Pinox, woar bistu bleven?

Geplaatst op 23 maart 20 puinox

Planetcam plaatste deze op Flickr. Hij schreef erbij dat hij de tag sinds de jaren tachtig niet meer gezien had.

Dat lijkt me iets overdreven, want Pinox zette deze handtekening talloos veel malen op muren in de stad, en daarvan heeft een aantal specimina de millenniumwisseling vast wel overleefd. Maar eerlijk is eerlijk, ik heb de tag nu ook al in jaren niet meer gezien.

Hetgeen dan de vraag oproept, wat er met deze Pinox gebeurd is. Iemand met een antwoord?


Mensa mores van weleer

Voordat studentenvereniging VERA in 1964 een grote algemene mensa kreeg, waar dagelijks 600 maaltijden over de balie gingen, was er een kleine verenigingsmensa, waar 150 veranen aten. “Het was een gezellige mensa”, schrijft Pieter Caljé in zijn boek VERA: vorming en vriendschap:

De eerstejaars bedienden, aan de tafels werd volgens anciënniteit plaatsgenomen en wanneer de tafelpraeses een bijbelpassage had gelezen en “Ik wens U allen een recht smakelijk eten” had uitgesproken, werd door iedereen in koor rhytmisch “Insgelijks, meneer de Tafelpraes” geantwoord.”


Samenzwering in de Sint Jacob

“Ik zou in staat zijn uit de Acta een vrij volledige lijst mede te delen van die lokalen”, zegt WJA Jonckbloet in zijn ‘Gedenkboek der Hoogeschool te Groningen’ (1864). Helaas beperkt de hooggeleerde zich en noemt hij van de Groninger wijn- en bierhuizen die in de zeventiende eeuw populair waren bij studenten, slechts enkele bij naam:

  • de Quincke aan de Oude Ebbingestraat
  • de Daniel aan de Grote Markt, “die onlangs opgeheven werd”
  • de Kaatsbaan aan de Kleine Butjesstraat
  • het Gouden Hart bij de Steentilstraat
  • de Toelast (*) aan de Grote Markt noordzijde vlakbij de Martinitoren
  • de Vijgenkorf aan de Brede Markt noordzijde of Korenriepe
  • de Emmaus aan de Hereweg
  • de Baer nog wat verder buiten de Herepoort, bij de Baresteeg

De herberg die Jonckbloet het vaakst noemt, is de Sint Jacob. Van de oude Sint Jacob zag hij een rekening wegens verteerde gelagen en gehaalde wijnen, lopend over 1648 en 1649. Die ga ik dus binnenkort maar eens opzoeken in het archief.

Nog veel interessanter qua studentenhistorie is de nieuwe Sint Jacob aan de Zwanestraat. Bij het studenten-oproer van 1652 belegden de verboden collegia nationalia (studentenclubs op basis van herkomst) een vergadering met maaltijd in die herberg. De deelnemers ontblootten er hun degens, staken daar hun hoeden op, en zwoeren op te komen voor de vrijheid van de studenten.

Dat de Sint Jacob voor de verenigde collegia nationalia een belangrijke rol speelde, bleek ook in 1653, toen ze studenten die geen lid waren opriepen om in die herberg te verschijnen, teneinde zich daar aan de wetten van de collegia te onderwerpen. Studenten die zo’n convocatie in de wind sloegen, konden een aframmeling verwachten. Omdat de autoriteiten wilden weten wie de schrijver van de illegale convocatie was, verhoorden ze ook de waard van de Sint Jacob, zijn vrouw en zijn knecht. Blijkbaar was het briefje daar in de kroeg geschreven. Maar zij lieten evenmin iets los als de studenten die van betrokkenheid werden verdacht.


Tabaksblik Lieftinck

tabaksblik Lieftinck

Deksel van blik dat 24 x 17 x 10 centimeter groot is. In de bodem zit gestanst:

“NV Franciscus Lieftinck, “Het Wapen van Drenthe”, opgericht 1820, Groningen Holland 1/2 kg. rooktabak.”

De fabriek van Lieftinck werd in 1929 door Niemeijer overgenomen, welk bedrijf toen Niemeijer-Lieftinck ging heten. In 1938 werden beide fabrieken samengebracht aan de Paterswoldseweg. Als het merk Lieftinck na de overname nog een poosje bestaan heeft, dan is het blik op zijn laatst uit de jaren dertig en dus minstens driekwart eeuw oud. Ik kreeg het vandaag voor niets in de schoot geworpen.


Herman Finkers tussen de schuifdeuren

Ook in het DvhN van gister: een interview met Jan Stelma, alweer dertig jaar de directeur van Grand Theatre.

Voordien had Jan café-chantant De Plu’s, aan de Oosterweg tegenover de Sophiastraat. Het was een echt folkcafé, waar tijdens concerten de tap dichtging omdat er volgens Jan een gewijde stilte diende te heersen.

“Het trok veel creatieve mensen”, memoreert hij:

“Jan Veldman kwam onder moeders rok daar terecht. Ook het allereerste publieke optreden van Herman Finkers was bij mij in het café.”

Het is goed dat Jan daar het woordje ‘publieke’ inlast. Want Herman Finkers trad al langer tussen de schuifdeuren op. Bijvoorbeeld op een feest in het ‘Twentse’ studentenhuis aan de Parkweg, waar zijn broer Wilfried woonde. Eind ’76, begin ’77 moet dat zijn geweest. Ik weet dat omdat ik er zelf bij mocht zijn op uitnodiging van Wilfrieds’ huisgenote Erna, die bij mij in een werkcollege over de geschiedenis van het socialisme zat.

 


Hoe de kale knikkers uit het stadsbeeld verdwenen

Geplaatst op 13 maart 2009  a

Ik las weer een heel aardig stukje van Stadjer, ‘Er zit de klad in kale koppen’, opgenomen in het NvhN van 5 september 1968.

Op dat moment hadden de confessionele studentenverenigingen – het katholieke Albertus Magnus en het gereformeerde VERA – het kaalscheren van aankomende eerstejaars afgeschaft. Alleen bij Vindicat bleef deze ontgroeningstraditie nog in zwang. Maar ook hier, wist Stadjer, zou het dit jaar wel voor het laatst zijn:

“Binnen Vindicat is er een hevige discussie geweest of de tondeuse nou wel of niet ter hand diende te worden genomen. Bij de stemming wonnen de pro-kalen van de antikalen die door de pro-kalen voor radikalen werden uitgemaakt.”

Het was maar met een hele nipte meerderheid geweest. Stadjer, zelf student, constateerde dat het er in de groentijd “steeds liever” aan toeging:

“Lichamelijk groenen is alom verboden. En dat houdt in dat je een groen niet meer door elkaar mag rammelen, vol verf mag smeren, of bij een trap neer mag gooien. Dat laatste mocht overigens nooit, maar bleek voor sommigen een aantrekkelijke hobby.”

Ook de aanspreektitel meneer voor ouderejaars was afgeschaft. De groentijd werd een introductietijd op voet van gelijkheid…

“Op straat zult u van de groentijd ook niks meer merken. Er wordt niets meer met tandenborstels opgemeten. En ook niemand zal u meer nederig vragen of hij uw tenen even mag natellen.”

Tot zover Stadjer. Archiefambtenaar Paul J., die ik het stukje liet zien, kwam dadelijk op de proppen met een copie van zijn eigen kale eerstejaars-knikker. Anno 1967 behoorde hij tot de allerlaatste lichting Albertianen die met de tondeuse te maken kreeg.


Hoe Stadjer bij het Nieuwsblad betaald werd

 

“Bij het maandelijkse afrekenen viel het oog van meneer Nico eens op een interviewtje dat ik had gemaakt met de jubilerende kapper Perdon die in Groningen vlak over de brug aan de Parkweg woonde. De courantier keek me even aan met een lichte twinkeling in zijn ogen en zei: “Een kapper interviewem is niet moeilijk want die man praat de hele dag.” Hij kortte daarom het tarief voor deze aflevering met, als ik het mij goed herinner, een tientje.”

Aldus Tony van der Meulen in herinneringen aan zijn periode als Stadjer, welke te vinden zijn in Dichtbij; regionale kranten in Nederland (Sdu,1997). Uit die herinneringen blijkt, dat Stadjer eigenlijk een student was. Van der Meulen deed namelijk Nederlands, toen hij in 1965 als negentienjarige werkstudent bij de redactie van het Nieuwsblad terechtkwam.

Om terug te komen op het citaat – die meneer Nico was Nico Hazewinkel, de toenmalige directeur van het Nieuwsblad. Hij bemoeide zich hoogstpersoonlijk met de declaraties van de freelancende werkstudent Van der Meulen. Voor elk van zijn dagelijkse stadskronieken toucheerde Stadjer 25 gulden – wat hem een riant studenteninkomen verschafte – en een administrateur hield per maand bij wat hij schreef. Van der Meulen:

“…aan het eind van iedere maand vroeg ik belet bij meneer Nico die dan de paraaf moest zetten. Hij nam daar alle tijd voor, maakte een vriendelijk praatje, terwijl hij intussen zijn oog liet gaan  over de onderwerpen die de administrateur punctueel had vastgelegd. Sommige stukjes hadden hem getroffen door opzet of woordkeus, andere waren hem hem enigszins tegengevallen, “maar het moet ook niet meevallen om elke dag wat te bedenken”. Als hij zich een bepaald artikeltje niet herinnerde, vroeg hij mij het even op te zoeken, waarna hij het op zijn gemak ging lezen, alvorens zijn definitieve paraaf te zetten.”

Met de felbegeerde handtekening op zak stiefelde de werkstudent naar de kassier voor de broodnodige contanten. De kassier verschafte ook periodiek een nieuwe ballpoint tegen inlevering van de lege…

“…die hij voor  alle zekerheid nog even uitprobeerde op een strookje wit papier dat hij daartoe klaar had liggen. Want hij had in Het Beste gelezen dat in Amerika een goed draaiende firma toch op de fles was gegaan omdat het personeel ongemeen onverantwoordelijk met de middelen omsprong.”


Hannes in de studentenalmanak van 1958

Geplaatst op 6 maart 2009  a

Heb toch nog maar even de Groninger Studentenalmanak voor 1958 geleend, omdat ik vermoedde dat er een in memoriam voor Hannes in zou staan.

Dat klopte:

“Jarenlang was het koetsje van Hannes een vertrouwd beeld voor de kroeg. Tot diep in de nacht zat Hannes te wachten, bereid degene, die hem wekte, met zijn koets van dienst te zijn. Was het kouder, dan zocht Hannes maar al te graag wat warmte in de hal of bij wat de kroeg hem verder te bieden had.”

Volgens het stukje was hij “een man met weinig levensbehoeften”, die de studenten vele diensten bewees:

“Zozeer voelde hij zich met de studentenwereld verbonden, dat ook zijn paard volgens hem een student was. Befaamd was zijn geheugen voor namen, beter nog wist hij waar ieder vandaan kwam. Vanaf de dertiger jaren kende hij ieder die geregeld met hem reed. Niet onthouden kon hij zijn crediteuren. Daartoe diende zijn befaamde kasboekje.”

Verder blijkt er een paar weken na zijn dood een jaarclub naar hem vernoemd te zijn. Deze schrijft in het eerste jaarverslag:

“Het is Hannes een wens om als zijn mening uit te spreken, dat, mocht in de toekomst een partiële herziening van het beleid nodig blijken, een positief gerichte inspanning, alsmede een verantwoord conservatisme ons zullen steunen in de verantwoordelijke taak, waartoe wij geroepen zijn.”

Het meest substantieel blijkt een stuk door ene W.A. Hofman in het mengelwerk. Hij memoreert dat Hannes in 1909 voor het academische lustrum naar Groningen kwam om er te blijven:

“Uit den toevallig hier verblijvende koetsier groeide een figuur, die typisch werd voor een bepaald deel van Groningen. Het contact met de studenten bleef, maar werd aanvankelijk slechts als nevenbedrijf beoefend. Hannes was koetsier in alle diensten. Jarenlang – vooral in wereldoorlog I – was hij vrachtrijder en een der velen die voor de opkomst van de auto als koetsier de kost verdienden. eerst zeer geleiddelijk werd hij de man, die uitsluitend voor studenten reed.”

Omstreeks 1927 stonden er altijd wat aapjeskoetsiers bij het Hoofdstation te wachten op de trein uit Holland:

“Hannes was een van hen, maar daarnaast werd hij degene, die des avonds een plaatsje opzocht dichtbij het oude Mutua Fides en die zich zo geleidelijk een eigen plaats en een eigen klandizie verwierf. Dat hem dit gelukte, was waarschijnlijk het gevolg van zijn karakter. Zijn goedmoedigheid, zijn beheerste optreden,  zijn goed besef van eigen plaats maakten hem niet tot iemand, over wie men heen liep, maar tot een vertrouwde van menig jong student. Het is goed, als men aan zulke mensen kennen kan wat aanpassing betekent.”


Oorlog was domper op gezelligheid rond veemarkt

Nog even de aantallen kroegen langs de veemarkt op een rijtje:

1910: 11
1920: 12
1930: 13
1940: 14
1950: 10
1960: 09

Voor de Tweede Wereldoorlog is er een opgang tot 14 vergunningen. Vooral, maar niet uitsluitend door de jodendeportaties zakt dat aantal behoorlijk in. Herstel blijft uit. Na de oorlog is het aantal vergunningen nooit meer zo hoog geweest als voordien.


Opgevist uit Alva’s gracht

Geplaatst op 5 maart 2009  masker

Dit zijden masker kwam in 1976 tevoorschijn aan de Raamstraat, uit een stukje gracht van een dwangburcht, aangelegd in opdracht van de beruchte Spaanse landvoogd Alva. Toen de Groningers die dwangburcht na 1577 sloopten, dempten ze de gracht met allerlei afval, waartussen dit masker zat. Het stamt dus uit het laatste decennia van de zestiende eeuw..

Hanna Zimmerman onderzocht het voor haar dissertatie Textiel in context. Ze noemt het “niet waarschijnlijk” dat het om een vastenavondsmasker gaat: “Daarvoor is het weefsel te slap en de zijde te kostbaar”.

Ook is het volgens haar geen masker dat dames droegen om zich bij het paardrijden tegen zon en stof te beschermen. Zulke maskers waren namelijk stevig. Er zaten glazen in voor de ogen, en de dames moesten ze ook snel op en af kunnen zetten, daarom hielden ze zo’n masker alleen met een knoop tussen de tanden vast.

“Juist omdat het masker van zijde is”, zegt Zimmerman,

“moet eerder worden gedacht aan de bedekking van het gezicht van iemand die verwondingen had, aan de pokken leed, of een door lepra mismaakt gezicht had. Linnen en wol zijn voor dit doel te ruw en te stijf. Een masker van deze materialen zou te pijnlijk zijn op een gezichtshuid met wonden en lidtekens.”

Het masker is met ander textiel uit die gracht te zien op een tentoonstelling in het Universiteitsmuseum. Nog tot en met 30 augustus.


Een gereformeerde relikwie

Geplaatst op 4 maart 2009  reli

Uit de Nieuwe Holevoet van 12 juli 1966. Nooit eerder gelezen, dit verhaal. Ik vraag me af of het geen Broodje Aap is.


De kroegen van de oude veemarkt

Geplaatst op 27 februari 2009  a

                                                                   Foto: collectie RHC de Groninger Archieven

“Het wemelt rond de veemarkt van allerlei tapperijen”, constateerde Stadjer nog op 23 juli 1968, vlak voor de sloop. En hij noteerde iets wat ik al vermoedde, namelijk dat het om part-time kroegen ging:

“De meesten zijn maar een keer in de week open, dinsdagmorgen. Het ding zit dan een paar uur stampvol. En de tapper kan de rest van de week op zijn rug liggen genieten van de opbrengst. Om de spieren soepel te houden, heeft hij een of twee avonden per week nog wel een duivemelkerspartijtje of de bond van oprechte geitefokkers. Maar dat moet je niet overdrijven.”

In die kroegen zaten op dinsdag, veemarktdag, vanaf een uur of vier, vijf, zes tot ongeveer het middaguur de boeren en veehandelaren. Stadjer, die de veemarkt graag mocht aandoen, maar tamelijk benauwd was voor de koeienvlaaien en stralen pruimtabak die plotsklaps in zijn richting konden schieten, vertelt over het gangbare horeca-interieur alhier:

“Die kroegjes zijn nauwelijks luxe van opzet. Kale tafeltjes, met daaromheen zoveel mogelijk keukenstoelen. Hoe meer hoe beter. Op elke stoel kun je per veemarkt minimaal tien veehouders zetten. Da’s ruim een liter koffie en een kratje pils.”

Ik wilde al een tijdje een lijst maken van de horeca aan de oude Veemarkt, met de opeenvolgende uitbaters en wat bijzonderheden erbij. Toen ik vandaag de schets van Stadjer tegenkwam, heb ik daar maar even werk van gemaakt. Onderstaande lijst is gebaseerd op de gegevens in de Groninger Adresboeken vanaf 1907, die louter de hoofdbewoners van een adres en hun beroepen noemen. Namen van horeca-gelegenheden komen onder meer uit telefoonboeken, terwijl voor de joodse uitbaters gebruik is gemaakt van razzialijsten en digitaal monument.

DE LIJST:

Veemarktstraat 2 – De Koppel Paarden
Voor 1922 genummerd als Veemarktstraat 1, Pal op de hoek van de Oosterweg.
1914 – 1927: G. Boerema, caféhouder
1928 – 1968: W. Wichers, caféhouder
Mogelijk gaat het bij de laatste om een vader en een zoon, omdat er in 1943 jr. achter W. Wichers staat. Vanaf 1950 zit is er op 2a een annexe slijterij van M. Boerema,, in 1964 woont een mevrouw Wichers – Boerema op 2b. Het complex wordt in 1972 niet meer in het adresboek genoemd, het zal dan gesloopt zijn.

Veemarktstraat 5 – De Veehandel
Vanaf 1907: A. de Vries, hotelhouder. Vanaf 1914 heet hij hotel-caféhouder. Vanaf de vroege jaren twintig zit er een veestalling naast, op nummer 6.
In 1943 heeft JJ de Vries de zaak overgenomen, ook hij heet hotel-caféhouder.
In 1968 lijkt het bedrijf opgeheven, wel woont er nog een hotelemployé AT de Vries.***
In de Nieuwsblad-reportage van begin 1965 komen de Jan de Vries en zijn vrouw aan het woord. Volgens de verslaggever vonden velen de “gewoonte” van veekopers om voor dag en dauw jenever te drinken “vreemd” en “weerzinwekkend”. Maar de vrouw De Vries vergoeilijkte dat: “Ach ze zijn het zo gewend”, zei ze. “Je moet niet vergeten: de mensen komen niet net uit bed, ze hebben er vaak al een hele reis op zitten.”

Veemarktstraat 7 – Veelust
1907/1908: J.L. Bolhuis, kastelein
1909/1910: H. Kamps, caféhouder
1910 – 1922: H. Olthof, caféhouder
1923 – 1943: J.L. Melissen, caféhouder
1950 – 1964: W. Kok, caféhouder
1968: nog wel een café, 1972 niet meer. Staat op de foto.

Veemarktstraat 9
1907 – 1908: HL Olthoff, caféhouder. Is hij verhuisd naar 7?
Dan wordt dit adres tot 1918 niet meer genoemd als café. In 1914 wordt het opgesplitst in 9 en 9-I. Op 9:
1918 – 1935: K. Oosterhuis, verlof
1937: niets genoemd. verbouwing?
1939 – 1940: J.R. Woltjer, caféhouder
1941 evj: niet meer genoemd als café, wel woont er de wed. Woltjer-Woldendorp.
1950: heet zij verlofhouder. De bakkersknecht A. Georg woont in.
1958 – 1972: A. Georg, caféhouder. ***
In 1963 viel hier een klant uit de buurt steil achterover van het stoepje. Dood.

Veemarktstraat 10
1907 – 1911: J. Bamberger, logementhouder. In 1911 is de initiaal I, mogelijk gaat het om  dezelfde persoon, maar die heet dan wel café-logementhouder.
1914 – 1941: L. Gans, café-logementhouder. Heeft in de vroege jaren twintig een commensaal, M. Levy, handelsreiziger.
1943: wed. M.H. Gans-Gans, café-logementhouder
Volgens de razzialijsten en het digitale monument voor de wggevoerde Nederlandse joden woonden op dit adres Mietje Henriëtte Gans (1875), koffiehuishoudster  en haar zoon Abraham Meinhart (1908), vertegenwoordiger. Zij stierf in Auschwitz, eind 1942, van hem is de sterfplaats en -datum onbekend. Een inwonende dochter of nicht, Alegonda M. Gans (1913), verkoopster, overleefde de oorlog.
Na het wegvoeren van de familie Gans is er op dit adres geen horeca meer geweest.

Veemarktstraat 18
1907 – 1911: G. Nieweg. logement
1914 – 1915: C. Nieweg, café-logementhouder.
1918: mej. G. Nieweg, café-logementhouder
Nadien tot 1939 geen horeca op dit adres.
1939: K. Oosterhuis, caféhouder (eerder op Veemarktstraat 9)
1940: H. Jonkman, caféhouder
Nadien zit er geen horeca meer op dit adres.

Veemarktstraat 19
1907 – 1908: J. Wijnberg, slijter
1909 – 1911: I. Wijnberg, koffiehuis
1914 – 1918: I.W. Wijnberg, koffiehuis (mogelijk steeds dezelfde.)
1919: J. Cohen, koffiehuis
1920: I. Wijnberg, koffiehuis
Van 1910 tot 1920 woont in A.V. Wijnberg, redacteur van het Groninger Dagblad.
1921 – 1925: J. Cohen, koffiehuis
1926 – 1942: J. Cohen-Nieweg, koffiehuis (vergelijk nummer 18!)
Jacob Cohen, koffiehuishouder, en zijn vrouw Goline Nieweg, waren beide geboren in 1876. Beide zijn op 3 december 1942 vermoord in Auschwitz.
Nadien is er geen horeca meer op dit adres. In de jaren vijftig zit er eerst een boekbinderij en papiergroothandel, maar vanaf 1958 bestaat het hele adres niet meer in de adresboeken.

Veemarktstraat 25 en 25a – Hotel Marktzicht
Voor een omnummering van 1922 nog 25 en 25a.
1910 – 1922: E.L. de Haan, hotelhouder (hij kwam van 80)
1923 – 1933: J.M. Cohen (ook wel I.M. Cohen genoemd)
1935: M. Cohen, hotelhouder
1937 – 1958: C. Durville, caféhouder
Inwonend vanaf 1941 een H.J. Durville, eerst smid, later orthopedisch instrumentmaker genoemd.
1961: niets op dit adres
1964: café W. Kok (vergelijk nummer 7!)

Veemarktstraat 27
Aanvankelijk 27, vanaf 1910 25 en 27, vanaf 1922 26 en 27, alter weer alleen 27.
1907 – 1908: F. Koster, koffiehuishouder
1909 – 1943: J. Koster, koffiehuishouder
1950: W. Oldenburger, caféhouder en mevr. M. de Vries, caféhouder
1958: W.G. van den Brom, caféhouder
1961 – 1968: L. Cordes, caféhouder

Veemarktstraat 63
1907 – 1925: J. Bolhuis, tapper
Hij heeft rond 1920 kostgangers, een politie-agent en een bouwkundige.
1926 – 1935: Gez. Bolhuis, caféhouder
1937 – 1950: Mej. A.B. Bolhuis, café-, respectievelijk verlofhouder
1958: geen horeca, maar er woont wel een mevr. Dijkstra – Kolthof
1964 – 1968: M. Dijkstra-Kolthof, caféhouder

Veemarktstraat 76 – 77
Voorheen kantoren van Rubingh en Zonen
1933: W. Venema, caféhouder
1935 – 1968: L. Brink, caféhouder. Vanaf 1950 in de adresboeken als verlofhouder en aardappelhandelaar. In 1972 wordt het adres niet meer genoemd.

Veemarktstraat 80 – Hotel de Haan
1907 – 1915: E.L. de Haan, eerst caféhouder genoemd, van vanaf 1909 hotelhouder
In 1909/1910 wonen er diverse veehandelaren mede op dit adres.
De Haan verhuisde naar 25. Daarna zitten er achtereenvolgens een manufacturenzaak en een sigarenmagazijn op Veemarktstraat 79+80.
1943: S.J. Walker, caféhouder
vanaf 1950 tot 1972 is hier woonachtig de wed. Swarte – Walker, buffetjuffrouw. Nu de Meeuwerderweghoek van Café Cheers.

Veemarktstraat 81
Het pand aan de andere kant van de Meeuwerderweg, aan het pleintje naar de Griffestraat. Naast de winkel van De Gruyter.
1907 – 1924: G. Walrecht, tapper
1925 – 1927: H.E. Schaank, caféhouder
1928 – 1931: J.B.H. Brugman, caféhouder
Nadien geen horeca meer op dit adres.

Veemarktstraat 85-I/85-Ia – Grolsche Bar
1926: F. Gallis, met die vermelding
1927 – 1935: F. Smith, idem
1940: G. Veenstra, idem
1941: F.J. Wagenaar, caféhouder
Daarna een tijd geen horeca op dit adres tot
1950: mevr. T. Roggen, cafetariahoudster met haar cafetaria
1958 – 1964: B. Bakker, expediteur en cafetariahouder
1968 – 1972: M.A. van Doorn, cafetaria

Veemarktstraat 94
1907 – 1911: J. Bolhuis, caféhouder
Vanaf 1910 heet het hier Hotel Bellevue, maar die naam verhuist met de uitbater naar nummer 101 naar de andere hoek van het hoogst genummerde en bewaard gebleven deel van de Veemarktstraat bij het water. Daarna zitten hier op 94 onder meer een manufacturenzaak, en een kruidenierszaak van Albino. Nog weer later is het een garage.

Veemarktstraat 101 – Hotel Bellevue
1918: J. Bolhuis (komt van 94 en neemt het uithangbord mee.)
1919: K. Staghouwer, hotel
1920: wed. J. Bolhuis, hotel
1921 – 1922: K. Staghouwer, hotel
1923 – 1933: W. Tuinema, hotel
1935 – 1972: G. Woldendorp, café
(Later het café van Jannes Bosklopper, de Oude Veemarkt. Momenteel de Heren bij de Amstel.)


‘Geheele daken werden weggerukt’

 

Geplaatst op 22 februari 2009

Aldus berichtte de Gelderse streekkrant De Holevoet over de enige echte ramp die ooit in mijn deel van de stad plaatsvond. Dat was eind december 1929. Ik ken het verhaal van lokaal-historische publicaties, maar die vermelden niet de gruwelijke details.

De Holevoet is een van de kranten die door het gemeente-archief van Ede en Scherpenzeel is gescand. Opnieuw staat er een Fundgrube op het web.


De Sint Jacob aan de Zwanestraat, gildehuis der kooplui

Twee Groninger huizen droegen de naam Sint Jacob. Het ene stond aan de Kromme Elleboog, het andere aan de Zwanestraat. Dat tweede huis was tussen 1678 en 1703 het gildehuis van het koopmans- en kramersgilde.

De zwetten van de Sint Jacob aan de Zwanestraat waren:

  • ten noorden de Zwanestraat,
  • ten oosten de ingang van Achter de Muur,
  • ten zuiden Achter de Muur en
  • ten westen een buurpand.

Met Achter de Muur werd het Soephuisstraatje bedoeld, en het was dan ook het pand op het huidige adres Zwanestraat 12, dat Sint Jacob heette.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Nu is dat het Griekse restaurant Olympia, een rijksmonument, vooral vanwege de rijk met Jacobsschelpen versierde voorgevel, waarop ook een steentje met het jaartal 1612 prijkt. Het pand  dateert dus van twee jaar na de aanleg van de Zwanestraat, een stadsdoorbraak over het genaaste terrein van het voormalige Minderbroedersklooster, waarvoor herberg De Zwaan aan de Guldenstraat wijken moest.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Terwijl de Sint Jacob aan de Kromme Elleboog mogelijk al in de zestiende eeuw voorkwam, was de Sint Jacob aan de Zwanestraat zeer beslist nieuwbouw van na de Reformatie, toen het vernoemen van panden naar heiligen eigenlijk niet meer zo voor de hand lag. Dat het pand Sint Jacob heette, horen we echter pas in 1652. De eigenaars zijn dan Hindrick Harmens van Loon en zijn vrouw Asseltien, die we al kennen van de oude Sint Jacob aan de Kromme Elleboog, 1651.

Anders dan gedacht vormden uithangborden menigmaal mobiel goed, dat meeverhuisde. Waarschijnlijk brachten Van Loon en vrouw het hunne over vanuit de Kromme Elleboog. Dat ze daar in financiële problemen raakten, kwam wellicht doordat ze het pand daar niet konden verkopen, terwijl ze dat aan de Zwanestraat al hadden verworven. Hoe dan ook, de executieveiling van de Sint Jacob aan de Kromme Elleboog verhinderde niet dat de Van Loons in 1652 en 1654 voor nog eens bijna 3000 gulden aan leningen konden afsluiten met de door henzelf bewoonde Sint Jacob in de Zwanestraat als onderpand.

Eind 1672 bleek dat Hindrick Harmens van Loon organist was. Hij vroeg en kreeg toen 278 gulden achterstallig tractement wegens “het bedienen van het gewezen orgel in de A-kerk”. Vijf jaar later kwam hij opnieuw in financiële problemen, zodat er toen een executoriale veiling van de Sint Jacob aan de Zwanestraat plaatsvond. Het pand werd gekocht door het Koopmans- en Kramersgilde, dat er waarschijnlijk 2300 gulden voor bood.

Het gilde liet het vervolgens voor ongeveer 1600 gulden verbouwen. In een bundel met ingebonden stukken van het gilde vinden we namelijk de rekening wegens verbouwingskosten, die olderman Jan Testart maakte tussen oktober 1677 en juli 1678. Daarbij gaat het niet alleen om timmerlui die maandenlang werk hadden, maar ook om een leidekker (voor het maken van een pomp en een bak), een glazenmaker, een slotenmaker, een geelgieter (voor een kraan), een schilder en een steenhouwer, naast materialen als zand, steen, kalk en hout, spijkers, lood en een watersteen. In een van de vensters kwam waarschijnlijk een gebrandschilderde voorstelling te hangen, want Testart betaalde drie dukaten, dat was bijna 16 gulden, “voor een glas”, wat rijkelijk veel zou zijn als het slechts om een eenvoudig ruitje ging. Maar Testarts’ meest opmerkelijke uitgave betrof “het uijthangh boort de Sunt Jacob”. Hij betaalde er de vorige eigenaar Hindrik van Loon 6 ducatons voor, of bijna 19 gulden, een bewijs dat het uithangbord inderdaad niet bij het aard- en nagelvaste goed hoorde, maar een mobilium was.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Naar uit nog weer een ander postje op de bouwrekening blijkt, ging het koopmans- en kramersgulde de Sint Jacob verhuren. De eerste pachters waren nog onbekend, maar vanaf 1680 staan de namen op de huurcerters in bovengenoemde bundel. Deze contracten kenden steeds een looptijd van drie jaar, en ze laten zien dat de pachters een soort zetbazen van een koopliedensociëteit waren, want de gildeleden vormden zelf de belangrijkste klandizie van “onse Gilde Behuisinge”. Weliswaar hielden ze hun vergaderingen in het reventer (in het Rode Weeshuis), maar eten en drinken deden ze in de Sint Jacob.

De eerste huurcontracten noemen steeds een huursom van 200 gulden per jaar, wat behoorlijk hoog is. In 1680 bleek daarbij, dat het bier van brouwer Boll kwam. Als pachter Carel Reijneman en zijn vrouw Adriana ter Borch het bier van een andere brouwer wilden betrekken, waren ze verplicht…

“…geen minder ofte slechter Bier in te leggen en uit te slijten als sij duslange van Boll hebben genooten, doch alles tot goetkeuringe van olderman ende hovelingen van onse Gilde.”

Van mei 1683 tot mei 1686 pachtten Jan Sandebeeck (ook wel Sambeeck) en zijn vrouw Geesie de Sint Jacob aan de Zwanestraat. Eind 1685 raakten zij dusdanig in de schulden, dat hun inboedel voor alle zekerheid opgeschreven werd. Zo weten we de indeling van het pand: voorkamer, blauwe kamer, achterkeuken, kamer ’t Oogh in het Zeijl, (boven)Zael, Oldermanskamer. stoeffie (roeffie?) en weer voorkamer.

Wat men met dat ‘oog in het zeil’ bedoelde is onduidelijk. Het zou een erkertje boven de straat kunnen zijn, maar ook een kamer met een groot geschilderd zeegezicht, iets wat, dunkt me, wel bij kooplui past.

Op de inventaris staan dan onder meer zes ‘verkeerborden’ (voor triktrak, het populairste spel) en een “trecktafel met 2 stocken en ballen, zo gezegd wordt de kremers toe te behoren”. Zo’n primitief biljart was er nog bijna nergens, en ook de bas en de twee violen tonen aan dat de Sint Jacob als herberg een zekere standing had. Op een latere inventaris vinden we bovendien de portretten van Jan Sandebeeck, zijn vrouw en zijn zuster. Wat laat zien, dat het niet om ordinaire kroegbazen ging.

Wel veranderde er iets in de verhouding tussen gilde en zetbaas, getuige latere huurcontracten. In dat over de periode 1689-1692 kregen pachter Bastiaen Dentinck en zijn vrouw gedaan “dat de Olderman en Heuvelingen geholden sullen wesen de Capitale Gilde gelagen nergens anders als in dit Huys te moeten leggen”. De pachter legde het gilde dus een soort gedwongen winkelnering op, iets wat ondenkbaar zou zijn geweest als het gilde nog in een even sterke onderhandelingspositie verkeerde als voorheen.

Volgens het contract over 1696-1699  met Gerrit Bloem en vrouw Anna Dorothea van der Boom verlaagdce het gilde de pacht met 60 gulden tot 140 gulden per jaar, maar kreeg het wel weer zijn bestedingsvrijheid terug, terwijl er een vaste prijs voor zaken als pijpen, vuur en licht werd afgesproken:

“… sal het d’Oldermannen en Heuvelingen soo daene Maeltijden wegens de twe nieuwe Heuvelingen vrij staen te brengen waer het haer sal believen indien sij voor een behoorlijcke prijs met de Huirders van ’t Huis niet konnen accordeeren gelijck sij bij een ander souden konnen doen, en sullen de Huirders voor ordinaris daegen van ’t Gilde houden hebben te genieten de somme van een en dartigh Carol: gulden tyn stuivers waer voor sij sullen hebben te leveren vrij pijpen, Glasen, vuir en licht. Edoch soo jeemant jeets anders koomt Commandeeren deselve sal het moeten betalen.”

Blijkbaar kon een eigen gildehuis toch niet zo uit, want in 1698
wilden olderman en heuvelingen van het koopmansgilde de Sint Jacob weer verkopen, inclusief hun trektafel op de bovenzaal. Op de veiling werd echter zo laag geboden, dat olderman en heuvelingen zelf als hoogste bieders eindigden met hun bod van 1800 gulden.

Voorlopig bleven zij de zaak verhuren voor 140 gulden per jaar. Omstreeks Allerheiligen 1703 ondernamen ze een nieuwe poging, die wel slaagde. Met de ruim 1200 gulden opbrengst delgden ze hun schulden.

Onder de laatste eigenaars die het pand aan de Zwanestraat nog Sint Jacob noemden – HT Cock en diens dochter Hermanna Cock – is er geen bewijs meer dat het nog als herberg fungeerde. In 1737 verkochten de erven juffrouw Cock het vastgoed voor 1500 gulden aan Pieter van Marum en vrouw. De behuizing heette toen “de oude Sint Jacob”, een teken dat het uithangbord verdwenen was. Het betreft ook de laatste keer, dat de naam Sint Jacob hier in een koopacte valt. De Sint Jacob aan de Kromme Elleboog, die sowieso al de oudste rechten op de naam had, heeft het dus aardig wat langer volgehouden dan de naamgenoot aan de Zwanestraat.

Geplaatst op 21 februari 2009  d


De Oude Sint Jacob

Twee Groninger huizen droegen de naam Sint Jacob. Het ene aan de Kromme Elleboog, het andere aan de Zwanestraat. Die van de Kromme Elleboog had de oudste rechten.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Van dat pand wordt het adres tot eind zeventiende eeuw nog als Turftorenstraat opgegeven. Maar de zwetten laten steeds zien dat de kop van die straat bedoeld wordt. In de koopacten bestaan de noord- en de oostgrenzen van het perceel namelijk steeds uit de poort en de plaats van de Raadsheerlijke familie De Mepsche, dat wil zeggen dat het gaat om de achteruitgang en de binnenplaats van het Hinckaertshuis aan de Oude Kijk in het Jatstraat. Bovendien geldt als westzwet steeds de straat, dat wil zeggen het stukje straat dat tegenwoordig de Kromme Elleboog heet, een naam die echter pas vanaf ca. 1730 in zwang is.

Op de kaart van Haubois zie je op de kop van de Turftorenstraat, maar in de Kromme Jat (= Kromme Elleboog) een pand van drie verdiepingen en een zolder achter een trapgevel. Voor een groot deel staat dat pand er nog steeds. Weliswaar maakten zolder en trapgevel plaats voor een plat dak, en zal de voorpui ook wel ooit eens vernieuwd zijn, maar de zijgevel in de gang naar het Hinckaertshuis zou wel eens uit de zestiende, zeventiende eeuw kunnen dateren. Want er zijn nog van die smalle, dichtgemetselde ramen in te onderkennen.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Begin 1651 wordt dit pand, “waar voor desen Sint Jacob heeft uitgehangen”, bij opbod verkocht wegens schulden van de eigenaar, Hindrik Harmens Van Loon en zijn vrouw Asseltien. Mogelijk vormde de huisplaats  ooit een geheel met de huisplaats van het belendende pand aan de zuidkant, want beide panden hebben een mandelige put en pomp, terwijl er over en weer ook nogal wat servituten op het vastgoed liggen.

De kopers zijn Jan Deters en vrouw, die vervolgens eerst 1100 en later nog eens 800 gulden lenen voor aankoop en mogelijk verbouwingskosten. Ook zij raken in financiële problemen, met een veiling van het vastgoed als gevolg. Koper van de behuizing “waar voor desen Sint Jacob heeft uitgehangen”  is in 1658 Jan Jacobs Smit voor 1200 gulden. Volgens de koopbrief  kocht hij het niet voor zichzelf, maar voor Trijntien Harmens, de weduwe Jan Sandebeeck in de Nieuwe Ebbingestraat bij het Nieuwe Kerkhof. Zij bezit het pand tot 1664, als er opnieuw een veiling is. Dit maal gaat het pand over in handen van een Jan Nisinck brouwer voor 2400 gulden.

Bij een brouwer denk je aan de inrichting van het pand als een herberg, maar dat hoeft natuurlijk niet perse zo te zijn. In 1696 verkopen de erven van Jan Nisinck en vrouw “de Oude Sint Jacob” op de hoek van de “Kromme Jatsstraat” voor slechts 600 gulden – een kwart van de waarde in 1664. De namen van de opeenvolgende eigenaars zijn verder niet zo vreselijk interessant, maar de laatste koopacte waarin ik de Oude Sint Jacob aan de Kromme Elleboog genoemd zag was er een uit 1791.