Houdt uw stad rein
Geplaatst op: 27 december 2009 Hoort bij: Stad toen 4 reactiesBedrijfsfilm uit ca 1964 van het Reinigingsbedrijf, Markt- en Havenwezen (RMH). de toenmalige Milieudienst van de gemeente Groningen. Het eerste deel brengt de vuilnisophaaldienst in beeld en op een bepaald moment lijkt het of de film bedoeld is om nieuw personeel te werven:
“U ziet dat de containerdienst veel afwisseling beidt en prettige zijden heeft.”
In het tweede deel gat het onder meer om de gladheidsbestrijding, de drijfvuilboot, de putjesslobbers en de veegdienst:
“De nonchalance van het grote publiek gaat veelal de perken te buiten.”
De film is op YouTube gezet door Bert V., die er eerder veel oude opnamen van Hoogkerk neerzette
Zalm in het Schuitendiep
Geplaatst op: 24 december 2009 Hoort bij: Stad toen 2 reacties“De zalmvangst zou ook hier met veel voordeel in ’t werk gesteld kunnen worden, als men er zich met ernst op toe leide. Die visch is overvloedig genoeg in den Dollard en in het diep zelf dat van de Stad naar zee loopt. Ik weet dat er voor weinige jaaren twee binnen de Stad gevangen zyn, waar van ik er een zelf zag vangen by de Poeleboog.”
—
Bron: W. van Doeveren – Academische redevoering over de gunstige gesteldheid van Groningen voor de gezondheid, af te leiden uit de natuurlyke historie der Stad (Groningen 1771), pag. 38
Sint Jacob uit de Hardewikerstraat
Geplaatst op: 23 december 2009 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen

Een ander leuk dingetje op die kleine archeologische expositie bij de Groninger Archieven is deze gitten azabache van Sint Jacob, in 1988 gevonden op de hoek van de Hardewikerstraat en de Eerste Drift.
Een azabache was een soort amulet dat tegen bepaalde kwalen zou helpen. In dit geval gaat het om een pelgrimssouvenir uit Santiago di Compostela.
Daar bestond een hele industrie van deze heilzame parafernalia. Ze hebben er nu zelfs een museum van. Een exemplaar dat in Dordrecht gevonden is en op laat veertiende eeuw gedateerd wordt is wat verfijnder. In Bergen op Zoom vonden archeologen een Sint Jacobskraal van git.
Meer over Sint Jacob in Groningen
Radiotoestelletje
Geplaatst op: 18 december 2009 Hoort bij: Stad toen 6 reacties
Dit morse-sein radiotoestelletje kwam 25 jaar geleden tevoorschijn bij een verbouwing. Het zat tussen een dubbele rieten zoldering op het adres Meeuwerderweg 36-a.
Volgens kapper Tinus, de eigenaar van het pand, moet het in de oorlog verstopt zijn door de Végé-kruidenier en drogist Cremer. Diens zoon zette de zaak later voort, maar had gestudeerd, en wilde de winkel niet aanhouden, zodat er later nog een rotanmeubel- en speelgoedwinkel op straatniveau heeft gezeten. Maar daarvan woonde de eigenaar niet boven de zaak. Sinds die verbouwing zijn Tinus en haar man eigenaar van het pand, dus pas de derde sinds de oorlog.
Er zat ook nog een lampje op het toestel, maar dat is er afgebroken. Ik denk dat ik wel een goeie bestemming voor het apparaatje weet.
Tinnen doedelzakspeler
Geplaatst op: 15 december 2009 Hoort bij: Stad toen 3 reacties
Van de doedelzak had ik altijd het idee, dat het hier in het Noorden een onbekend instrument was. Ik ken tenminste geen historische tekst uit het Noorden waarin het instrument voorkomt, beeldmateriaal staat me ook niet bij, en bodemvondsten die erop wijzen had ik evenmin gezien.
Tot vandaag niet. Want op een tentoonstellinkje, dat nog enige tijd te zien is in de publiekshal van de Groninger Archieven, ligt het boven getoonde profane tinnen insigne van een doedelzakspeler. Het is zestiende eeuws, komt uit de archeologische collectie van de gemeente Groningen en is hier dus opgegraven.
Ook een deel van de Boterdiep-muntschat is te zien op mini-expositie, evenals een moedwillig gebroken middeleeuws zwaard uit de Boteringestraat.
De artefacten spelen allemaal een rol in Het gebroken zwaard; Nieuwe legenden uit het Noorden, een boek dat vandaag uitkwam. Gert Kortekaas en andere archeologen leverden hiervoor feitenmateriaal aan fantasy-auteurs, die er op hun manier spanning aan gaven in verhalen met ridders, heksen en wolven.
Stadsbeul brengt ondraaglijke opschepper om hals
Geplaatst op: 11 december 2009 Hoort bij: Stad toen 8 reacties
Ik geloof dat ik dit toch maar even moet vertalen. Het stukje proza komt uit een boek, waarin het stadsbestuur van Kampen bijhield aan wie het vrijgeleiden verschafte. Dat waren vluchtelingen van elders, bijvoorbeeld doodslagers, zoals in 1545 de stadsbeul van Groningen, mr. Bartholomeus van Havelte.
In Groningen was Bartholomeus, zo vertelt hij, uit een herberg gehaald om dichtbij de Steentilpoort een vrouw bij Anne Tondrager in huis te helpen aan haar (gebroken) been (scherprechters waren vaak ook ledezetters en heelkundigen). Toen hij daar in huis kwam zat er een vreemde jongkerel, die (na het gedane werk) tegen hem begon op te scheppen. Dat duurde van de middag af tot wel vier, vijf uur (kennelijk had de beul niets beters te doen dan naar deze snakker te luisteren). Op het laatst trok die vent zijn degen en sloeg op hem in, zodat Bartholomeus ook zijn eigen degen maar trok, en de ander zodanig verwondde, dat die er een paar dagen laten aan overleed.
Bron: Bijdragen tot de geschiedenis en Oudheidkunde, inzonderheid van de provincie Groningen, deel X (Groningen 1873) pag. 107 bladvulling.
Zeppelinpost
Geplaatst op: 5 december 2009 Hoort bij: Stad toen 8 reactiesOp een veilingsite zag ik dit kaartje:
Het is op 18 juni 1932 boven Groningen afgeworpen door een Duitse zeppelin, die een rondvlucht over Nederland maakte. Adressant was een meneer Schoevers te Assen “bei Groningen”. Getuige het tweede stempel werkte de Nederlandse PTT er graag aan mee dat de kaart de bestemming bereikte.
Natuurlijk even in de Leeuwarder Courant gekeken of er iets over deze Zeppelin in stond. En jawel:
Het kaartje kwam dus per parachute omlaag. Vandaar dat er geen kreuk in zit. Twee dagen later berichtte de krant over de exacte plek waar de post neerkwam:
Dat bleek dus het Slachthuis een het Damsterdiep, waar je nu de Slachthuisstraat hebt. Het kaartje is een van de duizend neergelaten poststukken, de afstempelaar van de Nederlandsche PTT had dus nog wel even werk.
De zeppelin droeg het kenteken LZ 127. De Hindenburg die in 1936 verongelukte, met 35 dooden tot gevolg, was LZ 129. Dat ongeluk maakte voorgoed een eind aan de zeppelinhype, waarbij Delfzijl zelfs even droomde van een heus Luchtvaartstation:
Belegprent met valse voorstelling van zaken
Geplaatst op: 5 december 2009 Hoort bij: Stad toen 6 reactiesDe UB heeft een Duitse nieuwsprent uit 1672 op de kop getikt. Volgens die prent stond Bommen Berend aan de westkant van de stad. In werkelijkheid stond ook die kant onder water, en kwam de aanval louter uit het zuiden. Waarschijnlijk komt de fout er uit voort, dat een bestaande stadsplattegrond met een gezicht uit het westen gecopypaste is.
Het Blauwe Huis, het Groene Dal en de Rode Schuur
Geplaatst op: 30 november 2009 Hoort bij: Stad toen 7 reactiesHet Blauwe Huis
Er zijn her en der wel meer blauwe huizen geweest, die vrijwel altijd heetten naar de indertijd nog afwijkende kleur dakpannen. Maar als een pand in een vrijwel huisnamenloze boerennederzetting als Helpman zo heette, dan moest er haast wel iets bijzonders mee aan de hand zijn.
De oudst bekende vermelding van ‘het Blou Huis’ voor vastgoed in Helpman dateert van november 1642. In 1698 valt de naam bij mijn weten voor het laatst. Dat gebeurt in een boedelinventaris, die ook een indeling van het pand lijkt te geven: grote kamer, spijskamer (= keuken), bovenkamertje en schuur.
Iets echt voornaams moeten we ons hierbij niet voorstellen. De ligging van het Blauwe Huis blijkt uit een kaart (vergrootbaar, via) van het beleg in 1672: ten noordoosten van het dorp Helpman, ten westen van het Winschoterdiep, en ten zuiden van de Groenedijk, dus waar we nu ongeveer de Mediacentrale vinden (wat eerder de Hunzecentrale was). Op die kaart zien we echter een huis met het voorkomen van een klein borgje, bestaande uit twee verdiepingen en een kap en twee vleugels tegen het centrale bouwdeel aan. Het borgjesachtige voorkomen van dit vastgoed wordt nog in de hand gewerkt door de bos-aanplant erachter. Een en ander strookt niet met de indeling van 1698, die veel meer aan een grote boerderij doet denken.
Groenendal
Die boedelinventaris uit 1698 was van Lisebet, dan de weduwe Ties Groenendal. Ze bezat vrij veel onroerend goed in Helpman, naast “het Blou Huis” met zijn landerijen had ze ook een huis met beklemde grond aan de Oosterweg.
Voordat Lisebet met Groenendal trouwde (1684), was ze weduwe van Tebbe Tepens. Deze Tepens kocht in 1675 het Blauwhuis. Bij die gelegenheid werd dat met de annexen omschreven als een “heert landes, Groenendael genaemt (…), groot t’sestich graesen”. Anno 1675 heette het Blauwhuis dus al Groenendaal en naar ik vermoed heeft de naamsverschuiving te maken met een functiewijziging van het vastgoed. Waarschijnlijk kwam er na de oorlog van 1672 een nieuw huis op de plek van het vernielde Blauwe Huis, geen borgje maar een veel eenvoudiger boerderij. De nieuwe naam Groenendal verwees uiteraard naar het omringende groenland, dat ten opzichte van de Hondsrug erg laag lag.
Toen Lisebet, de weduwe Tebbe Tepens, in 1684 hertrouwde met Thijs Groenendal, moest er ook een boedelinventaris komen. In dat stuk valt de naam Blauwe Huis niet, en wel die van Groenendal. Het was een heerd met dezelfde hoeveelheid land als in 1675, namelijk 60 grazen. Ook getuige ander vastgoed en een zootje schuldbrieven was Lisebet toen al tamelijk welvarend. Met de 4 paarden en de 15 koeien moet de boerderij groot zijn geweest voor Helper begrippen. Ook Tepens’ legaat van 150 gulden aan de armen geeft status aan.
Thijs Groenendal, oorspronkelijk van Hemmen, trouwde dus in op een boerderij, die al langer Groenendal heette. Toch heet hij bij zijn trouwen al zo. Misschien was hij al wat langer werkzaam als knecht op die boerderij? Later boerde er in deze omgeving nog steeds een familie Groenendal. De naam ging zelfs over op een straat, die oorspronkelijk over het spoor in de richting van het Winschoterdiep liep, en die ook wel, naar de omstreeks 1900 verrezen Hunzecentrale (nu dus Mediacentrale), ‘het Centraleweggetje‘ heette.
Rode Schuur
Van de Rode Schuur was de naam evenmin origineel. Vermoedelijk ontstond hij, doordat een boerenschuur met rode, bakstenen muren en met een dakbedekking van rode pannen in plaats van riet nog niet zo vaak voorkwam.
De Rode Schuur te Helpman was begin achttiende eeuw een boerderij met 43 grazen land die we moeten zoeken in de buurt van het Winschoterdiep, maar dan wat dichter bij de stad als het Blauwe Huis of Groenendal. Anno 1723 was Sierd, ook wel Siwerd Fransen de eigenaar. Er zat toen 43 gras beklemd land bij. Fransen had drie paarden en veertien koeien, en was dus ook weer een redelijk grote boer voor Helpman. Erg lang zat hij er nog niet. Eerder woonde hij aan de Herestraat. Hij was doopsgezind vermaner (geweest) en en kwam als zodanig in 1712 en 1713 hard in botsing met het stadsbestuur, omdat hij een gereformeerde jongeling herdoopte en een huwelijk sloot zonder dat hij daar toestemming voor had.
Bron: archief Gerecht van Selwerd en Sappemeer, de inventarisnummers 304, 438 en 692
Snorrebotje
Geplaatst op: 24 november 2009 Hoort bij: Stad toen 8 reacties
Bij de Grote Markt-opgraving van vorig jaar is niet alleen een hoog-middeleeuws fluitje van ganzenbeen gevonden, maar ook een snorrebotje, gemaakt uit een middenvoetsbeentje van een zwijn.
Het vandaag uitgekomen archeologisch en bouwhistorisch jaarboek ‘Hervonden Stad 2009‘ definieert zo’n snorrebotje als kinderspeelgoed. In het varkensbotje werd een gaatje geboord, waardoor een gevouwen stuk draad ging. Op de losse einden aan de ene kant kwam een knoop.
“Het botje werd dan eerst een aantal keren rondgedraaid zodat de touwtjes die aan de uiteinden stevig met beide handen werden vastgehouden, flink in elkaar draaiden. Door vervolgens de handen steeds weer naar elkaar toe en van elkaar af te bewegen (harmonicabeweging), ging het botje steeds harder ronddraaien, en maakte daarbij een zoemendd (snorrend) geluid.”
Het jaarboek geeft geen plaatje, maar uit de omschrijving maak ik op dat het een snorrebotje betreft van een model, zoals dat ook in Dordrecht aangetroffen is (zie foto). Je had ook nog andere snorrebotjes, ronde plaatjes van metaal (koper of lood) die uitgeknipt leken met een kartelschaar. Zie deze exemplaren uit Breda, Sint-Oedenrode en Zeeland. In een iets andere vorm staat dit model tegenwoordig op Marktplaats.
Maar er is ook nog een derde, veel gevaarlijker model, bijvoorbeeld gemaakt van been zoals dit exemplaar uit Gent. Dit model kon ook uit zwaardere beestenbotten worden gemaakt en werd eenzijdig aan een touw van voldoende lengte bevestigd. Door zo’n snorrebot boven je macht of naast of voor je aan het touw rond te draaien, ontstonden bariton– en basachtige tonen.
Voor wie zelf een modaal snorrebotje wil maken – er staat een stoomcursus online. De Nederlandse geluidskunstenaar Odin Heyligen heeft zelfs een snorrebotorgel gebouwd.
—
Aanleiding en bron van het citaat: Jaarboek Hervonden Stad 2009, pagina 18, 19 en dan vooral noot 9 .
Het interieur van de Oude Meet
Geplaatst op: 19 november 2009 Hoort bij: Stad toen 9 reacties
Op een veilingsite vond ik een interieurfoto uit omstreeks 1960 van De Oude Meet in de Herestraat. Het restaurant van het welbekende reclamerijmpje:
“Er zijn twee huizen waar U lekker eet:
het Uwe en de Oude Meet”
En waar mijn opa zijn Ford Anglia nog pal voor de deur kon parkeren om er een uitsmijter te nemen.
Ik herinnerde mij hoegenaamd niets van het interieur – teveel gelet op die uitsmijter – maar nu ik het dan na al die jaren mag weerzien: Wat een Mamaminizooi!
Deels bruin gelambrizeerde wanden met wat vage schilderijtjes, ronde Delftsblauwe borden en een oud-vaderlandsche staartklok voor de ultieme huiselijke gezelligheid. Een zaal die door een hekwerkje van ruiten spijltjes op een heuphoog wandje in tweeën is gedeeld. Voor dat hekje een antichambre waar mensen zitten te wachten als alle tafels in het restaurantgedeelte bezet zijn. Je zit er hutjemutje opeen op pluchen crapaudjes en een dito driepersoonsbank onder een schemerlamp van een eeuwig tijdloze allure.
Als je dit ging reconstrueren als thema-restaurant – wel met een goeie kok natuurlijk – zou je er nog een culinaire camphit mee kunnen scoren ook. Zij het niet in de Herestraat.
Voor het uitvoeren van dit idee behoef ik geen honorarium. Zet maar een Uitsmijter Opa Vondeling op de kaart.
Een staatsgevaarlijke dienstweigeraar
Geplaatst op: 12 november 2009 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
De Centrale Inlichtingendienst, voorganger van de BVD en AIVD, stelde in 1939 een lijst op van “links-extremistische personen”, geordend per gemeente en met een alfabetische klapper op de hele bups, die met soortgelijke stukken trouwens ook digitaal doorzoekbaar is. Interessant vind ik bijvoorbeeld de gemeenten Beerta en Finsterwolde, waar een flink deel van de gemeenteraden blijkbaae staatsgevaarlijk was. Bij de nog veel langere lijst radicalinski’s in de gemeente Groningen, tref ik zowaar een ouwe bekende aan, Fré Boerema (1915-2007).
Begin jaren negentig woonde Fré bij me in de Van Sijsenstraat, in het oude huis van zijn ouders, waar hij ooit ook nog als twintiger gewoond had. Daar heb ik hem een keer geïnterviewd, temidden van stapeltjes tijdschriften als ‘Recht voor Allen‘ en ‘De Vrije Gedachte‘. Hij liet me een bandje horen van een 1-mei speech die hij hield op de anarchistencamping in Appelscha. Het leek wel een opname uit de jaren dertig. Hij fulmineerde tegen stemdwang, arbeidsplicht en oorlog, en memoreerde het lot van Abessinië onder Mussolini.
Hij kwam als jochie van een jaar of negen op een kinderfeest van vrijdenkersvereniging De Dageraad, en zijn moeder vroeg hem na afloop wat hij mooier vond, de zondagschool of dat:
“Nou dat! en het volgende jaar zat ik er ook bij.”
Later was was hij een poosje lid van de AJC geweest, niet lang, want die club was hem lang niet radicaal genoeg:
“Dat was min of meer sociaal-democratische opfokkerij. Ze droegen daar dan wel een gebroken geweertje, maar gingen nooit dienstweigeren. Maar als je principieel tegen de oorlog bent dan is het enige middel: niet in dienst gaan. Als je radicaal bent zeg je: nee, ik doe daar niet aan mee.”
Begin jaren dertig bezocht hij veel politieke bijeenkomsten, zoals een debatavond met Anton Constandse in de Harmonie:
“Ik vond het geweldig wat-ie zei, ook ten aanzien van het geloof. Toen begon ik brochures te lezen en artikelen in De Vrijdenker. Daar ging ik me op abonneren en zo ben ik naar het anarchisme toegegroeid. Zij waren over het algemeen ook geheelonthouders en zo ben ik bij de J.G.O.B. gekomen, de Jongelieden Geheel Onthouders Bond. Zij waren het meest anti-militaristisch en het meest socialistisch.”
De JGOB afdeling Groningen bestond uit een 25, 30 jongens en meisjes. Die gingen altijd samen kamperen in Appelscha:
“Daar droegen de meisjes korte broekjes, maar zo gauw we in de stad terugkwamen, gingen er jurken overheen.”
Hij was een totaalweigeraar avant la lettre, weigerde zelfs om ook maar gekeurd te worden voor de militaire dienst. Dat leverde hem een veroordeling op tot tien maanden Veenhuizen:
“Daar heb ik een hele hoop gedaan en een hele hoop geleerd. Ik kon er de boeken krijgen die ik wou, heb er de bijbel flink bestudeerd en o.a. de werken van Multatuli gelezen. We zaten met een stuk of zes totaalweigeraars in één barak. Met die anderen had je gesprekken en discussies.”
Zijn ouders, hoewel winkeliers, vonden het niet erg en stonden achter hem. Ook van anderen kwam er steun:
“Ik kreeg een hele hoop kaartjes van kameraden, overal vandaan, uit Denemarken, Zweden, Engeland en Amerika tot Mexico aan toe. Alleen niet uit Duitsland en Rusland.”
Versjteerde kindervreugd
Geplaatst op: 11 november 2009 Hoort bij: Stad toen 8 reactiesWinschoter Courant 10 november 1895.
VERSJTEERDE KINDERVREUGD
Geplaatst op: 11 november 2009 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen(Winschoter Courant 10 november 1895)
Een informatiegidsje uit 1924
Geplaatst op: 7 november 2009 Hoort bij: Stad toen 4 reactiesHet boekje lag op een display met andere oudheden, het omslag knalde erin:
Je zou denken dat het van een gevestigde, professionele kunstenaar was, maar nee, dit titelblad uit 1924 werd ontworpen aan de toen vrij nieuwe Middelbare Technische School, waarvoor het boekje ook wel reclame maakt. Om precies te zijn werd de omslagtekening aan de afdeling kunstnijverheid uitgevoerd door mejuffrouw J.M. Werleman, onder supervisie van de tekenleraar A.W. Kort.
Inhoudelijk is het boekje nogal een hybride produkt. Het werd uitgegeven door advertentie-bureau Alta in Amsterdam, “met instemming en medewerking” van het Groninger gemeentebestuur, de Kamer van Koophandel en de VVV. De verschillende doelstellingen waarvoor die staan zie je in het boekje terug. Al lijkt het nog het meest op een relatiegeschenk voor potentiële investeerders,
De gemeentelijke bouwkundige A.C. van Wissen schreef de hoofdstukjes over volkshuisvesting en het gemeentelijke grondbedrijf:
Waarschijnlijk maakte hij ook bovenstaande advertentie, want de stijlverwantschap met onderstaand kaartje valt op, en dat is van zijn hand:
Een leerling van de kunstnijverheidsafdeling aan de MTS maakte waarschijnlijk weer deze Martinitoren op het schutblad:
Het boekje moest 35 euro kosten. Het lag deels uit elkaar, de conditie is niet denderend, dan is dat ook voor zo’n uitgave uit 1924 flink aan de prijs. Ik maakte er dus een opmerking over tegen de antikwaar, die ik vroeg of er ook op af te dingen viel. Hij merkte op dat dit niet het geval kon zijn, en dat het boekje uit elkaar lag, doordat allerlei mensen er alleen met hun linkerhand in bladerden, iets wat ik dus ook deed. Toen ik het boekje weer sloot en aanstalten maakte de winkel te verlaten met het voornemen om er nooit weer te komen bood hij opeens een tientje korting aan. Toen heb ik toegehapt.










Recente reacties