Vreedenburghs Grote Markt

Geplaatst op 14 augustus 2008  a

Een impressie van de Grote Markt. met de kramen in een carré, anno 1936 geschilderd door Cornelis Vreedenburgh. Deze kunstenaar, een autodidact die behoorlijk gewild werk maakte, schilderde graag stadsgezichten, vooral Amsterdamse. Hij woonde dus niet hier in Groningen, maar kwam er speciaal voor uit Laren over. Momenteel is het werk nog ’t eigendom van kunsthandel Simonis & Buunk in Ede, en het moet een bedrag van zo tussen de 30.000 en 50.000 euro opbrengen.

Overigens is het niet het enige Grote Marktstuk van Vreedenburgh. De schilder maakte ook varianten, zoals deze en deze, die dezelfde kunsthandel al heeft verkocht.


De oudste melding van de kraantjespot

Geplaatst op 13 augustus 2008  a

Als er op 28 mei 1690 een inventaris wordt opgemaakt van de mogelijk insolvabele boedel van wijlen de provinciale fiscaal Meykneght, hier in Groningen, verschijnt er op de lijst, naast onder meer de bibliotheek, de lessenaar en een groot beeld van Justitia, een “koffiepot met een kraantien”. Het is de allereerste keer dat zo’n voorwerp in stukken van de stad genoemd wordt en daarmee de oudste melding hier van een kraantjespot.

Koffie. zo leren we uit de cultuurgeschiedenis van Pim Reinders en Thera Wijsenbeek (1994), was tegen 1690 een bekend verschijnsel geworden. De consumptie waaide via Engeland over uit Arabië. Omstreeks 1660 begon de VOC kleine hoeveelheden naar Nederland te verschepen, en vanaf 1690 hield ze bijna ieder jaar een koffieveiling. In 1699 begon ze zelf met de eerste koffieplantage op Java, die in 1711 een kleine 900 pond, maar een decennium later al bijna 117.000 pond koffie opleverde.

In Groningen moesten de vier koffiehuizen vanaf 1694 belasting gaan betalen, in ruil voor een alleenrecht op het schenken van koffie en thee. Meykneght was er dus redelijk vroeg bij. De bekende peervormige kraantjeskan ontwikkelde zich in dezelfde periode uit de conische kan, die men eerst van een kraantje voorzag. In de collectie van het Groninger Museum zit een fraai exemplaar uit ca. 1710/1711 van de zilversmid Freerk Halsema, terwijl het Rijksmuseum over een vaasvormig exemplaar uit 1729 van Daniel Marot beschikt.


Catz Elixer – de Pekelder roots

Naar aanleiding van de stukjes hier over Catz Elixer heeft Perrie Hoekstra twee fragmenten uit een RTV Noord-programma over distilleerderijen, gemaakt in 2005, online gezet. Voila.


Fotoseries

De laatste tijd weer een paar heel aardige fotoseries gezien:


Magneet voor nozems – Camping Stadspark in de sixties

 

Geplaatst op 29 juli 2008 a

Vanwege de oude auto’s, waar hij een liefhebber van is, postte Michiel Verburgh deze foto uit de jaren zestig op Flickr. Aanvankelijk meende ik dat het geen officiële camping betrof, en dat dit terrein zich nabij de Peizerweg bevond. Toen ik nog eens bij Google Maps keek, en de lijn tussen de oude pijp van de suikerfabriek en de hoek van het zich voor die pijp bevindende vierkante gebouw doortrok, kwam ik uit op Camping Stadspark. Tegenwoordig heb je daar flink wat bomen omheen staan, maar die waren toen kennelijk nog piepjong.

Dat klopt ook wel, zo bleek me vandaag in de Groninger Archieven, waar ik even de warmte ontvluchtte. Het kampeerterrein werd in 1959 en 1960 aangelegd op 3,5 hectare opgespoten grond, waarmee het Stadspark uitgebreid was. Beschutting aan de westkant kwam er pas in het voorjaar van 1960 in de vorm van een houtwal met snel groeiende bomen en struiken. Maar omdat het rijk de grasmat goed moest keuren, liet de opening van het terrein nog op zich wachten tot zaterdag 29 april 1961. Getuige het schriele groen zal de foto niet lang nadien gemaakt zijn.

Voor de opzet van Camping Stadspark keek de gemeente Groningen goed naar de gemeentelijke camping van Rotterdam. In haar bedoeling lag uitdrukkelijk een passanten- en geen verblijfscamping, en ze deelde het terrein in vijf gedeelten in:

  • tentenkamp gezinnen
  • tentenkamp jongens
  • tentenkamp meisjes
  • tentenkamp autobezoekers die hun auto’s op de parkeerplaats neerzetten
  • en (hier tegenover) de groenstrook voor bezoekers die hun auto en/of caravan en/of tent bij elkaar willen houden

De laatste strook is op de foto prominent in beeld.

Op het meisjeskamp kreeg de campingbeheerder uitzicht vanuit zijn woonkamer. Diens woning stond dicht bij de ingang, om ook het in- en uitgaande verkeer goed in de gaten te kunnen houden. In deze verantwoordelijke functie – jaarsalaris 5500 gulden – werd even voor de opening J.F. Scholte aangesteld, voorheen afdelingschef bij de Machinefabriek Helpman. Bij het sollicitatiegesprek toonde hij meteen al “veel geestdrift en toewijding”, maar wat volgens de voordracht de doorslag gaf waren zijn leidinggevende capaciteiten:

“Lijkt opgewassen te zijn tegen de aan deze functie verbonden moeilijkheden van velerlei aard, die plotseling kunnen optreden en snel, resoluut en geïmproviseerd handelen noodzakelijk kunnen maken.”

Een echte winkel en een kantine kreeg de camping pas in 1962. Vooral die kantine was in het eerste jaar een gemis: “De behoefte om ’s avonds even gezellig bij elkaar te zitten en de mogelijkheid te hebben correspondentie te verzenden, blijkt groot te zijn.” De winkel werd verpacht. Veel animo bestond er niet bij de winkeliers van de stad om deze outlet erbij te nemen. In 1968 fungeerde Lammerts van de Spar in de Hippocrateslaan als pachter.

De eerste jaren was de camping nog het gehele jaar open. In 1967 viel het besluit om voortaan in het winterseizoen, van november tot maart, dicht te gaan. Omdat de camping ook een sociale functie had, hield de gemeente de tarieven laag: een paar kwartjes per persoon, tent, auto of caravan per nacht. Voor kinderen tot 12 jaar was het verblijf zelfs gratis.

Ondanks die sociale doelstelling noemde Neerlands toerisme-goeroe Dr. L van Egeraat de Groninger camping op de radio “een der beste van West-Europa”. Het bezoek was er naar, dat overtrof de eerste jaren alle verwachtingen. Een staatje van het totale aantal overnachtingen per jaar laat een verdubbeling gedurende de jaren zestig zien:

1961 – 14.085
1962 – 18.063
1963 – 17.800
1964 – 22.780
1965 – 24.228
1966 – 26.686
1967 – 26.657
1968 – 29.167
1969 – 29.051

In 1961 al, ging dankzij Camping Stadspark het totale aantal overnachtingen op kampeerterreinen in de provincie Groningen er 42 % op vooruit. Johan Kuil, de referendaris sport en recreatie van de gemeente Groningen, becijferde dat er zo’n 10.000 mensen niet naar Groningen waren gekomen als dit kampeerterrein niet had bestaan. Zelfs in de natte zomer van 1962 zette de groei door. Er moest toen een nieuwe septic tank bij de toiletten komen, omdat de ene die al aanwezig was de ‘productie’ van alle bezoekers niet aankon. Vanaf medio jaren zestig nam vooral het aantal caravans flink toe. Daarom breidde de gemeente het caravangedeelte in de winter van 1968 op 1969 uit.

In 1961 kwam 84 % van de bezoekers uit het buitenland. Voor de helft ging het om Duitsers en voor een kwart betrof het Scandinaviërs. Later nam vooral het aantal Nederlanders en Scandinaviërs toe, terwijl het Duitse aandeel terugliep. In het jaarverslag over 1965 heet het:

“Misschien is dit laatste een soort welvaartsverschijnsel, doordat vele Duitsers verder trekken, speciaal naar het zonnige zuiden.”

In 1961 verbleef het overgrote deel van de bezoekers slechts een enkele nacht op de camping. Het gemiddelde aantal overnachtingen per bezoeker haalde zelfs nog nog niet de 2. Later slaagde de gemeente erin om dat moyenne ietwat op te krikken, tot 2,44 in 1967. Ze dankte dat onder andere aan een foldertje, dat de bezienswaardigheden van de stad opsomde. Intussen kon het haar ook weer niet zoveel schelen, dat ze zorgde voor een buslijn tussen de camping en de stad. Want daarvoor, zo zei de wethouder, ontbrak er het personeel bij het gemeentelijk vervoersbedrijf.

Toen de camping tot stand kwam, werden kijkers uit de stad geweerd:

“Orde, netheid, rust en gezelligheid bepalen de naam, en derhalve de exploitatie van een camping. Daarom in het algemeen geen kijkers toe te laten.”

Wat niet wegnam dat de beheerder, Scholte dus, in 1961 meteen al een probleem kreeg met zogenaamde ‘nozems’. Vandaar ook, dat hij er het jaar erop een assistent bijkreeg, Luiken. Maar ook die kon niet alles oplossen. Eind 1962 was de klacht:

“De indeling van het terrein houdt er geen rekening mee, dat bepaalde “brom-nozems” inmiddels “auto-nozems” zijn geworden.”


De grasparkiet die Gronings praten dee

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Nieuwsblad van het Noorden 4 maart 1961. Mevrouw Rozema schakelde de lokale pers in, nadat een papegaai een televisiepraatje hield, waarin deze beweerde het intelligentste dier te zijn.


Hoogtijdagen en slappe tijden in ‘de droge kroeg’

Geplaatst op 25 juli 2008  a

Coöperatie De Toekomst dankte in 1888 zijn ontstaan aan het gebrek aan goede zaalruimte voor de arbeidersbeweging. Volgens het jubileumboekje dat ik hier laatst al eens aanstipte, heerste er “een ware zalennood”:

“De vergaderzalen die men ter beschikking kon krijgen, waren klein en vunzig en de grotere kon men niet huren, omdat daarvoor het geld ontbrak”.

Je zou dan denken dat het horeca-gedeelte van het coöperatieve bedrijf – waar geen alcohol geschonken werd –  een florissante onderneming was, maar het tegendeel blijkt waar, want financieel is dat “steeds een zorgenkind geweest”. Weliswaar was er de eerste jaren in het gebouw aan de Coehoornsingel een goede zaalbezetting en een “vrij druk cafébezoek”, maar ook toen al was het resultaat slecht. Verder zou er zelfs geen enkel jaar winst worden gemaakt. In de eerste dertig jaar moest er per jaar gemiddeld 1225 gulden bij, geld dat vooral uit de bakkerij kwam.

De Groninger socialisten hebben heus wel geprobeerd er wat meer schwung in hun ‘droge kroeg’ te krijgen, door toneeluitvoeringen, concerten en café-chantants, maar dat zette allemaal weinig zoden aan de dijk en daarom werd de horeca tussen 1897 en 1900 zelfs even verpacht. Diverse keren is de boel ook gezelliger gemaakt of gemoderniseerd, maar dat haalde evenmin veel uit. In 1930 en in 1936 gingen respectievelijk het café en de zalen dicht.

Het jubileumboekje zegt niets over hoogtijdagen en slappe tijden, maar het geeft in twee tabellen wel omzetcijfers van de horeca, die ik in het volgende grafiekje heb verwerkt:

Geplaatst op 25 juli 2008  b

In de eerste jaren was het er dus druk. Daarna zien we begin jaren 1890 de belangstelling inzakken, wat zal liggen aan de strijd tussen de parlementaire en de anarchistische vleugel van de Sociaal Democratische Bond (SDB). Wel lijkt de zaak na de afsplitsing van de SDAP (1894) weer even op te leven, maar na de verpachtingsperiode (1897 – 1900) en tot de Eerste Wereldoorlog zijn de omzetten vrijwel nooit meer zo hoog geweest als in het begin.

In de revolutionaire tijd aan het eind van die Eerste Wereldoorlog (Rusland, Spartakisten, Troelstra) is er een enorme opleving. Ik denk dat veel mensen toen de politieke debatavonden in De Toekomst bezochten.  Maar het revolutionaire getij verliep en sindsdien werd de omzet elk jaar een beetje minder, in een lange glijdende schaal naar beneden.


Een bouwput tussen Moes- en Akkerstraat

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

H. kwam onlangs met dit doek aanzetten. Het is gedateerd 1931 en gesigneerd R. Wijngaard. Op de voorgrond zie je balken liggen, wat verder naar achter bevindt zich een bouwput met paarden en wagens die grond afvoeren en helemaal op de achtergrond staat de vrijgemaakt gereformeerde Noorderkerk aan de Akkerstraat die onlangs dichtging.

Het gaat om nieuwbouw van drukkerij J.B. Wolters. Niet de allereerste hier. Volgens het jubileumboekje dat ik gister aanstipte kwam in 1919/1920 de shedbouw met de puntdaakjes tot stand, die helemaal links op het schilderij te zien is. Hierheen verhuisden de zetterij, drukkerij en binderij van J.B. Wolters, wiens bedrijf aan het Academieplein uit zijn jasje was gegroeid. In 1925, aldus het jubileumboekje, kwam er naast die shedbouw een fondskelder,

“en in 1929 werd deze kelder tot de Moesstraat uitgebreid, en daarboven een verdieping naast de shedbouw gebouwd, waarmede een uitbreiding van ± 4000 m² vloeroppervlakte was verkregen. Lithografie- en fotografieafdeling kregen nu ook een goed onderdak.”

Kunstschilder Wijngaard, als hij bestond, heeft er dus twee jaar over gedaan om de situatie vanaf schets of uit zijn herinnering in olieverf te brengen. Overigens werd de nieuwbouw hier in 1952/1953 met drie verdiepingen opgehoogd, “zodat”, aldus het jubileumboekje, “het imposante gebouw ontstond dat wij thans kennen”:

Geplaatst op 20 juli 2008  b

Rond 1960 waren hier ruim 300 mensen aan het werk. In de jaren zestig was Wolters gemeten naar het aantal uitgaven, zelfs de grootste uitgeverij van Nederland. Maar in 1980, na de fusie met Noordhoff, verliet Wolters-Noordhoff deze panden weer. Het hele complex werd vervolgens in de tweede helft van de jaren tachtig gestript, en het casco ingevuld met nieuwbouw: appartementen, oefenruimtes en kantoren. Er kwam zelfs nog een verdieping met maisonnettes bovenop. Onder de opgeknapte glazen puntdaakjes van de shedbouw zette de architect losse cabines neer met werk- en studioruimtes. Onder andere stadszender OOG kreeg hier een onderkomen.

Aanvulling 22 juli:

Inmiddels heeft de zoon van Ruurt Wijngaard, de schilder, zich gemeld. Zie de reacties voor een samenvatting van zijn mail.


‘Ik blijf werken’

Geplaatst op 19 juli 2008  a

De stoep van boekhandel J.B. Wolters, Oude Boteringestraat 24, Groningen. Tegenwoordig domicilieert op dat adres de Open Universiteit, maar in de jaren tachtig was het pand vooral bekend van de krakerstypes, die op die stoep hun habituele blikbier zaten te hijsen. De foto is van een onbekende maker en staat op de voorpagina van Ik blijf werken; Orgaan der bedrijfsvereniging J.B. Wolters Uitgeversmaatschappij N.V. Groningen, Jubileumnummer 1836 – 1961, welk rijk geïllustreerd boekwerkje ik voor 15 euro op de kop tikte bij een Utrechts antiquariaat.


Het geheim van Catz-Elixer

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Ben vanmiddag bij de laatste bedrijfsleider en directeur van Catz & Zoon geweest. Het werd een leuk interview. Hij bleek nog stokoude affiches te hebben, en een doos vol met de verschillende bitters van het bedrijf, voorop natuurlijk het Elixer.

Hij vertelde dat zelfs hij niet mocht weten wat voor kruiden er in Catz-Elixer gingen.  Die kruiden lagen in jute zakken op een afgesloten gedeelte van de zolder, de eigenaar van het bedrijf sloot zich daar op en woog en mengde de kruiden er in een zak, om het mengsel vervolgens naar beneden te brengen, voor het trekken van de Elixer. Het drankje bevatte maar liefst 49 % alcohol, juist omdat de kruiden-extracten (ook met oliehoudende zaden) bij een lager percentage niet goed oplosten, en “uit gingen vlokken”.

Toen de Koninklijke Gist- en Spiritusfabriek NV in Delft eerst, en naderhand Henkes het bedrijf van Catz & Zoon overnam, werd het fabriekje aan de Damsterkade opgedoekt. Begin jaren zeventig moet dat geweest zijn. Bij het opruimen vond de directeur de sleutel van een kluis bij de enigszins chique Mesdag en Groeneveld’s Bank in de Oude Boteringestraat. “Ik moest alles openmaken”, verklaart hij, “die kluis bevond zich in de kelder, er was in geen jaren iemand bij geweest. En het enige wat er in die kluis lag, dat was dat boekje waar het recept in stond”.

Het boekje is mogelijk van de grondlegger van Catz, die in 1789 de eerste likeurstokerij in de Pekela begon. Via Henkes moet het naar Bols gegaan zijn, welk Amsterdams bedrijf het nu waarschijnlijk ook in een kluis heeft liggen. Mocht er oorlog komen geen nood, want Bols houdt copieën van alle recepten in een kluis op Curacao.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


Catz-Elixer in de courant

Geplaatst op 17 juli 2008  a

Van alle advertenties van Catz Elixer die ik in het digitale archief van de Leeuwarder Courant vond, is dit de mooiste. Ze stond op 26 oktober 1908 in de krant, en maakte deel uit van een serie Jugendstil-achtige ontwerpen, die van 1906 tot 1913 heeft gelopen.

Voor het eerst adverteerde Catz met zijn Maag- en Gezondheids Elixer in 1864 in de Leeuwarder. Het bedrijf Catz & Zoon zat toen nog in de Pekela en had op de Wereld-tentoonstelling van Londen eene “groote Prijs-medaille” gewonnen. Er zouden nog vele eerste prijzen volgen, op beurzen in onder andere Wenen, Philadelphia, Parijs, Amsterdam, Tunis en Brussel.

Afgaande op de advertenties moet het bedrijf in 1884 naar Groningen verhuisd zijn. Kennelijk ging deze verhuizing gepaard met een uitbreiding van de produktie-capaciteit, want het gaat zichzelf dan in advertenties “de grootste bitterfabriek van Nederland” noemen. Ook laat men het produkt testen – niet alleen is het “algemeen bekend wegens zijn zeer aangenamen smaak”, ook wordt het “door H.H. Professoren, Doctoren en Scheikundigen aanbevolen als het fijnste zuiverste en gezondste maagbitter”. Volgens de advertenties is Catz-Elixer inmiddels “verkrijgbaar in alle slijterijen, café’s en sociëteiten van Nederland”.

Opmerkelijk is de reclame in de zomer van 1898, als Wilhelmina de troon bestijgt. Catz & Zoon laten dan “naar aanleiding van de vele tot ons gerichte zeer vererende verzoeken om z.g. Kroningsbitter te willen leveren”, de geachte cliëntèle weten “dat wij geenerlei gelegenheidsdrank in den handel wenschen te brengen”. Want: “Ons wereldberoemd Catz-Elixer spant de Kroon!” Zoiets komt erg zelfbewust over. In de advertenties van na dat jaar ontbreken zelfs langere wervende teksten, en wordt er simpelweg volstaan met de merknaam en de naam van de fabrikant.

Pas na de Eerste Wereldoorlog zien we weer wat wezenlijk nieuws. Er komt een drankje in de mode, de ‘Rotterdammer’. Het gaat om een glas mineraal-, soda- of spuitwater met een scheutje Catz-Elixer. In 1927 voert het bedrijf een speciale campagne met een serie overeenkomstig vormgegeven advertenties waarin wekelijks een andere sportieve hobby aan bod komt, en steeds hetzelfde geblazerde mannetje met een fles klaar staat om vermoeiden te verkwikken. Nadien worden de advertenties weer summier, en vanaf het uitbreken der Tweede Wereldoorlog staan er zelfs helemaal geen advertenties meer voor Catz-Elixer in de Leeuwarder Courant.

Populariteit gaat met namaak gepaard en daar bleek Catz al vrij vroeg beducht voor. En in 1881 heet het: “Al onze Etiquetten en Fabrieksmerken zijn bij de Regtbank gedeponeerd”. In de jaren 1890 besluit de firma kenmerken van authenticiteit toe te voegen aan de verpakking:

“Als Bewijs van Echtheid is elke flesch voorzien van onze gedeponeerde Etiquette, terwijl kurk en cachet gestempeld zijn met den naam onzer firma”

De angst voor namaak bleek niet ongegrond. Zo veroordeelde de Haarlemse rechtbank in 1887 een lokale likeurstoker tot 100 gulden boete, geen misselijk bedrag in die tijd. Weliswaar volgde in hoger beroep vrijspraak, maar dat was omdat Catz het merk nog geen half jaar eerder gedeponeerd had, en niet omdat Catz geen uitsluitend recht op het merk bezat. Ook in 1937 was er nog zo’n zaakje, dan tegen een firma uit ’s Hertogenbosch, die een ‘Elixer Jacob Cats’ trachtte in te voeren, maar van een koude kermis thuiskwam. De Bossche concurrent moest de verkoop van zijn nep-elixer staken op een dwangsom van 1000 gulden per dag.


Tableau voor de directie

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

In 1931 bestond de Fongers fietsenfabriek aan de Hereweg 35 jaar. Bij die gelegenheid bood het personeel dit tegeltableau aan de directie aan. Tegenwoordig hangt het op een gang in RHC de Groninger Archieven.

Meer over Fongers op dit weblog:


Catz: het portaal, de bedrijven, het elixer

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Aan de Eendrachtskade nz. heb je op nummer 13 een fraai stukje beeldhouwwerk.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Het lijken wel dolfijnen zoals ze in de heraldiek en in oude kunst voorkomen.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Ze maken deel uit van een ook verder fraai portaal:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Met aan de bovenkant de wapens van Amsterdam, Groningen, en Rotterdam:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

En een cartouche met een Jugendstil-achtig motief van kastanjebladeren:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Helaas vervalt het portaal en onderhoudt de huidige eigenaar de boel niet goed:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Deze foto’s maakte ik twee maanden geleden. Pas van de week ontdekte ik dankzij een briefhoofd:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– wie het pand bouwde en wat de functie ervan was. Het dateert van 1911, en werd er neergezet als hoofdkantoor en magazijn van de firma Catz. Dat wil zeggen: de Gebroeders Catz met hun grossierderij in kruidenierswaren. De droge Catz zeg maar. Want je had ook nog een natte, nou ja, alcoholische Catz van dezelfde familie, maar elders in Groningen gevestigd.

Van beide bedrijven was de grondlegger Heiman Cohen Catz (1754-1841), een Duitse jood die volgens een familieoverlevering wegens een duel naar Groningerland vluchtte. Stamvader Catz vestigde zich als drogist en likeurstoker in de Pekela. Midden negentiende eeuw verhuisden twee zonen van hem naar de stad Groningen, waar ze op de hoek van de Ebbingestraat en de Jacobijnestraat die grossierderij begonnen. Je moet dan denken aan artikelen als bakkerij-producten, olie, traan, azijn, zuidvruchten, specerijen, maar ook aan de likeuren en elixers van pa.

Met hun handel ging het zo crescendo dat de familie Catz vanuit Groningen een nationaal zaken-imperium op kon bouwen met filialen in Rotterdam (1884) en Amsterdam (1899). Vandaar die drie wapens in het portaal aan de Eendrachtskade, met dat van Groningen in het midden. Overigens won die gevel de eerste prijs in een architectuurwedstrijd, aldus Hugo van der Molen.

“Door de  nieuwe vestigingen werd het karakter der firma sterk gewijzigd”, staat in een brochure die verscheen bij het eeuwfest van de Gebroeders Catz (1956):

“Beperkte zich voordien het afzetgebied voornamelijk tot de provincies Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel, voortaan bestreek men het gehele land en werd men bovendien eerste hand aanvoerder en importeur van die artikelen waarin de firma zich langzamerhand had gespecialiseerd, nl. rozijnen, krenten, amandelen, gedroogde vruchten, sukade, honing, grondnoten, diverse suikersoorten, specerijen, en daaraan verwante artikelen.”

Bij dat eeuwfeest was het bedrijf zelfs tot een multinational uitgegroeid, met vestigingen in New York, Indonesië en tal van Europese landen. Voor Groningen betekende die ontwikkeling een steeds kleinere rol. Het hoofdkantoor was in de jaren twintig al naar Rotterdam verhuisd, en de inpakkerij van zuidvruchten en noten (cashew, pistache en amandelen) ging in 1974 naar de Ulgersmaweg. Daar moest de ‘droge Catz’ eind 1995 sluiten onder druk van de markt. De import van de zuidvruchten en noten gebeurde via de haven van Rotterdam, terwijl het spul in Groningen verpakt werd. Dat kon veel goedkoper in Rotterdam. Van de 25 man vast personeel kreeg een beperkt deel een nieuwe baan in Rotterdam, waar Catz dus nog steeds bestaat.

DE ALCOHOLISCHE CATZ

De alcoholische Catz, voor de fabricage van en handel in gedestilleerd, werd in 1894 als ‘Catz & Zoon van Pekela’ opgericht. De destilleerderij, likeurstokerij en bitterfabriek was gevestigd in een heel andere hoek van de stad, namelijk op het adres Damsterkade 1, en ging eind 1969 over in handen van de Koninklijke Gist en Spiritusfabriek NV te Delft.

‘Catz & Zoon van Pekela’ was vooral bekend van Catz-Elixer, een geprononceerd smakende kruidenbitter met maar liefst 49 % alcohol. Je kon er een glas jenever mee op smaak brengen.

Een bedrijfsarchief lijkt er niet bewaard, helaas, maar zo links en rechts zijn er nog aardig wat rekeningen te vinden, ook op internet, zoals hier, hier en hier. De bijsluiter van het elixer is er eveneens nog:

“Het versterkt de maag, verdunt het slijm, bevordert den eetlust, smaakt bovendien zeer aangenaam, en wordt met goed gevolg bij alle ziekten aangewend, die uit slechte spijsvertering ontstaan.”

Op prentbriefkaarten luidt de slogan:

“Of ’t voor of na de maaltijd is, een glaasje CATZ hoort bij de dis.”

Zeer gewild is een affiche voor Catz-Elixer, terwijl de flesjes werkelijk overal op internet opduiken (zie a, b, c, d). Je zou zo een tentoonstelling over de onderneming kunnen maken. Die mag dan niet voorbijgaan aan nog een laatste aspect, namelijk (zie Sanders) dat het catsie, katzie, katzke of ketske in de volksmond de soortnaam was voor jenever met een extra shotje kruidenbitter. Op die manier kwam het spul ook nogal eens in songteksten en gedichten terecht, zoals van

– Koos Speenhoff (1918):

“Dan trekt-ie naar z’n bittertafel
En slokt z’n eerste borrel op;
Dan komt de trek naar ’n sigaretje
Naar zoute bollen of ’n peer
En bij z’n vijfde ouwe-katsje
Is-die de stille zwabber weer.”

– De carnavalsvereniging te Oeteldonk (1923):

“Angustora, Catz-elixer,
Pommerans en ouwen Bols
Drinken onze biëzen-pèrdjes,
Want van haver zijn ze krols. “

– En Kees Stip (1943):

“Dieuwertje schonk hem twintig Catsjes
de schipper dronk ze allemaal op
en toen hij er dertig had gedronken
zag hij Dieuwertje op haar kop.”

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


Von Walwitz’ gezicht op Groningen (1639)

Geplaatst op 10 juli 2008 a

Van zoiets maakt mijn hart een luchtsprongetje. Een stadsgezicht van Groningen, in 1639 getekend door een de student Carl Christoff von Walwitz voor een van zijn vrienden in diens Album Amicorum.

Links het Reitdiep met een molen en een zeeschip dat richting Kranepoort koerst. Rechts op gelijke hoogte de A-poort met rechtsonder het doodlopende eind van het Hoendiep. Centraal in beeld het rode dakenlandschap van de stad. Er steken 5 kleine en twee grote blauwe torenspitsen boven uit. Hoog boven alles de Martinitoren, rechts de A-kerk, met de toren in oude gedaante van voor de brand van 1671 en de instorting van 1710. Vooral op de zuidelijke wallen, uiterst rechts, staan er korenmolens, maar ook die bij de A-poort (centraal) en op de Kruisdwinger (uiterst links) heeft Von Walwitz ze getekend.

Gerda Huisman gebruikte al stroken van dit stadsgezicht als banner van het UB-weblog ‘De wereld aan boeken‘. Toen ik eind maart vroeg om het hele plaatje lachte ze wat. Het boekje waaruit het komt, vertelde ze, werd vorig jaar in België geveild, maar de UB had het niet gekocht. Voorlopig zat het er dus niet in. Ik had al overwogen om die stroken aan elkaar te naaien, maar nu blijkt ze het plaatje toch in zijn geheel te hebben geplaatst. Kijk hier maar. En best groot ook.

Bedankt Gerda! 🙂


Leugenlaid

“Dou op de Zoltkamp nog gain zeesluus was
‘darteg, vaierteg joar zowat verleden
Het Grönnegen deur hoog woater voak veul leden,
En stad en land was soms ain groode plas.
Ainmaol – de ollen heugt ’t meschain nog best –
Het ’t in de stad zoo slim hoog woater west,
Dat, dou weer ’t woater noar de zee was dreven
Bakschollen op de doaken achterbleven.

W’hebben lank in stad ’n poalingkoopman had
Dij haar ’n stem as honderddoezend soamen,
As ‘e an ’t Groot Mark zien poaling oet gong kroamen,
Dan was dat heurboar deur de haile stad.
Moar z’ hebben ’t hom verboden, dat gereer,
Het wör te slim, want op ’n guie keer,
Dou ‘e weer ruip mit alle kracht van longen,
Bin an ’t Groot Mark hoast alle roeten sprongen.

“Veur joaren, dou de stad ’n vesting was,
Dou wörren ’s oavens de stadspoorten sloten,
En wel d’r noa tied deur wol, klain of grooten,
Betoalen dan twei stuvers an de kas.
Ain vent op peerd wol d’r overspringen, jong,
Moar wat gebeurt, ’t peerd nemt te groode sprong,
Hai valt ‘r of en ’t peerd, zo stait geschreven,
is op Metini-toren zitten bleven.”

Het leugenlied met deze coupletten stamt uit het begin van de twintigste eeuw, en is nu ongeveer honderd jaar oud. Het komt uit bundeltje De Grönneger Guut en ik trof het vandaag aan in de Groninger Archieven, archief 1502 (losse stukken), inv. nr. 96 – correspondentie van J.A. Bodewes (samensteller rubriek ‘Noorder Rondblik’ in het Nieuwsblad van het Noorden) over rijmpjes en liedjes, ca. 1970.