Groninger opgravingsvondsten

Kiekert maakte gisteren op het koor van de Martinikerk een serie foto’s van de zeer tijdelijke tentoonstelling van stad-Groninger opgravingsvondsten, bestaande uit middeleeuwse pelgrimsinsignes, tinnen speelgoed, naaigerei, munten, schoeisel, aardewerk en bijzondere bakstenen. Ziehier de slideshow.


Opgraving Grote Markt – het begin van een synthese

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Vanavond sprak opgravingsleider Bert Tuin over de vondsten bij de opgraving aan de Grote Markt. Eigenlijk was er niet vreselijk veel nieuws, maar wel meer overzicht.

Het belangrijkste was de structuur van de bebouwing. De oudste grondsporen kwamen van twee evenwijdige greppels die met een haakse bocht afbogen naar het Martinikerkhof. Afgaand op de aangetroffen aardewerk-scherven lijken die greppels gegraven in de eerste helft van de tiende eeuw. Hooguit in de eerste helft van de elfde eeuw vervangt een bredere sloot de greppels. Je zou daarbij een verband kunnen leggen met het feit dat de Duitse keizer de Villa Gruoninga aan de bisschop van Utrecht schenkt (1040). De bisschop heeft hier een boerderij met een meier en die markeert het nieuwe bezit of de Bisschopshof. Op zijn beurt is de brede sloot weer gedempt, waarna de rooilijn of grens tussen privé-bezit en openbaar terrein (brink, markt) verder naar het westen komt te liggen.

Vorig jaar kwam er onder het huis Panser een lemen vloer uit de dertiende eeuw tevoorschijn. Waarschijnlijk ging het om de vloer van een schuur of werkplaats, en eigenlijk was het ’t enige spoor van houten opstallen dat tot nu toe aangetroffen is.

Het huis Panser dateerde van voor 1325, het tweede huis van erna. Van het hoekhuis waren alleen sporen van omstreeks 1550 of iets later bewaard. Het fundament met de negentien gestiepte steenlagen heeft namelijk alle oudere sporen uitgewist. In het gootje zat een unieke steen met een eigendomsmerk. Waarschijnlijk aangebracht door de tichelaar voor de bouwheer of de aannemer van het metselwerk.

De oudste vondst was een scherf Gallo-Romeins hardgebakken rood aardewerk uit het derde kwart van de eerste eeuw na Christus. Deze zat echter in een middeleeuwse ophogingslaag, tussen middeleeuwse scherven van een veel mindere kwaliteit aardewerk. Grote vraag is nu waar die ophogingsgrond vandaan kwam, maar dat lijkt mij dus een schier onoplosbaar raadsel.

De foto’s die Kiekert maakte van de tijdelijke tentoonstelling staan hier.

Retro-acta:

  • Intrigerend vloertje (31 mei)
  • Putjes en pootafdruk op de Grote Markt (4 juni)
  • Middeleeuwse watergoot blootgelegd (9 juni)
  • Archeologen komen aan de wieg van de stad (19 juni)

Suikerzakjesalbum met puutjes van Veemarkt-horeca

H. troonde me vanochtend om 10 uur mee naar de braderie en rommelmarkt om de hoek, waar in een van de kraampjes een boek lag dat me zou interesseren. Het bleek niet van mijn gading. Maar er lag wel iets interessants naast: een plakboek met allemaal suikerzakjes van vooral horeca, maar ook bedrijfskantines:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Suikerzakjes: oubolliger kan het haast niet, zou je denken, maar er zitten fantastische staaltjes grafische vormgeving bij. Bovendien vormen ze een bron voor de geschiedenis van de horeca. De koopman achter de kraam vroeg er 17 euro voor en die heb ik hem er grif voor betaald.

Ik vermoed dat de meeste mensen zo’n verzameling chronologisch inplakken, op volgorde van verwerving. Dat bleek in dit geval niet zo. De collectie is ingedeeld naar geografische herkomst. Eerst zitten er 13 pagina’s met stad-Groninger suikerzakjes in het plakboek en dan volgen alle provincies, behalve Noord-Brabant en Limburg:

  • 21 pagina’s Groningen
  • 8 pagina’s Friesland
  • 8 pagina’s Drenthe
  • 6 pagina’s Overijssel
  • 4 pagina’s Gelderland
  • 4 pagina’s Utrecht
  • 8 pagina’s Noord-Holland
  • 4 pagina’s Zuid-Holland
  • 3 pagina’s Zeeland

Het album is dus waarschijnlijk bijgehouden door een verzamelaar hier uit de stad. Misschien iemand met connecties in schipperskringen.

Dan de datering. Er zitten suikerzakjes bij uit de jaren:

  • 1963/1964 – De Grote Internationale Tiktak-show
  • 1962 – Jubilieum GVV Velocitas, Groningen
  • 1962 – Jubileum Be Quick, Groningen
  • 1961 – M.G. Groningen
  • 1962 – Eerste Horecafdagen, Groningen
  • 1962 – Film ‘De Langste Dag’ in Luxor Theater, Groningen
  • 1963 – Jubileum wasserij Florence, Bolsward
  • 1960 – TT Assen
  • 1962 – TT Assen
  • 1964 – Tentoonstelling Glorie van Z.O. Drenthe
  • 1964 – Indoor Concours Hippique in de Markthal te Meppel
  • 1962 – Jubileum Erasmushuis, Oude Gracht 152 in Utrecht
  • 1961 – Lustrum USC, Utrecht
  • 1961 – My Fair Lady, Theater Carré in Amsterdam

Kortom, de verzameling stamt uit de eerste helft van de jaren zestig – waarschijnlijk ook de hoogtijdagen van het suikerzakjesverzamelen – terwijl de verzamel-activiteit duidelijk piekte in 1962.

Ik ben in mijn nopjes met deze aanwinst. Het meest ingenomen ben ik met de drie zakjes die afkomstig zijn van horeca bij de oude Veemarkt. Zoals deze van Wichers, waaruit blijkt dat die uitdrukkelijk de naam ‘De Koophandel’ voerde:

Geplaatst op 20 juni 2009  b

Let op de veekoopman met zijn stofjas en wandelstok. Het suikerzakje van Jan J. de Vries, een eindje verder vanaf de Oosterweg, steekt hier als erg standaard bij af:

Geplaatst op 20 juni 2009  c

Tot slot het puutje van café Walker of De Oude Tjalk. Toen de oude Veemarkt nog bestond (voor 1970), was dit het kroegje waar de schapenkooplui samen kwamen. Enkele jaren geleden is het café opgedoekt, maar tot het eind toe adverteerde de eigenaar in onze wijkkrant met een advertentie die erg op dit suikerzakje leek. Zowel de kroegnaam als het logo waren afgeleid van een groot scheepsmodel in het kleine café. Om dit model niet teveel ruimte in te laten nemen, was er een gat in de zoldering gezaagd, waar de mast doorheen stak:

Geplaatst op 20 juni 2009  d

Het staat me bij det deze oude tjalk – huisvlijt van een oom Walker – na de sluiting van het café naar het Noordelijk Scheepvaartmuseum is gegaan.


De roots van Peter Rehwinkel

Geplaatst op 16 juni 2009  a

Zoals bekend heeft Peter Rehwinkel Groninger roots. De naam Rehwinkel komt ook bijna uitsluitend voor in de gemeenten Groningen en Hoogezand-Sappemeer, zo blijkt uit de telefoonboeken. Volgens de Familienamen Databank was in 1947 ruim driekwart van alle Nederlandse Rehwinkels in de provincie Groningen woonachtig.

Het is geen grote familie. Alle Groningers geeft in totaal 153 meldingen, waarbij het aantal acten burgerlijke stand nog veel geringer is, omdat meerdere namen uit één acte geïndexeerd zijn.

Het eerste huwelijk van een Rehwinkel werd in 1832 in de stad voltrokken. Het gaat om de kleermaker Johann Peter, die afkomstig was van Mark in Duitsland. Aanvankelijk bleef diens familie in de stad wonen, later waaierde ze uit over Oost-Groningen. Overigens heet onze nieuwe burgemeester officieel ook Johan Peter, een teken dat de voornamen-overdracht van opa op kleinzoon bij de Rehwinkels nog in 1964 in zwang was.

Bovenstaande advertentie stond in het Nieuwsblad van het Noorden van 26 februari 1890. Een voorvader vestigde zich toen aan de Warmoesstraat in de stad-Groninger Oosterpoortwijk. Hij deed in “kunsthaarwerken” die fungeerden als “blijvende aandenkens van dierbare ontslapenen”. Indertijd was het mode om zulke lokken mooi opgemaakt in een soort glazen trommels te etaleren. Zulke kleine ‘vitrines’ treffen we nu nog wel eens op een graf uit die tijd.

Vier jaar later woonde deze voorvader aan de Dijkstraat, eveneens in de Oosterpoort. Hij deed toen nog steeds in kunsthaarwerken, maar adverteerde tevens met graftomben, bloemkransen, knopjes, broches, horlogekettingen, armbanden enz., Kennelijk viel er van de mooi opgemaakte lokken alleen niet meer te leven en kwam er daarom andere negotie bij.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


Bullepees

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Mijn achterneef in Feerwerd was ook menigmaal op de Groninger veemarkt geweest. Zijn vader haalde dan eerst zijn broer, ome Theo op (voor 1966 van diens stadsboerderij aan de Paterswoldseweg, daarna van Midwolde) en zette de auto neer op een van de zuidelijke singels.

De eerste namen van café’s die mijn achterneef te binnen willen schieten waren die van Wichers en Kok, dus vlakbij de Oosterweg. Maar van het café bij de Trompbrug wist hij zich te herinneren dat het de hangout van de varkenskooplui was, en van café Walker aan de Meeuwerderweg, dat daar de schapenhandelaren zaten.

Natuurlijk wist hij wie Douwe was: “Die kerel was niet helemaal goed in zijn hoofd”. Maar Douwe gold wel als een vakbekwaam veedrijver: “Hij dreef de dikste bollen naar het slachthuis”. Douwe werkte vooral voor bepaalde boeren. Met een bullepees boezemde hij ontzag in bij vee en kwajongens.


De landen van Corpus den Hoorn, 1731

Geplaatst op 10 juni 2009  a

Naar zo’n kaart kan ik lang turen.

Het zijn de provincielanden van Stad en Lande bij de Hoornsedijk, afkomstig van het klooster Corpus den Hoorn, anno 1731. Twee boeren huren het gros van dat land. Een gedeelte, het slechtste, exploiteren ze gezamenlijk.

Rechtsonder een kompas, dat naar het noorden wijst. Rechts is dus noord, onder is oost, links is zuid, en boven in beeld heb je het westen. Onder gaat de zon op, links staat ze het hoogst en boven gaat ze onder.

Onder in beeld kronkelt het Hoornsediep, met de Hoornsedijk erlangs. Links staat de gedeeltelijk nog steeds bestaande Onlandse Dijk daar haaks op. Die Onlandse Dijk houdt water van het Onland aan de zuidkant tegen – daar lag zompig broekbos, een laatste stukje wold.

Binnen de winkelhaak van de Onlandse Dijk liggen een boerderij – de voormalige kloosterheerd? – en de wat hoger gelegen en dus meest bruikbare percelen.  Bijna alles weiland waar koeien en paarden rondliepen,  Een stuk of wat percelen dichtbij de Hoornschedijk heten de Enterlanden. Daar zullen dan wel de enters of eenjarige kalveren en veulens rondgelopen hebben. Enkele percelen met haver wisselen het beeld hier af.

Boven die (eerste) winkelhaak in de Onlandse Dijk liggen de lager gelegen, drassiger, en dus slechte hooilanden. Hoewel er ook een perceel “gemeen blauwgras” hooiland tussen zit. “Gemeen” was hier geen akelige hoedanigheid van het gras, maar betekende: gewoon. Kennelijk was blauwgras normaal in deze kontreien, Nu staat het op de rode lijst.


Enorme muntschat gevonden bij het Boterdiep

Bij de opgraving aan het Boterdiep zijn 422 munten uit de periode 1450-1508 aangetroffen. Deze zaten in een aardewerken kruikje, dat ter plaatse vrij ondiep ingegraven was in de toplaag van een vuinisbelt. Bijna alle munten zijn van zilver, maar er zat ook een goudgulden bij. Op een paar na zijn de munten in de stad Groningen geslagen.

Volgens de muntendeskundige Jan van der Wis, die in dit soort gevallen de stadsarcheologen bijstaat, is er qua hoeveelheid munten waarschijnlijk nooit eerder zo’n grote vondst in de stad Groningen gedaan, en ook niet in Nederland. Van der Wis ziet de schat vooral als een teken van de grote economische en politieke macht van de stad indertijd.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

De schat omvat meer precies zo’n 200 halve, 200 hele en een paar dubbele stuivers. In Groningen heetten deze butkens, jagers en vliegers. In ongeveer tien procent van de munten zit een gat dat er met een spijker ingeslagen is. Van der Wis vermoedt daarom dat de schat afkomstig is van een schipper, sluiswachter of tolmeester. Schippers hadden namelijk de gewoonte om penningen met zulke gaten gereed voor betaling vast te zetten op een pen bij de mast. In elk geval sluit de numismaticus uit dat de schat afkomstig is van een Groninger muntmeester die indertijd na het uitkomen van malversaties naar Duitsland vluchtte.

Hoewel er dus ook wat oudere munten bij zitten, dateren verreweg de meeste munten – voor zover nu bekend – uit de periode 1500-1508. In die periode was graaf Edzard van Oost-Friesland hier de baas. Aan de munten kan je dat zien, doordat de rijksadelaar het wapenschild van de stad links houdt, om rechts ruimte over te laten voor de harpij van de Oost-Friese graven.

Al met al waren de butkens, jagers en vliegers ongeveer 11 goudguldens waard. Daar kon je een paard van kopen, of wel vier tonnen Hamburger bier, of maar liefst veertig paar hoge leren schoenen. Voor een dergelijke somma moest een ongeschoolde arbeider een maand of vier werken.

Bij de schat zat ook een een enkele goudgulden, geslagen tijdens het bewind van Rudolf van Diepholt als bisschop van Utrecht (1423 – 1455):

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Al deze munten zaten in een kruik van Duits steengoed, die  nog gaaf was toen een graafmachine een laag grond afschraapte. De kruik ging kapot, maar de, inhoud lag gelijk in het zicht:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Bij de opgraving aan het Boterdiep werden ook nog twee kleine muntschatten gevonden. In het ene geval ging het om negen enkele en dubbele Groninger stuivers uit circa 1460, in het andere om schellingen of sestehalven (5,5 stuiverstukken) uit een nog vroegere periode, de eerste helft van de vijftiende eeuw.

Ook zeer bijzonder zijn de delen van twee aardewerken kariatiden, die bij de opgraving gevonden zijn. Het gaat om vrouwenfiguren in lange gewaden van waarschijnlijk Gronings fabricaat uit de zeventiende eeuw, die ergens in de buurt een rijke schouw hebben ondersteund. Van de ene kariatide zijn er het onder- en het boveneind, van de andere alleen een tussenstuk:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Bij de opgraving aan het Boterdieop werden bovendien nog aangetroffen: vuursteenmateriaal uit de late steentijd, prehistorische bewoningssporen en sloten, een waterput en een groot bijgebouw die deel uitmaakten van een boerenerf uit de twaalfde eeuw.

In die eeuw wordt dit gebied bij stormvloeden nog overstroomd, waardoor een laag klei alles bedekt. Vanaf de vijftiende eeuw fungeert het terrein als drekstoep of vuilnisbelt en werken er leerlooiers, die met eikenschors en menselijke urine leer bereiden in diepe kuilen. Dan ook wordt het Boterdiep aangelegd. Vanaf ongeveer 1620 ligt het terrein binnen de nieuwe omwalling van de stad.


Intrigerend vloertje

Bij de opgraving op de Grote Markt kwam dit bakstenen vloertje tevoorschijn. Hoe oud het is weten ze nog niet, maar van een afstandje lijken de stenen even groot als die in de traps oplopende fundamenten. Aangenomen dat het huis uit de zeventiende eeuw stamt, zou dat vloertje dus uit dezelfde tijd kunnen zijn. Maar we zullen zien:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


Geiten op de Academiezolder

Tegenwoordig heeft een pedel voornamelijk een ceremoniële functie bij academische promoties. Maar ooit was de pedel de rechterhand van de rector magnificus. Het ambt van de pedel lag aan de basis van al het ondersteunende en beheerspersoneel van nu.

De pedellen van de RUG hebben hun baretten terug en iedereen is verheugd. Althans, op de landelijke pedellendag, begin april, noemde hun woordvoerder Elisabeth Woldringh het “gelukkig”, dat er een eind kwam aan het baretloze tijdperk. En ook rector Frans Zwarts was ermee ingenomen dat de RUG-pedellen niet meer met ongedekte hoofden op de nationale pedellenfoto hoefden: “We lopen nu weer in de pas en daar ben ik blij om.”

De baret kwam op verzoek van de pedellen zelf terug. Zoals ze eind jaren zeventig ook door hun eigen toedoen was afgeschaft. Dat wil zeggen: de bodes en conciërges, die toen de ceremoniële taken van beide laatste pedellen oude stijl overnamen, vertikten het om die baretten te dragen. Ook vonden ze lopen in een toga maar mal, net als die wiegelende ganzenpas bij promoties en oraties (“Ze denken dat je dronken bent!”). Bovendien wilden ze tijdens oraties niet voor Jan Joker naast het spreekgestoelte zitten.

In deze roemruchte “toga-kwestie” is er driekwart jaar bikkelhard onderhandeld, tot de murwgebeukte RUG-kopstukken een favorabel compromis aanboden. Alleen de toga bleef, verder kregen de jongens van de Bodco in alles hun zin, met een mooie loonsverhoging op de koop toe wegens de verzwaring van hun taken.

Over die taken zegt het pedellenlied:

“Ik weet echt niet zoveel van pedellen hun taken
Maar één van die taken ken ik toch wel
Hij moet van een promotie iets schitterends maken
Dat is het belangrijkste van een pedel”

De acht pedellen aan de RUG, onder wie één vrouw, doen bij toerbeurt de promoties. Eén pedel doet ze een week lang allemaal, zodat er een cyclus van acht weken bestaat waarin elke pedel aan de beurt komt. In totaal is een pedel dus ongeveer vijf weken per jaar als pedel in touw, de oraties en opening van het Academisch Jaar niet meegerekend. Bij zo’n toerbeurt vangt hij de promovendi en hun paranimfen op en stelt ze op hun gemak. Hij haalt de hoogleraren op uit hun faculteitskamer en gaat hun stoet voor tot bij de ingang van de aula. Ook haalt hij de promovendus en de paranimfen op. Maar hij blijft zelf buiten de aula, tot er exact 45 minuten voorbij zijn. Dan komt hij binnen zonder kloppen, doet de deur achter zich dicht, roept luid Hora Finita, begeleidt de hoogleraren naar de faculteitskamer, et cetera.

Dat is nu ongeveer de taak van de Groninger pedel. Maar er zijn tijden geweest, dat hij veel meer omhanden had. Zo fungeerde het RUG-pedellenbureau oude stijl tot zijn opheffing in 1955 nog als de instantie, waar studenten zich moesten inschrijven.. En hoe verder je in het verleden teruggaat, hoe meer taken je de pedellen ziet vervullen. De stelling is zelfs verdedigbaar, dat zo’n beetje het hele ondersteunende en beheerspersoneel aan de huidige universiteit voortkwam uit dit ene ambt.

Beschikte een van de oudste universiteiten, die van Parijs, omstreeks 1245 al over een pedel die veel praktische zaken voor de rector regelde, vanaf 1615 vinden we ook in Groningen zo’n rechterhand en regelneef. Volgens de oudste Groninger pedelleninstructies, daterend uit de periode tot 1650, moest de pedel – het was er toen nog één – zich elke ochtend voor acht uur bij de rector melden voor het vernemen van diens dagorders. Als ‘management-assistent’ diende hij de rector bij allerlei zaken. Daarbij gold een geheimhoudingsplicht:

“Sal oock secreet houden ende an nieman openbaren ’t geen hem van den Magnifico secreet te houden wert bevolen.”

Ook toen al vormde de pedel de centrale studentenadministratie. Kwam hij een student tegen die zich niet had ingeschreven, dan moest hij die aanmanen. Want zonder inschrijving kregen de hoogleraren geen collegeld.

Verder was de pedel in zijn uppie de conciërgedienst. In eigen persoon opende en sloot hij de deuren van de collegezalen voor aanvang van de colleges. Lawaaimakers, gekken en bedelaars moest hij uit de academie weren. En stipt op het hele uur moest hij waarschuwen dat er een eind aan de lessen gekomen was.

Dan vormde hij de universitaire schoonmaakdienst, die niet alleen het academiegebouw zelf, maar ook de Academiekerk rein en zindelijk moest houden. Twee maal per jaar diende hij het academieplein en de galerijen op de binnenplaats van de academie aan te vegen, en daarbij het het gras tussen de stenen weg te halen.

Vanzelfsprekend was hij ook toen al de academische ceremoniemeester, die bij allerlei plechtigheden en begrafenissen de pedellenstaf voor de rector uitdroeg. Bij promotie- of inaugurele maaltijden bediende hij de professoren. In zijn functie zat dus ook al iets van de kantinedienst.

Bovendien fungeerde hij nog als het uitleenbureau van de UB, koster en kussenlegger van de Academiekerk, boekhouder van de graven in die kerk en op het Academiekerkhof, veilingmeester der academische boekenveilingen, bode en deurwaarder van de academische rechtbank en cipier van het universitaire cachot. Ga er maar aanstaan. Alleen bij deze opsomming al, zou je in de stress schieten. En dan moest de pedel ook nog respectvol en beleefd zien te blijven tegen professoren en studenten.

Ondanks een ruime beloning in de vorm van een vast tractement en talrijke emolumenten viel dat niet altijd mee. Zoals het voorbeeld van Johan Becherer toont. In 1681 klaagde de Senaat deze pedel aan bij de Curatoren (de materiële voogden van de Academie), omdat hij zijn plicht verzaakte en herhaalde vermaningen “schimpelijck” aan zijn laars lapte. Hij roddelde over de hoogleraren, voerde “bordeeldiscoursen” met studenten en stookte grote vuren in de academiepoort, waarboven nota bene een turfzolder zat. En in plaats van het Academiegebouw schoon te houden, liet hij de boel vervuilen. Zo hield hij koeien onder de galerijen en geiten en bokken op de zolders, terwijl hij een grote reu rond liet lopen in het Academiegebouw zelf. Deze hond liet “sijn vuiligheit” overal achter, zodat “noch professoren, noch studenten ruym hebben om te gaen”.

En dat was nog maar het topje van de ijsberg. Johan Becherer kreeg een boete van wel 50 gulden wegens “malitieuse verachtinge en violatie” van zijn instructie, terwijl hij de professoren ootmoedig om vergiffenis moest vragen. Maar veel hielp dat niet. Een jaar later was hij weer brutaal. Hoogstwaarschijnlijk door zijn toedoen vloog de toren van de Academiekerk in brand. Maar straf daarvoor bleef achterwege. Volgens de archiefbeambte Lonsain, die deze schandaalhistorie uitschreef, hielden de curatoren Becherer de hand boven het hoofd.

Lonsain meent dat Johan Becherer een uitzondering was, maar in de Acta van de Senaat komen ook de andere leden van de familie Becherer, die het ambt tussen 1645 en 1746 bekleedden, veelvuldig voor. Stamvader Bartholomeus zou in 1665 een bakkersdochter hebben bezwangerd, de weduwe van Jan declareerde in 1687 allerlei zaken die ze niet declareren mocht, en later bleek Hendrik nogal losse handen te hebben, waarvoor hij in 1693 zelfs een keer in zijn eigen kerker werd gezet. En dat hij een aardje naar zijn papaatje had, werd duidelijk in 1722, toen hij allerlei spullen in het Academiegebouw stalde.

Nee, als er de tijd was om alle Acta te lezen, dan zou er nog veel meer voor de dag komen. Voor nu echter, houden we het op Hora Finita. Onder bijvoeging van het onbevestigde bericht, dat een latere pedel daar eens Horeca Finita van maakte.

Harry Perton

Dit is een iets langere, enigszins bewerkte versie van het stuk dat deze week in de UK verscheen.


Een afgebroken opleiding

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Ondergetekende heeft aangenomen om de student Sutoris in de rekenkunde te onderwijzen, elke 4 weken voor een rijksdaalder. De lessen zijn begonnen op 8 januari 1649 en eindigden door het vertrek (met de noorderzon) van Sutoris op 28 mei. Zodat diens schuld bedraagt 5 rijksdaalders. Groningen, 6 juni 1649,

Rotger Gockinga, wonend in het Jat

Bron: Acta van de Senaat


“Daar gaat ie weer”

Geplaatst op 23 mei 2009  daargatieweer


De man die de stekker uit Fleetwood Mac trok

Ik had er al eens van gehoord, van ’t legendarische concert van Fleetwood Mac in de Groninger Korenbeurs, maar was vergeten waardoor het nu eigenlijk legendarisch was.

Dit concert vond plaats op zaterdag 1 maart 1969. Fleetwood Mac, van origine een bluesband, scoorde op dat moment net haar tweede, van het bluespad afwijkende wereldhit Albatross. Op de manifestatie The Rover’s Return, georganiseerd door de Groningse tak van Provadya, trad de band die avond op als hoofdact.

Maar om vijf voor twaalf, halverwege het optreden, trok de beursmeester of conciërge D. Visser de stekker van de geluidsinstallatie uit het stopcontact. Tevens floepten alle zaallichten aan, hetgeen een eind maakte aan de simultane lichtshow door Bunk Bessels, een ‘vriend van Ringo Starr’ die ook verantwoordelijk was voor ‘a Flight to Lowlands Paradise’, een van de eerste popfestivals hier te lande.

Onmiddellijk nadat het geluid wegstierf en het licht alle aanwezige hippies ontnuchterend op de snufferds scheen, braakte bassist John McVie een fenomenale reeks vloeken uit. Conciërge Visser had een goed excuus: “Het zou om twaalf uur afgelopen zijn”. De band had ook al om elf uur moeten beginnen, maar dat was een half uur later geworden, vandaar.

Tegen de waarschuwingen in had Visser ook bier in flesjes laten verkopen, in plaats van in plastic glazen. Het was louter aan een snelle improvisatie van naaktdanseres Aimée te danken, dat het deze avond niet gierend uit de klauw liep. “Aimée als sociaal werkster – wie had dat gedacht”, stond er naderhand in de jongerenrubriek Groei van het Nieuwsblad. De auteurs van die rubriek tapten eerst uit een voor Visser vriendelijk vaatje, maar schreven toen wat ze werkelijk vonden:

“Belachelijk, absurd, niet te geloven, onbegrijpelijk, te gek dat zo’n man de knoppen kan bedienen naar eigen goeddunken.”

Toch bleef de heer Visser contactpersoon voor jongeren die wat wilden organiseren in de Korenbeurs. Zijn adres en telefoonnummer stonden daarom in dezelfde aflevering van Groei: A-kerkhof 30-b, tel. 315.38

Ik had die man graag eens willen horen over die avond en wat  erna gebeurde.


Cruoninga Anno Domini 1100

Geplaatst op 18 mei 2009  Gruoninga

Rechts de pas opgeleverde bisschoppelijke Sint Walburgskerk (1100 – 1628), daar links achter het primitieve romaanse tuftstenen Martini-dorpskerkje, nog zonder toren, en daar weer achter de latere Grote Markt, de Herestraat, de Herepoort etc. Met het uitrollen van deze artist impression van Groningen rond 1100 werd vanmiddag deel II van de serie opgravingen aan de oostzijde van de Grote Markt geopend.

De impressie is gemaakt door Ulco Glimmerveen uit Dwingeloo, op basis van literatuur en aanwijzingen door stadsarcheoloog Gert Kortekaas. Zelf denk ik dat het er allemaal iets te regelmatig uitziet voor een nederzetting die nog maar net het stadium van Drents dorp voorbij is. Bovendien lijkt me de dichtheid van de bebouwing te gering om de investering van omwalling en omgrachting op te brengen. Neemt niet weg, dat juist zulk soort beelden het zout in de archeologische pap vormen. Men moet vooral ook niet nalaten ze te maken – ze kunnen altijd nog worden bijgesteld.

Bij de nieuwe opgraving hopen de archeologen fundamenten van drie van de oudste bakstenen huizen aan de Grote Markt te vinden. Zijn deze er ca. 1300 neergezet, eronder liggen misschien nog lemen boerderijvloeren van omstreeks 1100. Op de noordelijke punt van het terrein zouden bovendien nog graven kunnen liggen van het middeleeuwse Martinikerkhof.

Afhankelijk wat er tevoorschijn komt, duurt de opgraving nog tot eind juni, begin julli. Voor de gevels van het VVV-kantoor en de voormalige bank ernaast staat een tribune, zodat alles prima is te zien. Elke vrijdag om 12.00 uur licht een archeoloog bovendien de resultaten van de week toe. In het najaar begint dan deel 3 van de opgravingen, voor de Naberpassage en onder de kiosk.

  • Verslagen en video’s van de opgravingen komen hier te staan.
  • Gelkinghe berichtte vorig jaar twee maal over de eerste of proefopgraving.
  • En het videoblog van vorig jaar vindt u op deze plek.

Jannes, de kegelopzetter van het Boschhuis

In de Oosterpoorter, onze wijkkrant, hebben we eens een verhaal gehad, waarover de familie van de hoofdpersoon hoogst verbolgen was. Als hoofdredacteur ben ik toen nog bij die familie over de vloer geweest om hun grieven aan te horen en de gemoederen te sussen. In 1994 was dat.

Vandaag bleek tot mijn verrassing dat dezelfde hoofdpersoon ook voorkomt in een verhaal van Stadjer, in het Nieuwsblad van het Noorden de dato 28 januari 1969. Volgens Stadjer had deze hoofdpersoon…

“…het ontmoedigendste baantje wat er in deze stad bestaat: hij is kegelopzetter. Al 49 jaar. het hangt hem mijlenver de keer uit.”

Dat laatste is niet helemaal conform het verhaal in onze wijkkrant, indertijd, maar vooruit. Stadjer zou Stadjer niet zijn, als hij het triest stemmende karakter van het werk niet haarfijn uit de doeken wist te doen:

“Er komt een bal aanrollen, die alle kegels, die je net met veel moeite hebt opgezet, tegen de vlakte maait. Je bukt voor de tachtigste keer die avond om alle kegels opnieuw overeind te zetten. En dan moet je als toppunt van zelfkastijding die bal nog terug rollen.”

Johannes Boorsma, zo heette de kegelopzetter, deed dit werk 49 jaar lang bij de kegelbanen van de kegelclub KIOS (Kegelen Is Onze Sport) in het Boschhuis aan de Hereweg.  Stadjer was daar een avond op bezoek geweest om te constateren dat de kegelbanen er hard achteruit gingen:

“Als het regent staat het water op de baan. Gooit iemand een bal te hard weg, dan slaat een medaillekast tegen de vlakte. En vorige week is een kegeljongen onder algemene bezorgdheid door de vloer gezakt.”

Het wachten was op het gereed komen van de nieuwe Martinihal met zijn geautomatiseerde kegelbanen, die de menselijke kegelopzetter overbodig zouden maken Maar Jannes Boorsma vond dat best. Met de 12.750 ton kegels die hij in al die jaren overeind zette, en de 13.000 ton aan ballen die hij in al die tijd terugrolde, was hij er wel mee klaar, aldus Stadjer.


Een vrouwspersoon, kundig in allerhande wetenschappen

Vlak voor de september-vrijmarkt van 1758 arriveerde er een vrouw in Groningen, die waarschijnlijk afkomstig was uit (de buurt van) Darmstadt in Hessen, Duitsland. Naar eigen zeggen was zij kundig op velerlei gebied. Zo produceerde ze bijzondere lakken en vernissen, maakte ze bloemen en fruit van was en fabriceerde ze middeltjes tegen wratten, sproeten en de indertijd redelijk vaak in huizen voorkomende wandluizen. Bovendien gaf ze les in het onder de knie krijgen van al haar tips en truuks. Dat waren er nogal wat – haar advertentie in de Groninger Courant viel op door de uitzonderlijke lengte:

“Bekentmaaking aan alle HEEREN en DAMES, dat alhier is gearriveerd een Vrouwspersoon, dewelke kundig is in allerhand Extraordinaire weetenschappen, en de zelfde ook aan Hooge en Needrige Stands Persoonen, aan verscheyde Hooven vertoont heeft. 1. Verstaat Zy de opregte Lackeerkonst van allerhande Couleuren uyt de grond, Zy prepareert een Vernis die zonder Vier of ligt gemaakt word. Dezelve droogt aanstonds, bestaat in heet water en glinst als glas. 2. Maakt zy ook een Goud Vernis, als die over oude vergulde Raamen getrokken of bestreeken word, vertoonen zy weer als nieuw. 3. Maakt Zy een Vernis, als die over oude Schilderyen getrokkren of bestreeken word, vertoonen zy weer als nieuw. 4. Maakt Zy Bloemen van Zilver, Folies en Zyde, gelyk zy aan Voornaame Hooven gedraagen worden. 5. Maakt Zy Bloemen van klaar Was, ook van Kamerdoek en Zyde, op Italiaanse manier, die vertoonen als of zy Natuurlyk uyt de Tuyn koomen. 6. Maakt Zy ook alle soorten Bloemen van Lint na de affeering ofte de Couleur konst. 7. Maakt Zy alle soorten van Fruiten van Was, en maakt ook de Formen daar toe. 8. Renoveert Zy de oude Goude en Zilvere Tressen, Boordsels en Kanten, die wederom vertoonen als nieuw. 9. Drukt Zy van alderhande Couleuren, op Catoen, Linnen en Zyde, het welk vertoont als de beste Chitz, ook drukt zy op Zyde met Goud en Zilver, ’t welk vertoont als de mooiste Perkaat.  10. Maakt Zy Kaarsen zonder was nog ongel, en branden 24 uuren, ook helder als andere, en Conserveeren ’t gezigt. 11. Verft Zy alle Couleuren op Wollen goed, Linnen en Zyde, buyten dat maakt zy een Roosen roode Couleur op Catoene Lywatten, als ook Hemels blauw, zonder gekookt, ’t welk een regt geheimnis is. 12. Maakt Zy alle Vlakken uyt Wollen goed, Zyde ofte Linnen. 13. Verguld Zy  Glaasen en Tee Kopjes. 14. Maakt Zy een Water teegen alle Zoomer of andere Stippen in ’t gezigt, als ook roodheyd of andere vuyligheeden in ’t gezigt, en egter geen Blanket. 15. Maakt Zy een Balsem voor geborstene Lippen, en open gesprongen handen. 16. Heeft Zy ene zeeker Remedie, om alle rode Hair blont of zwart te maaken. 17. Maakt Zy een zeeker Balsem om de hairen die al te diep in het voorhooft gewassen zyn, uytvallen te maaken. 18. Maakt Zy een water om de hairen groejend te maaken. 19. Heeft Zy een zeeker Remedie voor alle Vrat en Exteroogen of Lykdoorens te verdryven. 20. Men kan ook by haar bekoomen een Tandpoeder, dat geen weergaade heeft, als meede een Tand Tinctur, die alle de Schoorbuyk uyt de mond verdryft. 21. Ook verdryft Zy alle de Ruypen of andere schaadelyke gedierten uyt de Tuynen, en bevryt de Huyzen  zoo P. V. met Weegluyzen belastigt zyn. N.B. Deze laaste 8 stukken kan men by haar te Koop hebben. Eenige Heren ofte Dames genegentheyd hebbende, van de boven gemelde Weetenschappen te leeren, gelieve my te benaarigten, als dan zal ik de Eere hebben, my by hun te vertoonen, en voor een Civyle Prys accordeeren, verbinde my ook geen Geld te neemen tot dat zy tot prefectie geïnstrueerd zyn, yeder stuk word appart betaald. Daar is ook by haar te bekoomen, geschrevene Kunst Boeken zoo wel van deeze als nog meer andere, Symphaty, en Antiphaty Weetenschappen, de geene als te veel ruim zouden moeten hebben om in deeze advertissement te zetten. Eedele Heeren en Dames ik verblyve met de ootmoedigste aanbieding, als wezende UEDW. Dienaresse, DARMSTRATIN WEDOW. Myn Logement is in Groningen aan de Boter Markt, in de Pauw.”

Later verkaste ze naar een logement dat wat minder op stand was, Daniël in de Leeuwenkuil aan de Turftorenstraat. Op 27 oktober maakte zij bekend dat ze de stad weer ging verlaten. Mensen kregen nog een laatste kans om iets van haar op te steken:

“Het word de Heeren en Dames te weeten gedaan, dat de Constenaresse Wed. Darmstatderin, die laast in de Courant gestaan heeft, op haar vertrek staat. Wy nog geneegen is van my nog yets te leeren, gelieft my doen te weeten. Myn Logement is by J. Bonthuys in Torftoring Straat, alwaar Daniël in d’Leuwen Cuijl uijthangt.”