Ingebakken poezenpoot

Ook wel frappant: een baksteen met ingebakken poezenpootafdruk. Het huis met deze baksteen staat aan de oeroude Stadsweg van Groningen naar Appingedam, nabij Wirdum.


Bommen Berend in 1972

Ene P. Smilda postte vandaag een zootje foto’s van Bommen Berend in 1972 op Flickr. Jammer genoeg gaf hij die slechts gedeeltelijk de adequate tag, zodat ik wel naar zijn overall account moet linken, maar de foto’s, nu dus nog op zijn voorpagina, zijn het waard.

Smilda maakte o.a. opnamen van de onthulling van het beeld van  Rabenhaupt door de toenmalige burgemeester Harm Buiter. Dat beeld staat dan nog voor de statietrap van het oude, inmiddels afgebroken nieuwe stadhuis. Verder het onvermijdelijke peerdespul op de Grote Markt en de touwtrekwedstrijd van de mannelijke bevolking tegen een ouderwetse stoomwals. Op de achtergrond van de festiviteiten is te zien, dat de lokatie-Naberpassage aan de oostzijde van de Grote Markt nog een groot gapend gat is. Zo lang heeft de wederopbouw van die gevelrij dus geduurd.


Muzikale Sledevaart

“Lichte strijkers, pauken en vooral veel belletjes. Deze instrumenten voeren de boventoon in Sleerit, een compositie van Leopold Mozart”, aldus Michel Dijkstra. “In de compositie zitten zoveel mooie melodieën dat je je onwillekeurig afvraagt of Wolfgang zijn vader misschien een handje heeft geholpen.”

Het besprekinkje van Dijkstra, in de kerst-UK, deed me onmiddellijk denken aan een paar advertenties uit de Groninger Courant, die concerten met deze wintersymfonie in het Concerthuis aan de Groningse Poelstraat aankondigden. Op 14 februari 1775 stond de eerste van die aankondigingen in de krant. Kapelmeester Graaf van prins Willem V was de uitvoerder:

“Het Concert zal eindigen met een Winter Symphonie verbeeldende een Musikaalse Leedevaart, wordende geaccompagneert door Sleede Schellen, het andante steld voor de van koude rillende perzoonen en het schudden der paarden…”

Ook in februari 1776, op een moment dat arresleden van Enkhuizen naar Stavoren over de dichtgevroren Zuiderzee trokken, werd het nummer hier nog eens uitgevoerd door kapelmeester Graaf. Kennelijk was het aanschouwelijke en invoelbare stukje muziek een hit in die jaren.

Toen ik die advertenties noteerde, vroeg ik me al af wie de componist was. Ook de geschiedschrijvers van het Concerthuis bleven in 2002 het antwoord op deze vraag schuldig. Maar het was dus Leopold Mozart, “inderdaad: de vader van”, zoals Dijkstra schreef.

Pa Mozart (1719 – 1787) componeerde zijn ‘Musikalische Schlittenfahrt in F’ twintig jaar voor de eerste uitvoering in het Groninger Concerthuis. Op 14 januari 1756 vond de allereerste uitvoering ooit plaats, en wel door het Collegium Musicum van Augsburg, de geboorteplaats van pa Mozart, tevens de woonplaats van diens uitgever Johann Jakob Lotter.

Uiteraard ben ik na het lezen van het UK-besprekinkje meteen naar de platenboer gerend, maar dat bleek meer voeten in de aarde te hebben dan vermoed, want lang niet alle klassieke muziekzaken hadden het schijfje. Maar bij het Carillon bleken ze het in voorraad te hebben, en ik weet nu hoe die symfonie indertijd ongeveer moet hebben geklonken.


Butje, van Groninger komaf

“Wat een sneu budje ben jij”, schreef DoovenJabik gisteren op de DvhN-ste: “Gaat heen en vermenigvuldig je vooral niet”. Door de manier waarop de Dagblad-reaguurder dat butje opschreef, lijkt het wel alsof hij het woord voor een vernederlandsing van het Engelse buddy houdt. Op Myspace zou hij zich er de woede van Butje (20, female) mee op de hals halen. In een discussie bij haar profiel riep zij eens uit: “Het is BuTje met een T – je schrijft toch ook geen kuDje met een D!”

Mensen spellen butje niet consequent met een t, en blijkbaar kennen niet alle jongeren het woord. Maar in tegenstelling tot wat sommige Groningse ouderen menen, is het woord butje allang niet zuiver plaatselijk meer, want een grotere groep jongeren door heel Nederland bekend. Ook in dezelfde betekenis als het woord in de stad Groningen heeft: die van een slome en domme persoon.

Onlang kreeg het jongerengebruik van butje weer een impuls door de rap-pastiche van De Huilende Rappers, een formatie uit Groningen. Hun ‘Butje’ schijnt enigszins een cult-status te hebben verworven. “Vergeet De Jeugd Van Tegenwoordig”, luidt een oordeel op het forum van Fok.: “Hier zijn De Huilende Rappers. Woord. Minstens net zo waus.” Dit jaar zingen alle eerstejaars van de Delftse katholieke studentenvereniging Virgiel het nummer. En er is zelfs al een speedshift van.

Maar butje is zeker al twintig jaar jongerentaal. “Het is gesignaleerd in diverse publikaties over de taal van de jongeren in heel Nederland”, schreef Siemon Reker, nu hoogleraar Gronings, in 1992 al in de NRC. Reker nam het woord op in een grote taalenquête en concludeerde toen: “Butje’ is bij de jongeren bekend, zij het niet als dialectisch woord.” Dat het woord uit het stad-Gronings sluipend overging in jongerentaal verwonderde hem allerminst: “Jongerentaal bestaat voor een groot deel uit ‘negativa’ en een studentenstad als Groningen kan extra makkelijk als exportcentrum juist voor zo’n woord fungeren.” Op een congres van een jaar later zou hij het wat stelliger zeggen: “Mede doordat Groningen een universiteitsstad is vanwaar veel jongeren weer over het land uitzwermen, is butje een landelijk scheldwoord geworden.”

Waar het woord vandaan kwam wist Reker ook. “De achtergrond is heel eenvoudig deze: in 1914 is in Groningen een school voor zwakzinnige leerlingen opgericht, gevestigd aan ’t Klooster, een doodlopend straatje dat uitkomt op de Butjesstraat. Door de ligging ging de naam van de straat in de volksmond gedeeltelijk op in die van de school en als gevolg daar weer van kon de ‘Butjesschoule’ geinterpreteerd worden als “school voor/van butjes”. Uiteraard ging er enige tijd over de inburgering van van de term heen, vandaar dat Reker bij zijn alleroudste respondenten, geboren voor zeg 1920, het woord niet aantrof, terwijl jongere generaties het wel kenden en bezigden.

De stadjers die het woord gebruikten waren zich ook wel bewust van de samenhang tussen butje als scheldwoord en de Bekenkampschool (BLO en LOM) in de Butjesstraat. Jean-Paul Franssens, toen 65, herinnerde zich in een Volkskrant-interview (2003) hoe hij na een jaar van lagere school wisselde:

“Een jaar zat ik op een katholieke jongensschool in de Butjesstraat. Je had daar ook een andere school, voor kinderen die niet goed snik waren, daar zat ik niet op. Toen mijn moeder hoorde dat zij niet in de hemel zou komen, want zij was niet rooms, zei ze: ‘Dan neem ik mijn kinderen meteen van school en mee naar de hel, want ik hou van ze.’ ‘Ik ging met mijn vriend Jan mee naar de protestantse school. Daar trof ik meester Nuyen (…). ‘Zo’, zegt meester Nuyen, ‘waar is die school waar uw jongen vandaan komt?’ ‘In de Butjesstraat’, antwoordt mijn moeder. ‘Maar mevrouw, wij nemen hier geen Butjes aan!’ Als je een Butje was, betekende dat dat je een halvegare was. ‘Nee’, riep ik verschrikt, ‘ik ben geen Butje!’. O, dan was het goed.”

De Butjes heetten naar hun school, zoals de school naar de straat vernoemd werd. Maar waarom heette die straat dan Butjesstraat? Ook daarover had Reker een idee, dat hij ontvouwde op de Tweede Nederlandse Dialectendag in 1993. Volgens hem kwam butje van het laat-middeleeuwse muntje butke of botke (bekend van het botje bij botje leggen). Volgens de Wikipedia echter heeft de naam te maken met een familie Butken, en die stelling vindt steun in een straatnamengids, die hopelijk niet al te lang meer van het web blijf. Over de Butjesstraat zegt die gids:

“Genoemd naar het geslacht Butken (vermeld 1454) dat hoekpand met O. Ebbingestraat bewoonde.”

In Folkert Bakkers’ boek over de bedelorden en begijnen in de stad Groningen (1988) wordt deze familie inderdaad genoemd, zij het als Butkens. Er bleven zelfs meerdere stukken van het geslacht met gemelde woonplaats in de archieven bewaard, zodat ik op dit punt Reker in het ongelijk moet stellen.

Toch aardig dat een uitgestorven middeleeuwse familie nog in jongerentaal voortleeft. Maar of ze er trots op zou zijn?


“I have not seen a place that pleases me better”

Geplaatst op 11 december 2007  a Geplaatst op 11 december 2007  b Geplaatst op 11 december 2007  c

Bron: Joseph MarshallTravels through Holland, Flanders, Germany, Denmark, Sweden, Lapland, Russia, the Ukraine, and Poland in the years 1768, 1769 and 1770, hoofdstuk VII, pagina 188-190. Marshall kwam over Noord-Holland en Friesland naar Groningen toe. Vanuit Winschoten – “but a paltry town, though fortified” – vertrok hij met een gehuurde sjees naar Coevorden, maar onderweg tussen die plaatsen kreeg hij panne op een slechte Drentse zandweg en maakte zo kennis met een “very intelligent farmer” die hem een het ander leerde over de Drentse landbouw (pag. 195 e.v.).


Burgerhart

Over de Groninger volksverlichter, tijdschriftenredacteur, kinderboekenschrijver en courantier Mattheus van Heyningen Bosch (1773-1821)

Geplaatst op 2 december 2007  burgerhart

Als hij in de verre toekomst had kunnen kijken, zou Mattheus van Heyningen Bosch met genoegen hebben gezien dat allerlei dreigementen, die in zijn tijd nog volop met Sinterklaas gepaard gingen, in onze tijd zwaar uit de mode geraakt zijn. In het allereerste nummers van het ‘Weekblad voor den zogenaamden gemeenen man‘ verzette hij zich immers tegen het bang maken van kinderen met de voorganger van Zwarte Piet, de “booze happert”, de kinderdief en de oude jood. Volgens Van Heyningen Bosch zorgde de “wreedaardige gewoonte” om verkleed of vermomd de spot te drijven met kleine kinderen voor levenslange trauma’s. Zelf herinnerde hij zich nog levendig hoe het toenmalige equivalent van onze Zwarte Piet stampend en briesend de houten trap van zijn oma’s woonkelder afdaalde: “Nog heden ril ik er van”.

Deze Mattheus van Heyningen Bosch werd in 1773 in de Groninger Herestraat geboren als zoon van de drukker en uitgever Mattheus Bosch en de boekverkopersdochter Catharina Gezina Bolt. Op zijn zesde was hij al vermogender dan zijn ouders, want van een ongehuwd gestorven familielid in Amsterdam, Elisabeth van Heyningen, erfde hij, naast zijn tweede achternaam, bijna 30.000 gulden. Dit kapitaal werd belegd door twee voogden, zijn ooms, en alleen al de gangbare rente bracht de kleine Mattheus een jaarinkomen op, waar menige predikant van die dagen jaloers op kon zijn. Ook de rente werd uiteraard weer belegd. Een enkele keer ging het mis met een belegging, toch moet er ruimschoots voldoende zijn overgebleven om te garanderen dat Mattheus, eenmaal volwassen, rentenierend door het leven kon.

Op zijn twaalfde, als leerling van de Latijnse school, paradeerde hij in officiersuniform mee met Concordia, het patriotse exercitiegenootschap voor jongelingen van tien tot achttien jaar. Op zijn zeventiende schreef hij zich in als rechtenstudent aan de Groninger Academie. Omdat zijn moeder na de dood van zijn vader hertrouwde, kreeg hij op zijn twintigste ook nog eens ruim 1700 gulden als erfportie van zijn vader in het vooruitzicht gesteld. Maar wellicht mede dankzij zijn financiële onafhankelijkheid liet hij zich een jaar later sterk afleiden door de Bataafse revolutie. Zijn studie voltooide hij dan ook nooit.

Net als de meeste Groninger burgers was hij overtuigd patriot. Toen in februari 1795 de Vrijheidsboom op de Grote Markt kwam te staan, zongen de Groninger meisjes teksten van zijn hand. Een volkslied dichtte hij op de wijs van de Carmagnole, een befaamd Frans revolutionair strijdlied. Mattheus van Heyningen Bosch onderscheidde zich verder door activiteiten voor het Nut, adresbewegingen voor volkswapening en revolutionaire rechtspraak, en de sociëteit ‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap’, die in herberg de Korenbeurs aan de Vismarkt vergaderde. Bovendien was hij redactielid van de Onverwachte Courier, een veelgelezen radicaal-democratisch weekblad dat zijn oom Leonard Bolt uitgaf en dat zich tot de brede middenstand richtte.

Vanwege dat redacteurschap belandde Mattheus eens in de cel. Het gematigd-patriotse stadsbestuur ergerde zich in november 1795 flink aan een stukje in de Onverwachte Courier, dat pittige kritiek leverde op haar milde behandeling van openlijke oranjeklanten. Zo was de bestraffing van een snikkevaarder die in de patriotse herberg De Unie ‘Oranje Boven’ riep, veel te slap geweest volgens de schrijver van het stukje. Noch de drukker, noch de redacteuren wilden de naam van die schrijver prijsgeven en daarom nam het stadsbestuur alle vier in hechtenis. Pas vanuit Duitsland, waar hij een goed heenkomen had gezocht, zou de auteur zich melden. Het ging om een schoolmeester, die nog flink spijt zou krijgen van zijn politieke schrijverij.

Intussen was er na het vastzetten van Van Heyningen Bosch en de andere redacteuren van de Onverwachte Courier een heuse oploop van zo’n 150 demonstranten geweest voor het stadhuis. Het stadsbestuur liet dat ’s nachts zelfs nog even beschermen door gewapende burgers, die met scherp mochten schieten. Omdat de Academische Senaat als rechtbank over studenten hem opeiste en weer losliet, was van Heyningen Bosch de eerste redacteur die weer op vrije voeten kwam. Hij zat negen dagen vast.

Begin april 1796 staakte Van Heyningen Bosch zijn redactionele werkzaamheden voor de Onverwachte Courier, omdat hij verkozen was tot Gecommiteerde Representant van Stad en Lande, een functie vergelijkbaar met die van de huidige Gedeputeerde. Wel bleef hij met het radicale blad sympathiseren, want de bijdragen die hij nog ontving, gaf hij nog wel een jaar lang loyaal door. Zijn verkiezing in het dagelijks bestuur van onze provincie was trouwens bijna onmogelijk gemaakt door het stadsbestuur. Voor die functie moest een kandidaat 25 of meerderjarig zijn. Dat was Mattheus niet en het stadsbestuur weigerde hem aanvankelijk meerderjarig te verklaren.

Na zijn verkiezing in het provinciebestuur trouwde Mattheus van Heyningen Bosch met Margaretha Lucretia Willinge, de dochter van de schulte van Peize (een schulte was een burgemeester en notaris ineen). Dat huwelijk vond begin mei 1796 plaats en het jonge paar betrok een huis aan het Schuitendiep, waar Margaretha begin december 1796 reeds van een dochter beviel. Opvallend is, dat Mattheus vanaf dat moment stelselmatig afwezig bleef bij de vergaderingen van de het provinciebestuur, en sindsdien ook nooit meer een officiële politieke functie bekleedde. Voor een benoeming tot Stadssecretaris, najaar 1796, had hij bedankt. Wel deed hij nog allerlei dingen voor zijn sociëteit. Deze fuseerde met een andere sociëteit in De Korenbeurs, zodat hij onder andere de dubbele courantenboeken kon laten veilen. Maar verder zijn er geen partijpolitieke en bestuurlijke activiteiten meer van hem bekend.

Dat hij afscheid nam van de directe politiek, hing ongetwijfeld ook samen met zijn redacteurschap van het Weekblad voor den zogenaamden gemeenen man. Het eerste nummer van dat blad verscheen vlak na de geboorte van zijn dochter. Het was een Nuts-uitgave, die jaren later ook duidelijker als zodanig vervolgd zou worden. Met de ‘gemeene man’ in de titel werd de gewone man bedoeld. Maar omdat dat ‘gemeene man’ ook toen al een beetje negatief klonk, plakte de redacteur en samensteller er het woordje ‘zogenaamde’ voor, om afstand te nemen van de minachting, waarmee de meer gegoeden dagloners en handarbeiders bejegenden. Zelfs voor schoorsteenvegers, veemeiden, en schoenpoetsers moest men respect hebben, vond de redacteur. Wiens opvatting in de standenmaatschappij van toen tamelijk ongewoon moet zijn geweest, ook voor mede-democraten.

Net als de Onverwachte Courier was het Weekblad een democratisch tijdschrift, zij het niet in partijpolitieke als wel in volksopvoedende zin. Het doel van het Weekblad was “menschen te leeren; ’t verstand te beschaaven…”. Dat deed het door behandeling van allerlei onderwerpen op onder meer godsdienstig, pedagogisch, geneeskundig, en landbouwkundig terrein. Theoretische verhandelingen echter, werden uit het blad geweerd.

Misschien dat de redacteur daarom aanvankelijk ook teleurstellend weinig kopij ontving. Naderhand verbeterde dit, en kreeg hij medewerking van bekwame popularisatoren als Wester (schoolmeester en schoolopziener), Westendorp (predikant en oudheidkundige), en Uilkens (predikant en landbouwkundige). Mede dankzij zulke medewerkers groeide de oplage van het blad als kool, al zal ook de “zeer geringe” prijs daar het nodige toe bijgedragen hebben. In april 1797 bestond die oplage uit 400 exemplaren, terwijl ze nauwelijks een jaar later al op 1200 lag, een aantal waarover menige courantier zich zou verkneukelen. Circa 300 van die exemplaren gingen in Amsterdam over de toonbank. Maar in andere westelijke steden was de afzet beduidend lager, en de grootste helft van de oplage zal wel in de eigen provincie verkocht zijn. Hier lag het Weekblad niet alleen in de stad, maar ook in plaatsen als Appingedam, Veendam en Winschoten te koop.

Uiteraard schreef Van Heyningen Bosch ook zelf stukken voor dit blad, waarbij hij nogal eens het pseudoniem Burgerhart gebruikte. Van zijn hand zijn er gedichten, raadsels, sagen, reisbeschrijvingen en historische, taalkundige, en pedagogische vertogen. Ik heb boven al verteld hoe hij zich verzette tegen allerlei bangmakerijen van kinderen. Interessant hierbij is vooral zijn opvatting van de kinderziel als “een schoon vel papier”. Hetgeen verwijst naar de radicale Franse verlichtingsfilosoof Rousseau, maar volstrekt niet meer calvinistisch genoemd kan worden. Want echte gereformeerden geloofden nu juist niet in een onbedorven kinderziel.

Eind april 1798 kreeg Van Heyningen Bosch een tweede dochter, die na ruim een week ongedoopt stierf. Een half jaar later overleed ook zijn vrouw, op 24-jarige leeftijd. Meerdere leningen wijzen erop dat het echtpaar de tering niet naar de nering had gezet, en als weduwnaar kreeg Mattheus meteen een hypotheek van 2000 gulden opgezegd. Met zijn dochter verliet hij het huis aan het Schuitendiep, dat hij per mei 1799 verhuurde.

Waar hij zelf met zijn dochter ging wonen is onbekend. Waarschijnlijk trokken ze in bij zijn vrijgezelle oom Leonard Bolt, de drukker en uitgever van de Ommelander Courant. In februari 1801 bezwangerde Mattheus namelijk Johanna, de dochter van de praeceptor (leraar) der Latijnse school Riedel. Deze Naatje (haar koosnaam), mogelijk een jeugdliefde, ontvluchtte een half jaar later haar vaders huis, en haar vader kwam toen bij Bolt aan de deur “om te vernemen of zyne dochter noch aldaar was”. Oom Bolt hield hem tegen, en dat leidde weer tot een handgemeen, waarover beiden klaagden bij het stadsbestuur. De aanklachten bleven echter zonder juridische gevolgen, want weldra maakten Mattheus en Naatje hun voornemen bekend om te trouwen, een huwelijk dat vanwege Naatjes toestand op 18 oktober 1801 “in huis” voltrokken werd. Enkele weken later al kwam hun dochter ter wereld. Ze werd Margaretha Lucretia gedoopt, naar Mattheus’ eerste vrouw.

Natuurlijk gingen er praatjes in de stad rond over het ‘moetje’. Mattheus’ peperdure hof aan de Kruithuislaan moest het ontgelden en het paar achtte het raadzaam om uit de stad te verhuizen. In mei 1802 vestigde het zich met de twee dochters op het buitentje Zandvoort in Paterswolde, dat Mattheus kocht van het geld dat zijn stedelijke vastgoed opbracht. In november 1802 kwam hier een zoon, Philip Willem, ter wereld. Omdat Zandvoort zo wat te klein werd, verkaste het gezin in mei 1803 andermaal, nu naar huize Hemmen, even voorbij Helpman aan de westkant van de Hereweg, waar in maart 1804 de jongste dochter geboren werd. Opmerkelijk is, dat Mattheus en vrouw deze dochter Leonarda Bolt van Heyningen Bosch noemden, ongetwijfeld naar Mattheus’ ziekelijke oom Leonard, in wiens Ommelander courantendrukkerij Mattheus waarschijnlijk reeds als redacteur werkte.

Die betrekking vormde waarschijnlijk ook de reden, om huize Hemmen weer van de hand te doen, en Vredelust te kopen. In mei 1805 betrokken Mattheus en zijn gezin dit buitenplaatsje aan de westkant van het Winschoterdiep met zijn grote buitenhuis, zijn twee grote tuinen, zijn fruitbomen, zijn vijver, en zijn hoge zomerhuis aan de Meeuwerderdijk.

Intussen had Mattheus de jaren in Paterswolde en Haren goed besteed. Zo begon hij een kortlopend nieuw weekblad, de Winterpost, vertaalde hij een of meerdere Duitse romans, en publiceerde hij lofdichten op de Vrede van Amiens en de weer ingevoerde voorjaarsbiddag, waarin hij opriep tot een nationale verzoening tussen patriotten en prinsgezinden. Maar veruit zijn belangrijkste werk in deze tijd bestond uit een serie van in moeilijkheidsgraad opklimmende leesboekjes voor jonge kinderen. Deze bevatten versjes, liedjes en raadseltjes, die ouders voor konden lezen, maar ook als eerste leesoefeningen konden dienen. De schrijver hanteerde daarbij een kinderlijk perspectief en drukte zich voor die dagen heel begrijpelijk uit. De opvoeding van zijn eigen kroost gaf hem inspiratie. Met deze kinder- en schoolboekjes begon hij in Haren, want de eerste, ‘De kleine Kindervriend’, kwam uit in juli 1804. Maar de twee volgende deeltjes in deze reeks, ‘Vader Jacob’ en ‘Moeder Anna’, lagen vanaf het voor- en het najaar van 1806 in de boekwinkels, en die moeten dus op Vredelust geschreven zijn.

In ‘Vader Jacob’ waarschuwde de schrijver zijn lezertjes onder andere tegen een gevaarlijk spelletje. Bij het neerlaten van een klapbrug liepen kinderen nogal eens op tegen het dalende brugdek, waarbij ze soms vielen en vermorzeld raakten. Ook op de Bonte Brug, vlakbij Vredelust, gebeurden hier ongelukken mee. Belangwekkender nog echter, was een oudere les van Mattheus’ tegen discriminatie:

“Wij moeten alle menschen liefhebben en goed doen, zoo veel wij kunnen”, zei Jantjes moeder dikwijls tegen hem.
“Den ouden leelijken Jood die hier naast woont ook lieve moeder?”, vroeg Jantje eens.
“O ja!”, hernam zijne moeder, “den ouden leelijken Jood die hier naast woont ook.”

En omdat Jantje daarom altijd aardig tegen buurman is, haalt die Jantje uit het diep, als Jantje daar eens in sodemietert. Want wie goed doet, goed ontmoet, was de moraal.

Weldra zouden deze boekjes van Mattheus van Heyningen Bosch immens populair zijn. In de negentiende eeuw kregen ze tientallen herdrukken, en ze werden nog wel een halve eeuw wijd en zijd in het onderwijs gebruikt. Ja, zelfs in de twintigste eeuw gebeurde dat nog. Ook werden ze voor de Duitse markt vertaald.

Naast kinderboeken-auteur bleef Mattheus van Heyningen Bosch schrijvend redacteur van het Maandschrift tot Nut van ’t Algemeen, de opvolger van het Weekblad voor den zogenaamden gemeenen man. In die rol produceerde hij in het voorjaar dat hij en de zijnen Vredelust betrokken een ‘Liedje om te zingen als de appelboomen bloeijen’. Het refrein en een couplet gingen zo:

Komt, Meisjes en Knapen!
Steekt bloemen in ’t haar,
De aanminnige Lente,
De Meimaand is daar!

Ziet, de appelboom bloeit al!
Wat heerlijk gezigt!…
Half zilver, half purper,
Hier donker, daar licht!
De wolklooze hemel,
Zoo zonnig, zoo blauw!
Dat groenen en bloeijen
Van heel de Landouw!
Dat zingen, dat juichen
Van menschen en vee!
En hemel en aarde
Vol blijdschap en vree”

Toen er die zomer achter Vredelust in de Meeuwerd gehooid werd, en het er krioelde van de insecten, schreef hij een wat kreupel eindigend vers, ‘Waarom men geen dieren plagen moet’:

“Doe nooit een Diertje uit moedwil leed
Hoe klein, ’t wil graag genoeglyk leven,
De Spin, het Vliegje, of hoe ’t ook heet,
Niet één is ons vergeefs gegeven.
Zij voelen vreugde en smart als wij,
En doen veelligt meer nut, dan gij.”

En in augustus waarschuwde hij de kinderen alvast voor appelgapperij, door een ‘Kreupele Joris’ op te voeren die ooit beide zijn benen bij dat vergrijp brak:

“Hinkepink, daar kom ik aan!
Ach, hoe moeilijk valt mij ’t gaan!
Doch wat zeg ik?
Raakte ik niet
Door mij zelven
In ’t verdriet?
Ja, o ja, mijn guitestukjes
Doen mij hinken op twee krukjes”

Zit hier ook een onsympathiek inwrijven in, Van Heyningen Bosch bleef in de praktijk begaan met de gewone man die het minder goed getroffen had. Bij de verhuizing naar Vredelust assisteerde namelijk ene Pieter Pot (44) uit Paterswolde, die nog bijna twee maanden als metselaar meewerkte aan de verbouwing van het buitenhuis. Zolang die klus duurde, logeerde Pot in een herberg te Helpman, maar in de vroege ochtend van 26 juni 1805 wachtte de schout hem bij Vredelust op, en nam hem in hechtenis. Want in 1791 was Pot levenslang uit
de provincie verbannen, wegens “praeparatoire vuiligheden tot het pleegen van sodomie”, zeg maar homosexuele toenaderingspogingen – onder andere jegens een mede-arbeider die hem de trap afsmeet – en nu stond hem vanwege het “vilipenderen” van justitie herbevestiging van dat vonnis te wachten, met een geseling op de koop toe. Mattheus van Heyningen Bosch ontkende dat hij van Pots’ verbanning afwist, maar dat is nogal ongeloofwaardig, omdat Pot ’s nachts de stad niet indurfde. Ook werd Pot voor het eerst veroordeeld, toen Van Heyningen Bosch net rechten studeerde en was Pot de buurman van Van Heyningen Bosch geweest, toen die nog op Zandvoort in Paterswolde woonde. En al ging de metselaar in Potterwol dan door het leven als getrouwd man, ook daar zal de mare heus wel rondgegaan zijn. Met zulke antecedenten als van Pot kwam je moeilijk aan werk. Dat Van Heyningen Bosch hem willens en wetens in dienst nam, en tegen een gangbaar loon ook nog, tekent dan ook zijn inborst.

Bovendien was een dienstmeid vanuit Haren naar Vredelust meeverhuisd, die evenmin over goeie papieren beschikte. Deze Anna Maria Knuijs kwam uit het Duitse Lippe, maar wist haar exacte geboorteplaats niet en en had sinds haar zesde jaar rondgezworven. Daardoor kon ze bepaalde stukken niet tonen, die ze in 1806 nodig had voor haar huwelijk. Veel werkgevers waren erg huiverig voor het in dienst nemen van zulke mensen, maar Mattheus van Heyningen Bosch en zijn vrouw keken daar kennelijk toch wat anders tegenaan.

Het genereuze echtpaar zette niet de tering naar de nering. In maart 1806 eiste baron Van Imhoff gerechtelijk de helft van de koopsom voor Vredelust op, die hij in mei 1805 al had moeten ontvangen. Mattheus’ moeder sprong in de bres, door de gehele koopsom van 5900 gulden te betalen. Formeel werd zij nu eigenaar van Vredelust. Haar schoonzuster, de weduwe Bolt, schoot het bedrag voor en vestigde dus een hypotheek op het buitenhuis.

Van Heyningen Bosch en zijn vrouw zouden nog jaren sporen van schulden nalaten. Alleen al in 1806 werden ze aangesproken op een wisselbrief, waarvoor ze 500 gulden leenden, en begon er een langdurig proces dat boekhandelaar Eekhoff Mattheus aandeed vanwege een onbetaalde rekening. En zo negatief bleef het financiële plaatje voorlopig.

Zo leende Mattheus in 1810 zelfs ruim 2200 gulden van zijn oom, de boekhandelaar en drukker Jan Hindrik Bolt, welk geld Mattheus nodig had “voor de voortzetting van zijn affaire”. Die zaak was inmiddels de Ommelander Courantendrukkerij. Mattheus van Heyningen Bosch nam haar over, toen hij nog op Vredelust woonde. Waarschijnlijk was Mattheus al wat langer redacteur van de Ommelander Courant, in dienst van zijn andere, ziekelijke oom, de uitgever en drukker Leonard Bolt, naar wie hij zijn jongste dochter in 1804 vernoemde. Vermoedelijk werd Mattheus in april 1806 firmant en beoogd opvolger van zijn oom, want dan verschijnt opeens het impressum “Onder de firma Leonard Bolt” onderaan de eindpagina van de Ommelander Courant. Maar geheel en al zeker is dat alles niet en Mattheus opvolging had wel de nodige voeten in de aarde.

Eerst maar even wat meer over die Ommelander Courant. In 1787 was deze opgezet door de orangistische heren van de Ommelanden, omdat zij de voorlichting van de patriotse stad-Groninger Courant verafschuwden. Met hun nieuwe titel doorbraken zij moedwillig het krantenmonopolie dat de stad aan de Groninger Courant had gegeven. Een monopolie waarvoor haar uitgever Hoitsema de stad maar liefst 1800 gulden per jaar betaalde. Daarentegen hoefde de uitgever van de concurrerende Ommelander, Leonard Bolt, niets af te dragen aan de Ommelander heren. Integendeel, om hun krant te steunen gaven zij hem 300 gulden per jaar subsidie.

“Over concurrentievervalsing gesproken”, schreef Bart Tammeling hierover in zijn boek De krant bekeken. Anderzijds zeggen deze financiële verhoudingen veel over de aanvankelijke zwakte van de Ommelander tegenover de nog dominante Groninger Courant. In 1795 schafte het nieuwe Ommelander bestuur de subsidie af. Dat jaar ontpopte Leonard Bolt zich plotseling als een radicale patriot, die naast zijn krant de Onverwachte Courier ging uitgeven, waaraan zijn neef Mattheus dus als redacteur meewerkte. Vanaf eind 1800 werd de Ommelander door Leonard Bolt uitgegeven vanuit het zogenaamde ‘Zerkenhuis’, middenin de Oude Ebbingestraat, later het adres van haar opvolger, de Provinciale Groninger Courant. Met de drukker en uitgever van de Groninger Courant, Hoitsema, leek er inmiddels een goede relatie te bestaan. Leonard Bolt noemde zijn collega tenminste eens “mijnen broeder” en ook kwam hij bij Hoitsema nogal in het krijt te staan.

Maar in 1805 dwong het stadsbestuur Hoitsema om voortaan 3000 gulden per jaar te betalen voor zijn recht op uitgave van de stadskrant. Hoitsema moest geld lenen om dat bedrag te kunnen betalen, terwijl Leonard Bolt nog steeds niets voor de Ommelander afdroeg, en dat zette kwaad bloed. Helemaal toen Leonards broer, Jan Hindrik Bolt, Hoitsema in het voorjaar van 1806 publiekelijk betichtte van “onderkruiping” bij het aannemen van overheidsdrukwerk en hem wees op wat “lompe drukfouten” in enkele overheidspublicaties in de Groninger Courant. Jan Hindrik Bolt noemde de Ommelander, “die in netheid van uitvoering toch niet voor de Groninger hoeft te wyken”, daarbij “een onontbeeryke Contra-rolleur” voor de krant van Hoitsema.

Kennelijk was de Groninger nog wel de grootste titel, al kon ze zo’n luis in de pels best gebruiken, althans volgens Jan Hindrik Bolt. Heel merkwaardig bij dit conflict was, dat diens uitlatingen nota bene in Hoitsema’s eigen krant stonden. Leonard Bolt wilde ze niet in de Ommelander plaatsen omdat de zaak hem niet aanging en hij geen olie op het vuur wilde gooien. Ook verklaarde hij fijntjes “dat hy de Ommelander te goed achtede, om dezelve tot eene Cronique Scandaleuse te vernederen”.

In elk geval waren Hoitsema’s messen geslepen, toen Leonard Bolt op 29 november 1806 “na ene langdurige Zukkeling” ongehuwd en kinderloos overleed. In zijn overlijdensadvertentie stond dat de firma “tot welke de Overledene mede heeft behoort” bleef doorgaan met het uitgeven van de Ommelander Courant, wat alleen maar kon betekenen dat redacteur Van Heyningen Bosch intussen mede-firmant geworden was. Hoewel er voor diens deelgenootschap bewijzen en rechtsgronden ontbraken, en de provinciale autoriteiten daar ook wel degelijk hun wenkbrauwen over fronsten, willigden zij op 10 december toch diens verzoek in, om de uitgave van de Ommelander Courant tot nader orde voort te mogen zetten. Op 12 december 1806 verscheen zijn naam dus als uitgever in het impressum van de krant, en omdat hij die tijdelijk in de zaak van zijn oom Jan Hindrik Bolt aan de Brede Markt zou laten drukken, zette hij ten behoeve van de adverteerders een adreswijziging en een intentieverklaring in de Ommelander van 16 december 1806:

“De Ondergeteekende, wegens het afsterven van den vorigen Uitgever, den Boekdrukker L. BOLT, provisioneel geauthoriseerd zynde tot het drukken en uitgeven van de OMMELANDER COURANT, beveelt zich, als zoodanig, in de voortdurende gunst van het geacht publiek; zullende hy trachten deze zyne taak, met de meeste orde en naauwkeurigheid, te volbrengen.”

Intussen kwam Hoitsema in het geweer. Bij het provinciebestuur leverde hij een rekest in, waarin hij memoreerde dat hij de stad dik betaalde. Hij noemde het voortbestaan van de Ommelander “ten uitersten nadeelig” voor de ingezetenen van Stad en Lande, daar ze in twee kranten moesten adverteren, wilden ze ruchtbaarheid aan iets geven. Volgens Hoitsema was de Ommelander Courant “overtollig” en “nadelig” en daarom wilde hij opheffing van deze krant.

Maar de provinciale bestuurders schoven de behandeling van dit rekest voor zich uit en daarom stond Hoitsema de dag voor oudjaar 1806 nog eens bij hun op de stoep. Ook in oktober 1807, maart 1808 en december 1808 ondern am hij pogingen om van de Ommelander af te komen, of anders Van Heyningen Bosch eveneens een flink bedrag te laten betalen, zodat er sprake zou zijn van gelijke monniken, gellijke kappen. Al deze pogingen waren echter tevergeefs. In 1809 of 1810 wist Van Heyningen Bosch het provinciebestuur van zijn gelijk te overtuigen en daarmee was de kous af.

Aan zijn collega Hoitsema lag het dus niet, dat Mattheus van Heyningen Bosch de Ommelander kon blijven uitgeven. Op 1 januari 1808 voelde Mattheus zich al zo zeker van zijn zaak, dat hij zich als vaste uitgever beschouwde, en het woordje “provisonele” uit het impressum van zijn krant verwijderde. In mei 1807 waren hij en zijn gezin van Vredelust naar het Zerkenhuis in de Oude Ebbingestraat verhuisd, in welk huurpand van wijlen zijn oom Leonard de Ommelander en haar opvolgers ook tot in lengte van dagen zouden worden gedrukt en uitgegeven.

Maar Van Heyningen Bosch kreeg de zaak niet bepaald cadeau. Zijn oom Leonard stierf dermate beladen met schulden, dat de familie diens erfenis wel moest verwerpen. Hetgeen betekende dat Mattheus op de boeldagen die de schuldeisers organiseerden, allerlei spullen moest terugkopen, zoals drukpersen, papier, en ingebonden jaargangen van kranten die als nieuwsbron en naslagwerk dienden, zoals de Staatscourant en de Dordrechtse, Haarlemmer, Amsterdammer en Delftse Courant.

Wellicht lag het aan die investeringen, dat Mattheus in zijn eerste jaren als uitgever van de Ommelander nogal wat schulden maakte. De krant bracht hem aanvankelijk te weinig op, zodat hij naast de drukkerij nog een leesbibliotheek in het Zerkenhuis moest inrichten, waar het publiek tegen betaling de nieuwste Nederlandse, Franse en Duitse tijdschriften kon lezen. Deels waren die algemeen van aard, maar Mattheus verloochende zijn aard niet en adverteerde ook met opvoedkundige periodieken als de Neue Bibliothek fur Pädagogik und Schulwesen. Daarnaast had hij het damesblad Elegantia en het Magazijn van Tuinsieraden in de aanbieding.

Als er geen krant ter perse lag, benutte hij die voor bijwerk, zoals formulieren, naamlijsten van ‘conscrits’ of dienstplichtigen en zakboekjes voor handwerkslieden. Anno 1809, tijdens de Engelse inval op Walcheren, gold zijn krant in elk geval als zeer gezagsgetrouw, want hij hield zich stipt aan een directief van koning Lodewijk-Napoleon, om geen nieuws in de kranten op te nemen dat niet eerder in de Koninklijke Courant had gestaan. Hollandse en Friese kranten hielden zich veel minder aan die oekaze, vandaar dat de Ommelander nogal wat lezers verloor. Mattheus kreeg echter nul op zijn rekest, om zich net als deze concurrenten te mogen gedragen.

In 1811 betaalde Hoitsema nog steeds 3000 gulden per jaar aan de stad, die hij kon betalen dankzij “het groter debiet en het groter getal advertentiën” van de Groninger Courant. Maar dat jaar hief de Franse overheid zowel de Ommelander als de Groninger Courant op, om er enerzijds een Departementale Courant voor het (overheids-)nieuws, en anderzijds een puur Advertentieblad voor in de plaats te zetten. Aanvankelijk mocht Mattheus van Heyningen Bosch beide titels uitgeven, een grote schok voor Hoitsema, die de onteigening niet overleefde. Diens weduwe zocht het hogerop, en kreeg gedaan, dat zij het Advertentieblad, eigenlijk de vetste kluif, weer mocht uitgeven. Onder druk van de regionale overheid sprak zij echter met Van Heyningen Bosch af, dat ze met z’n beiden beide kranten voor een gezamenlijke rekening zouden gaan uitgeven.

Na de omwenteling van eind 1813, door de oud-patriot Van Heyningen Bosch in een juichend gedicht begroet, hield dit afgedwongen compagnonschap stand. Wel kwamen de Ommelander en de stadskrant terug als de Provinciale Groninger en de Groninger Courant, die elk weer nieuws èn advertenties bevatten. Toch draaide de Provinciale vermoedelijk beter, zegt Tammeling. Inderdaad verkocht deze krant anno 1830 meer exemplaren dan de Groninger, want terwijl de voormalige Ommelander toen al jaren een oplage van 931 à  1061 kende, zat de stadskrant op een oplage van 860 à  875 exemplaren.

Begin 1813, bij de invoering van het ‘timbre’, een belasting die de abonnementen meer dan dubbel zo duur maakte, lag waarschijnlijk het omslagpunt. Van Heyningen Bosch verloor toen 500, 600 abonnees, en de weduwe Hoitsema maar liefst 1000. Ervan uitgaande dat de oplagen voor dat oorlogsjaar eerder groter dan kleiner waren – immers “De boer leest graag van oorelogen, van duren tijd en hongersnood” – laten zich ook de minimum-oplagen van beide kranten voor 1812 becijferen. De Departementale Courant van Van Heyningen Bosch verkocht toen ongeveer 1500 exemplaren, terwijl er bij de weduwe Hoitsema ongeveer 1850 exemplaren van het Advertentieblad de deur uitgingen.

Door alle politieke crises en titelwijzigingen heen maakte Van Heyningen Bosch van zijn krant dus de grootste, al maakte dat door het compagnonschap voor zijn financiële verdiensten niets uit. Op 27 december 1821 zou hij, nog maar 48 jaar oud, overlijden aan de gevolgen van een beroerte. De Groninger Courant eerde hem als “een man van veel smaak voor kunst en letteren, een bevallig en oorspronkelyk dichter, en bovenal verdienstelyk als naïf en leerzaam schryver van onderscheidene kinderboekjes”.

Twee jaar na zijn dood verscheen er nog een bundel met zijn nagelaten gedichten. De Palatijnse bergen en de Tiberstroon lagen bij Mattheus van Heyningen Bosch duidelijk wat meer in de gunst dan de Groenenberg en het Winschoterdiep. Al is er wel iets wat aan een buitenhuis als Zandvoort, Hemmen of Vredelust herinnert, een gedicht over de morgenstond op het land:

“Ontwaak, mijn kind! De dag breekt aan
Reeds lacht hij door de lindeblaan
die om ons venster zweven
O zie den weerschijn op den muur!
Die mengeling van licht en vuur!
Dat groen met goud doorweven!

“Maar – hoor ik daar den leeuw’rik niet?…
’t Hoef, hoef des wachthonds in ’t verschiet
Dringt mij rondom in de ooren
Hoor! hoor! .. de nachtegaal heft aan!
’t is of de bloemen opengaan,
Waar deze zich laat hooren”


Drie Groninger bedrijfs- en reclamefilmpjes (1938-1941)

Beeld en Geluid heeft gister negen oude bedrijfs- en reclamefilms op het web gezet, waarvan er zeker drie uit de provincie Groningen komen. De aardigste vond ik die uit 1941 van een matrassenfabriek in Winschoten, waarschijnlijk RAWI (Rademaker Winschoten). Kennelijk ging het ondanks de oorlog goed met deze fabriek, want er is nieuwbouw, en werkte ze ook voor de Wehrmacht, want er er zijn hoge Duitse pieten op bezoek. Alle arbeiders en naaisters krijgen snoeperij. Getuige het omstandige handenwassen waren de matrassen hygiënisch erg verantwoord:

Curieus is ook Rol ze zelf (1940), reclame voor de Zilver Shag van Gruno’s Tabaksfabriek aan de Winschoterkade in Groningen-stad. Halverwege begint het geluidspoor te werken bij een scène van een matroos en een visser, en op 1 minuut 35 vanaf het begin zijn er zelfs nog wat enthousiast smokende negerkindertjes te zien. (NB: Beeld & Geluid heeft dit filmpje weggehaald, waarschijnlijk vanwege de tabaksreclame. HP, 20 mei 2013.)

Tot slot nog een filmpje uit 1938 van de Auto Onderlinge Groningen, een WA en All-Risk verzekeringsmaatschappij (later AGO geheten) die gevestigd was in het Huis met de Dertien Tempels aan de Oude Boteringestraat: “Gij zijt een goed chauffeur!”, aldus dit nogal lang uitgesponnen spotje. “Uw remmen werken perfect. Maar één oogenblik van onbedachtzaamheid…”


Spullen uit het Damsterdiep(verlaat)

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

De vitrine in de hal van RO bevat vooral dingetjes die uit de eerst vijf, zes kuub slib van het Damsterdiepverlaat gezeefd zijn: het handvatje van een mes, knikkers, veel aardewerkscherven, flesjes en pijpekopjes en -stelen. Het emaille reclamebord van Bols  met de bekende slagzin Elken dag een glaasje en de schaats met het eikeltje op de punt komen uit het later gedempte Damsterdiep.

De Groninger Archieven heeft sinds vandaag een sub-website, die gewijd is aan opgravingen, waarvan die op het Damsterdiep de eerste is.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


Het Poortershuisje (II)

Beno’s Stad, het historische programma op de Groninger stadszender OOG TV, gaat vandaag over het Poortershuisje. Opmerkelijk: bij de sloop in 1947 moest het sloopmateriaal bewaard blijven voor restauratiedoeleinden. De vraag is of dat wel gebeurd is.

Zoals gezegd maakten de Groningers er in hun herinnering een legendarisch monument van. Menige stadjer had en heeft een plaatje van het Poortershuisje aan de muur hangen. Aan het eind van zijn programma doet Beno een oproep aan de stadjers, om al hun schilderijen, tekeningen en foto’s van het pandje morgen naar de dienst Ruimtelijke Ordening aan het Zuiderdiep te brengen. Daar wordt in de hal een tentoonstelling met de ingebrachte spullen ingericht. Het verzoek aan de stadjers is, of ze hun memorabilia een week of wat willen uitlenen aan RO.

Als het goed is hangt er in dezelfde hal van RO al een vitrine met aardewerk, (vooral negentiende eeuwse) munten en een hele collectie bootshaken die de archeologen uit het Damsterdiepverlaat tevoorschijn haalden. Aardige bijkomstigheid: ze constateerden dat het slib van de in 1883 gedempte sluis aanzienlijk schoner was dan het slib uit het binnenstedelijke stuk Damsterdiep, dat in 1953 dichtging. Aan de hand van die twee soorten slib zou je kunnen constateren dat we tussen 1883 en 1953 een aanzienlijk viezer volkje zijn geworden.

Bij het uitzagen van een representatief stuk muur uit het Damsterdiepverlaat (van 2 meter hoog bij 1,5 meter breed bij 0,8 meter dik) is men op een flinke zwerfkei gestuit. Die is ‘gewoon’ meegezaagd. Het stuk muur ligt nu bij Openbare Werken aan de Gotenburgweg. De vloerbalken uit de sluis worden eveneens verzaagd, maar dan voor jaarringen-onderzoek. De uitkomst daarvan is in januari te verwachten. De grote vraag hierbij is of ze uit 1573 zijn – het jaar van aanleg – of uit de zeventiende eeuw.

In een motie heeft de gemeenteraad intussen aangedrongen op het inpassen van losse sluis-elementen in de nieuwe parkeerkelder die er aan het Damsterdiep komt. Het gaat dan om de deuren, het segment uit de kademuur, de aangetroffen zandstenen slagstijlblokken en de remmingspalen.


Lavastenen uit Parijs

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Ik dacht al, toen ik eind juli langs Ubbo Emmiussingel 23 liep, en deze foto’s maakte: “Die stroken heb ik toch niet eerder zo gezien. Ze zouden me zeker opgevallen zijn.”

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

En dat klopte ook wel, want volgens het jaarboek ‘Hervonden Stad 2007’, dat net uit is, zat er een dikke laag witte verf over die veelkleurige ornamenten heen. Deze kwamen pas bij een flinke schilderbeurt weer tevoorschijn.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Het zijn geen tegels, zoals je misschien zou denken, maar lavastenen panelen uit één stuk, die geëmailleerd zijn door de fabriek van Gillet aan de Rue Fénelon in Parijs. Getuige een cartouche dateren ze uit 1885. Dat is ‘toevallig’ ook het bouwjaar van het eclectische pand met zijn pilasters, bogen en timpanen, waarvan het interieur, volgens het jaarboek, eveneens nog grotendeels autheniek is.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


Wildeman, zeemonster of Gorgon gerestaureerd

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

De wildeman, het zeemonster of de gorgon aan het A-Kerkhof zuidzijde, waaraan ik in de zomer van 2005 een van mijn allereerste logjes wijdde, is onlangs gerestaureerd. Bij de restauratie bleek dat er nogal wat troep op zat. Door de inwerking van het hemelwater welfde bovendien de bovenkant. Authentieke verfsporen zaten er volgens een gemeentelijke deskundige, die ik gisteravond even sprak, nauwelijks op. Alleen op de tong bevond zich een miniem spatje rood. De rest van de kleuren is dus naar fantasie ingevuld. De poort geeft onder meer toegang tot het studentenpand boven de fotogalerie van Noorderlicht.


Spokerij in het Noorderplantsoen

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Bron: Winschoter Courant 17 augustus 1894


Wantrouwige stadskist

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Deze oude kist met het wapen van Groningen staat op een werkkamer in de Groninger Archieven. In eerste instantie denk je dan dat het een archiefkist zal zijn. Maar zo groot is ze niet, ze is hooguit een centimeter of 60 breed en een 30, 40 centimeter hoog. Veel papieren kan je daar niet in kwijt. Bovendien valt op dat er twee sloten op zitten. Dat veronderstelt wantrouwen, want om de kist te openen waren er twee sleutels nodig die dan elk wel bij een andere sleutelbewaarder zullen hebben berust.

Of de kist was bestemd voor geschriften die geheim moesten blijven, of er zat geld in. Een derde mogelijkheid is dat deze kist in de Burgerhoofdwacht aan de voet van de Martinitoren stond. Het is immers bekend, dat de sleutels van de acht poorten van de stad daar iedere avond na poortsluiting in een kist met dubbele sloten gingen. De ene sleutel bewaarde de dienstdoende hopman van de burgercompagnie, de andere ging naar de commandant van het militaire garnizoen.


Het Poortershuisje

Dit zijn de fundamenten van het zogenaamde Poortershuisje aan het Damsterdiep:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Oorspronkelijk stond de Steentilpoort ernaast. Wat de Groningers het Poortershuisje noemen was eigenlijk het huisje met de trapgevel waar de poortier van de Steentilpoort woonde, en het in- en uitgaande verkeer in de gaten hield. ’s Avonds moest hij de poort sluiten, en ’s morgens de poort weer openen. Op zondag bleef de poort tijdens de godsdienstoefeningen dicht. Als iemand er toch in wilde, moest hij geld betalen aan de poortier. Ook handelde zo’n poortier stedelijke in- en uitvoerrechten af:

Geplaatst op 14 november 2007  b

Bovenstaande foto is van vlak voor de sloop van de Steentilpoort (1874). Die poort had er twee-en-een-halve-eeuw gestaan. Waarschijnlijk stond het Poortershuisje er even lang. Klopt dat, dan was de bekendste bewoner poortier Eppo Tjackes van Vreden, die in juli 1672 zijn hoofd verloor op het schavot.

Toen Bommen Berend in aantocht was, lapte deze Eppo, geboren te Wedde in 1650, namelijk allerlei militaire veiligheidsmaatregelen aan zijn laars. Tegen het verbod in begaf hij zich ’s nachts op de stadswal en was er brutaal tegen de schildwacht. Hij liet de drijfboom in het Damsterdiep open liggen, omdat de ketting ervan kapot was, iets wat hij weer niet aan het bevoegd gezag doorgaf. Hij voer met zijn bootje naar buiten om daar iemand te spreken en liet de volgende dag een verdachte sinjeur de stad in, zoals hij ook allerlei mensen, goederen en brieven tegen betaling van steekpenningen doorliet. Hij vergat dus zijn ambt en verzaakte zijn plicht, handelde “verfoeilijk en gevaarlijk”, waardoor de stad in de “uiterste miserie en ruïne” had kunnen raken. Nadat hij op de Grote Markt onthoofd was ontving zijn weduwe echter nog wel het lopende kwartaal tractement van het stadsbestuur.

Het Poortershuisje na de slechting van de wallen, ca. 1895:

Geplaatst op 14 november 2007  c

En begin twintigste eeuw:

Geplaatst op 14 november 2007  d

Het stond aardig scheef:

Geplaatst op 14 november 2007  e

Maar dat gaf niet, nadat het bij de Bevrijding in april 1945 verwoest was en een paar jaar later helemaal opgeruimd werd voor een brede autobaan, maakten de Groningers er in hun herinnering een legendarisch monument van. Hier bijvoorbeeld het naieve schilderij dat ene H. de Jonge naar een foto produceerde:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Mocht iemand het schilderij willen hebben – mijn goede vriend H. heeft het te koop.

Nagekomen:

Hier staat nog een filmpje over het Binnen-Damsterdiep, waarbij ook de noordzijde van het Poortershuisje even in beeld komt, een kant die je anders nooit op foto’s ziet.


Spokerij in de Oude Kijk in ’t Jatstraat

Geplaatst op 9 november 2007  a

Om middernacht waren hij, zijn vrouw, zijn moeder en zijn dochtertje op weg van een visite naar huis door de Oude Kijk in ’t Jatstraat gekomen. Een straat zegt hij, “die bij velen den naam heeft, dat het er niet regt pluis is”.

Sowieso waren de Groninger straten anno 1804, met hun sporadische, gebrekkige olielantaarns, ’s nachts veel donkerder dan tegenwoordig. Maar dit keer was het er wel “zeer duister”.

“Daarbij koud, guur weer (…). Men zag of hoorde niets anders, dan het gieren van een enkel uithangbord en het klapperen van vensters, die hier en daar vergeten waren te sluiten. Genoeg om iemand, die niet vast in zijne schoenen staat, eene rilling over het lijf te jagen.”

Op de hoek van de Broerstraat en de Kijk in ’t Jatstraat hoorden ze achter zich “het gedruisch van eenige menschen, die met een stijven tred kwamen aanstappen”. Het ging om vier of vijf man, die paarsgewijs naast elkaar liepen met iets tussen zich in op hun schouders. Zijn dochter werd er wat schichtig van, en haar grootmoeder merkte geruststellend op, dat er alleen maar een dode koe van het ene naar het andere huis gedragen werd. De hele familie bleef staan kijken en terwijl de mannen passeerden, kon je bij het licht van een lantaarn zien dat het om een doodbaar ging, “waarop een lijk lag, bedekt met eene donkere deken”.

De dragers maakten “geen het minste geluid”, schreden “statig in de diepste stilte” voorbij en verdwenen in de duisternis, zoals ze ook uit de duisternis waren komen opdoemen. Op zijn vrouw maakte het “een allerakeligste indruk”, aldus de verteller,

“te meer daar zij, evenals ik, de naakte witte voeten van het lijk onder de deken, waarmede het bedekt was, zeer duidelijk had zien uitsteken.”

Hij en zijn familie liepen in dezelfde richting als de dragers, en botsten enkele huizen verder bijna tegen de doodbaar op, die in het pikkedonker nauwelijks te zien viel.

“Het lijk, de personen die het gedragen hadden, alles was nu verzwonden en noch bij, noch in de woning waarvoor de baar stond [was] het minste spoor van licht of beweging te vernemen.”

Zelf was hij niet bang voor het donker, maar dit deed hem toch wel wat, vooral ook omdat zijn vrouw zo “hevig ontsteld” raakte, dat ze weer een eindje verder “bezwijmd voor onze voeten nederzonk, en wij veel moeite hadden te huis te komen.”

De verlaten doodbaar leek op een geval van ‘voorloop’, “een zeker teken – zoo als het gemeen wil – dat in die behuizing eerlang een lijk zoude komen”. Daarom was het eerste wat hij de volgende dag deed, kijken of die doodbaar nog in de Kijk in ’t Jatstraat stond. Nee dus. Ook waren de deur en de vensterluiken van het bewuste huis gewoon open en zat de bewoner gewoon met zijn knechten in de winkel te werken. Niets wat er wees op een actueel sterfgeval. Daarom deed hij navraag over het geval van de vorige avond. Het bleek dat een knecht, overleden in de Steentilstraat, vervoerd was naar zijn naaste familie in de Kijk in ’t Jatstraat, omdat die knecht vanuit dat huis begraven wilde worden.

“Toen wij de baar voor het huis zagen staan, waren de dragers juist binnen de deur geweest, en hadden dezelve gesloten, om te minder opzien te verwekken.”

Mattheus van Heijningen Bosch (1773-1821), want hij was het waarschijnlijk die in 1805 dit verhaal in het Maandschrift tot Nut van ’t Algemeen vertelde, ontmoette intussen ook een man die op dezelfde plaats en ongeveer hetzelfde tijdstip dezelfde verlaten doodsbaar had zien staan, en die het net als een paar anderen voor honderd procent zeker als een geval van voorloop beschouwde. Omdat hij de boel gecheckt had, was de schrijver zo gelukkig, dat hij de man die “verderfelijken waan” uit het hoofd kon praten.