Geevet milde toe deze…
Geplaatst op: 18 april 2009 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
De Rode Weeshuispoort in het strijklicht van hedenmiddag 17.00 uur.
De poort dateert uit 1627 en is een geschenk van de raadsgilden, uit dankbaarheid dat ze in het achterliggende weeshuis hun vergaderingen mochten houden. Dat deden ze in het reventer, oftewel de refter (eetzaal) van het voormalige klooster dat hier stond. Want voordat het complex in 1599 toegewezen werd aan de burgerwezen, zaten er begijnen, die volgens een Franciscaanse kloosterregel leefden en naar wie de straat eertijds Geestelijke Maagdenstraat heette.
De gilden droegen de wezen een goed hart te. “Geevet milde toe deze, het is de haerbaerg der arme Borgerweese”, zo houdt hun poort de voorbijgangers voor. Waarbij arm niet zozeer dient te worden verstaan als noodruftig, maar als onbeschermd, conform de middeleeuwse betekenis van de term.
Bron: Paul Holthuis – Roode Wezen in Groningen, pag. 45 – 48
Hanebijtersgang
Geplaatst op: 16 april 2009 Hoort bij: Stad toen 6 reacties
Ik was toch even aan het twijfelen gebracht.
In het verhaal over ’t Oude Bosch, laatst, bracht ik aan de hand van Riddering de Hanebijtersgang in verband met de hanegevechten die nog omstreeks 1870 plaatsvonden op de naburige stadswal. In mijn achterhoofd zat ook nog de verklaring voor hanebijterij als hanengevecht, al wist ik op dat moment niet meer waar ik dat ook alweer vandaan had.
Door de stadsatlas van Schroor kwam ik op het idee om een grote scan te bestellen van een kaart die gemaakt is op basis van de oudste Groninger kadastergegevens. Dankzij die kaart zag ik dat de huidige Ubbo Emmiusstraat tussen het Groninger Museum en het Zuiderdiep de erfopvolger is van die Hanebijtersgang. De hanegevechten vonden dus zo’n beetje plaats op de plek van het Groninger Museum, was mijn conclusie.
Maar op de Wikipedia-pagina met Groninger straatnamen staat dat ‘hoanebieter’ Gronings is voor havik of bruine kiekendief. “De gang is mogelijk destijds genoemd naar uithangteken met een roofvogel”, zegt deze pagina.
Inderdaad wordt een kiekendief (of riethavik) in het Gronings en het Fries hoanebieter genoemd. Alleen kwam ik een dergelijk uithangbord nooit tegen in bronnen uit de tijd dat de desbetreffende steeg de naam Hanebijtersgang droeg (ca. 1660 – 1875).
Bij verdere naspeuringen bleek er bovendien nòg een mogelijke verklaring. Volgens een stukje in de Leeuwarder Courant van 25 augustus 1909 is een hoannebijter namelijk een man die bij het koolzaaddorsen “het uitgedorschte stroo op een hoop brengt”. Een “stroodrager” dus. Misschien woonden er ooit dergelijke lieden in de Hanebijtersgang?
Vanavond herinnerde ik me eindelijk weer waar ik mijn eigen verklaring vandaan haalde: uit een proces-dossier van 1761, waarin sprake is van een “Sociëteit van de Hanebijterie”. Het gaat in dit geval om een hanengevecht in herberg de Toren van Babel aan de Laan, een evenement dat zelfs door hoge heren werd bijgewoond.
Ik denk dat ik toch maar vasthou aan mijn eerste naamsverklaring.
Eeuwfeest universiteit gaat niet door
Geplaatst op: 11 april 2009 Hoort bij: Stad toen, UK + RUG Een reactie plaatsen
Het moet een enorme teleurstelling zijn geweest voor de professoren van de Groninger Academie. Via de eerste curator en de rector magnificus kregen ze op 4 juli 1714 te horen dat er geen sprake van een eerste eeuwfeest van hun Academie kon zijn. In de Landdag, de Provinciale Staten, hadden de stadsheren voorgesteld het jubileum op 3 september plechtig te vieren “nae het exempel van andere academiën”. Maar de heren van de Ommelanden antwoordden “dat sij daar toe niet veerdigh waren”. Wat een hoogtepunt had moeten zijn, werd zo een beklagenswaardig dieptepunt.
En niet het enige, want de Ommelanders lagen tussen 1706 en 1714 al voortdurend dwars bij hoogleraarsbenoemingen. Beide leden van de provincie Stad en Lande hadden evenveel zeggenschap over de Academie, en als een van die leden dwars lag, moest de Academie het bezuren. Door de Ommelander obstructie-politiek nam het aantal hoogleraren af van 9 in 1700 tot slechts 4 in het gemankeerde jubeljaar 1714. Daar zat zelfs geen theoloog meer bij, terwijl godgeleerdheid de bestaansreden van de universiteit was.
Ook het aantal studenten daalde. Nu gebeurde dat overal aan de academies, omdat die een functieverandering ondergingen. Van humanistische algemene vormingscentra, werden het steeds meer instituten waar vakspecialisten kennis op konden doen. Tegelijkertijd beperkten studenten zich steeds meer tot een enkele universiteit, in plaats van rond te reizen door Europa en aan diverse universiteiten hun licht op te steken.
Zoals Pieter Caljé duidelijk maakt, deelde de Groninger academie “op dramatische wijze” in deze trends. Ten eerste was ze altijd meer dan andere universiteiten afhankelijk geweest van buitenlandse studenten. Ten tweede zorgden de conflicten tussen Stad en Lande en het afnemende hooglerarenaantal voor een sterkere terugloop in het studenten-aantal dan elders het geval was. Maar zelfs die verschijnselen moet je volgens Caljé tegen de achtergrond zien van de meer algemene ontwikkelingen. De Ommelander jonkers hadden een algemene academische ontwikkeling nodig, met wat Latijn konden ze heus hun stand wel ophouden, ook al was enige elementaire juridische kennis daarbij nooit weg. Diploma’s hadden de jonkerszonen in elk geval niet nodig, ook zonder konden ze zich wel redden. Voor de stedelijke elites lag dat anders. Die hechtten wèl waarde aan vakspecifieke kennis, vooral voor medici en juristen. Doordat vooral de stedelingen in dit opzicht van de Academie profiteerden, lieten de jonkers er zich juist zo weinig aan gelegen liggen.
Delen courant leidt tot degenhouwen student
Geplaatst op: 9 april 2009 Hoort bij: Stad toen, UK + RUG 1 reactie

Christophorus Nucella kwam als ‘Walda Montanus’ uit Vaudémont, in Lotharingen, een plaats waar ze waarschijnlijk nog Duits spraken. En David Steinken – Cassell Hassus – uit Kassel in Hessen. Beide schreven zich in mei 1688 in als student aan de Groninger academie. De een deed dat op de 17e van die maand, de ander op de 23ste. Terwijl Steinken rechten ging doen, is van Nucella de studie niet genoteerd, maar hij was zoon van een predikant, en zou zelf in 1705 sterven als dominee van Paramaribo, dus je mag aannemen dat hij theologie studeerde.
Een paar maanden na hun aankomst, in juli en dus “in feriis“, hadden de rechts- en de godgeleerde in spe de grootst mogelijke bonje op het Broerplein. Aanleiding was het feit dat ze gezamelijk de courant lazen, om en om, waarbij ieder 2 gulden, of de helft van de totale rekening betaalde.
Volgens de aanklacht die Nucella bij de Senaat deponeerde, wilde Steinken achterstallige couranten van hem hebben, een wens waar Nucella niet meteen aan had voldaan. Toen Nucella uit de Burse kwam, zeg maar de mensa aan de oostkant van het Academiegebouw, had Steinken hem gevraagd waarom hij hem die couranten niet stuurde. Dit verzuim betitelde Steinken als “hontsvotterij”. Hetgeen als een ernstige belediging gold, immers een hondsvot was het schaamdeel van een vrouwelijke hond, en hondsvotterij stond voor vergaande beuzelachtigheid. Naar eigen zeggen antwoordde Nucella met een jijbak: “Das ist ein hantsvott der es sagt“. Waarop Steinken zijn degen trok, hem ermee sloeg en hem zodoende aan zijn hoofd en – doordat hij de degen greep en Steinken die aantrok – op drie plekken aan zijn hand verwondde.
In de versie van Steinken was Nucella de agressor. Deze zou op hem zijn afgekomen en had hem aan het haar vastgegrepen en geslagen. Hij was bijna achterover in een kelder gedeinsd en om de sterkere Nucella af te weren had hij zich gedwongen gevoeld om zijn degen te trekken. Nucella sloeg het blanke wapen omhoog en was er gewoon in gelopen. Pech gehad.
In eerste instantie vermaande de Senaat beide heren om “voortaan in vrintschap met een ander te leven”. Na de vakantie echter, kwam men op de zaak terug, met drie getuigen, alle drie student. Volgens de een hadden zowel Steinken als Nucella elkaar eerst geslagen, maar de andere twee ontkenden dat en bevestigden dat Steinken zijn degen trok zonder dat Nucella hem daartoe provoceerde. De laatste getuige zei dat Steinken Nucella juist uitdaagde om ook zijn degen te trekken. Dat had Nucella geweigerd, en desondanks was Steinken er op los gegaan en had Nucella verwond, voordat deze getuige ze uit elkaar had kunnen halen.
Op basis van de getuigenverklaringen veroordeelde de Senaat Steinken tot een boete van een ducaton (ruim 3 gulden) “in fisco academico” (de universiteitskas). Bovendien moest Steinken “het volle meijsterloon van ’t genesen der wonden” van Nucella betalen.
Met die volledige doktersrekening zou het nog wel meevallen. Eind 1688 klaagde de medisch hoogleraar Eyssonius in de Senaat dat chirurgijn Swijghuisen zijn nota wegens dit geval maar niet wilde matigen. De Senaat snoeide de rekening daarom zelf maar terug van 10 tot 5 gulden, “als oordelende hij niet meer verdient te hebben”.
Een avondje in de Sint Jacob
Geplaatst op: 8 april 2009 Hoort bij: Stad toen, UK + RUG 1 reactie
Laatste oproep van de gezamenlijke Oostfriese, Hollandse en Gelderse collegia aan de studenten Vijch en beide Tibouten met het bevel…
“…dat ghij te samen van stonden af aen, bij ons in St Jacob sijnde sult compareeren en u volgens de wetten submitteren. ’t Welk ons eernstelick gebott niet nakomende sult de straffen daar toe gestelt te verwachten hebben.”
Dit voor de ontvangers tamelijk dreigende briefje, daterend van dinsdag 15 februari 1653, herinnerde de Academische Senaat eraan dat de Collegia Nationalia (studentenclubs op basis van herkomst), ondanks alle strenge verboden nog steeds bestonden en dat deze “zuipgenootschappen” ook nog steeds hun vermaledijde groendwang probeerden uit te oefenen. Net als tijdens het oproer van maart 1652 kwamen diverse collegia zelfs weer bij elkaar in de nieuwe Sint Jacob aan de Zwanestraat.
Omdat de Senaat graag wilde weten wie de auteurs van de illegale convocatie waren, liet hij het stadsbestuur Hindrik Harmens, de waard van de Sint Jacob (36), diens vrouw Asseltien (35), hun “maagd” Aeltien (20) en hun knecht Geert Thuis (15) een verhoor afnemen. Dat verhoor vond twee dagen na de bijeenkomst van de studenten plaats. De waard, zijn vrouw en de dienstmeid verklaarden onder ede, daarentegen werd de jonge knecht scherp vermaand om de waarheid te spreken.
De vier bevestigden dat er op de voorlaatste dag Gelderse, Oostfriese en Hollandse studenten in de Sint Jacob waren geweest, “wesende vele in getalle”. Hoewel de autoriteiten dachten dat het om een 70, 80 ging,. zwakte herbergier Hindrik Harmens dat af tot ruim 50.
“Vermits sij sterck waeren”, gaf hij de studenten de beschikking over drie verschillende kamers. Elke natie kreeg er dus mogelijk één. Naderhand, toen een gedeelte van de studenten alweer weg was, kwam de rest op één zaal of kamer bijeen. Al deze ruimtes bevonden zich op de bovenverdieping, waar de dienstmeid niet kwam. De bediening werd er gedaan door Geert Thuis, die meldde…
“…dat hij getapt heeft als daer geschelt wierde.”
Er was dus een bel, waarmee de studenten de ober naar boven konden ontbieden. Het gelag werd een dag eerder bij de waard besteld door de studenten Rijns en Graswinckel. Zij verzochten hem…
“..off sij de groote saell niet mochten hebben om te spreken over ’t opbrengen der gelden.”
Kennelijk was dit de zaal waar de drie naties naderhand samenkwamen. Met het geld zal de entree van de nieuwelingen bedoeld zijn. Omdat Vijch en de Tibouten niet op kwamen dagen, kregen zij alsnog de convocatie, die dus al snel bij de Senaat belandde.
De herbergier en zijn huisgenoten intussen, kenden buiten Tijns en Graswinckel geen andere namen, ook al zaten er bekende gezichten onder de studenten die “bij wijlen er koomen te drincken”. Wie de preses generalis was geweest, wie elk der naties voorzat, wie er zoal het woord voerde, wie er om papier en inkt vroeg, wie er iets opschreef, de mensen van Sint Jacob wisten het niet.
De knecht bevestigde dat hij opdracht had gekregen om een brief bij rector Maresius te bezorgen. Naar de senaat eerder hoorde had hij moeten zeggen dat die van Amsterdam kwam, zodat hij er port voor kon vragen. Dat hij dat ook deed gaf Geert toe. Maar een specifieke student had hem die brief niet overhandigd:
“datt de brief op de taeffel heeft gelegen ende om hem geschelt hebbende, sij te saemen geroepen: Brengh die aen mijn heer Maresius huis.”
Met elkaar hadden de studenten hem dus de bestel-opdracht gegeven. Weer terug uit de Boteringestraat, meldde hij dat hij de brief besteld had. Hoe hun antwoord luidde, kon hij niet zeggen. Na de brievenbestelling was het gezelschap in elk geval langzamerhand uitgedund, de meeste studenten bleven tot een uur of zeven, andere wat langer. Over de betaling hadden ze bij de Sint Jacob geen klagen, want volgens Geert was het zo
“datt elck sijnen geldt op de taefell heeft geleght…”
en Geerts bazin bevestigde dat hij het geld bij gedeelten naar beneden bracht. Alleen op het punt voor hoeveel geld de studenten nu eigenlijk verteerden verschilden de meningen nogal. Volgens de waard hadden degenen die het eerst vertrokken meest voor 10 stuvers verteerd. Dat is de waarde van 1,25 liter wijn of ruim 3 liter bier. Voor degenen die het laatst vertrokken verwees Hindrik Harmens naar zijn knecht Geert, die zei dat ieder voor een halve gulden verteerde. Maar noch de ene, noch de andere raming spoort met de schatting van herbergiersvrouw Asseltien, die het totale gelag begrootte op slechts een tien à twaalf gulden.
Het tuchthuijs voor de Oosterpoort
Geplaatst op: 7 april 2009 Hoort bij: Stad toen 5 reactiesHet Statenkasteel voor de Oosterpoort moest er namens de Staten-Generaal voor zorgen, dat de stad Groningen netjes een enorme somma aan achterstallige belastingen ging betalen. In 1600 werden tussen de Herepoort en de Steentilbrug de vestingwerken van de stad zelf ontmanteld en toen de nieuwe dwangburcht klaar was, gingen daar alle stedelijke kanonnen en munitie heen. Voortaan bestreek die artillerie de stad zelf en de Hereweg (als belangrijkste verkeersader over land). Pas toen in 1607 de Spanjaarden in het oosten van Overijssel en Gelderland opdrongen en Groningen als vesting onmisbaar bleek, werd de hele zaak weer teruggedraaid.
De noordelijke bastions van de dwangburcht lagen ter hoogte van de huidige Heresingel en Radesingel, het meest westelijke bastion teikte tot vlakbij de huidige Hereweg en het meest oostelijke tot nabij de thans bestaande Meeuwerderweg. Het zuidelijkste bastion reikte bijna tot de huidige Mauritsdwarsstraat, waar omstreeks 1980 bij een verbouwing grote kloostermoppen uit de grond kwamen, die van het Statenkasteel afkomstig zouden kunnen zijn.
Lange tijd is gedacht dat er helemaal geen kaart uit die tijd zelf was van het Statenkasteel. Maar de historisch geograaf Meindert Schroor vond er één en deze staat nu afgedrukt in zijn Historische Atlas van Groningen; van esdorp tot moderne kennisstad, een prachtboek, dat vandaag uitkwam.
Het bevat bijvoorbeeld ook de kaart, omstreeks 1990 vervaardigd door mensen van de Universiteit van Münster, die de allereerste kadasterkaarten (van ca. 1825) digitaal bewerkten. Hun proeve hing in een zijkamertje van het oude Stadsarchief, maar had ik sinds de fusie met het Rijksarchief tot de Groninger Archieven niet meer gezien:
Een rekening uit de oude Sint Jacob
Geplaatst op: 7 april 2009 Hoort bij: Stad toen 8 reacties
Fragment van een nota ondertekend door Hendrick Harmens in (de oude) Sint Jacob, wegens aan de student Sutorius geleverde bieren en wijnen (1649). Sutorius was met de noorderzon vertrokken, vandaar dat we deze rekening in een klad-actenboek van de academische senaat aantreffen.
Aardig aan zo’n rekening is, naast het behoorlijk regelmatige handschrift van de uitbater, dat je de prijzen van de genuttigde alcoholica eraan kunt aflezen. De Hollandse en Bremer bieren deden 3,5 en 5 stuivers de kroes, terwijl de wijnen – rode, Franse, Spaanse, Alsen- en “hogelanse” – meest 10 stuivers de kroes deden (een kroes is 1,25 liter). Alsen zou op de Elzas kunnen slaan, maar ook op alsem. Wat ik onder dat hogelanse moet verstaan is me intussen nog niet helemaal duidelijk.
‘Sodemieter op, da’s mien koe’
Geplaatst op: 3 april 2009 Hoort bij: Stad toen 6 reacties
Melle Kuikman (88) reageerde op mijn oproep om verhalen over de veemarkt en de horeca eromheen. Zoals hij zegt: “Ik zat altijd op de veemarkt, ik ben er zowat geboren.”
Melle groeide op in de Nieuwstraat, in het gedeelte tussen de Duiker- en de Dijkstraat. Bij zijn ouders kwam ook wel Schaank, die in de jaren twintig nog een poosje een café had bij het pleintje van de Griffestraat. “Toen ik nog een baby was hield mij eens omhoog, boven zijn hoofd”, vertelt Melle. “En ik liet toen wat los. zeg maar. Dei jong het mie mazzel geven, zei Schaank altijd tegen mijn moeder.”
Nadat Schaank zijn café voor gezien hield, werd hij veekoopman, en dat is hij tot zijn dood toe gebleven, vertelt Melle. “Hij was mijn kameraad en heeft mij grootgebracht op de veemarkt. Ik was wijs met hem, ik was altijd bij hem, ik ben jaren met hem opgetrokken, hij heeft mij de handel geleerd. Toen ik later bij Reinier Muller werkte, was ik niet te houden als het marktdag was, dan moest en zou ik naar de veemarkt. Ik zat altijd op de veemarkt, ik ben er zowat geboren.”
Melle wijst erop, dat er ook wat verder van de veemarkt af nog café’s waren, wier bestaan samenhing met de veemarkt. Zo hadden de café’s Roggen aan de Brink en Topper aan de oostzij van het Winschoterdiep veestallingen. Midden in de Houtzagerstraat was er een café, “dat alleen van de markten op dinsdag leefde”. En dan had je café Vos aan de Oosterweg tegenover de Oliemulderstraat. “Daar overnachtten vee-inkopers uit Holland en het buitenland”, vertelt Melle “De man schaften ze vaak 20, 25 koeien aan, die dan naar Holland of zo gingen – naar Holland gingen meest vette koeien die droog stonden.” Café Vos had twee gedeelten en voorin had je een staande bar waar je een “klein klokkie” kon kopen, al moest je wel blijven staan als je dat opdronk. “”Maar”, zegt Melle, “die kooplui dronken echt niet als ze nog moesten handelen, hoor. Voor mijn vader, die melkboer was, bracht ik er ’s morgens om kwart over zeven wel vijf kan melk heen op de fiets. Die melk zat in een busje aan het stuur.”
Het belangrijkste café aan de veemarkt zelf was volgens hem café Wichers, alias De Koppel Paarden, op Veemarktstraat 2, vlakbij de Oosterweg. “Daar was het verzamelpunt van de kooplui, dat wil zeggen buitenlanders en Hollanders. Er zat een veestalling bij en wat die kooplui kochten werd daar opgeborgen”. Eerst moesten dan de koeien die niet droog stonden, en dat waren de meeste, worden leeggemolken. Want melkkoeien werden als ze naar de markt gingen ’s ochtends vaak niet gemolken om hun uiers beter uit te laten komen. “Die uiers”, aldus Melle, “stonden na verloop van tijd hardstikke gespannen. Daarom waren de koemelksters ook zo gewild. Het ging om een stuk of vier, vijf, zes vrouwen, dat weet ik niet meer precies. Ze maakten onder elkaar wel eens ruzie, dan waren ze aan het bekvechten: Sodemieter op, da’s mien koe! Hun melk ging naar de Nijverheid, de zuivelfabriek op de hoek van de Meeuwerderweg en de Van Julsingastraat.”
Als de uiers leeg waren, moest het vee op transport. Melle: “Ik spreek nu van toen ik een kwajong was van een jaar of tien, elf, dus rond 1930. Het was een hele beroerde rottijd, de halve Oosterpoort was werkloos. En daar bij Wichers stonden verscheidene werkloze mannen en die mochten de koeien in koppels van drie bij elkaar naar de Verlengde Lodewijkstraat brengen.” Aan de andere kant van het spoor bevond zich de laad- en losplaats, waar het vee weer op de trein naar de plaats van bestemming werd gezet. “Daar brachten die werklozen het voor een centeprik heen. Misschien verdienden ze er een kwartje per koppel mee, dat kwam zo een beetje stiekem uit de buutse van de inkoper, want eigenlijk mochten ze niets verdienen. Van dat geld kon zo iemand dan een pakkie sigaretten kopen. Die werklozen vochten er wel om of ze de koeien wegbrengen mochten: Het is mien klant! Vaak gingen ze in een colonne langs de Oosterweg, ’s morgens om een uur of 11, en wij stonden er op het schoolplein naar te loeren.”

De bekendste aller Groninger veedrijvers heette Douwe. “Een beroepskoedrijver, dat was hij”, zegt Melle: “Douwe hoorde bij de veemarkt. Eigenlijk was hij doodsbenauwd voor koeien, dat was ook algemeen bekend. Hij was niet achterlijk, maar geestelijk ook weer niet helemaal zuver. Nee, ik geloof niet dat hij dronk. Dat heb ik nooit gezien.”
Melle benadrukt dat er niet alleen koeien, maar ook schapen, varkens en paarden op de veemarkt werden verhandeld, die elk hun eigen stuk van de de veemarkt hadden en soms ook eigen marktdagen. “Stieren, die zette men ook allemaal apart, want als die tussen de koeien in stonden werd het een gekkenspul.”
Nauw verbonden aan de schapenmarkt was Levie van Simmeren, die in de wandeling jeude Van Simmeren heette. “Het was een klein old jeudegie”, vertelt Melle, “en hij woonde vlakbij ons in een gangetje. Hij merkte op de veemarkt de schapen, hij stipte ze met vloeibare verf aan om te voorkomen dat er ruzie over kwam. Want als er een over het hek sprong, dan zei de ene koopman dat zo’n beest van hem was, terwijl de ander meende dat het van hèm was. Die kooplui hadden daarom zelf ook vaak stiften bij zich. Soms was zo’n schaap dankzij Van Simmeren helemaal rood van boven. De kooplui betaalden hem voor dat werk.”
Op maandag was er altijd een grote lammerenmarkt. Melle herinnert zich dat een voerman Van Slochteren, aan het Winschoterdiep naast Topper, die lammeren met paard en wagen naar de veeverlading bij het spoor vervoerde. “Want lammeren, die zijn niet als schapen te drijven. Wèl als de ouden er bij zijn, maar niet als je ze daar bij weghaalt, dan springen ze alle kanten op.”
Melle herinnert zich nog iets van de schapenmarkt, nabij de kop van de Meeuwerderweg: “Daar stond ook het electriciteitshuis en daarbij had je een reparatiewerkplaats voor de tram, met diepe kelders voor herstelwerk en kleine karweitjes.” Een meer persoonlijk gemeentelijk aspect van de veemarkt was de marktmeester, in de jaren waar Melle over praat Muda geheten. Hij woonde in het poortgebouw aan de kant van het Verbindingskanaal. Hoewel er verhalen zijn over allerlei streken die buurtjongens op de veemarkt uithaalden, was daar volgens Melle in zijn tijd geen sprake van. “We konden tussen de spijlen van de hekken door en speelden vaak op de Veemarkt. Muda had niet veel last van ons. Hij joeg ons wel eens weg, maar liet oogluikend wel wat toe en gaf ons een kans.” Beslist en met merkbare stemverheffing: “Nee, we haalden nooit geen kattekwaad uit.”
Wel stond Melle als jongen versteld van iets anders. “De ingang van de schapenmarkt lag precies in het verlengde van de Bontebrug. Daar stond ook een wachthuisje, waar marktgeld geïnd werd voor elk stuk vee. Bovenop dat huisje zat een spreuk: Behandel de dieren met zachtheid, spaart de vogels. Maar als het voorjaar was, dan hoorde je daar knallen. Dan stond er in dat huisje een politieman verdekt opgesteld, en die schoot de kraaien dood die in de hoge bomen op de veemarkt nestelden. Ze vielen zo naar beneden. Dat gebeurde in het Sterrebos ook. Misschien werd het verordonneerd door de g emeente, misschien stond er ook wel een premie op. Maar de combinatie van die spreuk op het huisje – Spaar de vogels! – en het doodschieten van die kraaien was heel vreemd in mijn kinderogen. Dat doodschieten stuitte mij tegen de borst.”

—
De twee onderste foto’s zijn in 1965 gemaakt door buurtgenoot Cees Smit. Op de eerste staat Douwe met het gezicht naar de lezer iets links van het midden. Op de tweede bracht Cees het handjeklap of de palmslag in beeld.
‘De zetel der muzen’
Geplaatst op: 2 april 2009 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
In het stichtingsplaccaat van de Groninger universiteit, dat dateert van 4 juli 1614 (onze kalender), wordt Groningen een “metropool” genoemd, “door de natuur bestemd om de zetel der Muzen te zijn”:
“Want haar aantrekkelijke ligging blijkt onmiddellijk, haar lucht is puur en gezond, haar aanbod van elk soort voedsel overvloedig en gemakkelijk, en de stad is rijk aan passende onderkomens…”
Volgens Zweder von Martels, een neo-latinist aan de RUG, zijn deze woorden afkomstig van Ubbo Emmius, de eerste rector van de Groninger academie. Emmius was wel vaker nogal flatteus over de stad en haar bewoners. Zijn geschrift Rerum Frisicarum historia, aldus Von Martels, bevat een opmerkelijke karakteristiek van de Groningers als:
“…vriendelijk, aardig, altijd met hun woordje klaar, inventief, vlijtig, en geïnteresseerd in kunsten en wetenschappen. De Groningers hebben geen lage dunk van zichzelf, en zij eten er goed van. Zij verlangen erg naar macht, waarvoor ze bereid zijn alles te ondernemen en te verduren. Toch houden zij stevig vast aan hun rechten en vrijheid tegenover onderdrukkers. Ze zouden liever alles verdragen, dan zich neer te leggen bij slavernij.”
Die laatste opmerking, zegt Von Martels, moet je wel zien in de Friese context. Over het Friesland van Vlie tot Wezer schreef Ubbo Emmius:
“Waarlijk, Friesland is een vrij land met zijn eigen gewoonten. Het zal niet buigen voor de wil van buitenlanders en erkent niemand als zijn bovengeschikte. Voor hun vrijheid zijn de Friezen bereid te sterven!”
Zweder R.W.M. von Martels – ‘Ubbo Emmius, the Eternal Edict and the Academy of Groningen’, in: Christian Humanism, essays in Honour of Arjo Vanderjagt (Leiden/Boston, 2009) pag. 399-418.
De drekmenner en zijn paard
Geplaatst op: 30 maart 2009 Hoort bij: Oosterpoort, Stad toen 5 reacties
Nog een verhaal van die oude heer:
“Op de hoek van de Polderstraat en de Meeuwerderweg woonde Van der Woude. Die man was mijn vriend.
Hij werkte bij de gemeentereiniging. Hij reed met een kar en daar had hij een eigen paard voor. Als drekmenner had hij een eigen paard dat door de gemeente werd gehuurd. Dat paard stond ’s nachts in de stal achter het huis en het moest er door de gang naar toe.
Van der Woude ging met een groot schepnet alle straatputjes bijlangs om die met dat net leeg te scheppen. Zijn paard was zo mak, die wist precies waar ie stoppen moest. Hij liep van put naar put.
Van der Woude wou nooit iemand op de bok van zijn wagen hebben. Ik mocht wel op de bok, maar dan moest ik zingen. Het liedje van Kleine Liesje, dat vond-ie prachtig. Pas veel later heb ik begrepen dat zijn dochter zo heette.
En dan had hij zijn laatste lading naar de Drekstoep gebracht – dat was ginder aan de Verlengde Lodewijkstraat – en dan kwam hij weer terug en nam hij bij de staande bar van café Vos aan de Oosterweg een klein klokkie. Zo’n staande bar, daar kon je wel een klokje kopen, maar dan moest je wel blijven staan als je het opdronk.
Voor de deur van het café gaf hij eerst zijn paard een klap op de kont. Die liep dan naar huis toe. De vrouw deed de deur open en het paard liep zo door de gang naar de stal.”
Onvermoede veeteelt in een volkswijk
Geplaatst op: 30 maart 2009 Hoort bij: Stad toen 6 reacties
Vanavond bij een 88 jaar oude heer in de buurt geweest, Melle Kuikman. Hij vertelde:
“De hele Oosterpoort hield geiten in de oorlog. Om de zoveel huizen hadden mensen geiten. Mijn moeder had er vier, speciaal voor de melk. Of dat een beetje smaakte? Jazeker, geitemelk is hardstikke lekker om pap van te koken.
We hebben nooit geen klachten over het mekkeren gehad. Nooit. Als voer haalden we pakken erwtenstro van de fouragehandel van Evenhuis bij de Brink. ’s zomers haalden we gras van de berms, de zakken zette je achterop de fiets.
Die geiten moesten ook naar de bok, anders kwamen ze droog te staan. Aan de andere kant van het Winschoterdiep, de laatste woning in de nieuwbouw aan de oostzijde, daar hadden ze een paar bokken. Die ene heette Fritz, weet ik nog wel. Die andere ben ik de naam van vergeten. Die bokken, ze stonken als de hel. Als de geiten tiels waren, zoals dat heet, dan moest je daarheen. Maar je mocht er niet graag komen hoor, want die vrouw stonk net zo. Ze was wel schoon, maar er zat die bokkelucht aan hè¨.
Nou, we gingen allemaal met onze geiten die kant op en als ze droog waren, werden ze klandestien geslacht. Had je er weer vlees van, een poos. En dan kochten we een jong geitje weer.”
350 Jaar RUG
Geplaatst op: 29 maart 2009 Hoort bij: Stad toen 4 reacties
Professor Jan Pen doceert economie aan rechtenstudenten (1964). Wat naast het algemene jasje-dasje en de scheidingen aan de zijkanten der hoofden nog meer opvalt, is dat de eerste twee rijen in de collegebanken onbezet zijn. Je zou bijna denken dat Pen doceerde met consumptie. Tien jaar later zat een veel grotere collegezaal overigens stampvol bij de eerstejaarscolleges van Pen op maandagavond.
Het plaatje komt uit de AVRO-Bode van 14 juni 1964. Die maand vierde de Rijksuniversiteit Groningen dat ze 350 jaar bestond, en de AVRO besteedde daar aandacht aan door acht radio-uitzendingen en een televisie-documentaire.
Indertijd kwamen er zelfs speciale postzegels uit vanwege het zeventigste RUG-lustrum:

Het Oude Bosch, een vrolijke achterbuurt
Geplaatst op: 28 maart 2009 Hoort bij: Stad toen 12 reacties
Voor en ook nog wel even na de slechting van de vestingwallen (vanaf 1874) had je aan de zuidwestkant van de stad, tussen die wallen en het Zuiderdiep, een rommelige en treurige buurt met éénkamerwoninkjes waarin vaak drie generaties met honden, katten en kippen samenleefden. Het slechtst aangeschreven stond het Oude Bosch (op de kaart geel omrand). Menige stadjer durfde er niet te komen. In de achttiende eeuw al, stond het bekend als een achterbuurt waar prostitutie welig tierde. De negatieve reputatie sprong later over op meer oostelijk gelegen woningen, die met elkaar het Nieuwe Bosch gingen heten (op de kaart groen omrand), maar die naam was veel minder gangbaar. “In de wandeling”, zegt J.H. Riddering, “kende men alleen maar het Oude Bosch.”
Riddering, zelf geboren in 1868, herinnerde zich uit zijn jeugd een huis van twee verdiepingen, waarin ene Hof woonde, een blindeman. Diens huis stond op de plek van de Hof’s Burg (1893), een pand dat nu nog steeds te vinden is vlakbij de hoek van de Stationsstraat en de Coehoornsingel. Inderdaad werd Hof’s Burg naar Hof genoemd. “Hij was zoiets als de vrederechter tusschen de bewoners van ’t Olle Bosch”, aldus Riddering.
In de huizen van het Oude Bosch ontbraken vaak wc’s. Daarom stonden er aan menige straat grote openbare toiletgebouwen en ook grote stenen vuilnisbakken. In deze buurt, schrijft Riddering, woonde…
“…een arme bevolking van pakjesdragers, veedrijvers, venters, voddenschifters, turfdragers, hondenscheerders, vogelvangers, stoelmatters, kalkdragers en bedelaars. Er tusschen door woonden kleine winkeliers in snoepwinkels, waar ook gebakken lever en zuur verkocht werd; water en vuurneringen, waar men ook snippeldroakies kon koopen; bordeelhouders en logementhouders.”
Ook in de tijd waar Riddering over schreef, waren “de huizen van ontucht en hoesies van haol an” nog dik gezaaid ten zuiden van het Zuiderdiep. Tevens waren er hier en daar danshuizen, zoals het Rad van Avontuur. Maar kroegen waren er juist niet zo veel, want elke winkelier mocht de jenever nog per glas verkopen. Logementen, of beter slaapsteden, bevonden zich vooral op het zuidoostelijke uiteind van het Zuiderdiep. Aardig is dat Riddering enkele uithangborden noemt:
“O.a. een beer aan de hand van een man, met opschrift: Die loopen wil en niet verder kan, vindt hier goed logies in den Reizenden Man. Of: een man die naar de maan kijkt, met opschrift: Die vermoeid is van het gaan, rust hier in de Halve Maan. Of: een groote gouden ster, waaronder: In de Ster is ’t niet meer ver…”
Riddering gaat wat dieper in op een logement aan de Jonkerstraat,
“…waar het voorkwam, dat wanneer alles vol was, er 10 en meer personen op den zolders sliepen, niet op een matras, maar gewoon op stroo. Wie waren dan al die hospitanten? Dat waren in gewone tijden kleine marskramers, Duitsche vrouwen met kiepen op ’t hoofd of op den rug, die Rigasche nappen, aardewerk enz. verkochten. Friesche kaasventers in blauwe kielen uit Surhuisterveen, steeds klaar om bij de minste ruzie de kaasmessen te gebruiken. Stroohoedenmakers en raamhorrenschilders, botboeren en vaste kostgangers. De hoedenmakers en raamhorrenschilders waren Walen en Vlamingen. Ieder huis of huisje had in die dagen raamhorren. Deze moesten ééns per jaar overgeschilderd worden, want anders waren ze door de roest ontoonbaar.
Liep het tegen de kermis, dan kwamen daarbij de Duitsche blaaspoepen. Dat waren in die dagen de allerfatsoenlijkste menschen, die in die logementen of slaapsteden vertoefden. Deze deden zich af en toe te goed in de winkeltjes waar gebakken lever verkocht werd.
Dan kwamen de berenleiders. De beren zelf verbleven bij een of anderen melkboer in de koestal.
Verder Savoyaards met punthoeden op, die fluitende of vioolspelende van stad tot stad trokken, liedjeszangers, orgeldraaiers, Slowaken die handel dereven in kwakzalversmiddelen en meer van dat slag van volk. Tegen den tijd van de kermis was het rumoerig in het Olle Bosch en werd er een extra cent verdiend.”
Volgens Riddering vermaakten de bewoners van het Oude Bosch, hoewel arm en slecht gevoed en gekleed, zich prima, en misschien wel beter dan “de gezeten burger in de stad”. In de buurt had je bijvoorbeeld vanouds een Hanebijtersgang, en nog in zijn jeugdjaren, vertelt Riddering, waren er ’s zondagsochtends op de stadswallen ter hoogte van het Oude Bosch hanegevechten:
“Deze hield men zoo verschoolen, dat men direct met de hanen kon verdwijnen als er eens een politieagent mocht naderen.”
Riddering vertelt ook over Nieuwjaar, Vastenavond of Foekeoavond, Paoske of Pasen, Pinksteren, het zomerfeest, Sint Maarten en Sinterklaas:
“Nieuwjaar was een feestdag 1e klasse. het begon al ’s nachts om 12 uur, dan werd alles wat knappen kon voor den dag gehaald. Oude pistolen, donderbussen en zevenknappers hadden de voorkeur. Tusschen 12 en 1 ure ’s nachts was het een leven als een oordeel. Nieuwjaarsmorgen trok alles uit om Nieuwjaar te wenschen en 2 Januari deed men het nog eens dunnetjes over. Kreeg men geen geld of koopwaar, dan toch allicht een vrije borrel.”
Op Foekelavond ging men de stad rond met de foeke- of rommelpot om geld en lekkers op te halen. Jongens van de lijnbaan achter de Jonkerstraat droegen hierbij lampions, gemaakt van uitgeholde knolrapen, en fakkels van oud touw en teer. Paoske was vooral een stedelijk kinderfeest, met de zogenaamde eierwal ten westen van de Herepoort, ongeveer waar zich nu het Groninger Museum bevindt:
“De Olle Bosschers waren dan present om met eieren te kinken en te trachten, door vooraf hun eieren zoo hard mogelijk te koken, zooveel mogelijk eieren van de argelooze bezoekers te winnen en dan daarmede te verdwijnen. Aan neutenschaiten, dik en dun op de gorre deden ze ook mee.”
Met Pinksteren was er het dauwtrappen. Riddering vertelt het niet, maar uit een andere bron is bekend dat er in vroegere eeuwen dan – onder andere door de weeshuizen – hele tochten naar de Hilghestede in Helpman werden gehouden. Waarschijnlijk ging het om een overblijfsel van een middeleeuwse bedevaart. In de zomer was er altijd een soortgelijke dag, die juist weer herinnert aan de latere Vakantiekinderfeesten:
“Kwamen de mooie zomersche dagen, dan werd het op een middag in de Jonkerstraat, Driemolendrift, Heerepoortenmolendrift of andere straatje plotseling vrij druk. Men zag kinderen af en aanloopen, zich naar een of ander kokend-water-en-vuur-nering of stadsdiaaksche spoeden en zich ten slotte, in gezelschap van vele moeders met kinderen op den arm, verzamelen en een stoet vormen, waarvan de winkelierster of diaaksche – in den regel een stoere vrouw met oorijzer, floddermuts of ‘zwaarde klodde’ op – als een tamboermajoor de leiding had. Dit noemde men winkelspeulen.
Wekenlang had ieder kind 2 cent aan de leidster van den stoet gebracht en nu moest het sommetje worden opgemaakt. Men trok dan naar ’t Sterrebosch, waar de kinderen wat water met azijn en stroop en een medegebracht krentebolletje kregen. Er werd gezongen en gesprongen, totdat men tusschen 6 en 7 uur weer huiswaarts toog. Terug voor de woning van de leidster begon de pret eerst goed. De kinderen kregen elk 2 stuiversche krentebollen of mikken en een kopje chocolade- of saliemelk en voor de deur werd speciaal door de moeders en enkele in de buurt wonende sigarenmakers, schoenlappers en habitué’s van de slaapsteden feest gevierd.”
De grotere meisjes stonden weldra in een kring om het lied van het bruidje te zingen. ’s Avonds kwamen er meer mannen bij, die de jenever uit kopjes dronken.
“En als de stemming hoog werd, sloeg men in het sentimenteele en men begon met het lied van Napoleon of van den deserteur. Het laatste viel altijd zeer in den smaak. In den regel eindigde het feest in een ruzie, waarbij de politie moest optreden om de orde te herstellen.”
Met Sint Maarten gingen de Olde Bosschers weer “als een zwerm sprinkhanen” de stad door met hun “primitieve lampions” en “de nog bekende” Sint Maartensliedjes, terwijl ze tegen Sinterklaas, als het tenminste nog niet al te koud was, vuurtjes stookten op de onderwallen om ook daar weer liedjes bij te zingen, waarvan er ettelijke later terechtgekomen zijn in een operette, ‘As de Hoagdoorn bluit‘.
—
Bron: JH Riddering – ‘De oude wallen van de stad Groningen’, in: Maandblad Groningen, jaargang XVI, nr. 2 (februari 1933), pag. 21 – 25
Een wandeling langs 3,95 kilometer studentengeschiedenis
Geplaatst op: 26 maart 2009 Hoort bij: Stad toen 2 reactiesDe RUG bestaat 395 jaar. Voor de UK reden om een lustrumnummer in het licht te geven, dat een wandeling van 3,95 kilometer bevat langs plekken die herinneren aan diverse studentengeschiedenissen.
Van ladderzat bij Vindicat tot de Kop van Jut aan de Munnekeholm
De stad Groningen wemelt van de plekken waar studenten hun sporen nalieten. 395 jaar RUG is hét moment voor een wandeling van 3,95 km. langs die plekken.
Door Harry Perton
1
We starten op het brede deel van de Herestraat, waar donker natuursteen in het plaveisel de middeleeuwse Herepoort markeert. Op het wagenplein hier stapten Drentse en Duitse studenten van de postkoets. Als ze nog geen kamer hadden, logeerden ze wellicht eerst in de Münster, dat na circa 1825 Hotel Frigge heette. De plek van het hotel is nog herkenbaar aan de ronde uitbouw die zorgt voor een riant uitzicht over de straat.
2
Op Oosterstraat 44 heb je popcentrum VERA. Voor 1972 was dit een gereformeerde studentenvereniging, bekend van serieuze lezingencycli. De schrijver Gerard Reve sprak er over de mystieke achtergrond van zijn werk. Hij adresseerde de aanwezigen terecht als Veri Et Recti Amici, maar vertaalde dat als ‘Vrienden van het Rectum’. In de nazit viel hem vooral het kontje van de assessor secundus op: “Wat is het toch een lekker jochie!”
3
Aan de oostkant van de Grote Markt staat Mutua Fides, de sociëteit van Vindicat. Dit studentencorps, opgericht in 1815, vertegenwoordigde aanvankelijk bijna alle Groninger studenten, maar werd na 1870 meer elitair, exclusief en behoudend. Bij Vindicat ontstond de term ‘ladderzat’. Leden die niet meer op hun benen konden staan, werden vastgesjord op een ladder naar hun kamer gebracht. Bekend is ook het verhaal van de piano die jaarlijks van het balkon afviel. Een anonieme dichter schreef:
“Vindicat viert weer een lustrum dit jaar
zie op het balkon staat een piano al klaar
Om t.z.t. naar benee te worden geworpen
Zijn doodsklap te horen in d’omliggende dorpen…”
4
Langs Boteringestraat en Poststraat bereiken we de vroegere ingang van Universiteitsmuseum en UB. Bij het hek hier werd in 1944 Reint Dijkema opgepakt. Hij leidde een verzetsgroep van Veranen. In 1942 al, droeg hij uit protest een jodenster, wat hem op een wekenlange ‘heropvoeding’ in kamp Amersfoort kwam te staan. Die straf hielp niet. Met zijn broer liquideerde hij de beruchte verrader Elzinga en hij organiseerde de overval op drukkerij Hoitsema die de grootste buit aan distributiebescheiden van heel de oorlog opleverde.
Na die overval herkende een foute politieman hem in de Boteringestraat. Reint rende de Poststraat in en wilde door de steeg naar de Zwanestraat vluchten, maar stuitte op het afgesloten hek van de UB. Bij de afschuwelijkste martelingen hield hij nog zijn mond dicht. Hij werd op 19 augustus 1944 gefusilleerd.
5
Rechts van het Academiegebouw had je de Burse, waar tientallen ‘bursalen’ elke dag gratis aten. Het natje bij de vette maaltijden bestond uit een goedkoop soort bier, “wel gesoden, niet suyr, niet hart”. Soms viel de kwaliteit van het voedsel tegen. Een klacht uit 1772: “De spijzen zijn meest van de slegste soort; en daarenboven alleronsmaakelykst toebereid en opgedischt.” Studenten waren er zelfs ziek van!
6
In het Academiegebouw, eind juni 2009 precies een eeuw oud, hangt op de eerste etage een vaandel uit 1830, gemaakt door de Groninger juffers voor de 117 studenten die vrijwillig ten strijde trokken tegen de opstandige Belgen. Een schot hebben deze ‘Flankeurs’ nooit gelost. Wel viel er een dode. Hij tuimelde beschonken uit een Branbantse boom en brak zijn nek.
In het Universiteitsmuseeum ligt nog een veel ouder vaandel van de studentencompagnie uit 1672. Bij het beleg van Bommen Berend hielden deze studenten de wacht op het gevaarlijkste punt van de Groninger stadswal, nabij de Oosterpoort. ’s Nachts speelden ze fluit en viool en zongen een spotliedje op de bisschop. Naar men wil hoorde Bommen Berend dit ‘Nachtegaaltje’ knarsetandend aan in zijn hoofdkwartier op de Kempkensberg.
7
Via de Professorengang links van het Academiegebouw lopen we naar de Harmonie. Hier was een grote burgersociëteit met concertzaal en tuin, waar de bovenlaag van de stad zich amuseerde met conversatie, biljartspel en muziek. Bij de concerten gedroegen studenten zich nogal luidruchtig. Tot ergernis van de dirigent, die er in 1861 de brui aangaf. Omdat burgers hiervoor alle begrip toonden met applaus en beledigingen, voelden de studenten zich diep gekrenkt. Zij eisten excuses, kregen die onvoldoende en gingen over tot een boycot van de Harmonie. Dat speet vooral de dochters uit de burgerij, want de sociëteit was ook een huwelijksmarkt. Bemiddeling van een oud-burgemeester, een kamerlid en professoren bracht de studenten terug in de Harmonie. Maar zij bleven rumoerig, en toen in 1865 de dirigent er weer mee stopte, kreeg hij ontslag. Het bestuur zweeg over de “door Bacchus verhitte muzenzonen”.
8
Via Kromme Elleboog en A-kerkstraat lopen we naar het postkantoor aan de Munnekeholm. In 1803 kwam hier een academisch ziekenhuis, dat tijdens de academische vakanties dichtging (dan moesten de patiënten naar huis). Er was een ontleedzaal , waar de hoogleraar anatomie demonstraties gaf. In 1878 arriveerde het lijk van Jut, een beruchte moordenaar. De snijzaalbediende vertoonde het lijk tegen een vrijwillige bijdrage aan Jan en Alleman en dat leverde een rel op, want het universiteitsbestuur vreesde geen kadavers meer te krijgen. Juts hoofd werd op sterk water gezet, maar is – vermoedelijk door studenten – uit het Anatomisch Museum gejat. Op de kermis leeft de Kop van Jut nog voort.
9
In de Brugstraat passeren we Albertus Magnus. De van oorsprong katholieke studentenvereniging betrok het in 1967, ook het laatste jaar dat ze haar eerstejaars kaalschoor. De club kwam van het Hoge der A 12. Daar zat een verlaging in de kroeg, die in de groentijd vol water werd gezet.
Dat maakte het kikkeren realistisch. In de groentijd trok Albertus ook altijd door de stad met het feutencircus Rambam. Driek van Wissen moet dat nog hebben meegemaakt:
“Nooit was ik als student een bolleboos,
Want meer dan overdag de Alma Mater,
bezocht ik ‘s nachts Albertus aan het water
En werd daar spoedig zeer studentikoos.”
10
Langs de A-straat en de plek waar Friese en Hollandse studenten per trekschuit arriveerden − kop Hoendiep − bereiken we de Westersingel, met op 34 het Natuurkundig Laboratorium uit 1892. Hier werkte Frits Zernike, de enige Nobelprijswinnaar van de RUG.
11
Via de Vissersbrug bereiken we de Noorderhaven. Heike Kamerlingh Onnes groeide er op, een andere Nobelprijswinnaar, maar niet van de RUG. Anno 1876 was hij wel preses van Vindicat en bracht er de horeca in eigen beheer, waar die eerder aan kasteleins verpacht werd. Dankzij Onnes werd Vindicat schathemeltjerijk…
12
Bij de Boteringebrug heb je de Corps de Garde, oorspronkelijk een militair wachtlokaal, dat in maart 1652 belegerd werd door woedende studenten. Zij waren lid van de collegia nationalia, clubs op basis van herkomst. De Academische Senaat verbood de ‘zuipgenootschappen’ wegens hun groendwang en dat leidde tot een oproer. De collegia verenigden zich in herberg de Sint Jacob aan de Zwanestraat, waar leden hun degens ontblootten, er hun hoeden op staken en zwoeren op te komen voor hun belangen. Ze trokken naar het huis van de rector in de Boteringestraat, maar vielen eerst het wachtlokaal aan met stenen, sabels en pistolen. Vervolgens was er een vuurgevecht bij het rectorshuis, waar ettelijke gewonden vielen. Zes studentenleiders kregen zware straffen, maar uiteindelijk werden die danig verzacht. Ook toen trokken studenten aan het langste eind.
13
We steken de brug over en lopen naar het Nieuwe Kerkhof. In 1762 werd de doodgraver betrapt op het stelen van een kinderlijkje. Hij bekende dat hij tien lijken uit graven had gehaald en verkocht. De magistraat verbande hem levenslang uit de provincie. Zijn opdrachtgevers echter, gingen vrijuit. Dat waren professor Van Doeveren, drie medici en ettelijke studenten geneeskunde. ’s Nachts kwam er een paskwil onder hun deuren door:
“Wraak, wraak is ‘t die wij hebben willen
Over die onse vrunden botten stelen en villen
Doodgravers, perfessers en studenten
Hangse op, brave regenten
of wij wagen met dolle moet
lijf om lijf en bloet voor bloet.”
14
Van 1642 tot 1967 lag tussen de Rozen- en de Kruisstraat de academische hortus botanicus. Nadien verrees Alfa I of het Alfagebouw (nu het Heymansgebouw) waar letteren in zat. Grote man van de faculteit was Van Es, hoogleraar Nederlands. Hij gold als uiterst autoritair, inspraak door studenten noemde hij “gejeuzel”. Zowel stafleden als studenten zegden hun vertrouwen in hem op en toen het faculteitsbestuur hen in 1970 zelfbeheer ontzegde, werd Alfa 1 bezet en omgedooopt tot Alphaville, naar een Franse cultfilm. Door bemiddeling van Jacques Wallage kwam er een eind aan deze bezetting.
15
Tot slot het Noorderplantsoen. Over dit park gaat Ralf Poelmans’ afscheidsliedje, dat hedendaagse RUG-studenten hevige aanvallen van premature nostalgie bezorgt:
“Want als ik weg ben,
dan mis ik de straten,
vanaf de toren tot aan Westerhaven.
Ik mis de grachten, de mensen.
stadjers, studenten,
het allermooiste accent.
Geen Frankrijk, laat staan Kameroen,
Doe mij maar het gras,
het gras van het Noorderplantsoen.”
Met dank aan: Pieter Caljé, Minie Baron, Franck Smit, Goffe Jensma, Jan Dekker, Brigitte Hekker, Han Borg, Theo Jurriëns, Jaap Smit, Ulco Kooystra en Beno Hofman voor tips en gegevens
Warner Emmen, echt een Drenthinus?
Geplaatst op: 24 maart 2009 Hoort bij: Stad toen, UK + RUG 5 reactiesIk was benieuwd naar het verdere leven van Warner, ook wel Warnerus Emmen, de “Drentse” leider van het Groninger studentenoproer van 1652. Blijkt dat er twee versies van dat leven bestaan.
In het ene geval ging hij eerst naar Basel, maar promoveerde hij tot J.U.D. in Orleans (1658). In deze versie van zijn leven keerde hij terug naar Groningen om er te eindigen als Raadsheer (1668-1678).
In het andere geval werd hij in 1654, dus vrij vlot na het oproer, schulte van Emmen.
Een van de twee versies moet fout zijn. Misschien hebben de genealogen twee neven door elkaar gehaald? De neef van het ene geval ging naar de Latijnse school aan het Martinikerkhof, waarschijnlijk was dit een Groninger. De andere neef kwam van Emmen, en zal zo’n school dus wel in Coevorden hebben bezocht.
Het probleem is: ik zie zo’n studentenleider, gekozen door een heel stel leiders van studenten-nationes, niet zo gauw schulte van Emmen worden. Ook lijkt het me stug dat de Groninger Warner Emmen op zo’n post terecht kwam.
Zou de studentenleider misschien ten onrechte als Drenthinus zijn aangemerkt?
De bronnen zullen het leren.



Recente reacties