Drilkamp op voormalig kloostergoed

Geplaatst op 24 oktober 2009  a

De rekening van de Rentmeester der Kloostergoederen over het boekjaar 1764/1765 staat online. Deze functionaris beheerde een van de belangrijkste fondsen van de provincie Groningen: het geestelijke vastgoed dat in 1594 bij de definitieve protestantisering van Stad & Lande toeviel aan de provinciale overheid.

Van de stad uit gezien even over de Helper Linie, had de provincie een Drilkamp op voormalig kloostergoed. Eens in de zoveel tijd oefenden de soldaten van het Groninger garnizoen hier. Zolang ze dat niet deden gebruikte een boer uit de omgeving de Drilkamp als weide. Hij betaalde de Rentmeester der Kloostergoederen daar de somma van 4 gulden per jaar voor, getuige de met veel zwier opgeschreven post.


UB zet elitair vriendenboek online

Geplaatst op 22 oktober 2009 a

Worden er nog poesie-albums bijgehouden tegenwoordig? Hoe dan ook, het gaat om een nedergedaald cultuurgoed. In de achttiende eeuw was zo’n vriendenboek nog voorbehouden aan volwassen personen behorende tot de elite.

Zo is bovenstaande notitie in het exemplaar van Claas Willem Kiers, luitenant-ingenieur en als zodanig eerste modellist aan het hof in Den Haag, geschreven door Antoon Adriaan van Iddekinge, een Groninger Raadsheer die dan (1753) in de Raad van State zit, maar nog de machtigste man van de stad en de provincie zal worden. Heel typerend is dat Van Iddekinge begint met een bijbelcitaat. De latere filiaalhouder van Oranje in Stad & Lande was nogal vroom, blijkt ook hier weer.

De UB heeft het liber amicorum van Kiers online gezet. Zo kom ik erop. Wie het album ook in wil zien, kan terecht bij De Wereld aan Boeken, het weblog van de zaal Oude en Kostbare Werken bij de UB. In het  luxe boekwerk staan opdrachten van de volgende Groningers:

  • het lid der Staten Generaal en de dichter Lucas Trip,
  • diens collega J. van Gesseler,
  • de raadsheer J. van Hoorn,
  • de rector van de Groninger academie Daniel Gerdes,
  • de professoren Leonardus Offerhaus,
  • Nicolaus Engelhard en
  • Antonius Brugman,
  • de rector van het gymnasium A. Buning,
  • en de predikanten Appelius (Zuidbroek),
  • Gronau (Meeden) en
  • Meynet (Bellingwolderschans).

Toen de Veemarktstraat nog Bij ’t Sliekgat heette

Geplaatst op 20 oktober 2009  a 

Eind 1998 had ik voor de Oosterpoorter een interview met de toen 93-jarige Klaas Lanting. Hij vertelde me over zijn kinderjaren (1905 – 1915) bij de oude veemarkt. Hieronder de ingekorte, geredigeerde en op de veemarkt toegespitste tekst.

“We waren met een paar jongens van het Sliekgat een keer sterke verhalen aan elkaar aan het vertellen”, herinnert Klaas Lanting zich,

“en één van hen zei: ‘Mijn oom is dubbel boekhouder’. Een andere jongen reageerde: ‘Mijn oom zit in Indië en verdient er heel veel geld’. Toen ik in de zesde klas op een andere school kwam, met veel middenstandskinderen, dacht ik nog: ‘Ik wil dubbel boekhouder in Indië worden’. Dergelijke begrippen stonden ver van ons af, die waren zonderling verheven in onze wereld.”

“We woonden aan het Sliekgat”, verklaart hij:

“Toen ze me later op school vertelden dat ik aan de Veemarktstraat woonde, vond ik dat zo deftig. Die naam Veemarktstraat werd nooit uitgesproken. Op school woonde je opeens aan de Veemarktstraat en voor die tijd woonde je aan het Sliekgat.”

Ooit was Sliekgat een volkse aanduiding voor de Griffe, een kanaaltje dat aantakte op het Winschoterdiep en dat naar een straatvuil- en faecaliënoverslagplaats voerde, de Drekhaven vlakbij de Oosterweg. Op de plek van de gedempte Griffe en Drekhaven werd in het begin van de jaren 1890 de Veemarkt gerealiseerd, daar waar je nu het Cultuurcentrum en de kantoren aan de Trompsingel hebt. Maar kennelijk bleef de naam Sliekgat na de aanleg van de veemarkt nog een paar decennia hangen.

Om wat preciezer te zijn, woonde Klaas tussen 1905 en 1915, toen zijn moeder overleed, op vijf adressen aan de Veemarktstraat, de Houtzagerstraat en de Cubastraat, allemaal in de buurt van de Oosterweg. Van enkele onderkomens weet hij nog bijzonderheden:

“Bij de Houtzagerstraat heb ik roodvonk gehad, mensen van de geneeskundige dienst haalden er de gordijnen voor de ramen weg, die ze net als andere zaken in huis ontsmetten. (…) Op Cubastraat 10 ben ik van de zolder gevallen en heb ik mijn arm gebroken. (…) En Veemarktstraat 35 is later verbouwd tot café Marktzicht. Het bestond uit een voorkamer met een bedstee, een keuken en een grote achterkamer. Achterin de tuin was er een wasschuur, die mijn moeder gebruikte om melk te karnen. Een paar huizen verderop had je een gang met wat slopwoningen. Dat soort huisjes bestond meestal uit een kamer en een achterhuis en wij stegen daar wat boven uit.”

Klaas was de jongste van zes broers. Zijn ouders kwamen uit Noorddijk. Na het huwelijk (1891) werd Klaas zijn vader grootknecht bij de veestalling van A. de Vries op Veemarktstraat 5, een annex van ’t gelijknamige café en hotel, ook weer vlakbij de Oosterweg. “De Vries was daar een van de grotere bedrijven”, stelt Klaas,

“De veemarkt ging dinsdagmorgen heel vroeg open en het vee dat boeren van ver weg aanvoerden werd ’s nachts gedeeltelijk gestald bij De Vries. Bij De Vries bestond de hele bovenverdieping uit kamers, waar veehandelaren uit Overijssel en Friesland de nacht overbleven. Maar De Vries was ook boer en had ook koeien. Hij had dus een vrije stal en nog een stal voor zichzelf. Van die veestalling en dat boerenbedrijf was mijn vader de bedrijfsleider.”

Hij herinnert zich hoe er hooi bij De Vries werd binnengereden op een platte wagen: “Een korre noemden wij dat.” Ook weet hij nog hoe hij als jochie zijn vader hielp bij het verweiden van vee naar Visvliet, waar De Vries oorspronkelijk vandaan kwam:

“Mijn vader zat op de korre en ik zat naast hem op de bok.”

Naast zijn zevendaagse baan bij De Vries, onderhield zijn vader op een binnenterrein nog een moestuin met boerenkool en bietjes. Ook hield pa Lanting kippen bij huis. En op een ander binnenterrein huurde hij samen met een buurman, die bakker was, een hok, waarin ze voor gezamenlijke rekening twee varkens vetmestten. De bakker zorgde voor het voer – oud brood genoeg – en Klaas’ vader deed het werk, zoals het uitmesten van het hok.

Al die agrarische bezigheden roepen de vraag op wat de pot schafte bij de familie Lanting. “Wij aten wat de arbeiders gewoonlijk aten”, is Klaas’ antwoord.

“Net wat we vanmiddag gegeten hebben: snert met pannekoeken na. Vaak ook stamppotten. En wat vlees betreft vooral varkensvlees, maar ook wel schapenvlees en paardenvlees. Mijn moeder kon ook heel lekkere hazenpeper maken, Die hazen waren gestroopt, mijn vader kreeg ze als tegenprestatie van boeren uit Drenthe voor adviezen over koeien.”

Klaas’ moeder verdiende net als zijn vader de kost aan de veemarkt. Zij had een nering als zelfstandig melkvrouw:

“Mijn moeder ging met een schamel – een driepotige kruk – en een emmer naar de markt en molk daar koeien. Als de koeien naar de Veemarkt werden gebracht, hadden de boeren er belang bij dat ze er met volle uiers heengingen. Maar dat was natuurlijk een lijdensweg voor die beesten en ze mochten niet van de markt af, voor ze uitgemolken waren. Nou, dat deed mijn moeder, net als verschillende tantes van mij.”

“Soms zei een boer tegen mijn moeder: Jij mag wel melken, maar dan moet je straks wel de drijver betalen. Als ze van de markt afkwamen werden de koeien bijvoorbeeld naar de verlaadplaats aan de Verlengde Lodewijkstraat gedreven, of anders naar de Bedumerweg om met de boot naar het Hogeland te gaan. Dat drijven kostte een paar stuiver. Op een keer, ik moet een jaar of acht, negen geweest zijn, heb ik ook twee of drie koeien naar die boot op het Boterdiep gebracht.”

Zijn moeder had haar melkstandplaats tegenover café De Vries. “Ze droeg altijd blauw vetkrijt bij zich”, vertelt hij.

“Daarmee werd een koe gemerkt, zodat de boer die koe terug kon vinden. Meestal handelden de boeren en veehandelaren hun zaken in de café’s af en menigmaal vroegen ze mijn moeder als zij de koe al gemolken had nog om haar oordeel. Blijkbaar had ook zij verstand van koeien.”

De koemelksters van de veemarkt werkten allemaal voor zichzelf, maar kregen ergens tussen 1910 en 1915 van gemeentewege uniforme kledij opgelegd, een blauwe mouwschort of jas. “Dat was een soort milieuvoorschrift”, meent Klaas.

“Voor die tijd gingen ze er in hun gewone kleren heen.”

Ook zag de gemeente er volgens hem op toe dat de koemelksters de melk ter plekke zuiverden:

“Er kwam een keer een man van de keuringsdienst naar mijn moeder, die zei dat ze verplicht was de melk door een teems met een doek te gieten. Daarop letten ze, maar wat er verder met die melk gebeurde, daar werd helemaal niet naar gekeken.”

Zijn moeder karnde zelf haar melk, in de schuur achter het huis. “Dat gebeurde met een schommelkarn”, zegt hij, “een grote bak, waarin twee schotten met gaten hingen. Die karn hing in twee ijzers, de bak trok je naar je toe en duwde je van je af en zo kwam het spul in beweging”. Op die manier verkreeg zijn moeder boter die ze kneedde, zoutte en in een houten vorm stampte.

“De klanten voor die boter zullen wel beter gesitueerden geweest zijn, want arbeiders aten alleen kunstboter.”

Vormde boter de hoofdmoot van zijn moeders’ aandeel in het gezinsinkomen, de restante melk en karnemelk stond in de gang te wachten op kopers. Klaas: “Het waren vier emmers van 50 liter. Ze hadden een deksel met een scharnier in het midden, zodat je beide helften kon opklappen.” Mocht de verkoop aan eigen deur de voorraad niet kunnen wegwerken, dan ging zijn moeder met haar melkkar uit venten: “Maar dat gebeurde slechts af en toe, ik denk vooral ’s winters.”

Naast melkvee werden er op aparte vakken van de oude veemarkt kalveren, varkens, schapen en paarden verhandeld:

“Die schapen stonden op een gedeelte, daar keken wij nooit naar. Ook was er een lammerenmarkt in het voorjaar, die drie weken duurde. Op maandagmiddag werden de lammeren gebracht en de hele nacht waren ze aan het blaten. In de eerste week kon je niet slapen, maar de andere weken raakte je gewend aan ’t lawaai.”

Geplaatst op 20 oktober 2009  b

Toentertijd stond de veemarkt nog vol met hoge bomen. Klaas maakte mee hoe er in augustus 1914 rails voor de electrische tram langs de Trompsingel werden gelegd. Het waren die van lijn 5, eindpunt Meeuwerderweg:

“Ze werden gelast, dat vonden we zo een wonder! Als jongen van negen jaar snapte je daar niks van. Die tramlijn heeft trouwens een heel stuk van de veemarkt afgesneden. Het was in die tijd ook dat ik de eerste vrachtauto zag. Gewone auto’s was ik al wel gewend, maar toen mijn broer vertelde dat hij er een vrachtwagen gezien had wilde ik dat eerst niet geloven.”

Mede door de ontwikkelingen in het verkeer en vervoer gaf de veemarkt nogal wat negotie. Hij herinnert zich vooral veel horeca: “De hele Veemarkt was omringd door café’s”. Naast De Vries was er een soortgelijk stallings- en horecabedrijf, dat van Scholte. En voorbij De Vries had je de café’s en logementen van Olthoff, Gans en Bambergen. Net als veel veehandelaren, waren Gans en Bambergen van het oude volk. Klaas fungeerde nog als sjabbesgoj: “De Bambergens waren hele vrome joden, ik heb wel eens een cent gehad om op vrijdagavond het licht voor ze aan te steken”. Nog weer verderop lagen op straathoeken de buurtcafétjes van Koster en Bolhuis: “In die kroegjes haalden mensen vrij algemeen drank per maatje op, als ze visite kregen. Mijn eigen hoofddrank, wat ik toen zelf geweldig vond, was grenadine.”

De vele horeca had als bijverschijnsel dat er buiten op straat nogal eens gevochten werd. “In de Eerste Wereldoorlog waren er Engelsen geïnterneerd in het Engelse Kamp“, legt Klaas uit,

“maar die hadden veel bewegingsvrijheid en kwamen regelmatig bij de veemarkt. Het gebeurde vaak dat mannen uit de omgeving met ze gingen knokken en dan zaten wij als kwajongens erbij te kijken op de hekken van de veemarkt. Meestal hadden beide partijen teveel drank op, maar die Engelse soldaten waren veel technischer vechters. Eén keer zag ik hoe een Engelsman naar de benen van buurtagent Doedens dook om hem onderuit te halen. Maar die Doedens was een dikke, zware kerel, en die viel niet te scheppen. De Engelsman schoot Doedens tussen de benen en Doedens kneep zijn benen om zijn hals en begon hem af te rossen met de gummistok”.

Naast de horecabedrijven stonden er aan de Veemarktstraat en de straten erachter nog tal van winkeltjes. Klaas noemt onder meer de grossierderij van Van de Wolde & Zweep aan de Veemarktstraat. Van Wolde & Zweep handelden in groente en brandstoffen, een merkwaardige combinatie. Klaas: “Ze brachten cokes naar het Engelse Kamp, wij zaten achterop de wagens en reden zo het kamp mee in”. Specifieke herinneringen bewaart hij ook aan de bakkerij van Dijkstra op de zuidhoek van de Cubastraat en de Oosterweg:

“Daar kon je toffees kopen waar soms bij wijze van verrassing een cent ingeplakt was. Als er bij De Vries een kalf geboren werd en de koe biest gaf, werd die biest naar Dijkstra gebracht en daar verwerkt in gebak en taarten. Biest in gebak en pannekoeken, dat was heerlijk.”

Tussen de horeca en de winkels door bevonden zich aan de straten en stegen bij de oude veemarkt nog veel op het oog normale burgermanswoningen. Maar de schijn kon bedriegen, want op de kop van de veemarkt bij de Oosterweg stond tussen de horecabedrijven van De Vries en Scholte bijvoorbeeld het huis van ene Rietema, een bediende van het slachthuis:

“Hij was een echte heer in mijn ogen en had een grote voortuin met een grasveld dat als fietsenstalling dienst deed. Op dinsdagen stond het daar altijd hartstikke vol. Ik zie nog vrouw Rietema staan die de fietsen aannam.”

In het buurtje achter de oude veemarkt woonden vooral werklui, losse arbeiders, hellingknechten, stadsreinigers en sigarenmakers:

“Als de mannen op zaterdag geld beurden doken ze vaak de kroeg in. Ook toen al kregen ze bij sommige bedrijven een bewijsje van wat ze verdienden. Eén van de vrouwen liep een keer langs het station en vond het papiertje van haar man. Toen hij haar betaalde riep ze: En nu de rest!”

Van andere vrouwen uit het buurtje herinnert hij zich vooral een, die woonachtig was op de hoek van een doorbraak tussen de Houtzager- en de Cubastraat. Ze verkocht warm water en kooltjes vuur:

“Zij ging uit porren of wekken. Die mannen moesten snel weg. Als ze koffie wilden, moest eerst de kachel aan, maar dat duurde veel te lang. Vandaar dat dat vrouwtje ook warm water en vuur leverde.”

Immens was het standsbesef:

“Ik vond dat heel normaal: door de week liep je op klompen en ’s zondags op schoenen. Nooit kende ik afgunst op kinderen die het beter hadden. Wat je niet begrijpt is het kastegevoel dat er heerste. Je werd als arbeider geboren en als arbeider ging je dood.”

“Thuis hadden we niet veel boeken, alleen Lord Lister en Buffalo Bill“, merkt hij op. Al vroeg kreeg hij door dat ie moest leren, om verder te komen in het leven. Dat kwam door zijn moeder. “Zij was haar tijd vooruit”, zegt hij:

“Want ze leerde de kinderen studeren. Toen mijn broer Etto naar de ambachtsschool ging, vonden familie en buurt dat mijn moeder het hoog in de kop had. Dat deed je niet, de arbeidersgroep was mooi genoeg. Als je op je twaalfde jaar van de lagere school kwam ging je aan het werk, want er moest geld binnenkomen. Maar door haar toedoen is mijn broer Etto naar de ambachtsschool gegaan en heeft er een vak geleerd. Ik wou boekhouder in Indië worden, maar hij is er heengegaan. Bij de Semarang-Tjirebon­spoorlijn had hij een hoge post. In de oorlog is hij opgepakt en gestorven in een jappenkamp.”

Harry Perton


Bob Dylan in Noordpolderzijl (III)

Ik vroeg Wim Vuijk of hij als verstokte Bob Dylanfan ook bij dat concert van bijna vijftien jaar geleden in de Martinihal was geweest

“Daar ben ik zeker geweest!”, zei hij:

“Ik heb zelfs nog een poster van het concert en een opname.”

“Goed”, zei ik, “En herinner jij je dat Bob Dylan iets gezegd heeft over een fietstocht op het platteland die hij gemaakt zou hebben?” Helaas, hij herinnerde zich het niet:

“Het zou me verbazen, Dylan was niet zo praterig. Maar ik zou het concert opnieuw kunnen beluisteren.”

Aan de andere kant zou het hem nou ook weer “niet zo enorm” verbazen:

“Dylan zat alleen in het Familiehotel, met een echtpaar dat voor hem zorgde tijdens de tour. Er werd ook gekookt en dergelijke. Dylan ging dus zijn eigen gang min of meer.”

En doorredenerend over de waarschijnlijkheid van Dylan in het Zielhoes:

“Toen Dylan in Brussel optrad is hij een keer met de fiets naar de concerthal gegaan. Maar Noordpolderzijl is behoorlijk ver fietsen voor een Amerikaan die niet Lance Armstrong heet. Bovendien, hij kent de weg hier niet. Hij is er dus of afgezet of met iemand meegereden, iemand van de tour of zo. Het kan niet anders of er moeten wat betrouwbare getuigen zijn. Maar die zijn er niet.”


Immenga – reclame van een vooroorlogse vakfotograaf

De opruiming van Hans zijn boekenzee is thans in volle gang. De eerste 250 dozen liggen bij City Box. Dat zijn naar schatting van Hans 5000 boeken. Mogeljk zijn er nog 250 dozen te gaan. Dat maakt het totaal dan op 10.000. Woensdag komt de directeur van Patrimonium poolshoogte bij hem nemen.

Uit de boekenzee kwam een zestal plakboekbladen tevoorschijn met spul van een meneer Immenga, die voor de oorlog hier in Groningen een foto-technisch bureau had, eerst aan de Kolfstraat, vervolgens aan de Peperstraat en uiteindelijk aan de Oude Ebbingestraat. Aan die trits – naar steeds beter op stand – kan je zien dat zijn bedrijf succes had. Het maakte bedrijfsfoto’s van interieurs, etalages en industrieproducten, maar deed naast alle reclame ook wel werk voor de pers. In het plakboek plakte Immenga zijn eerste eigen reclame-materiaal, gladde fotopapiertjes met tekeningen, typoscript en collage-achtige elementen, Of het gaat om ontwerpen voor advertenties, dan wel beurs-handouts is moeilijk te zeggen. Hier vier specimina:
Geplaatst op 9 oktober 2009  a

Geplaatst op 9 oktober 2009  b

Geplaatst op 9 oktober 2009  c

Geplaatst op 9 oktober 2009  d


Wethouder geeft oudste marktkeitjes weg

Geplaatst op 7 oktober 2009  a

Het muntje dat onder de oudste bestratingslaag van de Grote Markt werd gevonden, blijkt geslagen ten tijde van de Duitse Koning Hendrik II, die van 1002 tot 1024 regeerde. Die bestrating, bestaande uit veldkeitjes, dateert dus van iets later, en komt daarmee uit dezelfde periode dat de Villa Gruoninga en het Gorecht los werden gemaakt van Drenthe.

De veldkeitjes zijn op twee meter diepte aangetroffen. De markt was in de elfde eeuw veel kleiner dan nu en besloeg zo’n beetje de helft van de huidige Grote Markt. Op de andere helft stonden nog boerderijen met bijgebouwen.

Aanstaande zaterdag om 11 uur deelt Wethouder Frank de Vries honderd van de veldkeitjes uit op of bij het stadhuisbordes. Archeologische waarde hebben ze niet en ze zouden toch niet worden bewaard. Bij de uitdelerij gelden als regels: Wie het eerst komt, wie het eerst maalt, Eén kei per liefhebber, en op is op.

De foto is van Kiekert


Grootindustrieel bleek enorme cultuurbarbaar

De eerste maal dat Nico Rost de rijkste en machtigste man van Groningen, grootindustrieel Jan Evert Scholten, een handje mocht geven liep dat niet goed af:

“Ik moest hem vertellen of ik overgegaan was en wat ik het liefste deed, en zei, waarschijnlijk nauwelijks verstaanbaar, dat ik veel van lezen hield. Nog herinner ik me zijn antwoord: “Niks mee te verdienen! Alleen slecht voor de ogen!”
Bij het afscheid kreeg ik een hand, een zware vlezige hand, en dagenlang daarna was ik terneergeslagen, omdat m’n moeder aan deze woorden de conclusie verbond, dat ik des avonds niet zo lang mocht blijven lezen en vanaf dien dag vroeger controleerde of het licht in m’n kamertje nog brandde.”

Uit: Nico Rost – De vrienden van mijn vader (1956)


Fongers in vol bedrijf

Filmbeelden van Fongers

Aan het gloeiende ijzer kan je zien dat de rijwielfabriek voortkwam uit een smederij. Bij de getoonde bewerking zal vast wel eens een arm geplet zijn.

Opvallend is ook, dat er geen sprake van een lopende band is. Iedere arbeider heeft zijn eigen taak op een vaste plek, maar het product gaat niet per band van arbeider naar arbeider. Misschien vormde dat ook een reden, dat de fietsen van Fongers relatief duur waren.


Tolerant tafeldekken

“Dat messen rechts en vorken links van het bord lagen was algemeen gebruik; alleen deed men het, volgens een verhaal van kunsthandelaar Frides Laméris, bij de adellijke familie Van I. in Groningen soms bewust andersom. Dat heette ‘tolerant dekken’ – het oppakken en verwisselen van het gerei gaf katholieke disgenoten de kans om ongemerkt een kruisje te slaan.”

Aldus Ileen Montijn in Leven op Stand (pag. 163), Volgens mij kan dat haast alleen op de familie Van Iddekinge slaan. Deze was sterk verbonden met het Ancien Regime van voor 1795, dat de gereformeerd/hervormde kerk nog een priviligieerde status gaf. Ook waren de Van Iddekinges toen nog vrij vroom. De stiekeme tolerantie zoals blijkend uit de positie van het bestek naast het bord, zal daarom een vrucht zijn van de negentiende eeuw. Temeer daar het citaat van Laméris impliceert dat er niet meer gebeden werd aan tafel. Tijdens het gebed kon een katholiek immers altijd ongezien een kruisje slaan.


Stokken op de Veemarkt

“Veehandelaren, inzonderheid Friesche en Overijsselsche kooplieden, de zoogenaamde ‘Hamkers’ dragen allen stokken, zoo ’t heet, om gekocht vee te drijven, doch zij worden ook als maatstokken gebruikt om er de hoogte van een marktdier bij te meten. Aan den bovenkant van zijn lederriempjes kunstig met koperdraad bevestigd, een loshangend riempje dient om bij onderzoek van een marktdier den stok even aan eene jasknoop te verbinden.”

Harm Tiesing in Hazelhoff’s almanak, 99e jaargang, 1912


‘De resultaten zijn verbluffend’

Het diagnosticeren van gehoorresten bij doofstomme kinderen en het geduldig lesgeven aan zulke kinderen – daar gaat dit bij vlagen vertederende filmpje van Beeld & Geluid over. Het is in 1953 gemaakt in Groningen, met als lokaties het Academisch Ziekenhuis en het oude Guyot-instituut aan het Guyotplein:


Waar komt de naam van De Jachtwagen vandaan?

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

In Huppeldepup stelde Henk Werk jaren geleden eens deze vraag:

“Wie weet hoe de naam “De Jachtwagen” ontstaan is?”

Henk doelde op het café op het adres A-weg 4, dat van 1928 tot 1987 eigendom was van drie generaties Vos, familie van zijn moederskant. De eerste Vos huurde de zaak al vanaf 1923 van Geert Riga, en kocht haar in 1928 uit diens nalatenschap. De achterkleinzoon Vos zou het café in 1988 weer van de hand doen.

Volgens iemand die meer kijk op de hedendaagse horeca heeft dan ik, is het nu “een alcoholistencafé”. Niet dat dat me zoveel zegt, in elk café zitten alcoholisten. Een Biertest van eind 2005 gaf het café in elk geval een 7,5 als rapportcijfer, en noemde het “knus en aangenaam”:

“Het is eenvoudig van opzet maar toch gemoedelijk. We troffen hier enige rasechte Groningers en namen er nog één.”

In de tijd van de familie Vos moet het er wel meer gebruist hebben. Olga Wiese herinnerde zich het café onlangs (pdf, pag. 45) uit de jaren zestig, toen de ook niet bepaald abstinente kunstenaars van Jong in Groningen er een hangplek vonden:

“Wat ik me van die tijd herinner, is dat we heel veel met z’n allen in de kroeg zaten. In de Jachtwagen aan de A-weg. Dat lag in de richting van het atelier van beeldhouwer Edu Waskowsky, die zat er altijd, evenals Jo van Dijk. Ook Martin Tissing kwam er veel. Dat was een soort huiskamer, daar brachten we vele dagen door.”

Maar om terug te komen op die naam – waar komt die vandaan? Het Woordenboek der Nederlandscha Taal (WNT) definieert een jachtwagen zo:

“Een licht rijtuig om in uit te rijden voor de jacht, om mede op de jacht te gaan.”

Het grootste woordenboek ter wereld komt op de proppen met een synoniem – ‘Utrechtsch wagentje’ – dat ik verder helemaal niet tegengekomen ben, en merkt op dat het gebruik van jachtwagentjes algemeen was, maar noemt slechts voorbeelden uit 1890, 1894. en 1912. Wat een beetje vreemd is, want de term jachtwagen kwam toch echt al voor in de zeventiende eeuw, en normaal is het WNT erg scheutig met exempelen uit die era.

Een beeldende beschrijving levert het WNT niet. Daarom neem ik mijn toevlucht tot de plaatjes-Google. En dan blijkt het te gaan om een vierwielig, open rijtuig zonder een vaste kap, waarvan de achterwielen vaak groter zijn de voorwielen. Zo’n rijtuig is minder snel en wendbaar dan een sjees, maar wel weer sneller en wendbaarder dan een wagen met een vaste kap. Vanwege die snelheid als kenmerk plaats ik ook een vraagteken bij de duiding van ’t jacht in de naam door het WNT. Ik denk dat dat jacht meer slaat op jagen in de zin van drijven, dan dat het staat voor het doodmaken van dieren.

Geplaatst op 5 september 2009  d

In de Leeuwarder Courant kwamen jachtwagens vrij vaak voor in advertenties van boerenboeldagen. Een Leeuwarder stalman adverteerde in 1758 en 1761 zelfs met een speciale, Groninger variant:

Geplaatst op 5 september 2009  f Geplaatst op 5 september 2009  e

In de collectie van Nienoord zit zo’n Groningse jachtwagen uit de achttiende eeuw. De beschrijving bij het plaatje geeft weer de eigenschappen ‘vierwielig’ en ‘licht’ – het rijtuig werd gebruikt voor recreatieve uitstapjes.

Bij de Nienoorder beschrijving staat ook het synoniem voor jachtwagen dat vanaf de achttiende eeuw veel vaker gebruikt gebruikt wordt dan de term jachtwagen zelf: phaëton (of faëton), zo genoemd naar de figuur uit de Griekse mythologie die met de zonnewagen langs de aarde scheerde, zodat er woestijnen ontstonden.

Nog even een handvol historische phaëtons uit de voorraad van Flickr: 1, 2, 3, 4, 5. Je ziet dat de kenmerken inderdaad dezelfde zijn als die van een jachtwagen.

Een jachtwagen was, kortom. een lichte wagen, open of met een losse of inklapbare kap. Dit suikerzakje van het café aan de A-weg slaat de plank daarom helemaal mis. Want een jachtwagen is geen postkoets, zoals Hindrik Vos, eigenaar sinds 1958, scheen te denken:

Geplaatst op 5 september 2009  g

Mocht het café ooit nog eens een suikerzakje willen maken, dan moeten de uitbaters hun ontwerper eerst maar even naar Grijpskerk sturen. Een uithangbord bij een oude smederij daar geeft namelijk een beter idee hoe een jachtwagen er uitzag:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Als je qua horeca op café + Jachtwagen googelt, dan zie je bijna alleen het geval aan de A-weg. Dat blijkbaar ook – nog vanuit de jaren zestig? – te boek staat als jongerencentrum.

Maar elders hebben er eveneens Jachtwagens bestaan. Zo had Haren een herberg met die naam. Getuige deze foto uit 1925 heette het toenmalige hotel Horst eerder immers De Jachtwagen. Een herberg de Jachtwagen in Haren was er al in 1781, toen de kasteleinse van De Jachtwagen, de weduwe Van Boekeren, in die plaats een harddraverij organiseerde.

Bij Twijzel in Friesland had je bovendien een herberg die de Zwarte Jachtwagen genoemd werd. Deze bestond eind zeventiende eeuw al en kwam in de Leeuwarder Courant het laatst voor in 1914.

De Jachtwagen was dus niet uniek voor Groningen. Maar de stad had wel bijzonder vroeg en extreem veel Jachtwagens. Want volgens de aantekeningen over stad-Gronings onroerend goed van Duco Kuiken, waren er hier vijf verschillende herbergen met die naam in de zeventiende en achttiende eeuw. Opvallend genoeg niet aan het Hoendiep noordzijde, zoals A-weg vroeger heette. Zodat de zaak van de familie Vos de zesde Jachtwagen geweest moet zijn.

Vier van die stad-Groninger Jachtwagens bestonden min of meer gelijktijdig in de jaren twintig van de zeventiende eeuw. Deze waren gevestigd aan het Schuitendiep (1623), het Damsterdiep noordzijde (1625 – ca. 1630), de A westzijde. of Lage der A bij de A-poortenboog of A-brug (1625 – tot ver na 1809) en bij de A-poort (1623). In de achttiende eeuw was er nog een aan het Lage der A, maar omstreeks 1765 is die omgezet in een pakhuis, dat in 1848 nog bestond.

De herberg die zijn functie verloor heette de kleine Jachtwagen. terwijl die bij de A-poortenboog de grote Jachtwagen genoemd werd. Voor het verdere, broodnodige onderscheid ging de herberg bij de A-poort door het leven als De Zwarte Jachtwagen, terwijl die bij de A-poortenboog de Gouden Jachtwagen heette.

De Gouden Jachtwagen, tevens de grote Jachtwagen (die bij de A-brug), was zonder meer de horeca-gelegenheid die van alle naamgenoten het langst bestond. Naar het zich laat aanzien werd deze echter in 1923 gesloopt voor een pakhuis. Op dat pakhuis kwam toen een gevelsteen die moest herinneren aan de herberg:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Hoe men aan het jaartal 1723 kwam, mag Joost weten. Ook toont deze gevelsteen geen jachtwagen, maar een boerenkar met een jager. En als de voorstelling al niet van erg veel begrip getuigt, waarom zou dat eerste jaartal dat dan wel doen?

Het laatste jaartal – 1923 – is in dit verband bekend, en wel door het begin van het uitbaterschap der Vossen in het gelijknamige café op het adres A-weg 4. Zou het niet zo kunnen zijn, dat Geert Riga dat jaar de Jachtwagen verhuisde van het Lage der A, naar dat adres?

Hoe dan ook profiteerde het nieuwere café aan de A-weg van de naam der eeuwenoude voorganger.


Van een hellingbaas en zijn fuik

Op een dag in de nazomer van 1734 krijgt de stadsschulte bezoek van Jurjen Tjaarts. Jurjen is van zijn beroep visser. Als zodanig pacht hij het visrecht in eerste gedeelte van het Winschoterdiep van de stad. Hij komt bij de wetshandhaver zijn beklag doen over Anthonie Jans, de baas van de eerste scheepshelling buiten het Kleinpoortje (nu omgeving Trompkade).

De hellingbaas heeft op een feestelijk samenzijn tegen collega’s zitten opscheppen dat hij een fuik onder de Bonte Brug heeft staan. En dat mag helemaal niet, want dat is voorbehouden aan Jurjen. De visser verzoekt de schulte om maatregelen te nemen. Anders klaagt hij de wetsdienaar wegens plichtsverzuim aan bij de president-Burgemeester.

Op 16 september vindt de schulte ’s avonds nog net even de tijd om aan het verzoek van de visser te voldoen. Op de aangegeven plek bevindt zich inderdaad een fuik, maar die staat nogal ver in het water en hij kan geen boot krijgen om haar weg te halen. Bovendien moet hij zich haasten om naar de stad terug te keren, want de poorten sluiten aanstonds. Wel zegt hij nog even tegen Anthonie Jans dat hij de volgende dag terugkomt.

De scheepstimmerman lijkt er allerminst van onder de indruk en verklaart dat hij de schulte dan een “hantin” (schriftelijk bewijs) zal tonen, dat zwart op wit aantoont dat hij daar het recht heeft om daar te vissen met een fuik.

De volgende dag gaat de schulte in alle vroegte naar de president-Burgemeester, voor een verslag van zijn expeditie. Ook Jurjen Tjaarts laat zich er vinden. De visserman herhaalt zijn grief, waarop de Hoog Edel Gestrenge de schulte gelast om dat “hantin” bij Anthonie Jans op te halen.

De schulte begeeft zich derwaarts, dit keer in gezelschap van een van zijn dienaren. Bij het huis van de scheepstimmerman blijven beide wetshandhavers voor de deur staan, omdat ze weten dat Anthonies vrouw nog geen zes weken uit de kraam is. En dan mag je geen consternatie veroorzaken. Maar zie, de deur wordt geopend door de vrouw zelf, die de schulte ook uitnodigt om binnen te treden. De dienaar blijft buiten staan.

Als Anthonie wakker gemaakt is, uit de bedstee komt en de stoel naast de schulte inneemt, vraagt de schulte hem naar dat “hantin” waarover Anthonie het de vorige dag had. Eerst veinst de hellingbaas niet te weten waar het is. Zelfs probeert hij de schulte nog even met een kluitje in het riet te sturen, maar op aandringen van zijn vrouw gaat hij toch maar naar het papiertje zoeken. Hij komt er, na wat gerommel in zijn “pulpitrum” (schrijfmeubel), ook werkelijk mee voor de dag.

Hij overhandigt het aan de schulte, die het leest en verklaart het als bewijs onvoldoende te achten. De wetsdienaar geeft te kennen dat hij het stuk mee wil nemen, opdat de president-Burgemeester het kan lezen. De volgende dag brengt  hij het dan wel weer terug.

Hij steekt het papiertje in zijn zak. Dat nu, gaat zo maar niet. Anthonie probeert het weer aan de schulte te ontfutselen, en stompt de schulte in zijn gezicht. Er ontstaat een worsteling om de stok van de schulte, die nog een tweede voltreffer moet incasseren. Misschien heeft de wetsdienaar een greep naar zijn degen gedaan, daarover zijn de meningen later verdeeld. In elk geval is Anthonie’s vrouw tijdens het trekken en duwen van de beide kerels hysterisch gaan gillen, voordat ze – klassiek – in katzwijm valt.

Niet best voor een vrouw die nog geen zes week uit de kraam is. Daar komen nog heel wat aderlatingen aan te pas. De schulte zou de vrouw dringend verzocht hebben om kalm te blijven, omdat hij helemaal geen recht had om Anthonie in zijn eigen huis terug te slaan. Hij verlaat het huis, achternagezeten door de scheepstimmerman, die hem naroept:

“Doe bejegenste mij in mijn huis als een schork omdat doe segste als dat ik een valse hant hebbe…”

De schulte antwoordt hem nog: “Man weest wel te vreden”, maar Anthonie blijft hem uitschelden:

“Doe rekel, doe lendelam, doe doe dien best kerel, doe dien best schobbejak”.

Daarmee gooit Anthonie zijn eigen glazen in, want de schultendienaar en een stel buren staan van een afstandje op de Bonte Brug toe te kijken en de schulte vraagt ze als getuigen nota te nemen van de strafbare termen.

De scheepstimmerman van zijn kant nodigt alle getuigen uit om bij hem in huis te komen kijken…

“…hoe mijn vrouw hier is leggende op de vloer door sulke alteratie van de stadsscholte wegens sulke bejegeningen an mij en mijn vrouw gedaan”.

Duidelijk is, dat het muisje nog een staartje krijgt. Burgemeesteren en Raad geven hun advocaat-fiscaal (officier van justitie) opdracht het geval te onderzoeken. Hier is immers sprake van verzet tegen, alsmede belediging van de schulte, een ambtenaar in functie die ze dienen te beschermen. Op zo’n delict staat tachtig daalder boete en eventueel zelfs een lijfstraf.

Fiscaal Van Hoorn hoort eerst de schulte nog eens. Ook de schultendienaar en enige buren van Anthonie worden gehoord. Ze bevestigen wat betreft de scheldpartij het verhaal van de schulte.

Tijdens deze sessies verneemt de fiscaal dat Anthonie op een avond in een herberg tegen collega’s heeft zitten snoeven op de – veel moeilijker te bewijzen – klappen die hij de schulte gegeven heeft. Iemand die deze praatjes aanhoorde, Bartelt Jans Noordhoorn, krijgt eveneens een uitnodiging om voor de fiscaal te verschijnen. Bartelt, collega en buurman van Anthonie – hij heeft een scheepswerf op de plek waar nu de Oude Graansilo staat – durft er eigenlijk niets over te zeggen. Hij is bang voor Anthonie, die hem eerder al eens bedreigde:

“Als hij daar altemets van hoort, zo zal hij mij kwalijk bejegenen; hij is dog de beste mens niet (…) Ik heb liever vree met hem als questie.”

Intussen onderwerpt de fiscaal het “hantin” aan een onderzoek. Het blijkt een verklaring van Jurjen Tjaarts te zijn, de pachter van het visrecht in het Winschoterdiep en degene met wie dit verhaal begon. Inderdaad heeft Jurjen Anthonie toestemming gegeven voor diens plezier en tijdverdrijf te vissen in zijn gebied, en wel voor een periode van twee jaar, met uitzondering van de verboden tijd. Voor deze permissie betaalt Anthonie aan Jurjen een rijksdaalder per jaar. Maar volgens Jurjen, geconfronteerd met het bewijsstuk, mocht de scheepstimmerman alleen vissen met een “teutebel” (kruisnet) of een “slaghamer”, en absoluut niet met een fuik,

“als sijnde van te veele importantiën om voor een rijksdaalder te verkoopen”.

Maar het woordje fuik staat wel degelijk op het “hantin”. Volgens Jurjen is het later aan de tekst toegevoegd door Anthonie en daar heeft het ook zeker veel van weg.

Burgemeesteren en Raad veroordelen de hellingbaas enige maanden later tot tachtig daalder boete en betaling van de rechtskosten. Die zijn door de 38 zittingen van de fiscaal in het Volle Gerecht nogal hoog opgelopen, ze bedragen ruim 111 gulden. De totale schade voor Anthonie is op die manier ruim 230 gulden. Dat is meer dan een arbeidersjaarloon.

In maart 1735 verzoekt hij met het alleronderdanigste respect, op zijn allereerbiedigst, zeer ootmoedig en beklaaglijk om kwijtschelding van een gedeelte van het bedrag, omdat betaling hem…

“…ten uitersten ruïneus soude sijn, sullende daermede het weinige nogh is besittende weggaen…”

Hij vreest zelfs zijn bedrijf eraan te moeten geven. Of de hoge heren werkelijk met de hand over hun hart gestreken hebben weet ik niet, maar Anthonie’s bedrijf zal, voortgezet door zijn nazaten, nog tot in de negentiende eeuw blijven bestaan.

Harry Perton


De Malbroeksteeg

Geplaatst op 26 augustus 2009  malbroeksteeg

Het was een delict van niks. De sjouwerman Adolf Boelens (39), wonend in de Davidssteeg, bekende eind 1816 dat hij uit twee tuinen aan de buitensingel tussen de Here- en de Oosterpoort (nu de Parklaan) enige goederen ontvreemd had, die hij vervolgens nog wat verder van huis, in de omgeving van de Oosterweg, weer verkocht.

Het gaat hier om het adres waar een van de kopers, de “stoepsarbeider” Jurjen Berends, destijds woonde. Dat was in de Malbroegsteeg. Als we onder stoepsarbeider een werkman van de Drekstoep of stedelijke straatvuil- en faecaliënverwerking aan het begin van de Oosterweg moeten verstaan, dan lag die Malbroegsteeg waarschijnlijk daar in de buurt, ofwel tussen het Slijkdiep (Griffe) en de Houtzagersteeg in.

De Malbroegsteeg was ongetwijfeld genoemd naar de veldheer Marlborough (1650 – 1722),  Dat deze man nog lang na zijn roemruchte veldslagen voortleefde in de volksverbeelding, blijkt vooral uit een volksliedje, ‘Malbroek vaart ten oorlog’, waarvan het Volksliedarchief in de twintigste eeuw nog enige tientallen versies verzamelde,

Deze hier lijkt het meest conform aan de oorspronkelijke versie. In eerste instantie was het namelijk een Frans lied. geschreven na de Slag bij Malplaquet (1709). Weliswaar raakte het zo goed als vergeten, maar een componist stofte het omstreeks 1780 af in een sonate. Daardoor neuriede de min van de Franse kroonprins de melodie in 1785 bij diens wieg en pikte koningin Marie Antoinette het lied op, waarna het immens populair werd in steeds bredere kringen, en ook in het buitenland (bijvoorbeeld als He’s a jolly good fellow in het Verenigd Koninkrijk).

Dankzij het lied kregen ook zijden stoffen, kapsels, rijtuigen en soepen de naam Marlborough. Door het alom vertegenwoorigd zijn van die naam ontwikkelde Goethe zelfs een hevige antipathie jegens wijlen de veldheer. Na de Franse revolutie (1789) taande de populariteit even, maar Napoleon zou het liedje weer hebben zitten hummen toen hij de Memel overstak aan het begin van zijn Russische veldtocht (1812).

Ik wil maar even zeggen: de Malbroegsteeg buiten de Groninger Oosterpoort behoort tot de grote Europese cultuurgeschiedenis.

Een mooie versie


‘Een avontuur met de stads-Groninger tram’

Anno 1901 was de Groninger middenstand niet zo erg te spreken over de tram. Op papier zag de dienstregeling er goed uit, maar de werkelijkheid spoorde daar niet mee. Vooral handelsreizigers klaagden steen en been, omdat ze de aansluiting met de trein nogal eens misten. Regelmatig stonden er klachten in het Nieuwsblad van het Noorden, en de Provinciale Groninger Courant bevatte deze pastiche op Goethe’s Erlkönig van GBK, oftewel Gerrit Berend Kuitert:

Wie trekt er des morgens zoo vroeg al op uit?
Het is de vader met zijn slaaprige spruit;
Hij vat hem bij d’arm, hij stapt met hem door;
Het is over zeven, en ze moeten naar ’t spoor.

“Maar Mozes, wat kijk je zoo simpel mij aan?” –
“Zie je, vader daarginder de tram dan niet staan?
De tram met dat heerschap?…..hij wenkt me: kom mee!” -
“O jongen, ’t is een lid van de Sociëté!

De Sociëté-tram komt doorgaans te laat:
Een slak op vier raadren, kruipt zoo over de straat;
Berucht om de treinen die ze elke week mist,
Geraakt zij in vaart door geweld noch door list.

Graag stopt zij, een kruis voor wie stipt is en vlug;
Veel liever dan voorwaarts, gaat zij weer terug;
Zij fopt wie er aankomt, zij fopt wie vertrekt,
Geen klacht die haar ooit uit haar vadsigheid wekt” –

“Maar vader, mijn vader, en zie je dan ’t paard
Al niet kwispeln en omzien, hippiquerig van aard?” –
“Wat zeur je toch, Mozes! ’t verroert nog geen vin;
Vooruit maar, en nooit haalt de stumper ons in.”

“Maar vader, haast vallen de mij de oogen weer dicht,
En ‘k geeuw mij de kaken al half uit ’t gewricht;
Liefst soesde ik daarbinnen wat op mijn gemak” –
“Schei uit!, ik word naar van dien langzamen bak.” –

Jij, jongeheertje, kom, ga met mij mee!
Je moet weten, ‘k ben een lid van de Sociëté;
In dit trammetje maak je een heerlijken rit,
Vijf centen maar kost je zoo’n lekkere zit.” –

“Mijn vader, mijn vader, en hoor je dan niet
Wat die zeldzame man voor aanlokkelijks mij biedt?”
“O Mozes, stap door toch kijk voor je neer,
Geef niet om ’t gevlei van dien goocheme heer!” –

“Zeg, lieve knaap, hoe uit ’t bed al zoo vroeg?
Je geeuwt nog, wis kreeg je geen nachtrust genoeg;
’t Slaapt zacht bij der merrie gemoedlijken loop, –
Stap in dan, en droom van kastanjes met stroop!”-

“Mijn vader, mijn vader, wat zeg je daarvan?
Al slapend te smullen, – wat bod doet die man!”
“O Mozes, zie toe dat met al dit gedoent’
Jou het lid van de Sociëté niet besjoent!” –

“Komaan wat, ik ben op dit vrachtje gesteld,
En ben je niet willig, gebruik ik geweld…..” –
“Mijn vader, mijn vader, hij pakt mij om ’t lijf!
Hou je centen maar klaar, ’t is voor elk van ons vijf.”

De vader roept “Help”….maar ’t is moeite verspild,
Reeds ziet hij hoe Moos in de tram wordt getild;
Hij foetert, stapt meé in, ze bereiken ’t station –
Daar snort juist de trein weg, en men lacht op het perron!

Met dank aan Henk Scholte