselve alsdan niet tegenstaende dit pardon noch mit den sweerde gestrafft zal worden.”
Vertaling: Het stadsbestuur van Groningen, heeft na onderzoek van de verhoren en de bekentenis van Kempo Hillebrants, geboren te Steenwijk maar burger van Groningen en hier gevangen op het Rozendal (de stadsgevangenis onder het Raadhuis), bevonden dat deze gevangene, die door al zijn rechten en de door hem afgelegde burgereed verbonden is aan zijn vaderland, de genoemde eed, alle eer en de gewone vaderlandsliefde heeft vergeten, door de vorige zomer met boze opzet naar Brussel te reizen, waar hij (aan het hof) schriftelijk voorgedragen heeft de toestand van (de vestingen) Groningen en Steenwijk, met de middelen erbij waarmee de Aartshertog gemakkelijk in deze vestingen zou kunnen komen, zodat hij dan deze landen zou overmeesteren, Voor deze aanslag op deze staat en het gemenebest, die het land in het verderf en de grootst mogelijke ellende had kunnen storten, verzocht Kempo Hillebrants ook nog eens een vergoeding, en dat terwijl hij juist onder ede verbonden was om voor het behoud van het vaderland op te komen. Hierop lettend, hebben de heren hem veroordeeld om tot een afschuwelijk voorbeeld voor anderen door de scherprechter onthoofd te worden, welke welverdiende straf de heren echter door de veelvoudige tussenkomst en hun eigen goedertierendheid uit louter genade hebben verzacht, en wel zo, dat de gevangene zijn lijf en leven behoudt, maar dat hij levenslang in het tuchthuis zal blijven en werken, met de nadere bepaling dat, als hij daaruit ooit mocht ontsnappen, dat hij dan alsnog onthoofd zal worden.
NB: 21 maart 1621, de datum van deze sententie. is enkele weken voor de afloop van het Twaalfjarig Bestand. De oorlog in de Nederlanden zou spoedig weer oplaaien, waarbij ook Drenthe nog even weer oorlogsgebied werd. Dat Kempo de Aartshertog in Brussel militaire informatie kwam verschaffen, was dus niet bepaald van betekenis ontbloot.
Bron: Stads Volle Gericht, vh. Rechterlijke Archieven III ii deel 2 de sententie van 21 maart 1621.
De afscheidsbrief
Geplaatst op: 30 juli 2011 Hoort bij: Stad toen 8 reacties
Bron: Schager Courant 23 april 1891
Hans Hennip
Geplaatst op: 28 juli 2011 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen

Verzoekschrift aan het stadsbestuur van Groningen, 8 maart 1621:
“Op den requeste van hans hennip om eenen almose
D’ hh Borgermeesteren ende Raedt ordonneren de voorstanderen van den gemene armen omme an den Suppliant huisvrouw te tellen 2 pont groot.
D’ hh B&R ordonneren den vogeden van d’arme huisitten omme an de huisvrouw van hans hennip alle weken te tellen acht stuiver, ’t welcke denselven in rekeninge voor uuthgave valideren zall.”
Het rekest is bij het stadsbestuur van Groningen ingediend door Hans Hennip, die om een aalmoes vraagt, De heren geven de hervormde diaconie opdracht om 2 pond groot – een bedrag van 12 gulden – aan Hans zijn vrouw uit te keren. Bovendien gelasten ze de boekhouder van het Armhuiszittend Convent in de A-kerkstraat om wekelijks acht stuivers aan de vrouw van Hans te overhandigen.
Hennip was in deze tijd niet in gebruik als roesmiddel. De bijnaam zal op touw hebben geslagen. Maar de heren vertrouwden Hans zelf het geld niet toe. Dat kreeg zijn vrouw in handen. Dus mogelijk was Hans wel verslaafd aan alcohol.
‘Zolang je kouk eten, goa je nait dood’
Geplaatst op: 21 juli 2011 Hoort bij: autobio, Geschiedenis, Stad toen 10 reactiesNu het raadsel endelkoek is opgelost – zie de update – wil ik nog even verwijlen bij het synoniem kantkoek, dat de oudere term kennelijk verdrong. Dit synoniem staat, anders dan endelkoek, wèl in het WNT, met maar liefst vier verklaringen waarvan de tweede weer afkomstig is uit het Groninger woordenboek van Molema (1887):
“Soort van koek die rondom andere koeken in den oven gelegd is geworden om te bakken.”
Dat deze betekenis inderdaad gold voor de Groninger specialiteit blijkt uit een interview, dat de Groninger koekebakker Klaassens in 1948 gaf aan Herman Felderhof van de Wereldomroep. Dat interview speelt zich af in het bedrijf van Klaassens, wat diens uitspraken niet altijd even verstaanbaar maakt. Op 2 minuut 36 ziet Felderhof de zoon van Klaassens strepen koek tegen de ‘echte Groninger koek’ aanzetten. Hij vraagt waarom dat gebeurt. Klaassens antwoordt:
“Dat is een soort koek die tegen de kant van de koek aangedrukt wordt om zodoende de sucade en de gember en de geur beter in de koek te houden. Deze koek wordt door ons genoemd kantkoek en werd vooral door scholieren vroeger veel gekocht. Ik herinner me nog dat het 4 cent per pond kostte en zo noemden we het wrakkelat.”
Ik weet niet of ik dat laatste woord goed heb verstaan – zet er maar een vraagtekentje bij. In elk geval was de bedoelde goedkope lekkernij eind jaren zestig ook nog bij Webbink te koop, een bakkerij vlak bij onze middelbare school aan het Zuideinde in Meppel. Het was toen bij ons scholieren een tijdje heel erg in de mode, tot de Marsen en Nutsen in onze lekkere trek gingen voorzien.
Klaassens maakt overigens een onderscheid tussen kantkoek en endelkoek, waar hij even later over begint. Volgens hem bestond endelkoek “uit strepen koek en blokken” en hij heeft er ook een woordverklaring voor die ik helaas niet versta door het geruis in zijn bedrijf.
De rest van het interview is eveneens het beluisteren waard. Volgens Klaassens onderscheidde de Groninger koek zich door een hoog gehalte aan honing en een kwalitatief goede vulling. Daar had de oorlog echter voorlopig een eind aan gemaakt – nog steeds was begin 1948 de import van honing, sukade en gember niet vrij en bestond er ook een prijszetting van overheidswege die Klaassens omzet beperkte.
Heel aardig zijn de folkloristische gebruiken met koek, die Klaassens noemt. Zo kregen Groninger kindertjes op hun verjaardag een stuk koek met het groenwit van de stad-Groninger vlag op hun linkerarm gebonden, en had ieder Groninger gezin met Oud & Nieuw ouwe wijvenkoek in huis. Die soort koek werd ook alleen van november tot februari gebakken. Voor hoogtijdagen als huwelijksjubilea etc. fabriceerden Klaassens en zijn enig overgebleven concullega Knol bovendien koeken met rijmpjes als:
“Alles verandert, alles wordt gekker, moar Grunniger kouk blift lekker.”
En:
“Zolang je kouk eten, goa je nait dood.”
Het raadsel Endelkoek
Geplaatst op: 20 juli 2011 Hoort bij: Stad toen, Taal 7 reacties
Nieuwe Tilburgsche Courant 5 juni 1887
Ik kwam vandaag een paar keer de term ‘endelkoek’ tegen, eerst in een Pijter en Jaapstukje van ca. 1820, later in een gedicht van ongeveer 1860, 1870 over een uitstapje naar Paterswolde. Duidelijk is uit de twee passages dat het als een lekkernij gold voor onderweg, maar ook om te eten met een slok brandewijn. Ik meen dat ik de term wel eens eerder ben tegengekomen, en dat hij me toen al intrigeerde wegens de connotatie met het laatste stuk darm.
Googelend op ‘endelkoek’ vind ik een handvol meldingen uit Groningen, Friesland en Drenthe:
- In een verhaal van Jan Boer over de stoetvrouw in haar glorietijd, begin twintigste eeuw te Rottum (Gr.):
- In een anekdote van Koos Dijksterhuis over hoe zijn ouders elkaar ontmoetten tijdens de oorlog in de binnenlanden van Friesland. Zijn (waarschijnlijk Groninger) vader gebruikte het woord in een spelletje. Citaat: “En toch was endelkoek ooit een lekkernij, geserveerd bij warme groc.”
- In een beschrijving van de situatie in Assen anno 1867: Citaat: “…de beroemde endelkoek, die in geen enkel huisgezin een volslagen vreemdeling is”.
- En in een roman van Elise van Calcar uit 1857. Citaat: “Zij was uit Groningerland geboortig en oordeelde dat het dan nog beter ware onder hare eigene landslieden ‘endelkoek’ te eten dan een overvloed van perziken te Port Natal.”
Het woord staat niet in het WNT en evenmin in een Groninger Encyclopedie. Qua krantenberichten vond ik nog enkele meldingen uit Tilburg, anno 1887, van iemand die daar aan de Willem II-straat Groninger bakprodukten verkocht (zie boven), en één uit Rotterdam 1906, opnieuw een advertentie, waarin gerept wordt van: “de echte Grongingsche endelkoek” (zie onder).

Rotterdamsch Nieuwsblad 3 november 1906
Duidelijk is dat het een vooral Groninger bakprodukt was, dat een zekere populariteit of in elk geval bekendheid genoot in de anderhalve eeuw voor de Tweede Wereldoorlog. Maar wat ik me er precies bij moet voorstellen? Inmiddels heb ik dè Groninger koekhistoricus aangeschreven, maar misschien kan iemand van de lezers hier er intussen meer over vertellen?
Update 21 juli:
Met dank aan Kor, Erik, en Otto die de goede richting aangaven: het is inderdaad kantkoek. In zijn Groningse Woordenboeken met edities uit 1929 en 1952 geeft Ter Laan het woord evenmin, een vrij zeker teken dat het toen al niet meer zovaak gebruikt werd, maar het staat wel in H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19de eeuw (Winsum 1887). Molema geeft daar als synoniemen kaantkouk en pondkouk: “Koek, die in Groningen gebakken en bij ’t gewicht verkocht wordt”. Opmerkelijk is, bij de ontstentenis in Ter Laans woordenboeken, dat Kocks Drentse Woordenboek (1996) het dan wel weer noemt, met een verwijzing naar Molema en een citaat uit Peize: “Vrouger kocht wai veur een dubbeldie endelkouk, en aj het op haren waj zat”.
Heraldische triootjes
Geplaatst op: 4 juli 2011 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Ik vroeg me gisteravond af of er nog een symbolische betekenis zou zijn van die drie pilaren in Tolbert. Achteraf deels een stomme vraag, omdat een verdrievoudiging in de heraldiek heel gewoon is.
In de stad had je in de zeventiende en achttiende eeuw ettelijke uithangborden met drie maal hetzelfde voorwerp. Heb nog even de verzameling huisnamen van Duco Kuiken nagekeken (plaatsingslijst nr. 5) en daar komen huisnamen op voor als De drie Dussels, Ekkelen, Flessen, Friezen, Geuzen, Grenadiertjes, Haringen, Italiaanders, Keersen, Kanarievogels, Karpers, Kaesen, Kersebomen, Klavers, Krabben, Kramers, Kronen, Kruisen, Leliën, Marijen, Papegaaien, Potten, Roemers, Rozen, Zandlopers, Scheren, Schelvissen, Snellen, Snoeken, Sterren, Suikerbroden, Tonnegies, Torens, Valhoeden, Valken, Vlasblommen, Vijzels en Webben.
Heel gewoon dus, zo’n trio identieke objecten. Wel weer leerzaam is, dat van de 37 beeldmerken er slechts één bewaard bleef: een ingemetsede steen, die natuurlijk sowieso beter bestand is tegen de funeste invloeden van weer en wind en menselijke vernieuwingsdrift, dan een houten uithangbord.
Stalhouder Nienhuis, tel. 69
Geplaatst op: 22 juni 2011 Hoort bij: Stad toen 5 reacties
Advertentie in het Groninger Adresboek van 1900. Luxe paarden waren geen werkpaarden, ze gingen niet voor een kar maar onder een zadel. Maandpaarden kon je per maand huren, waarschijnlijk waren dit wèl werkpaarden.
Het Groninger straatbeeld, anno 1960
Geplaatst op: 7 juni 2011 Hoort bij: Stad toen 7 reacties
De spoorwegovergang Verlengde Lodewijkstraat omstreeks 1960. Alles is nu anders, op deze plek. Er kwam een viaduct van de zuidelijke ringweg dwars door het beeld (1969), het huizenblok linksachter werd gesloopt (2001), het kinderkopjesplaveisel maakte plaats voor glad asfalt en het wachtershuisje rechtsachter verdween.
De plaat zit in een serie van maar liefst 167 stadsfoto’s die Roelof Kollé op het web zette. Eigenlijk zijn het zwartwit dia’s, onderweg vanaf de bijrijdersplaats gemaakt door iemand van een rijschool. De stad lijkt zich op deze foto’s ook volledig in te richten op de auto.
Met dank aan Tjerk Bekius voor de tip.
Apehaar, de tram, een kanon en wat Scoreltjes
Geplaatst op: 6 juni 2011 Hoort bij: Stad toen 7 reactiesMoest voor een vergiftigde arts even een paar maanden Winschoter Courant uit 1880 doornemen. Dit waren de bijvangsten.
Apehaar was nog tabak waarmee je kon adverteren (29 mei):

Groninger ondernemer speelde in op de komst van de (paarde-)tram (10 juli):

Een kanon werd opgediept vanonder de voormalige Groninger stadswal (7 augustus):

En in het provinciehuis bleken nog wat vergeten Scoreltjes te liggen (14 augustus):


Recente reacties