Het Groninger Adresboek

Geplaatst op 7 september 2007

Ooit kreeg of erfde ik het van mijn oud-tante Elsiene Perton, die in een flatje aan de Friesestraatweg woonde: mijn exemplaar van het Groninger Adresboek, dat van 1961 dateert. ’t Is nogal een lijvig boekwerk, zo’n 1200 pagina’s dik, met reclame op de gele kartonnen omslag en stoffen rug, en uiteenvallend in vier apart genummerde onderdelen:

  1. Informatie over instellingen en verenigingen, zeg maar een soort van stadsgids, op 96 groene pagina’s;
  2. Een alfabetische lijst van alle hoofden van huishoudens en hun adressen, op 522 pagina’s wit papier;
  3. Een soort gouden gids van beroepen en bedrijven op 80 gele pagina’s;
  4. Een alfabetische stratenlijst, met per straat alle adressen en daarbij de namen van de hoofden der huishoudens, op 494 pagina’s wit papier.

Van die adresboeken heeft RHC de Groninger Archieven een indrukwekkende serie. De meeste werden zo vaak geraadpleegd, dat men het wijs achtte om ze op microfiche te zetten. De allereerste kwamen al uit in 1817, 1854, 1865 en 1872/73, maar die bevatten alleen de namen en adressen van fabrikanten en de wat grotere koop- en ambachtslui. Na 1880, als alle hoofden van huishoudens erin staan, komt er gemiddeld bijna iedere drie jaar een nieuwe aflevering uit, in het Interbellum lijkt de frequentie zelfs jaarlijks te zijn geweest, maar na mijn deel zijn er ook nog edities uitgekomen in 1964, 1968 en 1972, al hebben die een iets andere opzet. Zo staan in het allerlaatste deel geen beroepen meer, waarmee de sjeu er voor de latere lezer wel een beetje af is.

Ook de UB heeft een reeks. Bij particulieren echter, zijn er niet zo vreselijk veel exemplaren meer. Als je ernaar googelt vind je bijvoorbeeld maar een enkele melding op veilingsites en tweedehands-boekensites. Waarschijnlijk deed men ze weg als er een nieuwe uitkwam, net zoals men dat bij telefoonboeken doet. Natuurlijk verloor de informatie na verloop van tijd ook haar praktische waarde. In het algemeen geldt, dat van het meest verspreide drukwerk, zoals vroeger de almanakken en de huis-aan-huisreclamefolders nu, het minst bewaard blijft.

Geplaatst op 7 september 2007 b

Ik haalde mijn Groninger Adresboek van de week weer eens tevoorschijn, toen Maya de Beij me in een mailtje wees op ‘Stadjers in The Sixties‘. Op die site plaatst Jan Colly scans uit het stratendeel van het adresboek van 1964, met bij sommige straten bijzonderheden over individuele bewoners. Dat kunnen dan mensen met aparte beroepen zijn, of bekende stadsfiguren als volkszanger Jan de Roos (Verlengde Nieuwstraat) of kunstenmaker Plopatou (Zuiderpark).

Soms kan een balletje raar rollen. Omdat Colly een hele lijst met straatnamen op zijn site heeft, wees ik er Kor Feringa op, die op een Groninger straatnamenpagina bijhoudt. Kor mailde me terug dat hij als werkstudent indertijd meewerkte aan de Groninger Adresboeken van 1961 en 1964, dus precies de exemplaren van schrijver dezes en Colly. Wat meer is, hij was over zijn werk ook eens geïnterviewd door de Nieuwe Provinciale Groningse Courant. Dat stuk bleek op zaterdag 8 februari 1964 in de “krant van jan Tude” te staan, en wel in de bijzonder aardige rubriek ‘Ick kiek noch int’ , verzorgd door ene ‘Burger’. Diens artikel ging over de productie van het Adresboek dat een paar maanden later in juni zou verschijnen. In het hiernavolgende put ik uit dit stuk, en de toelichtingen die Kor er mij per mail op gaf.

Officieel uitgever van het Groninger Adresboek in deze jaren was Bureau De Zee. De advertentie-acquisitie echter deed Drexhage en de Zee NV, “erkend advertentie-, reclame- en adviesbureau”. Beide bedrijven hadden hun burelen op Verlengde Visserstraat 15, waar ze de beschikking hadden over vier telefoonlijnen. Volgens Kor waren beide bedrijven het eigendom van Idzard Johan Gatso de Zee, een prominent lid van de Groninger Commerciële Club, en zoon van de F.J. de Zee, een Fries dichter die voor de oorlog burgemeester van Veendam was geweest. Maar in het bedrijf zat ook de oudste zoon van Idzard, F.J. junior, die toentertijd aan de Waterhuizerweg in Haren woonde. Deze F.J. leeft mogelijk nog steeds. Ook de opvolger in rechte van het bedrijf bestaat overigens nog, dat is DZM (Drexhagen, de Zee, Marcread) aan de Coehoornsingel.

Geplaatst op 7 september 2007 c

Volgens het krantenstuk van 1964 investeerde de uitgever 60.000 gulden in het Groninger Adresboek van dat jaar. Het was “het meest gelezen boek van Groningen”, aldus F.J. de Zee jr. De oplage bleek 2.000 exemplaren. Deze gingen tegen verschillende prijzen van de hand. Gewoonlijk kostte het boek 40 gulden, “een vrij pittige prijs” . Maar veel klanten hadden er van te voren op ingetekend, en die betaalden slechts 30 gulden. Voorintekenaars die bovendien het adresboek van 1961 inleverden, hoefden zelfs maar 25 gulden te betalen. Zonder reclame en tweedehands handel mee te rekenen was het rendement 33 %, als louter de maximale prijs zou worden betaald, maar de kortingen drukten dat natuurlijk behoorlijk. In elk geval was de uitgave volgens De Zee junior “geen goudmijntje”, maar “een erezaak”.

Naar Kor Feringa zich herinnert, was het boek ook in de boekhandel te koop, maar leverde de uitgever de meeste exemplaren aan intekenaars. De Zee senior was niet voor niets een prominent lid van de Commerciële Club – het grootste deel van de oplage ging naar winkels en bedrijven. Voor deze doelgroep had het adresboek ook een belangrijke functie, denk ik: bij levering op rekening (‘op de pof’) kon de ondernemer er in nakijken of een klant wel op het adres woonde dat hij opgaf. Ook de politie nam trouwens 15 stuks af. En dan waren er nog veel particuliere kopers, waarvan sommige het adresboek lazen als een roman.

Dan de productie. Veel werk van Kor ging zitten in de samenstelling van de groene stadsgids voorin, ongeveer vier werkweken van zes uur arbeid per dag. In een van die weken pleegde hij ongeveer 300 telefoontjes om aan informatie te komen of informatie te checken. Verder boog hij zich over de eindredactie van het hele adresboek, “geen geringe taak”, integendeel: “een gigantisch karwei”. In het adresboek stonden ongeveer 50.000 adressen die hij en zo’n 25 andere medewerkers eerst moesten controleren. Bij ongeveer eenderde van de adressen was er sprake van mutaties, en dat betekende dat er bijna 17.000 opnieuw moesten worden gezet met de ouderwetse regelzetmachine bij de drukkerij van Jakob van Denderen aan de Paulus Potterstraat.

Zoals gezegd, vergeleken bij de uitgave van 1961 had die van 1964 een iets andere opzet. Op de omslag stonden geen advertenties meer. Ook werden nu alle bedrijven in het adresboek genoemd, zelfs al woonde de eigenaar helemaal niet in het pand. De belangrijkste wijziging echter, was dat voorheen alle volwassen kinderen en inwonende kamerbewoners vanaf 21 jaar werden opgenomen, terwijl de uitgever in 1964 de grens bij 25 jaar ging leggen. Vooral de nogal vaak verhuizende studenten vielen zo uit het adresboek van 1964 weg, maar ook de inwonende verpleegsters van ziekenhuizen. Bovendien schrapte men de bewoners van verzorgingstehuizen.

“Hun namen werden dus wel aangeleverd”, zegt Kor. Dat aanleveren van de Burgerlijkse Standsgegevens, gesorteerd op beginletter en per straat, gebeurde door het gemeentelijke Bureau Bevolking dat het bevolkingsregister bijhield. Over deze leverantie had de uitgever een deal met de gemeente. “De gemeente”, aldus het krantenstuk, “heeft er uiteraard ook belang bij dat Groningen over een adresboek beschikt. Hoeveel steden van de grootte van Groningen kunnen nog een zo massaal visitekaartje presenteren?”

Tegelijkertijd ligt hier ook de belangrijkste reden dat de indrukwekkende serie adresboeken na 1972 ophoudt. Tegen de volkstelling van 1971 rees al wat verzet, en na 1972 kon de gemeente dergelijke privacy-gevoelige gegevens niet meer met goed fatsoen verkopen aan een marktpartij. Aan de andere kant bestond er bij de belangrijkste afnemers ook steeds minder behoefte aan de informatie uit de adresboeken. Klantcontacten werden zakelijker. Winkeliers verkochten steeds minder op de pof.

Geplaatst op 7 september 2007 d


Fongersfiets gevonden van bijna een eeuw oud

Geplaatst op 4 september 2007  a

Medio augustus vond de in Friesland woonachtige oude fietsenliefhebber André Koopmans op Marktplaats een originele Fongers BB 60. De aanbieder woonde nota bene vlakbij, in Noord-Nederland. Alleen de bijbehorende remmen ontbraken aan het rijwiel, terwijl er een verkeerd achterwiel en een oud Gazelle-zadel bij zat. Volgens Koopmans is het de oudste Fongers-herenfiets van Nederland en nog steeds goed te gebruiken. Hij wil het rijwiel compleet restaureren.

Fongers was altijd een oerdegelijk, maar ook nogal een exclusief merk, dat mikte op de bovenkant van de markt. Een eeuw geleden was de BB 60 zelfs de allerduurste fiets van Nederland. In het bedrijfsarchief van Fongers, zoals dat wordt bewaard in de Groninger Archieven, vond Koopmans een reclameplaat voor de BB 60 terug, en ook het verkoopboek waarin zijn exemplaar ingeschreven staat. Het bleek op 20 mei 1908 te zijn verkocht aan de Haagse bankier mr. Jerome Heldring. Diens nazaten waren zeer verrast dat de fiets van hun overgrootvader nog steeds bestaat.


De intocht van Willem Frederik (1651)

Geplaatst op 2 september 2007

Een van de nieuwe titels die de DBNL gister op het web heeft gezet is ‘Gloria parendi; dagboeken van Willem Frederik, stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe, 1643-1649, 1651-1654′.

Deze Willem Frederik van Nassau Dietz (1613-1664) bekleedde zijn waardigheid in Groningen en Drenthe pas vanaf 1650, toen zijn onstuimige neef Willem II van Oranje Nassau overleden was. In zijn dagboeknotities van voor 1650, de meest uitvoerige, schrijft Willem Frederik dan ook bar weinig over Groningen, en veel over Friesland. Dan gaat het vooral over militaire zaken en benoemingen van ambtenaren en bestuurders, waar vaak nogal wat gekuip en gekonkel aan vooraf ging. Ook maakte de stadhouder meer woorden vuil aan de triktrakspelletjes die hij met zijn trouwste metgezellen speelde, en de kwantiteit en kwaliteit van zijn stoelgang, dan aan de buurgewesten. Hoogstens lezen we hier en daar, dat  de Stad Groningen en de Ommelanden bij voortduring met elkaar in het garen liggen, en dat Burgemeester Eyssinge, de man met de klem der regering in de stad, de macht van de jonkers zoveel mogelijk fnuikte.

De meest uitvoerige passage die Willem Frederik aan Groningen wijdt, is die over zijn plechtige intocht, op zaterdag 20 mei 1651 (pagina 748 e.v.) Voor de historicus zijn zulke intochten nogal rituele gebeurtenissen – ze zagen er allemaal eender uit – maar de tijdgenoot maakte er natuurlijk maar een of twee in zijn leven mee, en voor hem was het wel degelijk iets heel bijzonders.

De stadhouder en zijn gevolg arriveerden die middag om twee uur bij de stad. Daar kwam de provinciale ruitercompagnie, waarover de stadhouder het bevel voerde, hem tegemoet, iets later gevolgd door de Gedeputeerde Staten in hun karossen. Toen de stadhouder deze heren klaar zag staan, kwam hij van zijn paard af, en na hun welkomstwoorden en gelukwensen, en zijn dankwoord en belofte om zijn dienst even trouw te vervullen als zijn voorzaten al hadden gedaan, gingen de Gedeputeerden weer in hun koetsen en de stadhouder weer op zijn paard. Vervolgens reed de stoet met voorop de ruitercompagnie, in het midden de stadhouder, en aan het eind de koetsen met de Gedeputeerden naar de A-poort. Vanaf dat punt tot aan het Prinsenhof stond de gewapende burgerij met gepresenteerde snaphanen langs alle straten opgesteld. Daarachter stond veel volk dat de stadhouder tekens van respect, vreugde en genegenheid gaf. Bij het Prinsenhof kwamen de Gedeputeerden hem opnieuw complimenteren en daarop volgden alle bestuurscolleges van Stad en Lande in volgorde van belangrijkheid: Burgemeesteren en Raad van de stad Groningen, de Staten van de Ommelanden, de provinciale Rekenmeesters, de rechters van de Hoofdmannenkamer en de heren professoren van de nog jonge Academie.

Opmerkelijk is dat Burgemeester Eyssinge verstek liet gaan. Wel verzekerde hij de stadhouder via een andere heer dat hij hem toegenegen was. Een hele rij stedelijke en Ommelander heren deed dat persoonlijk. Die visites duurden totdat de Burgerwacht drie salvo’s gaf en er ook een kanon op de Grote Markt werd afgevuurd. De twaalf burgercompagnieën en de soldaten van het garnizoen marcheerden langs het Prinsenhof, toen was het half zeven en vertrokken de officieren van het hof. De stadhouder las nog wat Duitse brieven, nodigde zijn reisgenoten uit en vermaakte zich met hen tot tien uur, toen de Gedeputeerden hem uitnodigden om een groots briljant vuurwerk te komen bekijken, wat de prins en zijn officieren deden onder het genot van een drankje, en wel tot twaalf uur.


Sterren in het Bos – hoe druk het was

Tussen 1974 en 1983 vond in augustus altijd ‘Sterren in het Bos‘ plaats, een soort popfestival in zondaagse afleveringen, georganiseerd door mensen als Peter Schriemer, Robbie Kauffman en Syp Wynia. Dankzij de gemeentelijke subsidie en de pacht van de kraampjes was de entree gratis en op het laatst kwamen er wel 3500 mensen op af. Heel jong Groningen vertoonde zich in het Sterrebos. Wat voor effect dat had op het krap bemeten parkje kan je hier zien:

Geplaatst op 24 augustus 2007  a

Haaks op de vijver was het hoofdpodium opgesteld. Op het veldje daarvoor zaten en stonden de mensen die echt op de muziek of een specifieke band afgekomen waren:

Geplaatst op 24 augustus 2007  2b

Maar ook op de wallekant aan de overkant trof je aardig wat volk aan:

Geplaatst op 24 augustus 2007 c drukte

En verderop in het Sterrebos picknickten er eveneens mensen. Anderen flaneerden voortdurend om de vijver heen in de hoop zoveel mogelijk kennissen tegen te komen. Per slot van rekening was de vakantie net voorbij. En viel er dus wat bij te praten:

Geplaatst op 24 augustus 2007  d drukte


Roeg Toeg in het Sterrebos

Een legendarisch optreden was dat, van de Grunniger punkband Roeg Toeg in het Sterrebos, op zondag 9 augustus 1981. Zanger Dickie Huizing, alias ‘de Kip’, had niet alleen de oude leren motorjas van zien pa leend:

Maar ook wat ondergoed van zien moe:

Geplaatst op 23 augustus 2007 b

Uit het programmakrantje: “ROEG TOEG is grun’ns beste sezziemuziek gemaakt door het ritme-tandem van de (voormalige?) Boobs en frontman De Kip (de Groningse Sugar Minott). O ja, en Tooni op de accordeon.”

Jammer dat de mp3-tjes van hun eerste en enige ep ‘Stad en Plat’ niet meer op Bacteria staan. Veural ‘Hail Allain’ doet ’t nog erg goed.

Naschrift 23.3.2018:

Hail Allain blijkt inmiddels op YouTube te staan:


Groningers in middeleeuws Rusland

Geplaatst op 20 augustus 2007  Ru

Onder het handelsverdrag van 1229, dat de steden Smolensk, Gotland en Riga met elkaar sloten, staan ook de namen van een Bernard en een Volker uit Groningen. Voorzover het de Leidse hoogleraar slavistiek Jos Schaeken bekend is, gaat het om ’t oudste schriftelijke bewijs van handelsbetrekkingen tussen Nederlanders en Russen.

Die naam Volker doet denken aan de Volkerdinge-, nu de Folkingestraat. Hij en Bernard maakten deel uit van een hele rij Hanzekooplui, die het verdrag bevestigden. Beider collega’s kwamen uit steden als Bremen, Lübeck, Münster en Dortmund.

Het verdrag somde de rechten en plichten op van kooplui op de handelsroute tussen Smolensk, Gotland en Riga. Daarbij ging het over zaken als schulddelging, tollen en imposten, civiel en boetstraffelijk recht. Op de manslag van een vrije stond een boete van tien zilveren grivna’s, op die van een lijfeigene slechts één enkele grivna. Op de verkrachting van een vrije vrouw die “van tevoren zonder schaamte is” (een maagd?) stond een boete van vijf grivna’s, terwijl datzelfde delict bij een vrouw “met schaamte” de dader slechts één enkele grivna kostte. Dat bedrag was ook de boete voor het verkrachten van een onvrije vrouw, maar getuigen moesten dat dan wel even komen bevestigen.


De eerste crèche van Groningen

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

In het voorjaar 1902 kwam er in Groningen een vereniging tot stand die kinderbewaarplaatsen wilde gaan oprichten. Het doel van deze vereniging was om

“kinderen van wier moeders het bestuur weet, dat ze uit werken moeten gaan om in de behoeften van hun gezin te voorzien, gedurende een gedeelte van de dag veilig op te bergen”.

Tot dan toe hadden zulke ongehuwde of gescheiden levende moeders de keus om ofwel thuis te blijven, ofwel uit werken te gaan. Dat was een keus tussen de duivel en Beëlzebub. Want in het eerste geval leed hun gezin gebrek en kwam het mogelijk ten laste van de armenzorg. Terwijl de moeders in het tweede geval de zorg van hun allerjongsten bijvoorbeeld moesten overlaten aan de iets oudere broertjes en zusjes, waarbij ze dan de kans op huiselijke ongelukken zoals verbrandingen – die vaak voorkwamen – op de koop toe moesten nemen.

Het bestuur van de kinderbewaarplaatsenclub, met notabele dames als mevrouw Schilthuis-Van Mesdag en mevrouw Van Rhijn-Kruyt, ging voortvarend te werk. Al in 1903 kon het de eerste crèche in een huis aan de Veemarktstraat openen. Dit pand en de toezichthoudende “beschaafde juffrouw” kostten natuurlijk nogal wat geld en de moeders betaalden daarom ’s middags bij het ophalen van hun kinderen een kleine financiële tegemoetkoming.

Desondanks voorzag het huis duidelijk in een behoefte. Hoewel de juffrouw de kinderen vaak moeilijk uit elkaar kon houden, voldeed ze goed. Weldra heette het dat de crèche “altijd, vooral in de morgenuren en ook wel later op den dag, goed bezet [is] met kleine gasten”. Probleem was, dat alleen moeders die niet al te ver van de Veemarkt af woonden er gebruik van maakten. En daarom vatte de vereniging het plan op voor nog een crèche in het noorden van de stad.

Er kwam een geldinzamelingsactie en in het kader daarvan maakte D. van Veen Jzn. foto’s in de Veemarktstraat. Op de interieurfoto is duidelijk te zien dat de opgevangen kinderen meest nog nauwelijks peuters zijn. De al al veel langer bestaande bewaarscholen richtten zich kennelijk op wat oudere kinderen.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

De fondswervingsactie was overigens een éclatant succes en met haar vruchtenbazar in de Harmonie het gesprek van de dag in de stad. Met de ruim 5000 gulden opbrengst kon het filiaal per 1 februari 1905 opengaan. De juffrouw daar zou 225 gulden verdienen, met de kost en inwoning toe. Het salaris van de juffrouw aan de Veemarktstraat zal daar niet onder hebben gelegen.

In het pas opgerichte, rijk geïllustreerde tijdschrift Het Noorden blikte Ome Willem, een oud-Groninger, tevreden terug op de fondswervingsactie. Hij vond het

“toch ook wel een pleizierige gedachte, dat mijne vaderstad weer eens een goed voorbeeld heeft gegeven aan andere Nederlandsche steden, waar zulke Crèches niet bestaan”.


Toen de trolleybus nog rondreed

Geplaatst op 13 augustus 2007  trolleybus

Menno Arends maakte begin jaren zestig vanuit een lesauto beelden van het verkeer in de stad Groningen. In die tijd reden er nog trolleybussen rond, en kon je nog op de Grote Markt en de Vismarkt parkeren. Eerder waren de beelden al te zien op tv Noord, nu staan ze op YouTube:

deel I

deel II


Pim’s maisonette

Als ik mij niet vergis, staat het appartement aan de Radesingel waar Pim Fortuyn tot ca. 1988 woonde, momenteel te koop bij de buurtmakelaar. Bekijk vooral ook het filmpje. Het blokje is trouwens een ontwerp  en de laatste grote opdracht van het Ploeglid Job Hansen (1953).

Naschrift zondag 5 augustus:
Pim Fortuyn woonde in het appartement op de vierde etage, kreeg ik vandaag uit zeer betrouwbare bron te horen. Natuurlijk lijken de appartementen wel veel op elkaar, dus een goeie indruk krijg je wel.


FC Groningen – maar van welk jaar?

Geplaatst op 26 juli 2007

Uit het omslag van een oud plakboek kwam deze ongedateerde elftalfoto van FC Groningen tevoorschijn. Het gaat om een ‘Pep uithaler’, en gezien de haardracht van de spelers zal het duidelijk zijn dat de foto uit de jaren zeventig stamt. Maar van welk jaar is ze precies? Dat vroeg ik mij af.

FC Groningen werd opgericht in juni 1971, ter vervanging van de vroegere eredivisieclub GVAV. Dat beperkt de mogelijke seizoenen al met één. Op de foto staan bekende namen als Martin Koeman, Piet Fransen, en Hugo Hovenkamp (respectievelijk tweede, derde en vijfde van links op de staande rij achter), en die hebben hun kunstjes in de eerste helft van de jaren zeventig verricht, wat het aantal seizoenen dat in aanmerking komt halveert.

Maar voor een preciezere datering kan je niet afgaan op zulke bekende namen, die heel lang in het eerste elftal speelden. Curieus is dat op die bovenste rij, helemaal rechts op de uitsnede (mijn scanner kon de hele A3 niet aan) Jan Mennega (1) staat, de man die anno nu als sportjournalist bij het DvhN werkt en het woord jodenfooi opschreef. Volgens de spelersstatistieken stond hij veertien maal in het eerste en wel tussen voorjaar 1972 en voorjaar 1974.

Een heel interessante figuur is Gerard Hijlkema (2), tweede van links op de voorste rij. Dat was nogal een loopwonder als je de verhalen mag geloven. Met het Nederlands hockey-elftal nam hij deel aan de Olympische Spelen van Mexico (’68), maar zijn hart lag meer bij voetbal, en na zijn tijd bij FC Groningen – vijftien wedstrijden tussen augustus 1971 en december 1972 – ging hij eerst naar Mexico en later naar Californië, waar hij professioneel voetbalspeler en -trainer was. Een liefhebberij van hem schijnt daar het fokken van wolven geweest te zijn. Ook was hij fotomodel – zijn gezicht stond nogal eens op billboards en in damesbladen. Hij overleed plotseling in 2002, door een hartaanval, slechts 56 jaar oud.

Met Mennega en Hijlkema hebben we de marges voor datering van de elftalfoto beperkt tot de periode voorjaar 1972 – december 1972. De speler evenwel, dankzij wie we het dichtst bij de datum komen is Ab Laks (3), derde van links op de voorste rij. Deze man die zijn naam, maar dit terzijde, niet bepaald mee had, speelde slechts drie wedstrijden voor de FC, en wel op 3 maart, 23 april en 14 mei 1972. En daarmee is de foto te pinnen op de lente van dat jaar.


Bij de heer en mevrouw Botje over de vloer

Mathijs Deen portretteert zijn huisbaas en huisbazin uit de tijd dat hij nog in Groningen studeerde:

“Regels. Op straffe van uitzetting: geen loge’s, zeker geen vriendinnen en al helemaal geen honden op de koamer. Botje zwaaide met zijn reumatische vingers, zijn vrouw knikte. Het liefst had ze theologiestudenten als huurders, verklaarde ze: godvrezende, nette jongens, die in het weekend naar huis gingen, om hun ouders te eren en naar de kerk te gaan. Maar het had deze keer niet zo mogen zijn en het moest dan maar zo.”

Voor het hele verhaal zie de Standaard Online.


De Bonte Brug als bottleneck

Geplaatst op 11 juli 2007  a

Op de website over zeesleepvaart van Hans van der Aar trof ik deze foto uit begin juli 1951 aan van de spiksplinternieuwe zeesleper Holland, die vanaf de werf in Foxhol door het Oude Winschoterdiep naar Delfzijl gaat. De Holland ligt een meter of vijftig voor de Bontebrug in Groningen, en is daar vastgelopen op een slikbank. Dat vormde niet het enige probleem, want ook de funderingen van de Bonte Brug waren uitgezakt. De Holland kon dan ook alleen met de nodige kunstgrepen de brug passeren, een operatie die maar liefst vier uur duurde. Een bruidspaar, dat met de familie in koetsjes voor de Bonte Brug wachtte, moest daardoor een heel eind omrijden en kwam te laat op het stadhuis.

Vermoedelijk ging het hier om een van de laatste keren dat er zo’n groot schip het Oude Winschoterdiep passeerde, want niet veel later moet het veel bredere Nieuwe Winschoterdiep gereedgekomen zijn. De omgeving van dit stukje Winschoterdiep is intussen ingrijpend veranderd. Zo staan de eerste vier panden vanaf rechts op de foto er sinds een jaar of twaalf niet meer. In het hoogste was de firma Kwint gevestigd, in oliën en vetten, dekkleden, tenten en markiezen.

Op het stadsgebied langs het Oude Winschoterdiep, ooit verrreweg het belangrijkste scheepvaartkanaal van de stad, vinden we rond 1650 al enkele scheepswerven. Vanaf 1742 ging de Bonte Brug een bottlneck vormen bij het afvoeren van scheepshollen naar de Noorderhaven, waar ze afgebouwd werden, en de brug werd in de loop der eeuwen dan ook meermalen verwijd. Hieronder een wat oudere foto, waaruit blijkt dat het doorvoeren van een coaster echt centimeterswerk was. Bijzonder op deze foto zijn de kleine huisjes links. Die stamden uit de achttiende eeuw en zijn nu zeker al vijftig, zestig jaar verdwenen.

Geplaatst op 11 juli 2007  b

Aanvulling 27 april 2024:

Van wijlen Luit Dijkstra kreeg ik naderhand in 2010 drie foto’s die hij als jongen met een eenvoudig boxje gemaakt had, toen de Holland in 1951 door de Bonte Brug gebracht werd. Ze bleken precies na de andere gemaakt te zijn:

Op de voorgrond de Oosterhaven, links de oude Brink, achter het schip de oude Graansilo bij de Griffestraat en rechts de Trompkade

Hier zie je nog net de Jozef- of dronkemanstoren door de bebouwing van de Trompkade heen:


Hoe de vijf pijpen van de Hunzecentrale plat gingen

Ach kijk, dat is nou aardig, een filmpje van het neerhalen van de vijf pijpen. Is alweer bijna tien jaar geleden:


Het Friescheveen, voorheen en thans

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

In het Friescheveen onder Paterswolde, tegenwoordig een natuurgebied van Natuurmonumenten, was er ooit een vuilnisbelt. Ik nam altijd aan van de gemeente Haren, maar in het juninummer van Haren de Krant lees ik dat deze stortplaats in de eerste decennia der twintigste eeuw van de gemeente Groningen was, die het afval met een klei- en zandlaag bedekte. Archeologen kunnen hier straks met name de Emailletijd blootleggen, want wat ik laatst onder een omgevallen boom zag bestond vooral uit potten en pannen van dat materiaal.

Dat huisvuil ging vanuit Groningen per schip naar het Friescheveen. Hier een beeld van het inladen bij het terrein van de gemeentereiniging aan de Helperlinie:

Geplaatst op 23 juni 2007  b

Tegenwoordig is het Friescheveen vooral bekend als bestemming van dagjesmensen uit de stad. Bij het gelijknamige café aan de Meerweg kan je ijsjes of iets te drinken kopen en een bootje huren. Die bootjesverhuurderij bestaat nu honderd jaar. In 1907 begon de veeboer, klompenmaker en caféhouder Thomas Visser ermee, aldus Haren de Krant. Bepaalde polderpercelen kon Thomas louter met een bootje bereiken en soms wilden mensen met hem mee. Daarom begon hij met zijn verhuurnegotie. Zijn zoon Jan Visser volgde hem in 1925 op, en diens neef Theo Dubois nam de zaak in 1947 over. Theo’s zoon Harry Dubois is sinds 1969 eigenaar van het bedrijf.

Geplaatst op 23 juni 2007  c

Nog even dat alleraardigste suikerzakje uit de tijd van Theo Dubois:

Geplaatst op 23 juni 2007  d


De Westerhaven, omstreeks 1930

Geplaatst op 23 juni 2007 Westerhavenbuurt

Soms kom je op het web oude ansichten tegen, die je nog nooit eerder zag. Bijvoorbeeld deze, van de Westerhaven omstreeks 1930.

De omgeving is slechts herkenbaar aan het kaaspakhuis, iets rechtsboven het midden van de foto, en de torens die boven de bebouwing uitsteken. Op de voorgrond bevindt de Eendrachtsbrug, met een onwaarschijnlijke karrenfile – mogelijk poseerden de menners voor de fotograaf. Rechts het zogenaamde ‘Eiland’, waar nu foeilelijke architectuur uit de jaren zeventig staat.  De literator Ab Visser groeide ooit in deze omgeving op, en schreef er over in zijn autobiografische roman De Buurt (1953).

Ik vond de foto op het weblog van Lena.