De gouden ring van het Hoge der A
Geplaatst op: 6 oktober 2010 Hoort bij: Stad toen 1 reactie
Gouden zegelring van omstreeks 1300 met de beeltenis van Sint Michael. De heilige is kenbaar aan zijn gebruikelijke attribuut: een speer waarmee hij onder in beeld de duivel in de vorm van een draak doodsteekt.
Onlangs werd dit topstuk aangetroffen bij de opgraving aan het Hoge der A, hier in Groningen. Met in de opening van de ring een verfijnd kruisje van getordeerde goudstaafjes.
Sint Michiel, aartsengel en tevens aanvoerder van de hemelse heirscharen, was ook in Groningen een van de bekendste heiligen. Zijn naamdag – 29 september – fungeerde hier nogal eens als datum dat de huur betaald moest worden. Ook was er in de Martinikerk een kapel te zijner ere.
Als de steen, een gem of git, ouder is dan het smeedwerk, dan zou deze uit de Levant kunnen komen. In dat geval kan je denken aan kooplui of kruisvaarders die het object ,mee hebben genomen. Zijn de steen en het smeedwerk even oud, dan kan het samenstel een pelgrimsinsigne in de duurdere prijsklasse van le Mont St. Michel zijn geweest.
Onze stadsarcheoloog houdt het erop dat beide gouden voorwerpjes – de ring en het kruis – het bezit waren van een burger en niet van een priester. Hoe ze in de mest daar aan het Hoge der A terechtkwamen, is natuurlijk gissen. Men kan denken aan een dief, die zijn buit in haast verstopte. Maar ook aan een bouwoffer dat wat sjieker was dan een honingpot, een Mariabeeldje of een hondekaak.
Foto: Gemeente Groningen.
Een tram zonder rails
Geplaatst op: 26 september 2010 Hoort bij: Stad toen 2 reacties

Uit het Woerdensch Weekblad van 11 juni 1927. De foto komt bij Borstkas vandaan.
Groninger dienders bereden Harleys
Geplaatst op: 18 september 2010 Hoort bij: Stad toen 7 reacties
Bron: Woerdensch Weekblad 5 februari 1927
Troffel stadhuis (1793)
Geplaatst op: 17 september 2010 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Zilveren troffel waarmee de oudste en op dat moment presiderende Burgemeester Hendrik van Sijsen (87) op 29 april 1793 de eerste steen legde voor het nieuwe stadhuis van Groningen. De bouw zou maar liefst zeventien jaar duren, want pas in 1810 werd het classicistische gebouw opgeleverd. Vandaar dat nu het tweede eeuwfeest aan de orde is, dat gevierd wordt met een tentoonstelling waarop je de troffel kunt zien. Ook morgen schijnt deze tentoonstelling in het stadhuis nog open te zijn.
“Onnes zien bok het ’t geld opvreten”
Geplaatst op: 13 september 2010 Hoort bij: Stad toen, Taal 7 reacties
Honderd jaar geleden circuleerde in de buurt van de Groninger Hereweg een typisch lokale uitdrukking:
“Geld, d’r is gain hond dei ’t vreten wil, moar Onnes zien bok het ’t opvreten.”
Dat kwam zo. Onnes, een van de laatste moeskers en koemelkers aan de Hereweg, was thuisgekomen van de veemarkt, waar hij tamelijk goeie zaken had gedaan. Gewoontegetrouw hing hij zijn jas op in de schuur, maar vergat er, enigszins rozig door de geconsumeerde kelkjes jenever, de 200 gulden aan papiergeld uit te nemen, die hij op de veemarkt had gebeurd. Helaas liep er in de schuur een bok rond, En die wist wel raad met de bankbiljetten.
Op zijn beurt wist Onnes wel raad met de bok. Hij liet meteen de slachter komen, die kordaat een eind aan het leven van de geldverslindende bok maakte. Uit diens maag kwamen de reepjes bankbiljetten tevoorschijn. Deze bleken na een gedegen reinigings- en strijkbeurt nog goed aan elkaar te passen. Zelfs was de Nederlandsche Bank bereid, om de bokkemaagresiduën in te ruilen tegen het volle pond aan héle bankbiljetten.
Eind goed, al goed, Onnes blij, maar zo kwam dus dat rare gezegde in de wereld.
Boeldag De Koophandel
Geplaatst op: 6 september 2010 Hoort bij: Stad toen 1 reactie
Met de jaarwisseling van 1969 op 1970 ging de veemarkt weg uit de Oosterpoort. Al op 2 januari hield café De Koophhandel boeldag. Zo weten we dat er zitgelegenheid was voor honderd mensen, onder meer rond een ronde tafel met een balpoot. De bar was uit de begintijd, zo rond 1900, met een baldakijn, geschraagd door (gedraaide) pilaren. De ouderdom van de schilderijen zal wat overdreven zijn. Met “Brandweer paardetractie” zal wellicht een ouderwetse brandspuit bedoeld zijn.
Ben eigenlijk wel benieuwd wat er verder allemaal onder de hamer kwam. Kent iemand misschien die Wijnsma & zn.?
Nogmaals Fongers
Geplaatst op: 24 augustus 2010 Hoort bij: Stad toen 2 reactiesJan Beeldrijk zette een nieuwe fotoserie van de Fongers-tentoonstelling op Flickr. >>> Slideshow.
Wat een veling mee op reis nam
Geplaatst op: 20 augustus 2010 Hoort bij: Stad toen 5 reactiesReiszak gestolen van een Westfaalse hannekemaaaier die aan het begin van het hooiseizoen 1767 per snikke op weg naar Friesland was.
Inhoud:
- diverse kleding en stoffen
- theegoedskopjes
- botterdeus
- 2 worsten
- voor 9 stuiver koek
- en een halve stoet
Bron: voorheen Rechterlijke Archieven III (stad) ll 1767/122
Tiktak – het kan verkeren
Geplaatst op: 19 augustus 2010 Hoort bij: Stad toen 8 reacties
De familienaam van de Groninger koffiebranders en theemengers Tiktak komt van een bordspel. Tegenwoordig noemen we dat backgammon of triktrak, maar in de zeventiende en achttiende eeuw heette dat meestal nog verkeren of tiktak, in Groningen tenminste.
Ik leerde het zelf pas in 1977 kennen door een stel Israëlies in folkcafé de Plu’s, die het mee hadden genomen uit het Midden-Oosten. Ik vermoed daarom dat het voordien in Nederland vrijwel uitgestorven was, en dat de hippie-generatie het herintroduceerde. Maar misschien word ik daarin bedrogen door mijn beperkte blikveld.
In de zeventiende en een deel van de achtiende eeuw was het in elk geval nog het populairste bordspel in Groninger kroegen. In verweg de meeste vond je één, maar vaak ook wel meerdere tiktak- of verkeerborden. De Sint Jacob of kremerskroeg aan de Zwanestraat bezat in 1685 zes stuks. De Smidskroeg, gevestigd in een gang aan de Jacobijnerstraat, had er een paar jaar eerder vijf.
Vanaf ongeveer 1700 is het dammen duidelijk in opkomst. In de Helm aan de zuidzijde van de Grote Markt, de herberg waar de postkoetsen afreden, lag anno 1733 het tiktakbord al op zolder. Het dammen zal niet veel later ook elders het verkeren hebben verdrongen.
Prent Adriaan van Ostade: © The Trustees of the British Museum
Onverwacht kanaal
Geplaatst op: 18 augustus 2010 Hoort bij: Stad toen 8 reacties
In eerste instantie riep dit beeld geen herkenning bij me op. Maar de foto moest getuige de zeilschepen van begin twintigste eeuw zijn. Het Algemeen Provinciaal, Stads- en Academisch Ziekenhuis (APSAZ), wist ik, was van 1903, de gebouwen kwamen me toch ook weer niet geheel en al vreemd voor, en toen realiseerde ik me dat aan de oostkant van het huidige UMCG, daar waar zich nu de Petrus Campersingel bevindt, ooit het bevaarbare Verbindingskanaal Damsterdiep-Boterdiep lag. IJsvereniging de Kweekschool hield hier schaatswedstrijden tot vlak na de Eerste Wereldoorlog. Ergens in de jaren daarna moest het kanaal gedempt zijn.
Volgens Kor Feringa, in diens straatnamenlijst bj Oostersingel, bestond dit Verbindingskanaal van 1878 tot 1924 en is de wetering achter het huidige UMCG géén restant van dit kanaal.
Aannemen Jan!
Geplaatst op: 7 augustus 2010 Hoort bij: Stad toen 1 reactie
“Een keer per week hadden we herensociëteit. Daar kwamen de prominenten van de stad. Er werd wat gediscussieerd over zaken, en er werd een stevige borrel gedronken. Eerbiedig stond ik erbij te wachten tot ik voor een drankje geroepen werd. De heren dronken uitsluitend jonge jenever. Daar moest voor de een dit door en voor de ander dat. We hadden van die kleine flesjes met groene en rode pommerans, Catz elixer, Angestora en ook Lithauwer. Daarvan gingen een paar druppels in een glas jenever. Zo dronken ze een borrel of zes en de zaak bood bitterballen aan. De prijs van een borrel was 35 cent en ik kreeg een stuiver en een dubbeltje fooi. Daar stond je dan twee à drie uur voor: Aannemen Jan!”
Dat herinnerde Jan Plinsinga zich van zijn tijd bij Riche, een gerenommeerd restaurant aan de Vismarkt. Vlak na de oorlog werkte hij daar.
Vlak voor de oorlog begon hij zijn kelnerscarrière in de Faun, op de hoek van de Herestraat en het Zuiderdiep. Over die zaak vertelde hij:
“De Faun stond bekend als een zaak voor de upper-ten van Groningen. De elite van de stad bracht daar elke dag een bezoek, meest zakenmensen van grote bedrijven, doctoren, advocaten. De gewone man kwam niet binnen, die had drempelvrees, die durfde gewoon niet.”
Hij was toen een jaar of zestien, zeventien. Hij hoefde niet in dienst. In de oorlog werd er een soort van collectieve Duitse keuken van gemaakt, waar het personeel ruimschoots voedsel en drank van de Duitsers jatte, die het op hun beurt immers ook weer gestolen hadden.. Ook ‘saboteerden’ Faun-medewerkers de zaak:
“Op het publicatiebord stond op een dag: kipperagout met verse aardappelen, 1 mark. Een paar dagen tevoren had de keuken 500 kippen aangevoerd gekregen en die moesten op die dag op het menu staan. Daar hadden de koks en het andere keukenpersoneel niet zoveel zin in. ’t Was erg veel werk, alle rotzooi uit die kippen halen, dus gooiden ze ’t hele zaakje zo in de kookpot. Op ’t menu stond Hühnerfricassee en de soldaten aten er met smaak van. De volgende avond waren er geen soldaten, die waren allemaal doodziek. Een aanwezige arts stelde vast dat ze kou op de ingewanden hadden.”
De baas van de Faun was net nieuw in Groningen. Hij kwam uit Rotterdam, waar hij piccolo en oberkelner was geweest bij Krasnapolski. In de Faun ontpopte meneer zich als een hele strenge directeur. Jantje Plinsinga mocht diens dochter van vijftien wegwijs maken in de stad, ze kregen een oogje op elkaar en werden met zijn beiden betrapt op een bankje in het Stadspark. Jantje werd op staande voet ontslagen:
“Van de baas kreeg ik te horen dat ik een verhouding met zijn dochter zocht en dat zijn dochter geen slaaf trouwde.”
Bron: Ober aannemen! De Groninger horeca van toen zoals herinnerd door Jan Plinsinga (Groningen 1986)
Japans marktplein in Grunn (1903)
Geplaatst op: 4 augustus 2010 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenTegenwoordig is er veel blabla over de Ramblas, maar Groningen heeft ooit een Japans Marktplein gekend. Dat was op de grote tentoonstelling die van 15 juni tot 15 augustus 1903 achter het Boterdiep plaatsvond. Op die tentoonstelling presenteerde Groningen zich aan de wereld. De Groningers waren zo trots, dat ze het een wereldtentoonstelling vonden.
Zo zag dat Japanse Marktplein eruit:

Naar het schijnt was de Japanse pagode, rechts van het midden, vooral een Groningse interpretatie van een Japanse pagode.
Hier het drukbezochte Japanse theehuis:

En het interieur van dat theehuis op een stil moment met vermoedelijk Indische rotan-stoeltjes:

Je zou het vol met mensen willen zien, op een impressionistisch schilderij.
Tot slot het Japanse theater met dezelfde stoeltjes en een verder nogal Jugendstil-achtige vormgeving.

Ook de Japanse gezant kwam langs. Je zou een lieve duit willen geven voor zijn gedachten. Zou hij ook gerapporteerd hebben aan zijn regering?
In totaal bezochten een paar honderdduizend mensen die zomer de tentoonstelling. Het was zo druk in de stad, dat de hotels nee moeten verkopen.
Literatuur: Daniël Broersma, Het wonderland achter de horizon (Groningen 2005) hoofdstuk 2 (pdf) pag. 26 – 29.
Met een kiep kanarievogels
Geplaatst op: 3 augustus 2010 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Ze heetten bijvoorbeeld Ekkerman, Perketon, Susenaar, Weideman of Zoepholt. Maar door hun slechte verstaanbaarheid raakten die namen verbasterd: Perketon veranderde in Perquieëton, Weideman in Wetema. Soms waren ze familie van elkaar: verschillende Ekkermans vertoonden zich hier bijna gelijktijdig.
Een of twee keer per jaar bezochten ze de stad Groningen. Doorgaans daagden ze op als het ging winteren en de vogelzang boven de velden helemaal verdwenen was. Een week of wat bleven ze met hun gevederde negotie. Naderhand kwamen ze ook wel eens in het voorjaar. Maar ’s zomers lieten ze verstek gaan, want dan was het broedseizoen en werkten ze thuis op het land of in de mijnen.
Voor 1775 kwamen ze vooral van Tirol, erna uit Brunswijk en Saksen, dat wil zeggen de Harz. Maar omstreeks 1800 duikt ook Brabant op als hun land van herkomst.
Vormde het voor de meesten een eenmalig uitstapje, er zaten ook een paar echte handelaars bij, die hier jaren en jaren kwamen. Hun koopwaar bestond uit kanaries, altijd puik in de veren en mooi van zang. Na 1775 konden die kanaries allengs fraaier zingen. Ze waren toen bij nachtegalen in de leer geweest en kwinkeleerden er zelfs ’s avonds bij kaarslicht lustig op los. Vandaar dat de kooplui uit de Harz zich “vermaard” en “wijdberoemd” durfden noemen.
Eerst logeerden de Vogelhändler steevast bij kastelein School, die tot 1748 onder de Poelepoort herberg hield en daarna De Zwarte Arend aan de Nieuweweg pachtte, maar tegen 1760 overstapte naar De Drie Bonte Kanarievogels op De Laan. Die laatste herberg bleven ze ook onder Schools opvolgers trouw, al moesten ze wel eens uitwijken. Bovendien verbleven ze later nogal eens in de Bolderij aan de Oosterstraat, twee huizen vanaf de Grote Markt links.
Als ze arriveerden waren de kanaries vier gulden per stuk. Als ze weggingen zakte die prijs naar drie. Hun vervoermiddel voor de pietjes was de kraak of kiep, een grote korf op hun rug.
—
(Eerder in iets andere vorm verschenen in straatkrant De Riepe. Het plaatje komt uit Ambachten en bedrijven, een kinderboekje dat de DBNL net op het web heeft gezet.)
Tiktak’s Succeskoffie
Geplaatst op: 2 augustus 2010 Hoort bij: Stad toen 13 reacties
Onlangs kocht ik een kwartetspel, ooit uitgebracht door een kruidenierswinkelketen.
Het probleem is de datering. De verkoopster dacht dat het spel uit de jaren dertig stamde, maar vanwege het kapsel en de jurk met polkadots van bovenstaande Tiktak-fuffrouw zat ik zelf meer te denken aan de vroege jaren vijftig.
Helaas lijkt de Groninger firma Tiktak niet zo veel reclame te hebben gemaakt voor haar Succeskoffie, De enige drie advertenties die ik vond hebben in de vroege jaren dertig in de Leeuwarder Courant gestaan. Daarmee zou de verkoopster van het kwartetspel gelijk kunnen hebben, ware het niet dat een product ook zonder reclame kan zijn verkocht. Vaak beperkte reclame zich tot de periode dat een product pas op de markt was, en bij voldoende naamsbekendheid liet men het erbij.
In elk geval was Tiktak later bekender door de thee, dan door de koffie. Ondanks de naam Succeskoffie was die koffie toch niet zo’n succes!
Op het pakje staat als gedeponeerd handelsmerk nog wel De Blauwe Haan, naar het oude pand aan het Damsterdiep nz. waar Tiktak tussen 1870 en 1902 gevestigd was, voordat er op hetzelfde adres een heuse fabriek verrees.
Mocht iemand een idee hebben wat betreft de datering, dan hoor ik dat graag!
’t Peerd van Ome Loeks en zijn internationale wortels
Geplaatst op: 29 juli 2010 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Radio Noord bracht vandaag meermalen het kennelijk nog niet internetrijpe bericht, dat het deze week precies honderd jaar geleden is, dat het Peerd van ome Loeks doodging.
Aan het woord kwam de uitbater van Eetcafé de Slingerij, die dit jubileum graag enige luister wil bijzetten. Hij vertelde het op zich bekende verhaal dat de toenmalige eigenaar van de Slingerij, Lucas van Hemmen (alias ome Loeks) een duur renpaard had, dat in een onrustige bui de stalknecht tegen de muur drukte. Om de knecht uit zijn benarde positie te bevrijden greep Van Hemmen een riek (mestvork) en prikte daarmee het peerd in de neus. Een dag of wat later ging het dier, dat voordien nog kerngezond was en vrolijk met zijn staart in het rond zwaaide, dood aan de complicaties.
Op de vraag van de reporter hoe dit verhaal zo bekend kon worden zei de uitbater dat iedere Groninger destijds ome Loeks en de Slingerij kende. Dat is best mogelijk, maar het liedje zou volgens mij finaal vergeten zijn, als de tekst niet was gezet op een wijsje, dat door de opkomst van de Weense wals in de negentiende eeuw een geheide evergreen was, en waarop men nu ook nog steeds een Sinterklaasliedje zingt, namelijk: “Daar wordt aan de deur geklopt, hard geklopt, zacht geklopt.”
Dat wijsje is oorspronkelijk een Weens volksliedje, Oh du lieber Augustin. En net als ‘Peerd van Ome Loeks’ is het oorspronkelijk een spotliedje. Het zou gecomponeerd zijn door een speelman uit de zeventiende eeuw, die er zijn verachting voor de zwarte dood mee uitdrukte.
Wat dus op het eerste gezicht een oorspronkelijk Gronings geestesproduct lijkt, blijkt onvermoede internationale wortels te hebben. Zo gaat dat trouwens wel vaker met zaken, die we graag beschouwen als authentiek lokale folklore.


Recente reacties