Doorzeefde hondekop

FOTO'S TREINKAPING WIJSTER

Die ochtend gierden de straaljagers hier boven het spoor naar het zuiden. Ik werd wakker en besefte meteen waar het voor was.

Tegen de avond sleepten ze de doorzeefde hondekop naar een zijspoor bij het Herewegviaduct. Daar gingen vrij veel mensen naar kijken. Er zaten ook nogal wat Groningers in die trein.

Naderhand was men nog een hele tijd schichtig, als men jonge Molukkers de trein in zag stappen.

Nova


Verdonkeremaande gevelsteen

Geplaatst op 28 mei 2007

Een jaar geleden signaleerde ik hier dat enkele oude gevelstenen in de stad Groningen danig in verval zijn. Helaas moet ik er nu weer een signaleren. Bij het café op de hoek van de Rodeweg en de Korreweg, ooit de uitvalsbasis van de schuitenschuivers op het Boterdiep, is een exemplaar uit 1771 met de beeltenis van een scheepsjager en een trekschuit letterlijk verdonkeremaand door er dezelfde anthracietkleurige verf op te smeren, als op de muur. Doodzonde, zoiets.

NB: de foto is gemaakt door Groenling, iemand die op Flickr regelmatig foto’s plaatst van oude Groninger en Oostfriese kerken, maar nu dus even in de stad actief was. Ben vanmiddag zelf wel even op lokatie wezen kijken, en veel helderde dan zo is de foto niet te krijgen. Er hangt namelijk ook nog een markies boven de steen, die de steen in de schaduw zet.


Oude, eerbiedwaardige hotels

Geplaatst op 23 mei 2007

Hugo van der Molen, een handelaar in antieke effecten te Haren, biedt ook deze brief te koop aan. Het epistel werd in 1887, toen het kusttoerisme nog een elitaire aangelegenheid was, verstuurd vanuit het Badhotel op Schiermonnikoog. De afzender, een Groningse, noemt een serie andere Groningers die met haar op het eiland vertoeven. Die dag, 25 augustus, loopt het al aardig tegen het eind van het seizoen:

“…de gasten verminderen al veel, wij zijn nu heden dunkt mij zoo wat om de vijftig aan tafel…”

Wat me vooral trof aan de brief was het briefhoofd. Naast de gravure van het Badhotel noemt het ene A. Hoven als directeur. Deze man was tevens eigenaar van Hotel Zeven Provinciën in Groningen, wat als referentie gold. Over dat Groningse hotel is niet veel meer bekend dan dat het op de prominente zuidoosthoek van de Grote Markt stond, en dat het in 1929 gesloopt werd voor het Grand-Theatre. In feite bereikte het een respectabele leeftijd, want een eeuw eerder bestond het ook al. Anno 1828 had de Zeven Provinciën twintig kamers met uitzicht op de Grote Markt en de Oosterstraat, drie grote zalen en een stal met plaats voor twintig paarden. Of dat in 1929 ook nog zo was, weet ik niet.

Zelfs bij oude, eerbiedwaardige hotels lijken horeca en historie geen gelukkige combinatie. Zo ging het tweehonderdjarig bestaan van Hotel de Doelen, eveneens aan de zuidzijde van de Grote Markt, ongemerkt voorbij. En zo veranderde hotel W.E.E.V.A. (het Woon- en Eethuis voor Allen) aan het Zuiderdiep een jaar of wat geleden klakkeloos zijn naam in Martini-hotel. Op de website van dat hotel herinnert ook niets meer aan de WEEVA, waar je twintig jaar geleden inderdaad nog een redelijk goedkope warme prak kon eten. Alleen doordat een Utrechtse gast foto’s op Flickr postte, kwam ik te weten, dat de prachtige glas-in-lood-ramen, die in 1941 bij het 70-jarig bestaan van WEEVA werden geplaatst, er nu nog steeds zijn:

De Ploeger

De Zaaier

De Oogster


Groningen 1910

groningen-1910

Een Franse architectuurstudent, Olivier Marquet, heeft alle kaarten uit een Baedeker (reisboek) van 1910 over Nederland, België en Luxemburg op zijn website gezet. Er zit ook een opschaalbare kaart van Groningen bij.

Het is aardig om de verschillen met nu te zien. Buiten de oude vestingwerken heb je nog maar enkele woonwijkjes. Het Boterdiep, het Damsterdiep, het Hoendiep en de Westerhaven zijn nog open en er is ook nog een haventje achter het station, ter hoogte van de Zaanstraat. Waarschijnlijk was die haven er om kolen voor stoomlokomotieven te lossen. De Paterswoldseweg heet nog Hoornschedijk, wat inderdaad bijster verwarrend was. Belangrijke publiekstrekkers in de stad heten Harmonie en Concerthuis. En op het latere bodenterrein heb je nog een sportterrein Weerbaarheid en bij bij de Korreweg nog een Noordersportterrein en een Rijwielbaan – het Oosterparkstadion was dus lang niet de eerste sportaccomodatie die aan deze kant van de stad verdween.


Herrie om het uithangbord van de Emmaus

Geplaatst op 14 mei 2007 a

In de handelingen van de gereformeerde kerkeraad te Groningen staat op 1 mei 1650:

Nademael seker herbergier tusschen d’Heere en de Oosterpoorte een bordt het uijtgehangen met d’opschrift van Immaus, daer drie manspersonen staen geschildert tot misbruijck van Godts woort ende veler ergernisse, soo is goedgevonden, dat d’ Brouwer dien welcken dat huijs toebehoort, door d’ prediger inde cluft daerover sal aengesproken worden; en bij aldien daerop niets en volgt, sal tselve door den heer president uijt name van d’ kerckenraadt den E. heeren van den Raedt aangedient worden.”

Met andere woorden: een herbergier tussen de Here- en de Oosterpoort (de plek is aan de Hereweg ter hoogte van het huidige nummer 4) had een uithangbord met de naam Emmaus en een beeltenis van drie mannen aan zijn zaak opgehangen. Volgens het consistorie maakte dit bord misbruik van Gods woord. Vromen ergerden zich eraan. Daarom ging de kluftpredikant (kluft = wijk) de brouwer of eigenaar van de herberg er op aanspreken en mocht die in gebreke blijven, dan maakte de kerkeraadsvoorzitter de zaak officieel aanhangig bij het stadsbestuur.

Waarover wonden de kerkeraadsleden zich zo op? Er waren wel meer Groninger kroegen met bijbelse namen, zoals de Daniel, de David, de Toren van Babel, de Jeruzalem en de Petrus en Paulus. Waarom maakten de consistorialen daar geen woord aan vuil, en aan de Emmaus wel?

Dat ze zich druk maakten, was zeker niet gespeend van betekenis. De gereformeerde kerk gold als een instituut om rekening mee te houden. De door de staat beschermde en bevoorrechte kerk, dat was ze. Machthebbers en ambtenaren moesten er op zijn minst dooplid van zijn. Naast predikanten, burgers en geleerden zaten er ook politieke heren in de kerkeraad. En als deze vergadering van ouderlingen en predikanten der gereformeerde gemeente formeel iets voorlegde aan het stadsbestuur, dan luisterde dat ook aandachtig. Al kregen de consistorialen niet in alles hun zin, hun invloed was groot.

Het mikpunt van de kerkeraad, de eigenaar en uitbater van herberg De Emmaus, was démarches kennelijk liever voor, want hij reageerde snel op het bezoek van de kluftpredikant. Al op 10 mei 1650, negen dagen na de ophef in de kerkeraad, bleek deze Jan Geerts buiten de Herepoort al naar het stadsbestuur geweest te zijn, met het verzoek om zijn gewraakte uithangbord te mogen houden. En dat stonden de heren hem ook toe, “mits dat hij de Belden daer in late uijtdoen en die voortaan daer uit doe blijven”. Het was dus niet zozeer de nààm Emmaus, als wel de afbeelding op het uithangbord, die de opschudding in de kerkelijke gelederen veroorzaakte.

In de ogen van de kerkeraad moest die schildering een bijbelverhaal al te platvloers hebben toegepast op de herberg. Dat verhaal, uit het evangelie van Lucas, is inderdaad zeer toepasselijk op een herberg. Als twee mannen naar Emmaus lopen, een gehucht even buiten Jeruzalem, en onderweg de kruisiging en de verdwijning van Christus’ lichaam bespreken, voegt zich een derde, aanvankelijk onbekende man bij hen. In Emmaus gearriveerd, nodigen ze deze persoon uit om met hun mee te gaan, de herberg in: “Blijft bij ons, want het is bij de avond, en de dag is gedaald”. En terwijl de vreemdeling het brood neemt, breekt, zegent en aan zijn metgezellen uitdeelt, herkennen zij hem: het is zowaar Christus, die uit de dood is opgestaan.

Maar wat stond er nou op dat uithangbord? In de schilderkunst zijn er twee Emmausmotieven, die van de ontmoeting onderweg en die van de herkenning aan de stamtafel, en als je het mij vraagt komt vooral dat laatste motief in aanmerking. Van de buitenscène, waarbij Christus met zijn twee nieuwe metgezellen oploopt, kan ik me namelijk moeilijk voorstellen dat die de toorn van predikanten en stadsbestuur zou opwekken. Of het zou moeten zijn dat de metgezel op een herberg in de verte wees, die op de Emmaus leek. Maar dan nog bood het andere, veel nabijere motief veel meer gelegenheid tot reclame. Na de Middeleeuwen werd Christus aan de stamtafel namelijk allengs minder souverein en steeds menselijker uitgebeeld, waarbij kunstenaars ook uitdrukking gingen geven aan het ultieme herkenningsmoment, een ontwikkeling die begin zeventiende eeuw culmineerde bij Caravaggio. Volgens mij ging het uithangbord van de Groninger Emmaus nog een stapje verder, in die zin dat de picturale herkenning oversloeg op het verkrijgbare natje en droogje – Puike Waar!

Geplaatst op 14 mei 2007  b

Ook het Groningse Emmaus-verhaal speelde zich vlak voor Hemelvaart af. Eind mei 1650 schreef de scriba in het kerkeraadsprothocol, dat de zaak van het uithangbord in handen bleef van de kluftpredikant. Waarschijnlijk had Jan Geerts voldaan aan de eis van het stadsbestuur en de beeltenis van zijn bret laten afschrappen, anders zou het consistorie vast verdere stappen hebben ondernomen.

Curieus is nog, dat de eerste, rijk met zilveren beslag en graveerwerk versierde gilderol van het Groninger herbergiersgilde, die van elf jaar later (1661) dateert, ook een afbeelding van de Emmausgangers bevat. Dat de kerkeraad de collectiviteit der kroegbazen hier niet over kapittelde, zal wel liggen aan het feit, dat die gilderol niet openbaar was, en binnenskamers bleef. Letterlijk en figuurlijk: diep in de gildekist en zonder dat een gildebroeder de vuile was buiten hing.

Geplaatst op 14 mei 2007  c


Munten en penningen uit Stad en Lande

Een paar dagen geleden begon het op te vallen dat hier nogal wat bezoek komt via Munten en Bodemvondsten, een site van zoekers met metaaldetectoren. Inmiddels gaat het om 26 hits in totaal. Uiteraard die site opgezocht, en een vererende aanbeveling gevonden. Waarvoor dank!

Geplaatst op 13 mei 2007  a

Uiteraard me ook even geregistreerd en hun site doorgelicht op Groninger spullen. Daarbij kwam onder meer dit vierkante, zilveren muntje van de provincie Groningen tevoorschijn. Weliswaar lijkt het op noodgeld, dat tijdens de belegering van 1672 geslagen is, maar waarschijnlijk gaat het om een herdenkingsmunt uit 1673 of 1674 die door haar geringe nominale waarde van 6,25 stuiver, anders dan exemplaren uit het Rijksmuseum, ook door de gewone man kon worden gekocht.

Via een verwijzing op hun site kwam ik op de site van de mij totaal onbekende Numismatische Kring Groningen terecht. Hierop staat een catalogus met foto’s van munten en penningen die sinds het jaar 1027 in Groningen geslagen zijn. Heel opvallend is dat de dubbelkoppige adelaar pas in de vijftiende eeuw op Groninger munten verschijnt, wat ongetwijfeld samenhangt met de pretentie van het toenmalige stadsbestuur dat Groningen een vrije Duitse rijksstad is, die in plaats van onder de bisschop van Utrecht rechtstreeks onder de Duitse keizer valt. Natuurlijk was me dat wel bekend, maar het is aardig om dat nou ook eens te zien.

Verder stond ik vooral te kijken van de poortpenningen en de gilden- en scheepsjagerspenningen op deze Groninger numismatensite. Ik wist überhaupt niet dat daarvan zoveel exemplaren bewaard zijn gebleven. Met name het plaatje van de herbergierspenning uit 1794 denk ik in een andere context nog eens te kunnen gebruiken, vooral omdat het zo mooi laat zien dat het herbergiersgilde dan zowel de biertappers als de wijnhuishouders als de uitbaters van jeneverkelders omvat:

Geplaatst op 13 mei 2007  b


Reint Dijkema (1920-1944)

Geplaatst op 3 mei 2007  reint dijkema

Een bekende mythe uit de oorlog gaat over koning Christiaan van Denemarken. Toen de Deense joden een jodenster moesten dragen, was ook hij dit gaan doen, en alle Denen met hem, zodat de joden niet meer opvielen en er heel weinig weggevoerd en omgekomen zijn. In werkelijkheid werd de jodenster nooit in Denemarken ingevoerd. (Al was Christiaan zeker anti-Duits en steunde hij de Deense joden tegen hun vervolgers.)

Die jodenster was wèl verplicht voor Nederlandse joden, vanaf zondag 3 mei 1942. Uit protest besloten enkele honderden Nederlanders ze ook te dragen. In Groningen waren dat met name de medicijnenstudent Reint Dijkema, lid van de gereformeerde studentenvereniging VERA, en zijn broer Albartus. Ze haalden de lapjes uit gele gordijnstof en sneden het stempel voor de opdruk uit een oude vliegtuigband. Met hun jodensterren vertoonden ze zich niet alleen in de jodenbuurt rond de Folkingestraat, maar overal in de Groningse binnenstad. Op 4 mei 1942 werden ze gearresteerd en veertien dagen later veroordeeld tot een ongenadige ‘heropvoeding’ in kamp Amersfoort.

Deze exercitie bewerkstelligde het tegendeel van wat men beoogde. Na zijn vrijlating zat Reint  tot de oren toe in het verzet: het verspreiden van illegale blaadjes, hulp aan onderduikers en overvallen op distributiekantoren om aan bonnen voor de onderduikers te komen. De grootste buit aan distributiebescheiden tijdens de oorlog – bij drukkerij Hoitsema aan de Tuinbouwstraat – staat onder meer op zijn naam.

Op oudejaarsdag 1943 liquideerde Reint op de Eendrachtsbrug de zwaar foute politieman Elzinga. Op zijn onderduikadres, op nieuwjaarsdag, krijgt hij te horen dat de Duitsers bij wijze van represaille zes merendeels prominente Groningers hebben vermoord. Het verzet is nu te ver gegaan, luidt de communis opinio bij het gezelschap dat op nieuwjaarsvisite is, en niet weet dat Reint de liquidatie uitvoerde.

In juni 1944 hebben ze hem eindelijk in het Scholtenshuis. Met de handboeien aan weet hij nog het geweer van een bewaker te pakken te krijgen, en die bewaker neer te schieten. Twee maanden later executeren ze hem in kamp Vught.

De naam van Reint Dijkema staat op een plaquette in het Academiegebouw. Straks om negen uur wordt hij daar herdacht, met zoveel anderen die omkwamen, onder wie vijf die tot nu toe vergeten zijn.


Friese knowhow voor Groninger scheepsbouw

Geplaatst op 28 april 2007

Nedergericht der stad Groningen, 14 februari 1752.
De scheepstimmerknecht Tjeerdt Derks contra de hellingbaas Thyes Willems

Tjeerdt Derks, die deze zaak al in 1746 bij het Nedergericht aanhangig heeft gemaakt, eist dat Thyes Willems hem eindelijk zijn geld betaalt.

Tjeerdt licht toe dat hij in Friesland geboren is en ook daar al als scheepstimmerman werkte. Hij en zijn zwager Simon Binckes hadden dit vak volkomen onder de knie “en wel in het volbouwen van een swaarder Calibre van Sceepen”. Door de faam die van hem en zijn zwager uitging, besloot Thyes Willems ze beide naar Groningen te halen en in zijn dienst te nemen. Hoewel de scheepstimmerbaas “een helling hadde gemaackt tot aanbouw voor grooter scheepen”, was hij zelf namelijk nog “volstrekt onkundig” in die tak van scheepsbouw.

Nou had Tjeerdt in Friesland een gulden en een dubbeltje per dag verdiend. Bij Thyes Willems had hij daarom hetzelfde loon bedongen, met nog een vergoeding voor zijn nachtlogies erbovenop. Tjeerdt werkte enige tijd voor Thyes Willems, en kreeg van deze 6 gulden per week. Het dubbeltje per dag (of de zes dubbeltjes per week) hield de hellingbaas in. Deze dubbeltjes, zo zei Willems, legde hij achteruit voor zijn knecht, “en soude alsoo een vergaaderdt stuivertje worden”.
Nooit had Tjeerdt zijn plicht verzuimd, altijd had hij klaar gestaan voor zijn baas. Maar meermalen weigerde Willems hem de opgespaarde dubbeltjes te geven, en daarom was Tjeerdt naar het Nedergericht gestapt. Een man die in Friesland een gulden en een dubbeltje per dag verdiende, ging toch niet “syn vaderlandt” verlaten voor een lager loon?

Tjeerdt probeert zijn gelijk aan te tonen met verklaringen van zijn vroegere baas in Friesland en zijn zwager Simon Binckes. Ook liggen er ter zitting verklaringen van de zes knechten op de helling van Thyes Willems. Willems voert echter aan dat de verklaring van een zwager niet rechtsgeldig is, en dat de zes knechten helemaal niet goed op de hoogte zijn van het door Tjeerdt gepretendeerde accoordloon. Zodoende blijft er maar één getuige in het voordeel van Tjeerdt over. Daarom wijst het Nedergericht Tjeerdts eis af.

Het belang van de zaak ligt vooral in de melding, dat Thyes Willems een ruimere werf bouwde, zonder dat hij over de know-how beschikte voor het bouwen van grotere schepen. Die kennis moest hij uit Friesland halen, waarschijnlijk omdat ze in Groningen nog niet of nauwelijks voorhanden was.


Scheepsborelingen

 

Geplaatst op 27 april 2007

Ergens tussen de zeventiende en de negentiende eeuw nemen schippers hun vrouwen en kinderen aan boord en komen er op schepen hele gezinnen te wonen. Hoe en in welk tempo dat proces zich voltrok, daar is weinig zicht op. Maar als de schippersgezinnen, in plaats van in een huis op de wal, aan boord gaan leven, worden daar ook kinderen geboren. En die kinderen worden weer gedoopt in de kerk. Als het aantal dopen van scheepskinderen toeneemt, zegt dat dus ook weer wat over de verhuiselijking van het schip.

In bovenstaand grafiekje zijn voor de grote Gereformeerde/Hervormde gemeente in de stad Groningen de aantallen gedoopte scheepsborelingen per tien jaar tussen 1720 en 1810 weergegeven. Voor 1760 komen die nauwelijks in de doopboeken voor, daarna groeit hun aantal sterk, vooral in de decennia rond 1800. In relatief opzicht gaat het tot de jaren 1790 nog niet eens om een half procent van het totale aantal hervormde dopelingen, in de jaren 1790 wordt dat ruim 1 % en in het eerste decennium van de negentiende eeuw is dat gegroeid tot 2,65 %.

Achtergrond van de ontwikkeling is dat de Groninger scheepstimmerwerven vanaf ongeveer 1750 grotere en ruimere schepen zijn gaan bouwen: de eerste kustvaarders, zoals smakschepen. In 1764 procedeert de stad voor het eerst tegen een scheepstimmerman die zich vergrijpt aan een stedelijke brug om zijn schip voor afbouw naar de Noorderhaven te kunnen varen.


Bijvangst – zoon van een oud-slavin

Geplaatst op 27 april 2007  batavia

Doopboek Hervormde Gemeente Groningen, 28 februari 1771:

“Carel, huisinboorling van de Predikant W. Hommes, geboren op het Schip Landskroon den 1 Mey 1769, welks moeder genaamd is Rosina, gedoopt op Batavia den 19 January 1753, bevorens slavinne van bovengenoemde Hr. W. Hommes.”

(Vandaag weer eens naar het archief geweest, voor een gesprekje over Etta Palm, de in Groningen geboren en getogen feministe die tijdens de Franse revolutie van zich deed spreken, alsmede het checken van mijn doopboeknotities voor een verhaal over schippersgezinnen die in de achtiende eeuw op schepen gaan wonen.)


Tussen het Kraanland en Haribergi

kaart 1850

Duizend jaar geleden trok de abdij Werden inkomsten uit Haribergi bij de nederzetting Groningen. Vijf eeuwen later had je hier een Harbargeweg, waarvan een tracédeel nog steeds aan de zuidzijde van het Eemskanaal ligt. Maar de oernaam Haribergi duidt niet op een herberg. Die naam stamt uit een tijd dat men in deze contreien nog volop Fries sprak, en slaat waarschijnlijk op de earebarre of ooievaars die toen veel voorkwamen in dit drassige gebied.

Helemaal aan de andere kant van de gemeente Groningen, ten zuiden van de Drentse Laan, nu Peizerweg, had je het Kraanland. Die blokvormige uitstulping van het stadsgebied was genoemd naar de moerasvogel die er leefde. Het Kraanland hoorde bij Drenthe – het ging om een stukje natte wildernis dat in de hoge middeleeuwen vanuit Groningen in cultuur is gebracht.

Beide biotopen komen voorbij in het proefschrift waarop oud-stadsarchivaris Jan van den Broek, nu werkzaam bij de Groninger Archieven, vanmiddag promoveerde. Naast een algemeen deel over kernthema’s in de Groninger stadsgeschiedenis, bevat zijn boek essays over onderwerpen als het conflict met Emden over de Eemsvaart, de mislukte aanslag van Willem Lodewijk op de stad (1587), en de wijze waarop de stad overheidsrechten in het Gorecht verwierf.

In dat laatste essay is het dat Van den Broek stilstaat bij het ooievaars- en het kraanvogelland. Aan de hand van toponiemen, waterloopjes, verkavelingspatronen, hoogtelijnen en archeologische vondsten verkent hij de bijzonder kunstmatige grenzen van het Gorecht en het stadsgebied. De uitgestrekte moerasbossen en rietlanden die kronkelende riviertjes als A en Hunze omzoomden, werden tussen de elfde en de dertiende eeuw definitief ontwaterd, afgeveend en ontgonnen. Er zijn volop aanwijzingen dat dat planmatig gebeurde. Zo speelde ten westen van A, waar het maaiveld twee tot drie meter hoger lag dan nu, de Wolvendijk een belangrijke rol. Die blijkt precies neergelegd op de lijn tussen de kerktorens van Eelde en Dorkwerd.

Tussen de stroken wildernis in lag het uiteinde van de Hondsrug, een zandige landtong die als veenpas toegang gaf tot de door Friezen bewoonde kleilanden in het noorden. Anno 1040 schonk de Duitse koning Hendrik III een landgoed op dit bruggehoofd, deze ‘staart van Drenthe’, aan de bisschop van Utrecht. Die stelde er een zetbaas aan, maar tussen deze prefect en de bewoners boterde het in de dertiende eeuw niet meer. Kooplui voelden zich tekort gedaan, en de ondernemende stedelingen en buitenlui achter de ontginningen moesten ook weinig van de prefect hebben. Met hulp van Friese Ommelanders braken ze zijn juk, en sloopten ze zijn steenhuizen of dwangburchten in de Hunzemeanders.

Intussen groeide er een stedelijke gemeenschap met aldermans als vertegenwoordigers. In de vroege veertiende eeuw ging deze raad zelfstandig opereren, kreeg de rechtspraak en het bestuur over alle inwoners, ook de mannen van de Utrechtse bisschop. Allengs werd de lijn met Utrecht dunner, tot ze in de zestiende eeuw definitief doorgesneden werd.

De stad ontwikkelde zich tegelijkertijd tot een handelscentrum en militair bolwerk voor de ‘heerloze’ Friese Ommelanden. Zij was er de enige die geschillen kon beslechten, werd officieel stapelplaats voor allerlei handelswaren en kreeg een monopolie op het brouwen van bier voor de markt. Bovendien werd ze de baas over het Gorecht en het Oldambt. Iets wat aanvankelijk nauwelijks verzet opriep.

Binnen deze dominante stad met zijn kolossale verzorgingsgebied heersten nogal democratische verhoudingen. Voor beleidszaken moesten de dagelijkse bestuurders een soort gemeenteraad van gezeten burgers naast zich dulden. Daarnaast kregen eind vijftiende eeuw ook de woordvoerders van de gilden een vinger in de pap. Via de burgerwacht hadden die altijd een stok achter de deur. Ze beschikten zelfs over de sleutels van de poorten.

De machtsontplooiing van Groningen en haar interne machtsdistributie, zo maakt Van den Broek aannemelijk, bestonden bij de gratie van haar afstand tot de bestuurscentra, zoals Utrecht en Brussel. Voor de landsheren was Groningen veel te ver weg om er wat uit te richten. En dus regelde men hier de zaakjes zelf. Vandaar ook de eigenzinnigheid van de Groningers. En hun zelfbewustzijn. Ze beschouwden hun stad maar al te graag als een vrije rijksstad.

In 1594 kwam er een eind aan de middeleeuwse burgerrepubliek. In plaats van de communale gemeenschap kreeg een calvinistische oligarchie het voor het zeggen, zoals overal in de Verenigde Nederlanden. Maar af en toe stak de hang naar de goeie ouwe tijd er weer de kop op.

Van den Broek voorziet de vaak zinloos lijkende feiten, bekend uit kroniekjes, van een plausibele achtergrond en samenhang. Zijn boek leest lekker weg, bevat prachtige kaartjes en is een geweldige bijdrage aan de geschiedenis van onze stad.

Jan van den Broek, Groningen, een stad apart. Over het verleden van een eigenzinnige stad (1000-1600); 655 pagina’s ; Van Gorcum € 49,50.


Gevonden voorwerpen 1888/1889

 

Geplaatst op 31 maart 2007  gevonden voorwerpen

27/6/1888
een paar vrouwenschoenen (J. Selis, Nieuwstraat)
een huissleutel (M. Bontje, Jacobsstraat)

18/7/1888
ragebol (Martenstraat)
zilveren oorknop (Sophiastraat)
armband met gouden sluiting (Oliemulderstraat)
zijden dameshandschoenen (Oosterweg)
stuk van een gouden oorbel (Kleine Sophiastraat)

25/7/1888
strooien jongenshoed (Jacobsstraat)

1/8/1888
zilveren reukdoosje (Meeuwerderweg)
armband met bloedkoralen (Jacobstraat)
een coupon (Boumanstraat)
een bont legerhondje (Meeuwerderweg)

5/9/1888
gouden oorijzerspeld (Houtzagersteeg)
portemonnee met enig geld (Frederikstraat)
ring met vier sleutels (Houtzagersteeg)

12/9/1888
moer van een rijtuigas (Warmoesstraat)
gouden medaillon (Sophiastraat)

19/9/1888
streng bloedkoralen met gouden kapittelstokje (Frederikstraat)

26/9/1888
gouden oorknopje (Jacobsstraat)

29/9/1888
vrouwenzijzak met enige inhoud (Meeuwerderweg)

10/10/1888
nieuw, zwart lakens vest (Cubasteeg)
zijden halsdoek (Warmoesstraat)

24/10/1888
gouden oorknop (Mauritsdwarsstraat)
rozenkrans (Nieuwstraat)

7/11/1888
penhouder (Martenstraat)
glazen bekers (Walker, Oosterweg)

14/11/1888
een zilveren sabelkwast (Lodewijkstraat)

28/11/1888
portemonnee met enig geld (Meeuwerderweg)

19/12/1888
drie streng bloedkoralen (Meeuwerderweg)
een zilveren potloodhouder (Meeuwerderweg)
huissleutel (Nieuwstraat)

25/12/1888
leren portefeuille (Warmoessstraat)
zwarte damesparaplu (Warmoestraat)

2/1/1889
vrouwenzijzak met inhoud (Martenstraat)

16/1/1889
een mantelzakje met portemonnee (Sophiaplein)

23/1/1889
gouden sigarenpijp (Frederikstraat)
zilveren dameshorloge (Cubasteeg)
tabaksdoos (Oosterweg)
castorca handschoenen (Mauritsdwarsstraat)
gedeelte van een gouden ketting (Mauritsdwarstraat)
duimstok (Martenstraat)

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 1888/9
Met dank aan Willem Lok voor de excerpten die hij indertijd (1996) voor me maakte.


Tsjir, tjir, tjirrup!

DE LEEUWERIK ALS KAMERVOGEL EN LEKKERNIJ

Geplaatst op 17 maart 2007  a

Burgemeester Johannes Verrutius had in zijn huis aan de Sint-Jansstraat een “lieuwerikscouw van rijs” (1684). Ook bij Raadsheer Pels (1705) en Rentmeester Borgesius (1732) was er thuis zo’n “leeuweringhskorf”. En een dergelijke voorwerp voor het houden van leeuwerikken is eveneens te vinden op de inventarissen van twee stad-Groninger juristen (1720, 1734), een luitenant (1720), een brouwer (1659), een brandewijnstoker (1713), een koster (1691), een schrijver (1701), een bakker (1719), verschillende kruideniers (1715 en 1731), een paar schoenmakers (1717 en 1728), een scharenmaker en leerbewerker (1647), een hozenmaakster (1729), en wat moeskers of tuinbouwers (1701 en 1723).

In regenten-huishoudens vind je dus leeuwerikskorven, maar ook bij koop- en ambachtslui die veel volk over de vloer kregen. In de Smidskroeg aan de Jacobijnerstraat hing een leeuwerikskorf (1675), zo ook in de Burse aan de Broerstraat waar de heren studenten een warme maaltijd konden eten (1714). Uiteraard had lang niet iedereen een dergelijke kooi van wilgentenen of rijshout, het ging om een liefhebberij van misschien één procent der bevolking, maar bijna iedere stadjer van die tijd moet wel iemand met zo’n voorwerp hebben gekend.

Geplaatst op 17 maart 2007  b

Veel minder vaak wordt de bijbehorende vogel, de veldleeuwerik, genoemd. De korf vertegenwoordigde echter een vastere economische waarde dan de vogel, die een korter leven beschoren was. Zo tref je katten eveneens zelden op inventarissen aan, terwijl die toch wel degelijk in en om het huis rondscharrelden. Ik neem dan ook aan dat bij elke korf ooit een leeuwerik hoorde, anders zou de korf allang weg zijn gedaan.

Nog iets: van alle vogels wordt er in de inventarissen van de zeventiende eeuw het meest naar de leeuwerik verwezen. Zo bezien was toentertijd de leeuwerik de populairste kamervogel in en om de stad Groningen. Daarna kwamen pas de kanarie, de vink, de robijn (kneu), papegaai, putter en al dan niet sprekende ekster. Pas in de achttiende eeuw doken de kauwtjes, de kwartels en de duiven in Groninger huishoudens op. Toen ook overvleugelde de kanarie, die elk jaar in november, december door kiepkerels van Tirol en de Harz hierheen werd gebracht, langzamerhand de leeuwerik als dè vogel die het huis met zijn zang opluisterde.

Maar natuurlijk weet hedentendage lang niet iedereen meer hoe een leeuwerik er uitziet en klinkt. De alauda (Latijn), alouette (Frans), lark (Engels), lerche (Duits), laiwerk (Gronings) of ljurk (Fries) is nauw verwant aan de mus, en even onopvallend met zijn voornamelijk lichtbruine, zwartgevlekte en grauwwit afgebiesde verenkleed. Al is de leeuwerik een slag groter en krijgt hij tijdens het broedseizoen een kuifje. Dat seizoen brengt hij het liefst door op wijd open, zo coulissenloos mogelijk hooi- of weiland, samen met de vrouw, bij een met droge sprietjes bekleed kuiltje in het gras, waarin een stuk of wat lichtgrijze, bruin gevlekte eitjes liggen.

In het najaar en ’s winters, met de vogeltrek, zag je leeuwerikken in zwermen op stoppelakkers fourageren. Beide biotopen kwamen en komen in Groningerland veel voor. Oorspronkelijk is de leeuwerik een steppenvogel, die van alles van de bodem lust: zaden, granen, jong gras, kruiderij, insecten, spinnen en wormen. Het gebruik van zaadontsmettings- en bestrijdingsmiddelen verminderde zijn voedselvoorraad en ondermijnde zijn weerstand en voortplantingsvermogen. Dichtere grassoorten en de opkomst van wintergranen en mais beperkten naast de stedelijke olievlekwerking bovendien zijn levensruimte. Door al die factoren zijn er in Nederland nog geen 100.000 broedparen over, van de 700.000 stelletjes die ons land in 1950 nog telde. Daarom staat de leeuwerik inmiddels op de rode lijst van de meest kwetsbare en zwaarst beschermde vogels.

Groningers die nu nog een leeuwerik willen zien en horen, moeten hem zoeken oostelijk van Haren, richting Waterhuizen of op de Peizermaden. Met meer geluk dan wijsheid kan je daar een mannetje met snelle vliegbewegingen steil omhoog zien gaan, tot hij bijna niet meer aan de hemel te ontwaren is. Verrassend dichtbij klinkt dan nog zijn zang, waarmee hij het voedselterritorium afgrenst, een zang die hij doorspekt met rollers, twinkels, en trillers: tsjir tjir tjir up twiedel tsjir tjir up riiiwup tsjir wiew tsjir!

In de zeventiende en achttiende eeuw vond men dat al “zeer aangenaam en vermakelyk” om te horen. “De leeuwerik en de koekoek bei, verkondigen de aanstaande mei”, dichtte Vondel. Wat talloze poëten hebben beaamd. Hun leeuweriksverzen werden door componisten als Liszt, Schubert, Glinka en Lalo gretig op muziek gezet:

“Ma voix est sans note plaintive,
Je ne dis rien au triste soir;
Je suis la chanson folle et vive
De la jeunesse et de l’espoir”

 

Geplaatst op 17 maart 2007  c

Geen wonder dat leeuwerikkenmannetjes begeerte opriepen en vooral kwajongens ze in het voorjaar als kuikens uit nesten haalden. Zo’n leeuwerikje fokte men eerst op in een doos of kistje, waarin men een graszode legde. Het vogeltje vereiste veel zorg; doorlopend moest men het voederen met in water geweekte beschuit- of broodkruimels, fijne haver of gerstegort, eventueel gemengd met een beetje gehakt vlees, snippertjes hardgekookt ei, gebutste klaver, meelwormen of miereneieren. Als het leeuwerikje eenmaal zelf aan het eten kwam, kreeg hij verder droge gort voorgezet, met wat hennepzaad, de zojuist genoemde extra lekkernijen, en natuurlijk wat water in een bakje.

Al met al geen hobby voor langslapers, want de leeuwerik is voor dag en dauw actief en dreigde het loodje te leggen als men te lang talmde met het verstrekken van zijn ontbijt. Als hij eenmaal goed vloog, kwam de vogel in de leeuwerikskorf, weer met een graszode om op te zitten. Want door de gesteldheid van zijn poten kan hij niet op stokjes of takken staan. De kooi hing men aan de zoldering, zo dicht mogelijk bij een raam. En zingen maar.

Voor een goeie leeuwerik werd anno 1707 wel vijf gulden geboden, zo blijkt uit een zaakje dat voor het stad-Groninger Nedergericht diende. Dat was een of twee gulden meer dan een kanarie deed, of bijna het weekloon van een geschoolde, volwas (scheeps-)timmerman.

Hier en daar houdt men nog wel leeuwerikken in Nederland, zonder meer een illegale aktiviteit. In Brabant komt men daar trouwens openlijker voor uit dan in het noorden. Hoe zuidelijker in Europa, des te groter de kans is dat er leeuwerikken worden gehouden.

Geplaatst op 17 maart 2007  d

Een andere culturele aanwending, het bejagen van zwermen leeuwerikken in het najaar en de winter, heeft eveneens het langst stand gehouden in landen als Italië, Frankrijk en Spanje, terwijl die jacht hier in Noord-Nederland begin twintigste eeuw al voorgoed passé was.

Tot diep in de negentiende eeuw jaagde men in Groningerland nog wel op zangvogels. Omdat het kuieren rond de wallen van de stad zo een stuk minder aangenaam werd, beschermde een placcaat van 1767 hier weliswaar nachtegalen en vinken, maar bijvoorbeeld de leeuwerik bleef alom in Stad en Lande een “vrije vogel”, ten prooi aan boeren, burgers en
buitenlui. Mogelijk bejaagde jonker Coppen Albert Jarges, die in 1681 maar liefst negen vis- en vogelnetten in zijn stadsonderkomen naliet, met zijn vogelnetten de leeuwerik. Vrijwel zeker is dat het geval met Evert Jans, die een winkeltje in koffie en meel uitbaatte, maar ook een “leewerix net” bezat (1741). Meer professionele vogelvangers leefden er trouwens ook in de stad. Zo woonde er anno 1762 ene Engelbert in een kamer aan het Zuiderdiep, die heel vroeg opstond omdat hij de kost verdiende “met vogelen te vangen”, terwijl er na 1805 een Jan Jans in het Groninger opsporingsregister stond, een plat Gronings pratende metselaar die zich ’s winters met het vangen van vogels in leven hield.

Hoewel er ’s winters op de kale moeskerstuinen ten noorden en zuiden van de stad best wel eens groepen leeuwerikken geweest zullen zijn, moest de jager voor de grotere zwermen naar de braakliggende akkers van het Hogeland, het Oldambt of de Veenkoloniën. Volgens een voornaam heer uit Friesland, die een boerenhandboekje schreef waarvan de tweede druk anno 1768 ook in Groningen verscheen, waren er in Friesland, en waarschijnlijk dus ook in Groningerland, vier jachtmethoden in zwang, drie min of meer aristocratische en één volkse.

Een heer verschalkte leeuwerikken met een fuik, een sleepnet gecombineerd met een roofvogel, of een stelnet, terwijl de gewone man zich alleen van het sleepnet bediende.

Met de fuik ging het zo. Eerst werd die op leeuwerikkenland geposteerd, met bij voorkeur een paar aan touwtjes vastgemaak­te lokleeuwerikken vlakbij de opening. Dan, liefst ’s avonds, als leeuwerikken niet hoog vliegen en dichtbij elkaar zitten, dreef iemand ze met een geschilderde koe of paard naar en in de fuik. Een ervaren drijver kon er op die manier veel vangen.

De methode van het sleepnet gecombineerd met een valk, havik, sperwer of uil maakte gebruik van de angst van de leeuwerik, die stil op de grond gaat liggen en zich niet meer verroert als hij een roofvogel ziet. De roofvogel moest dan wel doorlopend in beweging zijn op de ene arm van de jager, die met zijn andere arm het net over zijn prooi heen sleepte. Op die manier vielen er veel minder leeuwerikken ineens te vangen.

Een nog veel effectiever middel was het stelnet, een manshoog net van veertig, vijftig meter breed, met mazen waar de kop van een leeuwerik net doorheen paste. Dit net werd op een herfstige of winterse namiddag recht, of in een iets gebogen vorm op een leeuwerikkenakker neergezet. Bij avondschemer dreef een grote groep mensen op een rechte of gebogen lijn de leeuwerikken, die dan niet hoog vliegen en steeds maar een paar meter verschikken, langzaam naar het stelnet. Tot de drijvers vlakbij dat net op een seintje plotsklaps flink wat herrie maakten, en de leeuwerikken in paniek het net invlogen. Op die manier verstrikten zich honderden vogels ineens, vooral als de drijvers een lang touw met vogelvleugels tussen zich in over de grond meesleepten, waarmee men alle vogels in een gegeven omtrek opdreef en insloot. Door het formaat van het stelnet, het touw met de vleugels en de grote groep drijvers was deze vorm van leeuwerikkenjacht kostbaar, “weshalven het ook meest een Jagt of Vangst is, die aan grote of andere ryke Heeren toekomt, en tot dien einde haar Volk kunnen ordineeren”, aldus de Friese heer.

De boeren zelf vingen leeuwerikken met sleepnetten, waarschijnlijk ook voor burgers uit de stad de populairste methode. Voor een optimaal resultaat bij deze jachtvorm moest het pikkedonker zijn. Een stel mannen ging dan tijdens de maanloze nacht een stoppelakker met veel leeuwerikken op, met tussen zich in een redelijk groot sleepnet, dat ze waterpas en iets boven de grond over het veld heen droegen. Onder dat net sleepte een staart over de grond, die de leeuwerikken met enig gedruis tegen het net op deed vliegen, waarna de dragers dat net lieten vallen en bij het licht van een “dieflantaarn” (die kon worden verduisterd) hun prooi onder het net vandaan haalden.

Al deze in het najaar en ’s winters gevangen leeuwerikken werden gedood, geplukt en ontdaan van ingewanden. Ze vormden een lekker hapje, maar niet voor iedereen. “Ze worden meest gebraden zynde gegeten”, aldus mijn bron, “dog ook op andere wyze, (…) maar ’t is geen gemeen Boere-Eten…” (gemeen = gewoon). Zelfs in het westen van het land at de gewone man geen leeuwerikken. Volgens Le Francq van Berkheij vormden leeuwerikken daar “lekkernijen voor Adellijke tafels en die der aanzienlijke kooplieden”. En als de leeuwerik in Friesland en Holland al iets exquis voor de beter gesitueerden geweest is, dan ging dat zeker voor Groningen op.

Gewone Nederlanders vingen wel leeuwerikken, maar aten ze zelden of nooit. Een groot verschil, toentertijd al, met hun Fransen standgenoten, “die nog al veel op hebben met het eeten van klein wildbraad”. Voor die Fransen waren leeuwerikken gewoon licht verteerbaar met wat spek en peterselie, of verwerkt in ragouts en pasteien.

Gewone Groningers bliefden geen leeuwerik op hun bord. Een enkele keer, begin januari 1778, konden zij ook in de Groninger Courant lezen, hoe het mensen verging die ze wel lustten. Het bewuste bericht kwam van nabij de grote rivieren, op de grens van noord en zuid:

“NYMEEGEN den 3 Januari. In den voorleden Week is hier aan het huis van zeeker geweermaker dit droevig ongeval gebeurd. De voornoemde geweermaker leeuwrikken geschooten, en daarop zyn huisgezin vergast hebbende, zyn alle die, welke daar van hadden genuttigd, doodziek geworden, waar onder ook de man zelfs. Dog niemant ongelukkiger dan de vrouw, die dit werklyk met de dood heeft moeten boeten. Men heeft zedert andere Leeuwrikken geschooten, en derzelver kroppen geopend hebbende, dezelve geheel en al vervuld bevonden met dolle kervel, welke zy zoo men zegt, des winters, wanneer de grond bevroozen is, en zy op geen wormen kunnen aazen, veel tot voedzel gebruiken.”

Geplaatst op 17 maart 2007  e


Sebastian Munster gespiegeld

Geplaatst op 7 maart 2007

Dit stadsaanzicht van Groningen trof ik aan op de site van een Amerikaans antiquariaat. Volgens de aanbieders dateert het plaatje van 1598, en is het gemaakt door Sebastian Munster (1488 – 1552). Het boek waar het uit komt, staat er niet bij, maar eerder heb ik eens een ingekleurde versie gedownload en die kwam volgens de opgave uit Guicciardini’s beschrijving der Lage Landen. Het zal dan wel om een zoveelste Duitse herdruk gaan.

Afgezien van de kleuren, zijn beide kaartjes identiek. Beide hebben dezelfde legenda, en daar is iets loos mee. Binnen de stad gaat het nog wel. A is de hoofdkerk, oftewel de Martini, en H de Onze Lieve Vrouwe-, oftewel de A-Kerk. Dan denk je dat het aanzicht vanaf het noorden gemaakt is en dat twee poorten op de voorgrond de Ebbingepoort links en de Boteringepoort rechts zijn. Maar dat klopt niet met hun statuur. De Boteringe- deed onder voor de Ebbingepoort.

Bovendien zien we rechts de letter K staan. Deze duidt de Oosterpoort aan, waar je de A-poort verwacht. Nog gekker wordt het bij de legenda voor het buitengebied. L, op de rechterkant maar hier buiten beeld, staat voor het Aduarder Klooster. Op een plek waar je hooguit Peize verwacht. En helemaal links, hier eveneens buiten beeld, zijn Hoogkerk en Lettelbert (als T en V) gesitueerd, dorpen die zich, als je vasthoudt aan een schetspositie ten noorden van de stad, op de rechterflank zouden moeten bevinden.

Ik denk dan ook dat het prentje niet vanaf het noorden, maar vanaf de zuidkant van de stad gemaakt is. Door het kaartje te spiegelen…

Geplaatst op 7 maart 2007  b

…klopt in elk geval de hiërarchie van beide poorten weer: links vind je dan de rijkere Herepoort, de belangrijkste van de stad, en rechts de secundaire en wat eenvoudiger uitgevoerde Oosterpoort. De lintbebouwing buiten de Herepoort en de wat meer verspreide huizen buiten de Oosterpoort voldoen met het geaccidenteerde terrein ertussen dan ook aan het beeld uit andere bronnen, zoals de kaart van Jacob van Deventer (ca. 1560). Bovendien klopt dan ook de positie van Aduard weer – nu linksachter -hoewel ik moet toegeven dat het met de andere legenda zoals Hoogkerk en Lettelbert nog steeds even beroerd gesteld is als bij de ongespiegelde versie.


Overspel bij het wasvat

Geplaatst op 22 februari 2007  a

Jan Remmerts was begin twintig en Geertruid Hindriks ongeveer vijftig jaar oud, toen ze in november 1737 in de Martinikerk trouwden. Bracht Jan zijn mankracht en misschien wat soldatenspaargeld in, Geertruid had, naast haar twee kinderen, een huisje met een bleek buiten Klein Poortje (nu omgeving Cultuurcentrum), welk vastgoed 240 gulden waard was.

De ex-soldaat en de blekersweduwe trouwden in gemeenschap van goederen. Ondanks het ook voor die tijd grote leeftijdsverschil, dat het krijgen van kinderen uiteraard in de weg stond, bleef hun huwelijk de eerste tien jaar probleemloos. Wel had het echtpaar voortdurend ruzie met de enige buurman, de scheepstimmerman en hellingbaas Anthonie Jans, die hun het recht van overpad over zijn terrein naar de Bonte Brug ontzegde, en die door het afgraven van een diepswal wateroverlast op de bleek veroorzaakte, kwesties waarin Anthonie overigens aan het kortste eind trok.

In november 1746 kwam er een nieuwe dienstmeid bij de blekerij inwonen, de ruim twintig jaar oude karremennersdochter Hindrikje Zweises, in de wandeling Hinne. Na verloop van tijd zou Hinne aanleiding geven tot grote spanningen in het huwelijk van haar baas en bazin. De knechten van Anthonies’ scheepstimmerwerf zagen Jan Remmerts en Hinne vaak samen en ook kwam de bleker wel eens op bezoek in de Herepoortenwacht, de woning van Hinne’s ouders.

Hoewel Jans’ vrouw de arbeidsovereenkomst van de dienstmeid op Allerheiligen (1/11) 1748 verlengde, kwam er enige dagen later bericht uit de Herepoortenwacht dat Hinne na haar meidenvakantie niet weer op de bleek zou komen werken. Hinne was namelijk zwanger.

Begin maart 1749 bracht ze een zoon ter wereld. Tegen de oude vroedvrouw, Hinkende Jantje van de Nieuwstad, die ambtshalve verplicht om een ongehuwde moeder tijdens het kramen uit te horen over de verwekker van haar kind, verklaarde Hinne dat een mennist (doopsgezinde) van buiten de Oosterpoort de vader was. Tegen haar moeder hield Hinne echter vol, dat een schoenmakersgezel haar bezwangerd had, een dermate luie vent dat ze er niet mee wilde trouwen. Hinnes moeder kreeg de naam van deze man nooit te horen en foeterde maar niet, “uit vreze voor groter kwaat” dan deze ene “misval” van haar dochter.

Intussen gingen er praatjes rond dat Jan Remmerts de verwekker van Hinnes kind was. De bleker deed niets om deze geruchten te ontzenuwen, integendeel, want enige weken na de bevalling drong hij er bij zijn vrouw op aan om Hinne weer in dienst te nemen. Geertruid weigerde – “Wat zal die canalje op de bleke doen?” – maar haalde bakzeil toen Jan anderhalve week lang geen stom woord meer tegen wie dan ook sprak. Hinne keerde echter niet terug als interne dienstbode, maar als externe wasvrouw, die dagelijks voor haar werk zou worden betaald. De ochtend dat ze tot zichtbaar genoegen van Jan weer op de bleek verscheen, luidde Geertruid’s welkom: “Nu zals doe hoere met myn kerel huishouding doen”.

Hinne betaalde haar moeder achttien stuivers kostgeld in de week voor het kind, wat mogelijk was doordat ze op de bleek relatief goed verdiende en daar bovendien te eten kreeg. Maar ze kon dan ook schrijven, een kunst die Jan en zijn vrouw niet beheersten. Toch zou het ruime kostgeld tot het nieuwe gerucht leiden, als zou Jan de bleker het kind van Hinne de wasvrouw onderhouden.

Jan werkte ook deze speculatie weer zelf in de hand, door nog vaker dan voorheen en soms wel twee maal daags op visite te gaan in de Herepoortenwacht. Hij tracteerde de moeder van Hinne, haar stiefvader – “een out uitgeleeft man, die daar ook niet gerekent wordt en die geen erg heeft” – en de wel degelijk oplettende kostganger dan op een borrel en trok zich af en toe met Hinne terug in de donkere turfhoek, achter een gordijn. In de woonkeuken knuffelde hij het onechte kind wel eens, hij speelde ermee en praatte er tegen. Een enkele keer, als de poort al dicht was en Jan de stad niet meer uitkon, bleef hij zelfs in de Herepoortenwacht overnachten.

De buren van de Herepoortenwacht, aan wie de frequente bezoeken niet ontgingen, riepen Jan wel na: “Daar gaat de pal weer” (pal of pol = beschermer, souteneur). Maar de bleker trok zich daar niets van aan en bleef komen. Ook dichterbij huis werd Jan wel eens gekapitteld. Door de knechten van zijn vermaledijde buurman Anthonie bijvoorbeeld, maar ook door Hindrik Heres, een koemelker (veehouder) aan de overkant van het Winschoterdiep.

Jans vrouw troonde deze Heres vlak na Hinnes terugkomst op de bleek eens mee om een koe te bekijken, waarna ze in diens bijzijn haar man confronterend voorhield: “Ik weet wel dat het kind van u is, laat haar tog van de bleke”. Jan reageerde niet verbaal, maar werd lijkbleek en zocht steun tegen een staander. Alleen gelaten met de koemelker, gaf Jan geen sjoege op diens vermaan, dat hij zijn oude vrouw zoveel verdiet niet mocht aandoen en dat hij Hinne met wat geld van de bleek moest sturen.

Begin 1750 kregen Jan en zijn buurman Anthonie, de scheepstimmerbaas, andermaal ruzie, nu over een dakgoot die Anthonie bezig was aan te leggen, en die uitwaterde op grond van de bleker. Jan wilde de verdere aanleg verhinderen, waarop Anthonie tegen hem zei dat hij naar zijn hoer moest lopen. Hinne, bij het geval aanwezig, gaf Anthonie lik op stuk: “Hij kan alleen beter een hoere onderholden als jé seven”. Toen Anthonie de bleker sloeg, wilde Hinne de hellingbaas te lijf gaan met een hooivork, hetgeen omstanders ternauwernood wisten te voorkomen.

In de winter van 1750 op 1751 kwam er steeds een soldaat naar de bleek, die naar Hinnes hand dong. Jan verbood de man nog langer te komen, “om reden dat hij dat geloop niet wilde hebben”, en gaf smalend op hem af tegen Hinne. De soldaat kwam op een middag in kennelijke staat terug om met een mes verhaal te halen. Jan werd door zijn stiefzoon ontzet. De soldaat hield zich voortaan verre van Hinne.

Binnenshuis werd Jan steeds driester. Voor de beide dienstmeiden, die veel korter dan Hinne op de bleek werkten, was het al spoedig duidelijk dat hun baas “seer gestijvert” was op Hinne. Hij haalde haar dikwijls aan als ze bij het wasvat stond, ze stoeiden nogal eens en hij zoende haar ook, al was hij daar wat voorzichtiger mee. Hinne zelf had bij dit alles een meer passieve rol: ze onderging het, maar zonder spoor van verzet. Aan tafel, in bijzijn van Jans’ vrouw, keken Jan en Hinne elkaar steeds in de ogen en soms zei hij hardop: “Hinne wat hebbe ik die lief.”

Hoewel Hinne als wasvrouw bij daghuur werkte en ze met haar kind bij haar moeder en stiefvader in de Herepoortenwacht woonde, bleef ze, als er veel werk was, ook wel eens ’s nachts op de bleek. De dienstmeiden haalden dan haar zoontje op uit de Herepoortenwacht. Die maakten zo eens mee dat een boze Hinne de peuter, die op haar schoot zat, een tik verkocht, waarop Jan zei: “Fooi, wat biste lelik tegen het kint Hinne, als doe mij de jonge slagste, ik wil die mijn leven geen jonge weer maken”. Hinne had haar hoofd geschud: “Meester ben je niet wijzer? Wat praat is dat, waarom houje u niet stille?”.

Bij het koffiedrinken en bij het eten hoorden de dienstmeiden Jan zijn vaderschap van Hinne’s kind meer dan eens bevestigen. Als het kind wat verdrietig was, nam hij het van haar over en zei dan: “Kom geef dyn vaar een bekje”.

De houding van Geertruid, de vrouw van Jan, was bij dit alles ambivalent. Als Jan de nacht elders door had gebracht, was dat erg tegen haar zere been. Dan schold ze hem uit: “Doe schelm, doe houwste met andere vrouwluy toe”. De tafelmanieren van Jan en Hinne verdrietten haar tot schreiens toe. Tegen de dienstmeiden klaagde Geertruid dat Jan zoveel liefde voor Hinne had “dat zij er niet konde aan doen”. En over sommige uitlatingen van Jan zei ze: “De baas vlapt maar uit al wat hij weet en niet weet”. Maar ze liet zich ook eens bij een gezamenlijk toertje door de sneeuw op een slee rondschuiven door Jan en Hinne. Wat aantoont dat ze zich af en toe ook met de situatie verzoende, en dat ze er in dit stadium zeker geen belang bij had, dat de affaire uit zou komen.

Geplaatst op 22 februari 2007  b

Dan, in het voorjaar van 1751, veranderen in korte tijd het gezicht en de gelaatskleur van Hinne. Op vrijdag 30 april van dat jaar is Jan opeens verdwenen, onder medeneming van bijna zevenhonderd gulden.

Hij had zijn vertrek goed voorbereid. Eerst bezocht hij Lucas, de tolmeester van de Oude Rodehaan, die hem vierhonderd gulden leende op het plausibele voorwendsel dat Geertruids zoon geld nodig had om zijn ‘snikke’ (trekschuit) af te betalen. Daarnaast ging Jan er vandoor met bijna driehonderd gulden spaargeld. Van het totale bedrag kon iemand minstens drie jaar voort.

Na Jans verdwijning zetten Hindrik Heres de koemelker en Geertruids zoon een kortstondige zoekactie op touw, maar tevergeefs. Heres, die zich al eerder als haar huisvriend en vertrouweling manifesteerde, raadde Geertruid aan om Hinne en haar kind op de bleek te laten blijven, dan zou Jan wel gauw terugkomen. Tegen Hinne sprak de koemelker diezelfde vrijdagavond nog zijn vermoedens uit: “Ik wed met die om een ducaton dats doe weetste waar jan bleeker gebleven is”; “Hinne, doe solste hem wel agter na gaan.” Hinne schreidde. Ze wist niet waar Jan was, zei ze.

Dat een overspelige echtgenoot er met geld vandoor ging om in den vreemde kwartier te maken voor zijn lief kwam wel vaker voor – ook bij anderen leefde de veronderstelling dat Hinne Jan volgen zou. Zo kwam de kostganger van de Herepoortenwacht ’s zaterdagsavonds thuis van een reis naar Drente. Hinnes moeder lichtte hem in: “Zal ik u wat niews zeggen, de bleker is er met gelt van zijn vrou afgelopen”. Maar de kostganger had onderweg al iets opgevangen, want met een schuins oog op Hinne, die stilletjes in een hoekje zat te naaien, zei hij: “Ze hebben ook gezegt dat uw dogter met is”. Hinnes moeder reageerde verbolgen op ’t praatje: “Dat moeste wel een canalje van een vroumensch wezen die zo een kerel agter na trok”.

De vermoedens kwamen uit. Hinne ging er eveneens vandoor, met haar kind. Die maandag de derde mei zag men haar voor het laatst. Jan en Hinne hadden kennelijk toch wat afgesproken. Nu kwam het in deze tijd redelijk vaak voor dat een echtgenoot of echtgenote uit zicht verdween. Meestal kraaide daar geen haan naar en hernam het leven zijn loop. Jan had echter de euvele moed om weer op te duiken. En dat binnen een maand.

De bewuste zaterdag de 22-ste mei 1751 beleefde het buurtje aan het begin van het Winschoterdiep een gedenkwaardige avond en nacht. Toen Jan zich weer in de blekerij aandiende, met enkel nog wat reisgeld, beet zijn vrouw Geertruid hem toe: “Doe schelm, doe hoerejager, wat doestoe hier weer”. Jan antwoordde dat hij zijn spullen kwam ophalen en dat hij van tafel en bed wenste te scheiden, als dat juridisch mogelijk was. Geertruid stuurde prompt een knecht langs de huizen in de omgeving, om buurmannen op te halen. Die kregen te horen dat ze bang was dat Jan weer weg wilde lopen. Ze moesten Jan bewaken tot de sterke arm hem overnam. Vier kerels, waaronder huisvriend Hindrik Heres en erfvijand Anthonie Jans kweten zich van deze taak.

Geertruid trakteerde de mannen op jenever en nam zelf ook een stevige borrel. Haar zoon, eveneens van de partij, knoopte een gesprek met de zondaar aan. Hij vroeg waar Jan die 700 gulden had gelaten. Antwoord: “Wij waren zijn paap niet en hij ongebonden om daarover te biegten”.

Waarom Jan met geld van zijn vrouw was weggelopen, wilde Hindrik Heres weten. Jan ging er niet op in. Een furieuze Geertruid, op zoek naar een doorbraak: “Waar heb je de sevenhondert Gl. gelaten daarje mede bent doorgegaan”. Jans’ repliek: “Ik hebbe maar 400 Gl. gehadt”. Blijkbaar beschouwde hij het spaargeld als iets van zichzelf alleen.

Geertruid stapte af van het financiële thema en verweet Jan dat Hinne hem was nagetrokken naar Friesland. Zwijgen was haar deel. Ze gooide er een schepje bovenop en vertelde het gezelschap dat Hinne een kind van Jan had. Dat het geld weg was wilde ze door de vingers zien, maar op één voorwaarde: “Doe afstant van het vroumensch daar je het hoerkint bij hebt en blijf bij mij, het kint zullen wij onderhouden, maar laat de hoere van de bleke af”.

Jan verzocht slechts andermaal om zijn spullen en Geertruid speelde haar laatste troefkaart uit. Ze verkondigde dat Hinne weer in verwachting was, door toedoen van Jan. Voor 24 weken stonden Jan en Hinne innig verstrengeld tegen een pilaar in de stal, dat was de “vleeschelijke gemeenschap” geweest waardoor Hinne weer zwanger raakte. “Praat wat aan”, lachte Jan, die tegen de gasten opmerkte “dat zijn vrouw geen meer verstand hadde als Got haar hadde gegeven”. Alle verwijten die Geertruid verder nog uitte, deed hij schertsend af.

Toen het gezelschap honger kreeg en er eten klaargemaakt werd vroeg hij eerst pannekoeken met spek, om vervolgens deze menukeuze quasi te betreuren: “Geef mij maar een worst, ik mogte anders te geyl worden”.

De volgende ochtend, die van zondag de 23-ste mei, bracht Geertruid haar aanklacht in bij de president-Burgemeester, die de schulte en zijn drie dienaren beval om Jan over te brengen naar de Poelepoort. De kosten van Jans’ “civil arrest” aldaar kwamen voor rekening van Geertruid.

Op woensdag 26 mei onderzocht de stadsfiscaal (publieke aanklager) de gegrondheid van haar aanklacht door de buurmannen en haar zoon te verhoren. Dit gerechtelijke vooronderzoek leverde dermate veel gegevens op over de “slegte conduite” van Jan Remmerts, dat Burgemeesteren en Raad op zaterdag 29 mei besloten de bleker te laten overbrengen naar een ander cachot, de ‘stadsgeweldige’ in de Pontjesstraat, waar de ‘gijzelkamer’ Jans’ nieuwe onderkomen werd. De tien stuivers die deze detentie per dag kostte, betaalden de heren, die nu een strafrechtelijke procedure instelden. Kortom, Jan raakte van de regen in de drup.

In juni en juli verhoorde de fiscaal meermalen aanklaagster, zo’n dertien getuigen en Jan zelf. Merkwaardig genoeg hield Geertruid zich aanvankelijk op de vlakte. Nu de zaak deze vorm aannam, deinsde ze terug voor de consequenties. Ze weigerde nog langer de beschuldigende vinger uit te steken. Dat Hinne na haar bevalling op de bleek terugkeerde, daar was ze bijvoorbeeld helemaal niet op tegen geweest, “wijl dat mensch seer wel lesen en schrijven kon en wel arbeidde”. Ook had ze niet geklaagd tegen een of andere “naberman” en als die dat beweerde, moest hij het maar eens onder ede bevestigen. De avond dat Jan terugkeerde was ze “zeer driftig geweest en kan het niet waar maken”. De fiscaal werd er wanhopig van, zo wanhopig dat hij haar voorhield: “als zij dan niets kwaats van hem wiste, waarom zij dan eerst zo veel gedruis over zijn wangedrag heeft gemaakt”. Geertruid verklaarde zich nader: Jan had weliswaar het geld meegenomen en wilde ook scheiden, “maar hij hadde haar verzogt om vergiffenis en weer bij haar te mogen wezen”, “verzoekende deposante voor hem genade en geen regt en het mogte tog zo hoog niet lopen”.

Van Jan zelf werd de fiscaal evenmin wijzer. Hij was inderdaad met het geld van Lucas de tolmeester vertrokken, over Harlingen naar Holland. Bij zijn terugkeer in de blekerij had hij maar vijftien of zestien gulden over, de rest was uit zijn handen gevlogen in Den Haag, op de kermis, en nog in andere plaatsen waarvan hij de naam niet wist. Dat Hinne zich bij hem had gevoegd en dat hij haar het geld voor de opvoeding van het kind gegeven had, ontkende hij met klem. Het kind was niet door hem onderhouden. Jan loochende zelfs “enige bezondere liefde” voor Hinne en haar zoontje. “Eindelijk hem voorhoudende of hij genade pretendeerde dan of men met rigeur van regte tegen hem zoude procederen, verzogte gratie, zonder verder enige fout te willen belijden.”

Na de aanklaagster en de verdachte verhoorde de fiscaal de dienstmeiden van de blekerij, die hem wel belastend materiaal verschaften. Zij zagen het stoeien van de bleker en de wasvrouw, het aanhalen en het zoenen. Uit Jans eigen mond hoorden ze de liefdesbetuigingen en dat hij vader van Hinnes kind was.

Geconfronteerd met hun getuigenissen ging Geertruid door de bocht. Ze verklaarde nu openhartig “wel te weten wis en seker dat haar kerel met Hinderkje Zweis in overspel hadde geleeft”, gaf enige bijzonderheden en verwees de fiscaal naar de kostganger van de Herepoortenwacht. Deze vertelde over Jans bezoekjes, waarbij Jan en Hinne zich terugtrokken in het turfhok, achter het gordijn. De kostganger vond het erg jammer dat hij zelf zijn borrels moest betalen, sinds Jan vastzat.

Intussen ging er naar Friesland een opsporingsverzoek met een signalement van Hinne: “Zij is ongeveer 24 jaren ouwt en heeft een kint bij zich van ruim 2 jaren dat niet vrie is (gelijk men zegt) van de Engelsche ziekte; middelmaetig van postuir, langwerpig en bleek van wezen”. In Leeuwarden deed de stadsschout huiszoeking bij een koopman tegenover de aanlegsteiger van de Dokkumer snikke en bij een jeneverstoker die er op de Nieuwstad woonde, tussen De Zon en De Maan. Ook lieten de Friese autoriteiten nasporingen doen op verschillende bleken, zowel in Leeuwarden als in Sneek en Harlingen, maar zonder succes, want de “schuilevink” vonden ze niet.

Na nog een laatste verhoor van Jan, die hardnekkig bleef ontkennen, vonden de heren de tijd rijp voor een uitspraak. Jan kreeg dit vonnis op woensdag 11 augustus 1751 voorgelezen in zijn cel.

De heren achtten bewezen dat hij “een schandelijke en vervoeylijke conversatie” met Hinne had; er waren “de allersterkste en den reghte genoegsame indiciën van gepleegt overspel”. Dergelijke ontucht kon men niet tolereren en Jan werd daarom eerloos verklaard, met een boete van twee maal driehonderd daalder, voor zichzelf en zijn medeplichtige. Deze boete diende hij evenals de proceskosten binnen acht dagen te voldoen. Kon hij niet betalen, dan zou hij aan de kaak komen te staan om te worden gegeseld, waarna men hem uit Stad en Lande zou verbannen. Bij een eventuele terugkomst wachtte hem dan een nog zwaardere lijfstraf.

Vlak nadat het vonnis uitgesproken was, kreeg Jan bezoek van zijn vrouw en zijn stiefzoon. Ze vroegen of hij de zevenhonderd gulden nog had, zo ja, dan wilden ze er tweehonderd bijleggen zodat hij de boete zou kunnen voldoen. Jan weigerde, hij bezat het geld niet meer en hij wilde ook niet dat hij op deze manier loskwam, “dewijl hij een pyq had die er dog uit moest”. Hij was dus gepikeerd over het vonnis en zon op een manier om er onderuit te komen.

Hoe dat zou moeten, werd al spoedig duidelijk. Een neef van Jan, die er belang bij had “dat sijn familie so veel mogelijk niet bevlekt worde”, verzocht eerst de stadssecretaris en vervolgens Burgemeesteren en Raad “op het onderdanigste” om een afschrift van het vonnis, waarover hij een rechtsgeleerde wilde raadplegen. In beide gevallen ving de man bot. Ook kwam er nul op een rekest dat melding maakte van Jans “elendigen staat” en waarin de heren “gratieuselijk” om toestemming werd gevraagd voor een gesprek van Jan met een advocaat van de Hoge Justitiekamer.

De Hoge Justitiekamer (HJK), gevestigd aan de Oude Boteringestraat, was zojuist door prins Willem IV ingesteld als hoger beroepsinstantie van alle rechtbanken in Stad en Lande. Volgens haar kersverse criminele procesreglement moesten die rechtbanken alle vonnissen en achterliggende stukken voor de uitspraak overhandigen aan de Procureur-Generaal van de HJK, opdat deze ze zou kunnen onderzoeken. In het geval van Jan Remmerts, de eerste die van de nieuwe beroepsprocedure gebruik wilde maken, had het stadsbestuur dit verzuimd. Maar omdat de door de familie gewaarschuwde advocaten de nodige bellen deden rinkelen, ging de Hoge Justitiekamer er zelf achteraan. Burgemeesteren en Raad bleken in hun buitengewone vergadering van 19 augustus 1751 – de dag dat Jan de boete had moeten betalen – nog wel bereid de tenuitvoerlegging van het vonnis op te schorten, maar weigerden de HJK inzage in de stukken te geven, omdat ze het criminele procesreglement anders interpreteerden dan de HJK.

Bij dit soort competentiegeschillen tussen twee onderdelen van de Groninger staat was de prins de aangewezen scheidsrechter. Beide partijen, de HJK en de stad, zouden zich wenden tot het stadhouderlijke hof in Den Haag. Zolang de patstelling bleef bestaan, liet men Jan zitten waar hij zat.

Na anderhalve maand, op 9 oktober, beklaagde de HJK zich tegen Burgemeesteren en Raad dat ze nog steeds “geene het minste antwoort” had gekregen. Dit zou toch “ten eerste” worden gegeven, zo was beloofd. “Alsodane trainissementen” mochten geen “impediment” aan justitie veroorzaken. De HJK verzocht het stadsbestuur dan ook niet verder te “dilayeren” en “determinatyff” bescheid te geven. Dat deden Burgemeesteren en Raad ook nu weer niet. Het wachten was op de terugkomst van enkele heren die in Den Haag verbleven. Het stadsbestuur hoopte dat de HJK zich niet zou “impatiënteren”. Dezelfde dag nog echter stuurde de HJK een brief naar de prins, waarin ze klaagde over de obstructie van stadswege.

Het wachten was dus op een uitspraak van prins Willem IV. Maar Jan had pech, want er brak “een funeste epoque” aan: de prins kwam te overlijden. Vanwege het organiseren der rouwplechtigheden en het arrangeren der opvolging had men in Den Haag voorlopig geen tijd voor andere beslommeringen. Het stadsbestuur van Groningen weigerde ook in volgende gevallen de Procureur-Generaal inzage in haar processtukken.

Hangende het geschil deden de heren van de stad nog een halfslachtige poging om Jan tot een de facto bekentenis te verleiden. Zijn vrouw Geertruid werd medio februari 1752 ontboden bij fiscaal (aanklager) Ter Borg, die haar een aanbod deed. Als zij voor Jan een rekest bij Burgemeesteren en Raad indiende, met het verzoek om kwijtschelding van de halve boete, dan zou Jan weer op vrije voeten komen. Geertruid wilde dat wel, maar dan moest Jan afstand doen van zijn rechten op hun gemeenschappelijke bezit.

Met dit voorstel ging Geertruid naar de stadsgeweldige, waar ze haar man in bijzijn van de hoofdbewaarder, kapitein Lieftinck, door het luikje in zijn celdeur sprak. Ook Lieftinck oefende aandrang uit: “Dat machste wel doen Jan, en het moet voort geschieden”. Jan stemde toe en de volgende dag kwam Lieftick bij hem met een drieregelige tekst, die Jan “met syn gewone merk, sijnde een kruis” ondertekende. De kapitein huppelde van blijdschap toen hij Jans cel verliet. Dat kwam zo vreemd over dat de twee andere gevangenen tegen de bleker vroegen: “Jan Jan wat hestu gedaan, hestu daar getekent en die niet laten voorlesen?”

Het rekest is bewaard gebleven. De voor Jan opgestelde tekst vroeg “op het ootmoedigste” en “tot voorkominge van ruïne” om halvering van de boete. Maar de heren van de stad weigerden toen puntje bij paaltje kwam op het verzoekschrift in te gaan, omdat er eerst bericht uit Den Haag moest komen.

Jan werd nu van de gijzelkamer naar een andere ruimte in de stadsgeweldige gebracht, waar de kost nog zeven stuivers per dag bedroeg in plaats van tien. Het logies was er nog wat kariger.

Nog diezelfde maand maart bleek de commissie onder leiding van Burgemeester van Iddekinge, de luitenant-stadhouder en sterke man van de stad, klaar te zijn met een rapport over de “differenten en dissententen” met de HJK. Burgemeesteren en Raad, in hun breedst mogelijke samenstelling bijeen, droegen de commissie op om de zaak “soodanig te concipiëren en materneren” dat ze aan Hare Koninklijke Hoogheid, de prinses-gouvernante Anna kon worden voorgelegd.

Eveneens in het geheim besloten Burgemeesteren en Raad, de Brede Raad alsmede Taalmannen en Gezworen Meente om een afvaardiging naar Den Haag te sturen, die uit een Burgemeester, drie Raadsheren, een Taalman en een Gezworene zou bestaan. Deze brede bezending ontving een instructie, die behalve veel plichtplegingen en een opening van de zaak Jan Remmerts ook het punt waar het om ging bevatte: dat de stad geen pottekijkers in haar criminele procedures duldde.

Ook van de HJK ging er een delegatie naar Den Haag. Die van de stad vertrok op 14 juni en kwam op 22 juli terug; die van de HJK zal eenzelfde periode uit geweest zijn. Daar in Den Haag liepen de Groninger heren de drempel van Huis ten Bosch plat. Ondanks hun aandrang deed de Gouvernante tijdens hun verblijf nog geen uitspraak, die zou ze per brief sturen en ze wees slechts een Friese Gedeputeerde en de Procureur-Generaal van Holland aan om haar van advies te dienen.

Vlak voor kerst kreeg Jan in de stadsgeweldige een nieuwe “rok” (overjas) van acht gulden aangemeten op kosten van het stadsbestuur. De oude was kennelijk versleten en kon de kou niet meer aan.

Eind januari van het nieuwe jaar 1753 kwam het verlossende woord. De Prinses-Gouvernante bevestigde dat de Procureur-Generaal van de HJK de stad-Groninger processtukken mocht inzien. Burgemeesteren en Raad, de Brede Raad alsmede Taalmannen en Gezworen Meente berustten in de uitspraak. De HJK betoonde Hare Koninklijke Hoogheid een “sensibel genoegen over de gunstige reflectie”.

Eindelijk raakte Jans zaak in een stroomversnelling. De HJK willigde zijn verzoek om appel in. Jan kreeg nu na de Poelepoort en de stadsgeweldige de derde bajes van binnen te zien, want hij werd overgebracht naar het cachot van de HJK, ook wel ’s Hoves Gevangenis of het Geweldigen Hof geheten.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

De cellen van de Hoge Justitiekamer, Oude Boteringestraat.

Drie heren van de HJK onderwierpen hem daar op 7 maart aan een uitgebreid verhoor. Opnieuw ontkende Jan zijn affectie voor Hinne. Hij had bijvoorbeeld nooit met haar gestoeid, “sijnde eens op den 1 January 1751 door sijn vrouw van de stoel op de vloer getrocken om met de meyden en arbeiders mede te danssen, maar had sulks egter niet gedaan”.

Afstandelijk en onkreukbaar, zo diende de ware pater familias tegenover het personeel te zijn. Jan was wel eens bij Hinne thuis geweest onder de Herepoort, maar enkel en alleen met zijn vrouw. Ze dronken er dan koffie of een borrel en hij had er ook wel eens “een brukje” (boterham) gegeten. ’s Nachts was hij er nooit geweest, laat staan in het turfhok.

Het vaderschap van Hinnes kind had hij nooit geclaimd en voor het kind koesterde hij geen bijzondere affectie. “Dogh dat het eens op een sondagh was gebeurt, dat sij rijstenbrij hebbende gegeten en Hindrikje met haar kindt daar mede hebbende gegeten, hij an sijn stiefsoons kinderen wat suiker over de brij gegeven had, en teffens ook aan het kindt van Hindrikje medegedeelt.” Was dat dan verboden?

Hij ging van zijn vrouw weg omdat zij wilde dat hij haar zou inkopen in een gasthuis, terwijl het geld juist bedoeld was voor haar zoon zijn snikke. Op zijn reis had hij Hinne ontmoet, noch gezien. Hij deed inderdaad Amsterdam aan, zowel heen als terug, maar hij had in die stad geen kind langs de straten gedragen.

Bijna alle getuigen die in eerste instantie door Burgemeesteren en Raad waren gehoord, moesten opnieuw komen opdraven in de Hoge Justitiekamer. Jans vrouw Geertruid zei geen echte reden te hebben voor haar verdenkingen en “hadde hun ook niet te saemen op het bedde gesien, nog ook in de stal of op andere plaetsen”, al had ze wel haar vermoedens en verdriet gehad. Buurman en huisvriend, de koemelker Hindrik Heres zag de bleker zijn wasvrouw nooit met een vinger aanraken. Hij hoorde alleen de verwijten van Geertruid. Buurman en erfvijand, scheepstimmerbaas Anthonie Jans, verklaarde nooit veel bij de blekerij over de vloer geweest te zijn, omdat er altijd ruzie was geweest tussen hem en het blekersechtpaar. Hij kende het overspel ook alleen maar van horen zeggen. Anthonie probeerde de HJK nog wel op het spoor te zetten van een voormalige knecht, die gehoord zou hebben dat Jan eens aan de borsten van Hinne zou hebben gezogen, maar dat verhaal vond de HJK al te ongeloofwaardig om er werk van te maken.

Van meer belang waren de getuigen die in eerste instantie doorslaggevende verklaringen hadden afgelegd. De kostganger van Hinnes ouders in de Herepoortenwacht maakte Jan er weliswaar twee nachten mee, maar geen onvertogen woord meer daarover. Jan en Hinne stonden alleen maar in het turfhok te praten. De HJK liet wel enige nasporingen verrichten naar de dienstmeiden van de bleek, maar die waren niet meer te vinden, zei men in het buurtje even buiten Klein Poortje, aan het begin van het Winschoterdiep.

Een curieuze verklaring kwam van Hinnes moeder. Volgens haar was Hinne naar familie in Leeuwarden vertrokken en bleven brieven uit, “konnende Hindrikje niet schrijven en maar weinigh lesen”. Maar Jans zuster, een meisje uit het Groene Weeshuis, was nog bij wel even bij Hinne in Leeuwarden op bezoek geweest en naderhand had moederlief “van een Wije gehoort, die op Drenth ging te bidden, dat Hindrikje doot sou sijn.” Dwaalsporen? De bewering dat Hinne praktisch analfabeet zou zijn was in flagrante tegenspraak met een opmerking van Jans’ vrouw, die men in dit opzicht niet van partijdigheid kan betichten.

Medio april besloot de HJK dat de verhoren onvoldoende bewijs opleverden om het vonnis van Burgemeesteren en Raad te bekrachtigen. Jan kreeg afschriften van de getuigeverklaringen en toestemming om twee advocaten te spreken, die van ’s ochtend half negen tot ’s middags twee uur bij hem in de cel bleven praten. Daar Burgemeesteren en Raad hun vonnis niet verdedigden, moest de Procureur-Generaal bekijken of er nog grond voor vervolging was, want misdadigers mochten hun straf natuurlijk ook weer niet ontlopen.

De Procureur rapporteerde op 20 juni dat er “niets meer tot beswaar van den gecondemneerde is bevonden, maar wel dat sommige getuigen die bij Burgemeesteren en Raad tegens Jan Remmers hadden gedeponeert, (…) hunne getuigenissen hebben geretracteert, en geene beschuldinge tegens denselven ingebragt”. De functionaris van het gerechtshof concludeerde dat het stadsbestuur “op een gansch slordige manier” was omgegaan met Jan en hem op onvoldoende bewijs “in een akelige gevangenisse” had doen opsluiten.

De HJK besloot Jan Remmerts vrij te laten “mits onder handtastinge belovende van ten allen tijden des vermaant sijnde, sigh wederom te sullen sisteren, onder poenaliteit dat bij uitblijvinge gehouden sal worden de misdaat, waar over beschuldigt is geworden, te hebben bekent”. Jan kwam kortom vrij met het op de bijbel bezweren van zijn onschuld, na ruim twee jaar gevangenschap. Hij moest zich wel beschikbaar houden. Mochten er nieuwe bewijzen zijn en hij niet komen opdagen, dan werd hij alsnog wegens overspel veroordeeld.

Nadat Jan op vrije voeten kwam, vervoegde hij zich weer bij zijn bejaarde vrouw in de blekerij. Voortdurend had hij daar ruzie met zijn buurman Anthonie Jans. Ook met koemelker Hindrik Heres, vroeger de steun en toeverlaat van Geertruid, verkeerde hij in onmin. Geertruid had in de zomer van 1753 twee koeien laten weiden in land van Hindrik en deze moest daar eind 1754 nog steeds ‘weidegeld’ voor beuren. Jan weigerde te betalen, omdat hij de overeenkomst niet gesloten had. Voor het Nedergericht werd hij in het gelijk gesteld, maar Hindrik ging met succes in beroep. Daardoor liepen de proceskosten, waarvoor Jan in 1766 werd aangesproken, op tot bijna 640 gulden. Wie procedeert om een koe, geeft er een toe, zo luidt een spreekwoord.

Het verlies van het weidegeldproces vormde een doodsteek voor Jans’ bedrijf. In januari 1768 gingen hij en Geertruid failliet. De behuizing, de bleek, de schuur en de turfschuur, de wagen en het blekersgereedschap met het koperen wasvat kwamen onder de hamer. Geertruids zoon, de grootste schuldeiser, nam de zaak over voor 1540 gulden. Mogelijk bleven Jan en Geertruid tot hun dood inwonen in diens blekerij.