Maanmannetje blijkt Groninger groenteboer

Geplaatst op 9 februari 2010  a

Bron: De Navorscher, 1855.


Ranja in het reclamevakblad

Geplaatst op 8 februari 2010  a

Voorlopig lijkt De Reclame van al die vakbladen het meest op te leveren. Het verscheen van 1922 tot 1937, de tijd dat het merk Ranja dankzij reclamecampagnes landelijk opgang maakte. Daarom besloot ik eens te kijken of het periodiek daar ook over schreef.

En dat deed het. In het nummer van februari 1922 klaagt ene Haesen uit Maastricht over de vervalsing van zijn merk Pleegzuster Bloedwijn:

“Is het niet diep treurig, dat zoo iets in ons land kan plaatsvinden, zonder strafbaar gesteld te zijn”,

vroeg hij retorisch. Om eraan toe te voegen:

“Deze nabootsers parasiteeren dus op het succes behaald door onze energie en langdurige kostbare reclame.”

Een ander voorbeeld dat hij kent is dat van Ranja:

“De welbekende firma C. Polak te Groningen brengt in den zomer van 1920 haar thans algemeen bekende Ranja-limonade in den handel, die, dankzij de systematische reclame die hiervoor op touw gezet werd, grooten opgang gemaakt heeft en ‘erin zit’; – er is geen plaats of gehuchtje in ons land, of het kleinste kind weet wat ‘Ranja’ is. Wat zien wij nu gebeuren?
Een tiental, neen, ja wel een twintigtal déloyale concurrenten zijn als de kippen erbij, om een ongeveer gelijk product onder allerlei misleidende namen als Pranja, Sinja, Granda, Ronza en ik weet al niet onder wat spitsvondige aanduidingen van deze reclame te profiteren en hun waren onder deze misleidende benamingen aan den man te brengen. Is dit gewoon geen diefstal plegen ten koste van het doorzicht, talent en zakenkennis, gepaard met een grootsch opgezette, kostbare reclame door bovengenoemde firma.”

Haesen vraagt het blad om te helpen bij het stoppen van deze praktijken. Zonder zulke “wantoestanden” en met een merkenrecht dat ook boetes kent, zouden zakenmensen volgens hem veel meer voelen voor grote reclame-campagnes.

II

Dat de redactie van ‘De Reclame’ het met de ingezonden briefschrijver eens was, blijkt uit het nummer van maart 1923, waarin ze zelf ook de Ranja-parasieten gispt. Ze toont daarbij een “staaltje van grove, unfaire reclame”, dat haar toegestuurd is:

Geplaatst op 8 februari 2010  b

“Begrijpt deze firma nu niet, dat ze er haar eigen glazen mee ingooit. Afkammen van een concurreerend artikel is steeds een fout, het toont slechts eigen zwakheid. Als daarin de kracht gezocht moet worden, is het eigen aangeboden artikel nooit veel zaaks.”

III

Niet altijd echter, was De Reclame zo lief voor Ranja. In het nummer van augustus 1925 vond columnist W. den Hoonert, een tekenaar van professie, Ranja-Rienes, het mannetje van de Ranja-campagnes, sterk lijken op een alcoholist. “In allen ernst, mijnheer Polak”, zo hield hij de Groninger fabrikant voor,

“…acht U werkelijk dezen waggelenden dronkelap den aangewezen propagandist voor uw Ranja? Deze doorgezakte pierlala met z’n drank-gezwollen-oranje-kleurigen dikken kop ? z’n doorgezakte slappe knieën, z’n waterige ogen ? de hoed over een hoek van 30 graden schuins op z’n schedel. Meent u het serieus?”

In een ingezonden brief kwam ene Downs voor de Ranja-mascotte op. Volgens hem getuigde het manneeke toch wel van “een streven naar lijn”. Als Van den Hoonert op een dergelijke manier de plantjes vertrapte in de tuin van iemand, die alleen maar zijn best deed, dan moest hij ook zorgen voor een schadevergoeding, in de vorm van iets mooiers en beters:

“daarmede dient ge meer het belang van de reclame dan met knuppelen in ’t wilde weg”

Maar Van den Hoonert wilde helemaal geen eigen ontwerp maken, tenzij de fabrikant het hem vroeg. Volgens hem was zijn kritiek opbouwend, ja zelfs goedig geweest.

🙂

Hoe dan ook, Ranja-Rienes bleef nog jaren in zwang bij de Ranja-campagnes,


Ruurt Hazewinkel verklaart zijn succes

Geplaatst op 7 februari 2010  a

Onlangs is een heel zootje reclamevakbladen op het web gezet en toegankelijk gemaakt. Bij het doorzoeken van Meer Baet op de naam Hazewinkel kwam ik in het nummer van december 1929 dit citaat tegen in een zo te zien geschreven interview met Ruurt Hazewinkel, sinds ruim veertig jaar de eigenaar van het Nieuwsblad van het Noorden.


Stad, kortom

Laatst vroeg ene Thijs hier:

“Wat is dat fenomeen dat Groningers altijd ‘stad’ zonder lidwoord gebruiken om de stad Groningen mee aan te duiden? Is daar een verklaring voor? Persoonlijk vind ik het nogal slordig staan en misschien een tikkeltje arrogant omdat er meer steden dan Groningen zijn.”

Er kwamen toen al wat verklaringen voor, zoals de vroegere naam van de provincie: Stad & Lande.

Zonet kwam ik in de ‘Vaderlandsche geographie‘ van WA Bachiene (1791) een passage tegen die daar mooi op aansluit (pag. 158):

“GRONINGEN: de Hoofdstad, en de eenige- die, volstrektelyk genomen, den naam eener Stad verdiend; weshalven, by de aanwyzing der verdeeling dezer geheele Provincie, de benaming van STAD en Landen, alzo zeer gemeen (= gewoon) en zelfs, gemeener is dan die van Groningen en Ommelanden; dewyl door alleen de Stad te noemen (als by uitnemenheid) geene andere- dan Groningen kan bedoeld worden.”


‘Echte Ranja geeft cachet’

In 1928 was er een reclamecampagne voor Ranja met allerlei min of meer gerenommeerde établissementen in den lande. Deze werden op suikerzakjesachtige wijze in de advertenties geportretteerd. Een kleine selectie:

Geplaatst op 5 februari 2010  a

Geplaatst op 5 februari 2010  c

Geplaatst op 5 februari 2010  d

Geplaatst op 5 februari 2010 b

Bron: Leeuwarder Courant


Op de buis

Ik was gister op TV Noord in ‘Het verhaal van Groningen’, met een bio van Matthias van Geuns, Voor wie het niet gezien mocht hebben – de gemiste uitzending staat hier (vanaf 14.35 minuten).


Armbrood is niet voor honden

Artikel 19 van het diaconiereglement, dat de kerkeraad van Zuidbroek in 1778 vaststelde:

“Het brood zal zijn gemerkt met ARMEN, en zullen diegene, welke daar van genieten, niet vermogen eenige hond of honden in hunne huizen te voeden, zullende in cas van wederstreving in de broods uitdeling worden gepasseerd.”

Dat het armbrood gemerkt werd, was om het verkopen daarvan door de armen te voorkomen. Met de bepaling dat structureel bedeelden geen honden meer mochten houden, liep Zuidbroek ruim drie jaar voor op de stad Groningen, waar eind 1781 een dergelijk verbod werd afgekondigd.


Ranja in Zeeland

De natte Polak adverteerde niet zo vaak in Zeeuwse kranten. Dat zijn topmerk Ranja in 1918 nog niet bestond, blijkt uit deze uitzondering:

Geplaatst op 25 januari 2010  a

De eerste keer dat de naam Ranja in een Zeeuwse krant viel, was in het jaar dat het merk gelanceerd werd, 1921:

Geplaatst op 25 januari 2010  b

De advertentie is van een Rotterdamsse slijterij. De prijs van Ranja was toen vrij hoog, ƒ 1,95 per fles. Later ging die omlaag tot een daalder, wat het zo’n beetje tot in de jaren vijftig is gebleven

Getuige een fragment uit een luimig stukje van 1922, was Ranja toen al de meest gevraagde limonadesiroop op uitgaansbestemmingen:

Geplaatst op 25 januari 2010  c

Polak adverteerde er dus zelf nauwelijks mee in Zeeuwse kranten, maar het bedrijf stond wèl op Zeeuwse beurzen, en liet in de zomer van 1928 deze rijdende Ranjasalon met radiomuziek langs de stranden gaan:

Geplaatst op 25 januari 2010  d

Bron van de knipseltjes


Een akelig toneel aan de Oudeweg

“Ondergeschreevene, uit naam van den Heere Praesident verzogt zijnde te passeeren een Declaratoir omtrent mijne bevindinge bij zeker Vrouwspersoon alhier op de Oudeweg, den 1 Maart na de verlossing overleeden, verklaare:

Dat ik, kort na twaalf uur van gemelden dag aan zeker huis in den tour mijner Visites ontmoet hebbende een aldaar van mijn huis geboodschapt verzoek wegens den Diacon Mindelts, gelijk mede van de Vroedvrouw Itsema, om ten schielijksten te koomen ter assistentie eener vrouwe op gezegde Oudeweg, mij met allen spoed heb begeeven naar ’t huis van diacon Mindelts om nader aanwijzing te krijgen, alwaar koomende verstond dat het vrouwspersoon reeds was overleeden. Welk berigt nader werdt bevestigd door Vrouw Itsema, die nu juist van mijn huis terug kwam om daar die tijding te brengen, teneinde mij verdere moeite te bespaaren.

Dat ik echter, getroffen door de omstandigheeden van het verhaal, om des zekerder te zijn gelijk ook van de oorzaak des schielijken doods, en of het nog van eenig nut mogt kunnen zijn, besloot met Vrouw Itsema te gaan ter plaatse daar het ongeval was gebeurd.

Dat aldaar heb gevonden de kamer vol vrouwen, en een bitter schreijende arme Moeder , alle klaagende over het doodlijk ongeluk aan deeze dogter, na dat van een leevend kind door eene niet geauctoriseerde vrouw was verlost, bij ’t afhaalen der Nageboorte overgekomen, om welke te redden Vrouw Itsema was geroepen en voorts om mij gezonden.

Dat ik voorts het Lichaam van gemelde Vrouwspersoon, leggende in dezelfde kamer op een bedstede, visiterende, vond de Baarmoeder geheel uithangende, het binnenst buitengekeerd, terwijl aan en bij deszelfs omgekeerden bodem nog zeer vast aangehecht zat het grootst gedeelte der moederkoek of Nageboorte, aan welke niets van den Navelstreng was te vinden, schijnende deeze aan de koek afgescheurd te zijn, en niet door mij gezien.

Dat ik, na verder onderzoek, aan dit Lichaam geenig teeken van leeven hebbende kunnen ontdekken maar integendeel zekere blijken van onherstelbaar dood te zijn, als toen het akelig tooneel heb verlaaten zonder verdere onderneeming.

Door welke verklaaring mijner bevinding en bewustheid omtrent gemelde zaak, thans aan het oogmerk van den Heere Praesident in deezen meene voldaan te hebben; in oirkonde der waarheid deezen verder door mijn naamsondertekening bekragtigende in Groningen 10 Maart 1774.

Matth. van Geuns
Med. Doctor”


Katjesdrop – “Wacht u voor waardelooze namaaksels”

Katjesdrop was oorspronkelijk een fabrikaat van de firma N(athan) Kater uit Groningen. Tussen 1882 en 1907 adverteerde dit bedrijf ’s winters in allerlei kranten met dit gedeponeerde merk, dat in ronde blikken trommeltjes bij de afnemende winkeliers over de toonbank ging. Weldra was het zo populair, dat het overal werd nagemaakt, hetgeen Kater zeer verdroot.

Leeuwarder Courant 12 november 1885 – “uitmuntend middel tegen hoest”:

Geplaatst op 17 januari 2010  a

Vlissingsche Courant 22 december 1887 – een ons voor een kwartje:

Geplaatst op 17 januari 2010  b

Leeuwarder Courant 25 januari 1896 – “Gebruik uitsluitend onze echte”:

Geplaatst op 17 januari 2010  c

Zierikzeesche Nieuwsbode 21 december 1907 – “Wacht u voor waardelooze namaaksels”:

Geplaatst op 17 januari 2010  d

 


In alle staten naar de kroeg

Deze dateert van voor de oorlog:

Geplaatst op 12 januari 2010  a

Bist du traurig
Geh’ zu Baulig
Bist du froh
Tuh’ ebenso

Deze is van na de oorlog:

Geplaatst op 12 januari 2010  b

We sluiten niet uit dat Koos Kuiper van het café bij de Poelebrug geïnspireerd is door het rijm van hotel Baulig aan de Herestraat.


Hoe dokter Havinga de benen nam

Geplaatst op 9 januari 2010  a

Op 22 januari 1811 wordt de dertigjarige dienstmeid Hindrikje Roelfs dood aangetroffen in haar diensthuis, de Brandenburg tussen de beide Brandenburgerstegen. De omstandigheden van haar dood geven de Keizerlijke Procureur aanleiding om een lijkschouwing te laten verrichten.

Dat gebeurt door de stadsarts en een chirurgijn. Deze merken op dat Hindrikje kort voor haar dood verlost is van een kind. De baby  is echter in velden noch wegen te vinden. Bovendien blijkt het de Procureur dat Hendrikjes baas, de medisch doctor en voormalige vroedmeester (verloskundige) Schultetus Nicolaus Havinga, zich verdacht met haar heeft gedragen. Hij zou moedwillig met haar hebben “gecoöpereerd tot het verheimelijken der verlossing”.

Havinga legt een verwarde verklaring af. Hij wordt op 25 januari in voorlopige hechtenis op de A-poort gezet. Drie weken later brengt men hem over naar de gewone gevangenis. Men verdenkt hem nog steeds van het opzettelijk verheimelijken van Hindrikjes zwangerschap en verlossing, maar ook houdt men het erop dat hij de oorzaak is geweest van haar dood, en mogelijk die van haar kind. Nu Havinga in criminele detentie zit, worden zijn bezittingen geïnventariseerd met het oog op een eventuele boete.

Als de Rechtbank van Eerste Aanleg hem een half jaar later veroordeelt, blijkt Havinga gevlucht. In het verstekvonnis staat dat hij zijn dienstmeid zelf bijstond, toen ze in de kraam lag. Zowel voor als na de verlossing had hij zich onvoorzichtig gedragen en noodzakelijke dingen verzuimd. Daarom wordt hem dood door schuld ten laste gelegd. In het lijfstraffelijk wetboek – Napoleons code penal – dat net in het bij Frankrijk ingelijfde Nederland van kracht is geworden, staat er drie maanden tot twee jaar gevangenisstraf, plus een boete van 50 à  600 francs op het ongewild plegen van een moord door onvoorzichtigheid, verwaarlozing, of overtreding van een wet. Omdat Havinga verstek laat gaan, krijgt hij de maximale straf: twee jaar en 600 francs boete.

Op dat moment is Schultetus Nicolaus Havinga 35 jaar oud. Hij werd in 1776 geboren in het Drentse Zweeloo. Zijn vader was daar hervormd predikant, maar nam in 1781 een beroep aan van het veel kleinere Bellingeweer, bij Winsum (Gr.). Dat lijkt een flinke stap terug voor een predikant, maar de familie woonde in Stad & Lande, wellicht speelde dat een rol, naast politieke motieven. Schultetus moeder was dochter van dokter Tideman in Coevorden en net als de Havinga’s kwam die uit Groningen. Zowel van vaderskant als moederskant zou je de familie kunnen typeren als welvarende burgerstand. Een oom van moederskant was de bekende verlichte dominee Egbertus van Eerde van Ten Boer.

Schultetus Nicolaus Havinga had een oudere broer en zuster, respectievelijk in 1771 en 1773 geboren in Zweeloo. De broer studeerde tussen 1787 en 1793 geneeskunde aan de Groninger Academie, en sloot die studie met een promotie af, maar is kort daarna waarschijnlijk overleden. Schultetus zelf begon hier in 1792 aan dezelfde studie en promoveerde in 1799 op een disseratie over de auto-immuunziekte van Werlhof. Naar het zich laat aanzien had hij datzelfde jaar al een praktijk in Hoogezand. Hij verhuisde erheen vanuit Bellingeweer, de woonplaats van zijn ouders. In 1804 echter vertrok hij naar Nieuweschans, en in 1809 kwam hij terug naar Groningen, waar hij voor bijna 2200 gulden de Brandenburg kocht, indertijd een welvarende middenstandprijs voor een huis.

Met de Brandenburg, ooit een herberg, nam hij de cichoreifabriek in de achterliggende schuur over. Hier werd cichorei gemalen en geroosterd, een koffiesurrogaat dat in de periode 1780 – 1815 tamelijk populair was, omdat de aanvoer van echte koffie over zee door de voortdurende oorlogen nogal eens stokte. Overigens gold de cichorei uit de Brandenburg als een produkt dat – volgens Havinga’s voorganger –

“wegens deugd en smaak de keurige kenners welkom moet zijn”.

Na zijn verdwijning kwam dokter Havinga niet terug in Nederland. Dan zou hij zijn straf hebben moeten ondergaan, maar zijn naam komt niet voor in de Groninger gedetineerdenregisters.

Waar hij wel uithing, bleek bij de verkoping van de Brandenburg. Op 22 januari 1812, exact een jaar na het drama, vond de veiling van het vastgoed plaats, volgens de advertenties:

“Een BEHUIZINGE en SCHUUR, synde een groot Cichorei-fabriek, bestaande in een Molen met diens Steen en twee Daren; als mede met alle verdere GEREEDSCHAPPEN,  bestaande in een groote en kleine Brander, Hakmessen met Banken, een Stampmes, Stampbakken en Wagen met Gereiden &c.”

De molen zal een rosmolen zijn geweest, een tredmolen voor paarden. De veilingadvertenties maakten ook de indeling van het huis zichtbaar. Het had twee voorkamers (met waarschijnlijk de voordeur en de gang ertussen), daarachter nog een kelderkamer en keuken, en in de schuur was er stallingsruimte voor paarden en tien, twaalf koeien. Desgewenst kon de koper een grote partij gedroogde cichorei overnemen, die er in opslag lag.

Achter de verkoping zat de zwager van Havinga. Die zwager, getrouwd met Havinga’s enige zuster Gesina, was de zeer bekende natuurkundige Jacobus Uilkens (1772 – 1825). Als verlicht predikant van Eenrum experimenteerde Uilkens met nieuwe landbouwtechnieken, hij zou vanaf 1815 de eerste hoogleraar landbouwkunde in Groningen zijn. Maar toen hij in 1812 de verkoping van de Brandenburg notarieel  wilde laten beschrijven, kreeg hij een probleem met zijn volmacht. Deze werd niet erkend, en daarom verzocht hij zijn zwager Havinga om een nieuwe.

Havingas_handtekening_onder_de_usin

Dankzij dit stuk weten we waar Havinga in 1812 verbleef. Het werd eind mei dat jaar opgemaakt in Usingen, ten noorden van Frankfurt in het Taunusgebergte. Havinga moest er voor naar een hertogelijke kanselarij. Het hertogdom Nassau-Usingen was een Frans protectoraat, voor een vluchteling uit Nederland, dan ingelijfd bij Frankrijk, leek zo’n handeling niet helemaal zonder risico, maar alles liep goed voor Havinga af. Hij legitimeerde zich er met zijn eigen naam en met een reispas van de Groothertogelijke Politie te Frankfurt. Hij gaf op dat hij onderweg was naar Münster, en dat een eerdere volmacht voor zijn zwager niet erkend was en dat hij daarom een nieuwe nodig had. Het was er een zonder beperkingen, die ook in erfrechtelijke zaken geldig zou zijn.

Met de nieuwe volmacht kon Uilkens de Brandenburg een maand later eindelijk juridisch overdragen. “Zich thans op reis bevindende”, heet het van zijn afwezige zwager. Volgens de koopacte bestond diens cichoreifabriek uit “twee daren met ijzeren platen, een molen met een paar stenen en verdere gereedschappen”. De Brandenburg bracht 1976 gulden op, een paar honderd minder dan toen Havinga het kocht, iets waar zijn vlucht waarschijnlijk debet aan was, want de prijzen voor onroerend gioed schoten in de Franse tijd omhoog door het stilliggen van de bouw. Duizend gulden bleef als hypotheek over de Brandenburg staan, van de dadelijk betaalde 976 kon Havinga wel een  jaar of wat leven.

In 1816 bleek Havinga, inmiddels 40 jaar oud, op het dan Britse Helgoland te wonen, waar hij zich naar zijn Drentse geboortedorp Van Zweel noemde en onder die schuilnaam ook een dokterspraktijk hield. Kennelijk had hij toen toch wat negatieve ervaringen opgedaan met het leven onder zijn eigen naam. Hij trouwde dat jaar te Brahetrolleborg op Fyn, het centrale eiland van Denemarken,  met een juffrouw Caroline Louise Wilhelmine Schrotter, die op dat moment in de kost was bij de lokale molenaar. Ook zij kwam niet uit de plaats zelf en na het huwelijk vertrok het paar (weer) naar Helgoland. Daar hield Van Zweel nog in 1819 praktijk, want dat jaar staat zijn naam als zodanig op een ledenlijst van een Duits natuurkundig genootschap.

Bij een volgende vrouw moet Schultetus Nicolaus Havinga van Zweel een zoon hebben verwekt. Deze Emil Wilhelm van Zweel werd omstreeks 1830 geboren in Hamburg. Mogelijk met de vrouw, maar zeker met de zoon, kwam Havinga senior omstreeks 1839 aan in Kaapstad, Zuid Afrika. Hij is dan al een eind in de zestig, maar ook in Kaapstad heeft hij weer geleefd onder de schuilnaam Van Zweel.

Op 27 december 1861 sterft hij daar als grijsaard. In de overlijdensverklaring staat summier zijn familiale achtergrond. Als zijn beroep geeft het stuk op: Medisch Doctor.

Harry Perton


De Brandenburg: herberg, hoerhuis, woning

Geplaatst op 7 januari 2010  a

Een boedelscheiding uit 1682 is de oudste acte waarin de naam Brandenburg staat, ter aanduiding van het vastgoed waarnaar nu twee Oosterpoorter straten heten. Volgens dat stuk nemen Lubbert en Annetien Ottens Birza dat vastgoed over uit een onverdeelde erfenis. Het stuk meldt tevens dat het goed reeds in 1646 in bezit was van hun ouders, die het ook weer erfden. Hierbij blijft de functie van het huis in het ongewisse, evenals de naam van de ouders, maar dat waren Otto Reyners Birza, brouwer bij de A-kerk, en zijn weduwe.

In besluiten en beschikkingen van het stadsbestuur tref je beider namen aan. Anno 1666 liet Otto Reyners (Birza) zich regelmatig in het raadhuis vinden. Vanwege de eerste – weinig bekende – inval van de bisschop van Münster (1665) waren namelijk alle opstallen buiten de Here- en de Oosterpoort gesloopt om een vrij schootsveld te creëren en toen de herbouw zijn beslag kreeg, verordonneerde het stadsbestuur dat

“in geen van de nieuw opgetimmerde huizen (…) voortaan eenige tapperie sall worden geëxerceert”.

Reyners en consorten, waaronder de eigenares van herberg de David aan de Hereweg, werden door dit verbod ernstig gedupeerd en verzochten weldra om in hun huizen ten zuiden van de stad toch weer “in alle bequaemhiedt end’ eerbaarhiedt” te mogen (laten) tappen. Ze kregen eerst nul op hun rekest, maar na een herhaald verzoek om er

“tot accomodatie van de reysende man, alsmede tot geryff der borgeren en ingesetenen de tapperneringe door bequame personen in alle eerbaerhiedt te doen exerceren”,

streek het stadsbestuur de hand over het hart. Alleen verbood het de nieuw op te richten herbergen streng om op zon- en feestdagen, voor of na de preek “sittend volck” in de gelagkamer te hebben en bier “bij tapmaete” te verkopen, “onder wat pretext het ock moege sijn”, op straffe van een eerste boete van 80 en een tweede van 160 daalder. Een derde overtreding van dit verbod zou komen te staan op verbanning.

Verder besloot het stadsbestuur dat de nieuwe herbergen niet hoger dan één verdieping mochten worden, dat men er geen “arcunelen” zou mogen aanbouwen, dat men er geen linde- of andere bomen omheen mocht poten en dat er in de tuinen geen priëlen mochten worden neergezet. Al met al bepalingen waarop intrekking van de vergunning als straf stond.

Kortom, de familie Birza had in het midden van de zeventiende eeuw een tapperij ten zuiden van de stad. En aangezien ze daar getuige de boedelscheiding van 1682 geen ander onroerend bezat dan op de door Haubois aangegeven plek, was die herberg de latere Brandenburg.

De maatregelen van het stadsbestuur uit 1666 geven intussen een aardige indruk hoe een dergelijk etablissement er voor de algehele kaalslag moet hebben uitgezien: het had meerdere verdiepingen, een of meerdere dakkapellen die de geachte cliëntèle in de opkamer(s) uitzicht boden op het hovengebied met haar bloesempracht en blommepronk, rijtjes lindebomen voor de deur die de jachtweide beschaduwden en priëlen in de tuin waarin de gasten zich bij mooi weer konden afzonderen. Dit alles gevoegd bij de eveneens aanwezige kolfbaan verklaart de bekoring van zulke uitspanningen.

Door toedoen van het stadsbestuur boette die aantrekkelijkheid sterk aan kracht in: vandaar dat Otto Reyners en consorten, die door de sloop al een duchtige veer hadden moeten laten, zich drie jaar later opnieuw in het raadhuis vervoegden, met een verzoek om afschaffing van het dubbele admissiegeld voor het tappersgilde, dat de uitbaters van hun herbergen buiten de Ooster- en Herepoort anders altijd moesten betalen. En dat de situatie daar ernstig genoeg voor was, moge blijken uit de inwilliging van dit verzoek.

Na Groningens Ontzet (1672) werd de herberg van Otto Reyners ten tweede male wederopgebouwd en naar de keurvorst van Brandenburg genoemd, uit dankbaarheid voor diens in de rug bedreigen van Bommen Berend, toen deze geharnaste prelaat Gruno’s veste belaagde. Een Duitse aanduiding in gotische letters, het heraldische wapen of een konterfeitsel van de hogelijk gewaardeerde keurvorst stond getuige een verkoop-acte van een belendende hof – met zestig kersenbomen! – op een uithangbord ter plaatse.

Eigenaar Otto Reyners was intussen een man van aanzien geworden. Niet alleen trad hij een tijd op als olderman van het brouwersgilde en bereikte hij de rang van hopman in de burgerwacht, ook bekleedde hij de functies van diaken (1650-1654) en (vanaf 1667 tot zijn dood) ouderling in de gereformeerde gemeente.

Juist omdat de bevoorrechte, publieke kerk die hij vertegenwoordigde veel te klagen had over zondags- en nachtrust-verstorende herbergiers – haar armvoorstanders mochten ook geen kinderen in de kost besteden bij “papisten, smuckeltappers, harbargiers ende ander onbequame personen” – zegt zo’n benoeming veel. Hoewel Birza de Brandenburg zal hebben verhuurd, diende hij als verpachter niet alleen bij gelegenheid voor zijn zetbazen op te komen, maar was hij er informeel ook op aanspreekbaar als die over de schreef gingen. Een en ander verklaart ook het feit dat de Brandenburg, anders dan andere gelegenheden, niet in opspraak kwam, tenminste nog niet in deze tijd. Otto Reyners was een man van onbesproken gedrag, die er een eerzame pleisterplaats op nahield, waar op zondagen zeker niet voor zittend volk geschonken werd, laat staan dat er nog aanstootgevender zaken voorvielen.

In het najaar van 1679 overleed hopman Otto Reyners Birza. Twee jaar later vroeg zijn weduwe aan het stadsbestuur of Harmen Hindriks, die haar behuizing tussen de Here- en de Oosterweg sinds 1678 als herbergier bewoonde, mocht volstaan met de betaling van het halve admissiegeld van ’t herbergiersgilde. Inderdaad kreeg Harmen deze korting.

Na de dood van de weduwe Reyners viel de Brandenburg, zoals gemeld, toe aan twee van de kinderen, die het goed in 1690 nog steeds verpachtten, laatstelijk aan een Sander Vrijman. In 1693, 1694 werd het pand echter bij aandelen verkocht aan ene Jasper Schultens. Schultens was pas sinds kort herbergier. Al in 1696 moest hij de Brandenburg wegens financiële problemen van de hand doen. En met deze overdracht begon dan een episode, die de teloorgang van de herberg zou inluiden.

De nieuwe eigenaar werd Reurt Hansen, de man die er enkele jaren eerder als pachter van een bieraccijns een pak slaag kreeg van de toenmalige uitbater. Nu moet men weten dat belastingpachters bij het grote publiek weinig geliefd waren. Ze namen op (half-)jaarlijkse overheids-veilingen de inning van diverse belastingen over tegen betalingsbeloftes en maakten zich nogal eens schuldig aan afpersingspraktijken. Ook Hansen was niet bepaald een man met een onbevlekt blazoen. Zowel in 1687 als in 1689 had men hem een poos gevangen gezet wegens het verwonden van mensen – de tweede keer was dat geschied met een “verholen wapen” dat listig in zijn “pegelstock” (peil-instrument) was weggewerkt. Als waard van de Brandenburg slachtte hij in 1697 een zwijn zonder daar aangifte van te doen en anno 1701 klaagde een buurtgenoot erover dat Hansen ten onrechte een kwartvat bier bij hem in beslag had genomen (de gift voor nabers na de begrafenis van een kind). Ook over 1702 viel er weer een akkefietje te noteren.

In de periode dat Hansen de herberg bezat en bewoonde (1696-1704) fungeerde hij niet als bieraccijnspachter van de stad, want om fraude te voorkomen waren hier de functies van tapper en bierpachter onverenigbaar verklaard. Maar hij bleef wel actief op andere fronten van de geprivatiseerde fiscaliteit. Zo pachtte hij afwisselend stedelijke imposten op de waag, de kraan, de visbanken, manufacturen en Oldambster en Sappemeerster bieren, alsmede provinciale lasten zoals het verlaatsgeld van de Spilsluizen, schoorsteengeld, bestiaal, gemaal, bier- en turfacijnzen, waarvan de inbeuring hem in alle uithoeken van de Stad en Lande bracht. Hij had het zo druk met zijn incasso-werk, dat hij de honneurs aan het thuisfront, waar natuurlijk ook menigeen kwam afrekenen, liet waarnemen door zijn vrouw, die in de wandeling, Anna-moei genoemd werd, vanwege haar leeftijd (ca. 50). Deze Anna-moei nu, die aan jicht leed, waartegen ze een kruidendrankje nam, bleek al spoedig eigenaardige opvattingen te hebben over de bedrijfsvoering.

Op een vroege ochtend in april 1701 werd in de sponde van een opkamer in de Brandenburg een 24-jarige Duitse dienstbode op heterdaad betrapt met een commies, dus een kennis van herbergier Hansen. Bij ondervraging door de magistraat sloeg het wicht finaal door. Samen met een nog oudere vrouw had Anna-moei voor haar het ‘rendez-vous’ bekokstoofd – het meisje was niet “geforceert” (verkracht) door de commies, integendeel, want de man had “haar wille met haar gedaan” op belofte van maar liefst vier schellingen (22 stuivers, ongeveer drie daglonen), die ze echter moest delen met Anna-moei en “het olde wijf”. Ze vertelde erbij dat er wel meer kerels voor hun sexuele gerief bij Anna-moei over de vloer kwamen, anonieme studenten en enkele gehuwde burgers die ze met naam en toenaam kon noemen, o.a. omdat die er hoven in de buurt bezaten. Deze klanten werden overigens ook wel eens ‘geholpen’ door dove Marie uit de Raamstraat en ene Sybrich met haar schoonzus.

Anna-moei kon ontkennen wat ze wilde dat haar “huisyn” diende als relaxcentrum, maar ze was er gloeiend bij. Tijdens de confrontatie hield het meisje, dat soms wel twee maal daags voor een ontmoeting van de geschetste soort in de Brandenburg kwam, haar beweringen staande. De vorige zomer was ze er ook regelmatig geweest, “dog niet als in eeren” , slechts om er in de hof te werken. Anna-moei had haar tot de prostitutie kunnen overhalen omdat ze de waardin nog geld voor kleding schuldig was. Anna-moei speelde misschien niet de eerste viool in het leggen van de contacten, maar ze blies wel degelijk haar partijtje mee en het bedongen loon werd ook altijd gezusterlijk in drie porties verdeeld.

De magistraat was vermoedelijk van het onzedige netwerk op de hoogte geraakt dankzij een verklikker: een Friese souteneur die zijn nogal prijzige dames – volgens Anna-moei “luisen en vlojen” – niet in de Brandenburg onderdak had kunnen brengen en die er door het meisje met een haardtang uitgeslagen was.

Maar de magistraat was dat om het even – hij maakte korte metten met de lichtekooi en de hoerenmadam van de Brandenburg. De eerste werd voor drie jaar uit Stad en Lande verbannen en de tweede voor zes jaar, wegens het “op houden van hoer huys en coppelerie”. De gecompromitteerde commies liet men opdraaien voor de kosten van beider detentie en de gerechtelijke procedures.

Gedurende anderhalf jaar wist Anna-moei zich te Kollum in leven te houden met het wieden van vlas en ander seizoenswerk, maar eind november 1702 kwam ze uit armoe weer terug in de stad, barrevoets over het trekpad en zuchtend onder haar jicht. Manlief Reurt Hansen zette haar echter subiet de Brandenburg weer uit en na een dag of twee werd ze al opgepakt. De magistraat liet haar een half uur aan de kaak staan en zette haar verbanning om in een levenslange.

Reurt Hansen had op dat moment andere problemen aan zijn hoofd, want hij was juist een betalingsregeling overeengekomen met de erven van brouwer Gansevoort. Van hun rekening à  362 gulden wegens de aan hem en zijn huisvrouw geleverde bieren hoefde hij slechts 175 gulden te betalen als hij binnen zes dagen 50 gulden zou schokken en de rest voldeed in de eerste week van januari 1703. Kwam hij deze afspraak niet na dan werd hij zonder pardon en zonder te mogen tegenstribbelen gerechtelijk aangesproken op het volle pond.

Dadelijk na afloop van de gestelde termijn, op 8 januari 1703, werd dit accoord notarieel vastgelegd, geen teken van vertrouwen. Hansen was waarschijnlijk in gebreke gebleven. Een dag later viel er een conflict voor in het timmerliedengilde: de olderman en heuvelingen van dat gilde lieten het gereedschap in beslag nemen van de knechten die bezig waren met het repareren van “het span” (het gebintenstel) van Hansen’s huis buiten de Oosterpoort. Op last van het stadsbestuur werd het gereedschap weliswaar teruggegeven, maar ook de verbouwing stilgelegd. Kennelijk heerste er bij de timmerbazen twijfel aan Hansen’s solvabiliteit. En ongelijk hadden ze niet, want de erven van brouwer Gansevoort begonnen in maart een procedure, die na een jaar tot een beslaglegging op de Brandenburg zou leiden.

Ook Hansens andere schuldeisers lieten zich aantekenen bij de Magistraat: de ontvanger van de provincie en de stadsrentmeester uiteraard voorop, gevolgd door o.a. koopman Steenhuisen vanwege steen- en kalkleveranties en de boekhouder van de Gemene Armen voor geld dat Hanzen ze nog schuldig was “wegens ’t winnen van de tappergilde”.

Op verzoek van deze crediteuren werd de Brandenburg eind 1704 gerechtelijk bij opbod verkocht. De opbrengst was 620 gulden – niet gek voor een herberg die haar goede naam kwijt was, waaraan sinds bijna twee jaar niet meer op rekening geleverd werd en waarvan de casco-renovatie stil lag. Hansen had er acht jaar tevoren 325 gulden voor neergeteld, een teken dat hij er wel wat aan had gedaan.

Vervolgen we nog even het levenspad van Reurt Hansen, die al spoedig zijn vrouw achterna zou gaan. Het einde van zijn pachterscarrière kwam in 1707, toen hij de bijna 1900 gulden die hij de provincie nog schuldig was wegens bierpacht over het jaar 1706 niet kon betalen en er ook niet de verplichte borg bleek te zijn. Omdat Hansen dat jaar weinig had uitgevoerd en de heren hem er bovendien van verdachten dat hij ’t met enige brouwers en waarden op een accoordje had gegooid, werd hij veroordeeld tot kaak, geseling, verbanning uit Stad en Lande alsmede verbeurdverklaring van zijn resterende goed.

Degene die de Brandenburg inmiddels had overgenomen was een kersverse bierbrouwer, die al spoedig stierf, waarna zijn weduwe de afgebouwde zaak al snel weer voor 700 gulden van de hand deed (1709).

Of de Brandenburg nadien nog een herberg bleef valt zeer te betwijfelen. Van geen van de achttiende eeuwse eigenaren staat de naam op de rol van het brouwersgilde. Ook ontbreken hun namen op de rol van het herbergiersgilde. De Brandenburg komt evenmin voor op twee lijsten met herbergen uit 1765 en 1792, die aangelegd werden vanwege het (politieke) toezicht op het vreemdelingenverkeer, terwijl daar toch echt alle van die periode bekende herbergen op te vinden zijn. Wat meer is: na dat roerige eerste decennium van de achttiende eeuw treft men de naam Brandenburg nog maar één maal aan in rekesten, resoluties, proces-acten, verhoren en vonnisen, bronnen die tesamen zeer gedetailleerde informatie geven over het kroegleven in onze stad. En die ene keer gaat het dan nog slechts om een verhoor uit 1730, waarin de Brandenburg de woning van een visserman heet. Tussen 1800 en 1863, het jaar dat het onroerende goed in handen kwam van de eerste Groninger woningbouwvereniging – was het nog wel even in handen van een kastelein (1817-1826) maar voor de rest van de periode ’t bezit van een cichoreibrander, een medicus, een koopman en een koemelker.

Ook hier zaten rare snijbonen tussen, maar daarover een andere keer. De conclusie voor dit moment is dat de Brandenburg na 1709 wegzonk in een anoniem bestaan en hoofdzakelijk een (semi-)agrarische woonfunctie kreeg.

Waaraan de teloorgang als herberg te wijten valt, is intussen duidelijk. Na de ontmaskering als “hoerhuis” in 1701 was de loop er uit – geen ordentelijk burgerman wilde meer in de Brandenburg worden gezien. Otto Reyners Birza moet zich in zijn kerkgraf hebben omgedraaid.

Harry Perton


Sic transit gloria mundi

Column van Tonny van der Meulen over vergankelijkheid in de journalistiek begint met anecdote hoe de stramme oud-courantier Nico Hazewinkel zich eens aandiende in het portaal van ‘zijn’ Nieuwsblad-gebouw aan het Zuiderdiep:

“Vervolgens gebaarde hij met zijn wandelstok naar de receptioniste dat ze de tussendeur moest openen. “Maar wie bent u?” vroeg zij aan de verbijsterde miljonair. Na zijn korte, onwillige uitleg, antwoordde ze: “Dat kan iedereen wel zeggen, ik zal het eerst eens even natrekken.”


‘De zaak met de moderne keus’

H. beloonde mijn informatie omtrent kunstenaars en prijzen dit keer met een Groninger Studentenalmanak 1965, deel II.

Weliswaar is het ding uitgegeven onder auspiciën van de corporale almanakredactie, maar het bevat een algemene informatiegids voor de RUG, naast een complete adressenlijst per 1 november 1964 van àlle studenten. Zo’n lijst verscheen later jaarlijks onder de titel Vademecum, maar dan uitgegeven door de communisten van de GSb, tot de steeds grotere privacy-gevoeligheid er eind jaren zeventig een eind aan maakte.

Leuk zijn vaak de advertenties in dat soort gidsjes. Deze ademt het optimisme van begin jaren zestig:

Geplaatst op 29 december 2009  a

De zaak noemde zich naar de eerste communicatiesatelliet (1962). Nog een beetje stijf en saai zijn de horeca- en uitgaansadvertenties, zoals deze van Grand Theatre, toen nog een bioscoop:

Geplaatst op 29 december 2009  b

Wat wil je ook, het Noorder Muziekhuis adverteerde nog met elektronische orgels, “ook in huur, met recht op koop”:

Geplaatst op 29 december 2009  c

Terwijl de firma Hemmes, “de zaak met de moderne keus”, het voor de heren en dames studenten liever nog even hield op jazz, cabaret en klassiek:

Geplaatst op 29 december 2009  d