Hop in de kist (2)
Geplaatst op: 18 april 2010 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenBij de opgravingen op het Martinikerkhof, die al enige tijd aan de gang zijn, is er in een van de grafkisten hop aangetroffen. Volgens teamleider Bert Tuin lag dat
“…in de meest zware kist die we gezien hebben, met zijplanken en kopbeschot van 4,5 tot 5 centimeter dik.”
Tuin probeert aan de hand van bewaard gebleven begraafregisters nog te achterhalen om welke dode het gaat. Vermoedelijk betreft het iemand uit de zeventiende eeuw.
Zelf denk ik dat het een brouwer is geweest, net als een geval in Zuidbroek dat ik een poos geleden in een boedelinventaris aantrof. Brouwers waren de rijkste ambachtslieden van de stad Groningen in de zeventiende eeuw.
Naschrift 1 mei 2014:
De veronderstelling dat alleen brouwers hop in de kist kregen, blijkt niet te kloppen. Een vervolg op Chomels woordenboek uit 1786 zegt:
“Aan bet hoofdeinde [van de doodskist HP] is de bodem opgevuld met hoppe of eiken krullen, waar op men bet hoofd der dooden als op een kussen nederligt.”
Het tractement van de Tonneboeier
Geplaatst op: 14 april 2010 Hoort bij: Stad toen, Wadden 1 reactie
“De Tonnemeester zal van de Stad, sjaarlijks een Tractement genieten vijf en zeventig Car[oli] g[u]l[den], voor het opzigt over de zeekapen op de Engelsmansplaat, zo lange dezelve aldaar zullen staan, voor jeder sjaars veertig Car[oli] gulden, en vijftien guldens voor jeder kaap voor roeten en Teeren, het roet en Teer daar in mede begreepen, En daar en boven voor jeder zeeschip ’s jaarlijks voor Ton en baakengelt een gulden en tien st[ui]vers, voor ieder turfschip telken reise twee st[ui]vers, en van jeder schip dat de baakens op den Dollardt gebruikt ’s jaars ses st[ui]ver.”
Aldus artikel 17 van de Instructie voor de Stads Tonneboeier, zoals het Groninger stadsbestuur die in 1762 vaststelde. Er blijken dan twee stadskapen op de Engelsmanplaat te staan, die schippers waarschuwden niet te ver naar het westen af te dwalen, als ze vanuit de Noordzee het Groninger Gat instaken. De Stadstonneboeier of Tonnemeester had het toezicht op die kapen. Voor dat werk kreeg hij 80 gulden per jaar, voor het onderhoud 30, maar dan moest hij zelf wel zelf het benodigde roet en het teer betalen, waarmee het hout ingesmeerd werd.
Ik schat dat die Tonneboeier zijn werk redelijk goed betaald kreeg. Zijn vaste tractement bedroeg 75 gulden, met het geld voor de kapen maakte dat 185 gulden. Maar interessanter waren waarschijnlijk de inkomsten aan ton- en bakengeld: een daalder voor een zeeschip, een paar stuivers voor een turfschip. Ik meen me te herinneren dat een paar honderd zeeschepen per jaar de Groninger Noorderhaven aandeden, voornamelijk voor het laden van haver met de bestemming Engeland. Dat moet dan een paar honderd daalder hebben opgebracht. Op de turfschepen heb ik geen kijk, maar dat kan wel eens een beste vloot geweest zijn.
Daar staan uiteraard ook weer kosten tegenover, zoals aan een bemanning van vijf koppen. En aan de ervaren loodsen van Schiermonnikoog en Zoutkamp, die ieder voorjaar, als er weer open (ijsvrij) water was, de route moesten uitpeilen, voordat de Tonneboeier en zijn mannen hun steekbakens en tonnen konden uitzetten.
Net als de kleine kaap en de grote loopkaap op Schiermonnikoog werden de beide kapen op Engelsmanplaat in 1802 opnieuw gebouwd. In 1811 werden ze overgedragen aan het Franse Gouvernement. Nog weer later zal de landelijke Nederlandse overheid er wellicht zorg voor hebben gedragen.
Met dank aan Thijs Boekema
.
Het Vrije Volk, begin jaren vijftig
Geplaatst op: 4 april 2010 Hoort bij: Media, Stad toen Een reactie plaatsen
Dat was me nogal een loodzware organisatie, zo’n krant. Het pand aan de Stoeldraaierstraat waar de Groninger editie gemaakt werd, komt ook even in beeld. Zo te zien met boeken van de Arbeiderspers in de etalage.
Antieke eieren
Geplaatst op: 4 april 2010 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Gezien aan het Zuiderdiep (2008).
Zoekgeraakt kinderboekje nu op het web
Geplaatst op: 25 maart 2010 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Bij een enorme verzameling kinderboekjes, allemaal integraal gefotografeerd en geplaatst in een Picassa-webalbum, staan er een stuk of zes van de Groninger schoolmeester RG Rijkens (1795 – 1855). Daartoe behoort dit exemplaar, dat uitgever Oomkens in 1833 ‘overgaf’ aan het gemeentebestuur van Groningen. Ik kan me bijna niet voorstellen dat de gemeente Groningen het op legitieme wijze kwijt is geraakt.
Een Romeins huwelijksamulet uit Groninger klei
Geplaatst op: 24 maart 2010 Hoort bij: Stad toen 4 reacties
Het zwarte schijfje van git, slechts 4,3 centimeter groot, toont een vrouw en een man met een jongen in hun midden. Omdat het uit een middeleeuwse sloot kwam, dachten de vinders eerst dat er de Heilige Familie op stond. Maar dat is niet zo. Het gaat om een laat-Romeins huwelijksmedaillon met een magische bedoeling.
Emeritus-hoogleraar Romeinse Oudheidkunde W.A. van Es schrijft erover in het nieuwe nummer van ’t cultuurhistorisch tijdschrift Stad & Lande, dat vandaag of morgen bij de abonnees in de brievenbus ligt. Volgens Van Es zijn ook in Keulen en York dergelijke gitmedaillons uit de vierde eeuw na Christus gevonden. Keulen en York waren de bekendste productie-centra van zulke sieraden. Het stuk uit De Held vertoont grote stijl-overeenkomsten met een sieraad uit Keulen en komt vermoedelijk daar vandaan.
Het medaillon van De Held diende waarschijnlijk als amulet dat onheil moest bezweren in de sfeer van huwelijk en gezin. Git gold bovendien als een middel tegen allerlei kwalen. Mogelijk is het stuk al in de Romeinse tijd in de grond beland, later weer gevonden en nogmaals verloren, dit keer in een veertiende-eeuwse sloot, die bij de opgraving van De Held tevoorschijn kwam.
Die opgraving (2004 – 2006) legde een in één keer opgeworpen bult bloot, die van de twaalfde tot het eind van de veertiende eeuw als huispodium in gebruik was. De bewoners waren eenvoudige boeren. Ook tegen deze achtergrond is het medaillon een uitzonderlijke vondst.
Het nieuwe nummer van Stad & Lande bevat verder onder meer artikelen over de plaatjesalbums van Tiktak, de vergeten tuinarchitect Gerrit Vlaskamp en de gevolgen van een stormramp voor Zoutkamp (1807).
Stad & Lande verschijnt vier maal per jaar en gaat naar alle leden van de gelijknamige vereniging. Zij krijgen jaarlijks ook het Historisch Jaarboek Groningen thuisgestuurd. Het lidmaatschap van Stad & Lande, een club die verder veel historische lezingen organiseert, kost € 27,50 per jaar. Men kan zich opgeven via de website. Wil men alleen een los nummer van het blad, dat kan ook, het is voor € 5,50 te koop bij boekhandel Godert Walter aan de Oude Ebbingestraat in Groningen.
Horeca-exterieurs op stad-Groninger suikerzakjes
Geplaatst op: 21 maart 2010 Hoort bij: Stad toen 1 reactieOp suikerzakjesgebied is er een groot verschil tussen stad en platteland. De stad bracht nauwelijks exemplaren voort die exterieurs van horecapanden laten zien, terwijl de suikerzakjes afkomstig van het platteland juist in grote meerderheid zulke afbeeldingen hebben. Dat komt, vermoed ik, doordat de meeste horeca in de stad geen exterieurs had, die men nou zo graag zou willen tonen. Hier bevinden horecabedrijven zich vaak in bouwblokken, terwijl het op het platteland meestal vrijstaande panden zijn die zich ook architectonisch onderscheiden in hun omgeving.
Maar al zijn het uitzonderingen, er zijn wel degelijk suikerzakjes met topografische afbeeldeingen uit de stad. Zoals deze van de Faun op de hoek van de Herestraat en het Zuiderdiep, waar sinds kort de Zara zit (de ornamenten zijn gebleven):

Of deze van het Goudkantoortje op de Grote Markt, die afkomstig is van de jubilerende VVV. Waarbij de tekenstijl sterk doet denken aan die van cartoonist Nico Visscher:, die het zakje inderdaad heeft ontworpen:

Ook van het Poortershuisje aan het Damsterdiep is er een suikerzakje. Hé, maar dat pandje bestond in de suikerzakjestijd toch niet meer? En heeft er ooit een café in gezeten dan? Nee, kijk naar het adres, dat café zat aan de Nieuweweg, vlakbij de lokatie van het verdwenen monumentje. Met zijn suikerzakje kwam de uitbater op de verdwijning terug:

Wat dichterbij de Steentilbrug de Wachtkamer van de bussen richting Appingedam, van maatschappijen die opgingen in de GADO:

Beis! Beis! Een Jiddisch restant in Groninger straattaal
Geplaatst op: 13 maart 2010 Hoort bij: Stad toen, Taal 2 reacties
Ruim een half jaar geleden werd ik benaderd door een misdaadauteur, die zich afvroeg waar het woord beis of bijs vandaan kwam.
In zijn jeugdjaren hier in de stad Groningen werd dat woord gebruikt ter aanduiding van een politieman:
“Wij zeiden in de vijftiger jaren en later hier in Groningen tegen een agent altijd beis. (…) Een rechercheur noemden we altijd een ‘stille beis’.”
Hij had links en rechts wat mensen geraadpleegd, en de suggesties gingen helaas alle kanten op. Zo dacht iemand dat beis bargoens was voor kwartje. Iets wat de misdaadauteur vreemd voorkwam, want hoe lag dan het verband tussen dat kwartje en die politieagent?
Ik keek even in het WNT, maar dat leverde niet veel soeps op. Het enige wat ik kon bedenken, was een verband met de term biesjager. Een biesjager of armjager, op het Groninger platteland meestal roderoede of roroe, en in Drenthe doorgaans kerspelsoldaat geheten, was de veldwachter die moest voorkomen dat er arme sloebers zich metterwoon in een dorp gingen vestigen waardoor zij de lokale armenkas konden gaan belasten. Biesjager zou dan in het Gronings verkort en vervormd kunnen zijn tot beis. Maar ik moest er meteen bij zeggen dat deze verklaring me wel wat gezocht leek voor een woord, dat voorlopig louter uit een stad-Groninger context bekend was.
Als een vraag open blijft staan, stuit ik vaak vrij snel en bij toeval op een plausibel antwoord. Begin februari zat ik in elk geval nog op het spoor van biesjager. Uit een oud etymologisch artikeltje van J. Bergsma liet zich opmaken dat de term biesjager pas in de tweede helft van de negentiende eeuw vanuit Friesland doordrong in de wijde omgeving van Emmen. Die term was daar in Zuidoost Drenthe dus waarschijnlijk geïmporteerd door veenarbeiders. Volgens Bergsma stond biesjager zowel in Friesland en Oost-Friesland, als het tussenliggende Groningerland voor gerechtsdienaars die op het platteland “boeven, schooiers en ander verdacht volk” uit hun gemeentes moesten geleiden:
“Bisen zou hetzelfde zijn als ons biezen, dat van loeiend en wild rondloopende koeien wordt gezegd.”
Maar een betere verklaring vond men volgens Bergsma in een woordenlijst bij de zeventiende-eeuwse Friese auteur Gijsbert Japicx:
“Bijze is boef, schurk, schelm, schalk, guit enz.”
Hoe dan zo’n aanduiding voor gespuis in het Friesland van de Gouden Eeuw evolueerde tot een aanduiding voor juist de bestrijder van datzelfde gespuis, bleef een raadsel. En dit spoor leek dan ook een doodlopend spoor. Nog steeds hadden we geen zekerheid omtrent de herkomst van beis, zo concludeerden de misdaadauteur en ik mistroostig.
Maar het wordt nog wel wat met onze studie, want van de week vond ik een beter antwoord in een lijst met jiddische woorden en zegswijzen, zoals die voor de oorlog in Winschoten werden gebruikt. Op die lijst staan de termen beis, beis hebbm, beisje, beisjen (of beizen), beisjeroge en beisjerool.
Van al deze woorden lijken beisjeroge en beisjerool het minst met het stad-Groninger taalfenomeen beis te maken te hebben. Deze twee termen hebben zich vanuit het oorspronkelijk Hebreeuwse ‘ben jisroël’ (zoon van Israël) ontwikkeld tot een aanduiding voor jood en joodse koopman in ongeregeld goed.
Beis zelf kwam volgens de Winschoter-jiddische woordenlijst ook uit het Hebreeuws, en betekent in die taal: twee. En bij uitbreiding: iets of iemand op twee benen. De betekenis in het Winschoter jiddisch was echter: politie-agent (meervoud beizn)!!!
Beis hebbm, afgeleid van het Duitse böse of het joodse beise, oorspronkelijk staand voor kwaad, was in het Winschoter jiddisch: ruzie hebben
Beisje, weer afgeleid van twee, was dubbeltje (twee stuivers immers). Vandaar de verwijzing naar het Bargoense kwartje, die onze misdaadauteur tegenkwam.
Beisjen (of beizn), tenslotte, stond oorspronkelijk voor: op twee benen gaan. Maar dit evolueerde in het Winschoter (en Groninger) jiddisch tot: rennen. Overigens is de uitgang -jen een Fries restant in sommige Groningse werkwoorden.
Kortom: beis, in de jaren vijftig en zestig nog een term waarmee stad-Groninger straatjongens elkaar waarschuwden als er politie aankwam – Beis! beis! – belandde in hun taal via het jiddisch, waarin het al een aanduiding voor politie was. Oorspronkelijk is beis een Hebreeuws term voor twee. Deze term verbijzonderde in de loop der tijd tot een aanduiding voor iemand op twee benen. Met die lichaamsdelen heeft ook het werkwoord te maken, dat van toepassing was op straatjongens die een beis aan zagen komen. Ze moesten beisjen, oftewel maken dat ze wegkwamen, rennen.
Literatuur:
- J. Bergsma – ‘Woordafleiding’, in: Driemaandelijkse Bladen, eerste jaargang nr 4 (1902), pag. 121 – 122.
- Dr. T Potjewijd – Leven en werken in Winschoten in de negentiende eeuw (Winschoten 1977) pag. 156.
Prommelingen op de mestvaalt
Geplaatst op: 9 maart 2010 Hoort bij: Stad toen 14 reactiesGeloof het of niet, maar prommelen blijkt een werkwoord in het onvolprezen Woordenboek der Nederlandse Taal. En prummelen was daarvan een Groninger vorm. Waar een o staat mag je dus ook een ö of korte u lezen, als je van streektaal houdt. En wie doet dat niet, in meertmoand dialectmoand?
Prommelen dan, stond voor: in de baard brommen of mompelen. Uit Ter Laans Groninger Woordenboek haalde het WNT dit zinnetje:
“Zai prommelde wat veur zok heer (voor zich uit),”
Een verouderde betekenis van prommelen of prummelen, nog steeds gangbaar in sommige contreien, is: wegmoffelen, wegstoppen. Een citaat uit de volkszangen van De Coussemaker (1856):
“Den uyl die op den peerboom zat – ’t Was daer dat hy zyn pootje brak; Men prommelde al hem in eenen zak,”
Het van het werkwoord prommelen afgeleide zelfstandige naamwoord geprommel, is volgens Ter Laan: gemopper.
De onderliggende vorm prommel echter, staat bovenal voor: rommel, afval
Prommeling heeft dezelfde betekenis.
De samenstelling inprommelen staat voor: in de vodden rollen.
Terwijl wegprommelen wegstoppen betekent.
Klonters
Geplaatst op: 27 februari 2010 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Een paar jaar voor zijn dood bezocht Jozef Israels familie in Groningen. Hij kwam voorbij het huis van een vroegere vriend, dat net opgeschilderd werd. Hij belde er aan en na de begroeting en het wederzijds informeren naar elkaars gezondheid zegt Israels opeens: “Heur ies vrund, ‘k bin kwoad op dij. Nou ‘k in stad bin hast mie toch ook best wat gunnen meugen. Ik bin toch ook schilder.” Zijn vriend keek hem heel even aan en zei: “Heur ies Jozef, dou gooist mie te dikke klonters d’rop”.
Bron: LC 19.8.1911
Film van Groningen in 1916
Geplaatst op: 26 februari 2010 Hoort bij: Stad toen 19 reacties
Er staat een prachtige film van Groningen uit 1916 op de VPRO-site ‘Eeuw van de stad’. Misschien moet je net als ik even reloaden om de beelden in het juiste, grote formaat op het scherm te krijgen – kijk anders hier – maar dan heb je ook wat. De maker is onbekend, maar diens impressies, vaak geschoten vanaf een tram, zijn vertoond in een Polygoon Bioscoopjournaal van 1928.
Wat mij opvalt is het vele gehuppel voor de camera en het feit dat een flink deel van de mensen op zijn zondags uitgedost is, terwijl anderen in hun dagelijkse kloffies hun gewone werk lopen te doen (bijvoorbeeld achter de vele handkarren die de stad nog rijk was). Ik heb zo’n idee dat de maker een aantal mensen geronseld heeft om wat meer beweging in zijn film te krijgen.
Het ex libris van Herman Molendijk
Geplaatst op: 23 februari 2010 Hoort bij: Kunsten, Stad toen Een reactie plaatsen
Herman Molendijk (1896 – 1983) kwam als onderwijzer en invloedrijk AJC-leider omstreeks 1930 in Groningen terecht. Hij was in Duitsland geweest, waar bepaalde vormen van de socialistische jeugdbeweging hem bijzonder bevielen. Deze introduceerde hij in Nederland. Aan zijn Duitse verblijf hield hij een aardig netwerk over. Na de machtsovername door Hitler was hij een van degenen die gevluchte Duitse geestverwanten verder hielp.
In 1935 werd Molendijk de tweede socialistische wethouder van Groningen, met in zijn portefeuille sociale zaken en onderwijs. Nadat de Duitsers ons land bezetten zat hij al vrij snel ondergedoken in Twente, waar hij actief was in het verzet. Meteen na de Bevrijding keerde hij terug naar Groningen en maakte hier deel uit van een ‘noodcollege‘. Hij gold als een doorbraaksocialist en werd bij de eerste echte wethoudersverkiezing in oktober ’45 als enige wethouder unaniem gekozen. Uit het afspiegelingscollege wilde hij de CPN niet weren. “De ware democratie”, zei hij, “gunt ook een minderheid haar plaats”. Als wethouder van onderwijs, personeelszaken en cultuur maakte hij zich iets minder populair bij de politieke jongerenorganisaties, want die zette hij zonder pardon uit het Prinsenhof.
Molendijk bleef dit keer niet erg lang aan als wethouder. In het najaar van 1946 werd hij benoemd tot burgemeester van Amersfoort. Hij bleef dat tot zijn pensionering in 1961. Hij kwam er op voor kunst en cultuur en zorgde er persoonlijk voor, dat er een aantal beelden in de stad werd geplaatst. Ook bewerkstelligde hij dat Rietveld een tentoonstellingspaviljoen voor de stad mocht ontwerpen, iets wat niet iedereen Molendijk in dank afnam (1959). Vandaag de dag draagt nog steeds een Amersfoorter kunstfonds zijn naam.
Het ex libris van Molendijk zit ook in de collectie van het Joods Historisch Museum in Amsterdam. Het is een ontwerp van Fré Cohen (1903 – 1943), die hij waarschijnlijk kende van de AJC, en die net als hij in de oorlog in Twente ondergedoken zat. Zij ontwierp voor wel meer socialistische kopstukken ex librissen, bijvoorbeeld voor Koos Vorrink, Adriaan Gerhard en Johan van de Kieft. Maar het Joods Historisch Museum heeft ook nog ander werk van haar.
Van de dalles in De Hoogte tot hoogste ome bij Wolters
Geplaatst op: 22 februari 2010 Hoort bij: Stad toen 1 reactie
In zijn jeugd, zo schreef uitgever Jan de Groot (1930-2008), had de Groninger stadswijk De Hoogte…
“…een heel eigen karakter van saamhorigheid, met gedeelde armoede als negatief maar bindend element, maar ook met de fiere kracht van sterkende buurtcontacten, met veel binding, ook politiek.”
Volgens hem en zijn broer Johan had de bezorger van de socialistische krant Het Volk in hun buurt geen lijstje bij zich van abonnees, maar daarentegen van mensen bij wie hij de krant niet hoefde te bezorgen en wier adressen hij dus kon overslaan. Jan en Johan noemen De Hoogte een geïsoleerde wijk, een “soort besloten tuindorp”, zo aan het eind van de Bedumerweg. Johan contrasteert daarbij de eigen buurt met die van de andere kant van de Bedumerweg, waar meer een soort van lompenproletariaat woonde:
“Tussen De Hoogte en bijvoorbeeld het Deliplein gaapte een wereld van verschil. Dag en nacht. Het Deliplein was echt het laagste van het laagste. Op De Hoogte werd de krant gelezen, het Volksdagblad; iedereen was georganiseerd; op 1 mei stikte het van de rode vlaggen.”
Dat contrast keert ook weer terug in een interview met hun jongere broer Carolus. “Natuurlijk had je wel mensen die het beroerder hadden”, zegt hij,
“op het Deliplein bijvoorbeeld, daar zaten echt ‘schooiers’ bij. Ze konden er niks aan doen, ze waren ook maar zo gemaakt door de maatschappij.
Je had dus, vonden wij in die tijd, arbeiders en arbeiders. Wij onderscheidden ons van die andere arbeiders bijvoorbeeld door ons taalgebruik. Zij waren toch veel ruwer en grover in hun woorden. Echt onvertogen woorden kwamen er bij ons niet veel uit. Vloeken wel natuurlijk.”
De citaten over De Hoogte en naburige wijken haalde ik van de website, die Coos de Groot maakte voor wijlen zijn vader Jan. Uit de verschillende verhalen valt op te maken dat deze Jan de Groot opgroeide in een gezin zonder regelmaat, met een vader die vaak werkloos was en daarom in de steun of de werkverschaffing zat. Desondanks ging Jan de Groot als een van de zeer weinige arbeidersjongens uit De Hoogte naar de HBS. Studeren was er eerst niet bij. In 1949 kwam hij als jongste bediende in dienst bij uitgeverij Wolters, waar hij in twintig jaar tijd opklom tot directeur, een functie die hij later ook had bij de fusie-uitgeverij Wolters Noordhoff.
Toch zou Jan de Groot zijn afkomst nooit verloochenen. Hij bleef “uitgever met een rood hart”. Dat blijkt ook wel uit de ‘boekjes ‘ die hij na zijn pensionering schreef en in eigen beheer uitgaf. Zijn zoon heeft deze allemaal op de website ter ere van zijn vader gezet. Ze gaan onder meer over het satirische weekblad ‘De Notenkraker’, de socialistische jeugdclub AJC en het socialistische familieblad ‘Wij, ons werk, ons leven’. Samen met de kortere stukken die Jan de Groot als uitgever naliet bieden ze stof voor vele avonden leesplezier.
Illustratie: Johan Dijkstra – Ontwerp muurschildering voor JB Wolters (1961 )
De Lamme Huininge- en andere verdwenen straatnamen
Geplaatst op: 11 februari 2010 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen“Afgeschafte straatnamen te Groningen
De geschiedenis der stad Groningen is voor een deel geschreven in hare straatnamen. Het is daarom te betreuren, dat men in den laatsten tijd er op uit is sommige dier namen te verduisteren.
Eerst heeft de ‘Achter-den-muur’ het moeten ontgelden, zeker omdat de bewoners der zoo genoemde straten-reeks het minder aangenaam vonden achter een, trouwens sedert lang verdwenen, muur te wonen. Een gedeelte is men echter ‘Muurstraat’ blijven noemen, eene benaming, welke met toevoeging van den naam der aangrenzende hoofdstraat, ook voor de andere gedeelten had kunnen dienst doen, en waarbij de historische herinnering zou zijn bewaard gebleven,De Lammehuininge-straat heeft haren naam moeten verliezen, omdat die naam, welke eerst aan den stichter van het aangelegen gasthuis herinnerde, in later tijd te veel verwantschap met ‘Zandstraat’ en ‘Zeedijk’ had bekomen. De straat is nu naar eene naburige kerk genoemd. Of het verbetering zal aanbrengen?
Evenzoo is het gesteld met ‘Het Woerdje’, waarvan de naam herinnert aan de stad Woerden en De Hooge- Woerd-straat te Leiden, en gelijk deze de aanduiding bevat van een hoogen grond (verg. waard, weerd, wierd). Op verzoek der bewoners is de oude naam afgeschaft en voortaan zal de straat Folkingedwarsstraat heeten.
Het komt mij voor, terwijl men genoodzaakt is, om bij het benoemen van de straten der nieuwe stad de toevlucht te nemen tot min passende of geheel onpassende benamingen, dat men beter zou doen, de zeer passende benamingen in de oude stad te behouden.”
St. Anna-ter-Muiden. J. R. VAN EERDE”
Bron: De Navorscher 1885, pag. 627, 628
Kluun, Kluunskip, kluunskonk en klunen
Geplaatst op: 10 februari 2010 Hoort bij: Stad toen 5 reacties“Maar het beroemdste bier in het noorden van Nederland was oudtijds, en nog voor vijftig jaren, het Groninger kluunbier. Nog heden draagt het veerschip van Groningen op Leeuwarden in laatstgenoemde stad algemeen den naam van Kluunskip, omdat het oudtijds dat beroemde bier meebracht. En als iemand, door veel van dat kluunbier te drinken, op zijn ouden dag podagra of ”t pootje’ kreeg, dan zei men in Friesland: hij het ’n kluunskonk (skonk, friesch voor been).”
Aldus Johan Winkler (te Leeuwarden) in de Navorscher van 1874, pag. 573. In Groninger stukken heet het bier doorgaans kluin.
Van kluin of kluun schijnt trouwens klunen afgeleid te zijn, als je bijvoorbeeld deze website mag geloven:
“De waggelende gang waarmee iemand de herberg verliet, na het drinken van een paar potten Kluin werd ‘kluinen’ genoemd. In de loop der eeuwen werd dat verbasterd tot ‘klunen’ en slaat nu op de waggelende gang van een schaatser op het land.”

Recente reacties