Slagersgrapje
Geplaatst op: 4 februari 2007 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenDertig jaar geleden gebruikte R. de Vries B.V. Slagerijen te Groningen dit frankeerstempel:

Zoekplaatje 4
Geplaatst op: 28 januari 2007 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenOmdat de vorige een makkie bleek, nu maar even een moeilijke. Dit zeventiende-eeuwse beeldhouwwerkje met zeemeerminnen en zeeduivel is nog net te zien vanaf de openbare weg. Waar in Groningen bevindt het zich? NB: Googelen op ‘Monumentum Antiquum’ helpt niet…

De moesker met het clavecimbel
Geplaatst op: 26 januari 2007 Hoort bij: Oosterpoort, Stad toen 14 reactiesOver de eerste school buiten de Oosterpoort

In de zeventiende en achttiende eeuw mocht iemand in en om de stad Groningen pas een school beginnen, als hij of zij lidmaat van de bevoorrechte gereformeerde kerk was, en een examen afgelegd had voor en een vergunning ontvangen had van de ‘scholarchen’, de commissie die namens het stadsbestuur toezicht uitoefende op het lagere en middelbare onderwijs. Deze bepalingen werden in de praktijk evenwel op grote schaal ontdoken, niet alleen door andersdenkenden, maar ook door gereformeerden. Zo was er na ca. 1690 een periode, waarin de scholarchen kwistig vergunningen uitdeelden en er een min of meer vrije vestiging van schoolhouders leek te bestaan. Dit liberale vestigingsklimaat werkte niet alleen een grote concurrentie in de hand en het lesgeven voor minder dan de afgesproken schoolgelden, maar veroorzaakte ook een gevoelig kwaliteitsverlies van het lagere onderwijs.
Anno 1730 was de situatie dermate geëscaleerd, dat zelfs de scholarchen begonnen te klagen over
“de excessive menighte der meesteren ende de weinige bequaemheydt van het grootste deel van haar”.
Het stadsbestuur stelde daarom paal en perk aan het getal schoolmeesters (m/v). Op dat moment waren er, afgezien van de 2 weeshuismeesters, 34 schoolhouders met een vergunning, waarvan er slechts 6 of 7 louter van onderwijs-activiteiten konden bestaan. Dat getal van 34 moest uitsterven tot 18 (2 per kluft = wijk). Daarnaast mochten nog 9 vrouwen (1 per kluft) scholen houden
“om de aller eerste ankomende tedere kindertjes tot sitten te gewennen ende haer het A.B. te leeren”.
Alle 27 schoolhouders zouden een additioneel tractementje krijgen uit het ‘peculium scholasticum‘ (de stedelijke schoolkas). De vroegere bepalingen over kerklidmaatschap, examinering en vergunning voerde het stadsbestuur daarbij opnieuw in en scherpte hij zelfs aan, evenals die t.a.v. de inhoud van het onderwijs. Oude schoolhouders die een vergunning hadden, mochten alleen dan doorgaan, als ze zich met goed gevolg door een predikant hadden laten onderzoeken op hun bekwaamheid in ’t godsdienstonderricht.
Het reglement van 1730 zegt niets over het schoolhouden onmiddellijk buiten de poorten van de stad. Daar bleef vooreerst het liberale vestigingsklimaat gehandhaafd, tot ook hier een uitsterfbeleid werd gewenst, misschien omdat schoolhouders zonder vergunning er een goed heenkomen zochten. In juni 1736 bepaalde het stadsbestuur dat er in de toekomst in de “voorsteden” nog maar drie schoolmeesters mochten opereren, één buiten de Here- en de Oosterpoort, een andere buiten de A-poort en de derde buiten de Boteringepoort. Deze drie mochten geen kinderen van binnen de stadswallen toelaten en kregen ook geen toelage uit algemene schoolkas. Ze moesten zich dus geheel en al bedruipen van het schoolgeld, dat ouders uit de buurt betaalden.
Het besluit van juni 1736 duidt er op dat er al onderwijs gegeven werd buiten de Oosterpoort. Dat kan kloppen, want vijf weken nadat het viel, leverde Elsien Geerts, de weduwe Basthagen, oud 70 jaar, een verzoekschrift in op het Raadhuis, waarin ze vertelde dat ze
“altijd nae de doodt van haar man school heeft gehouden buiten Oosterpoorte maar daar niet meer van kan bestaan…”
Ze verzocht “tot haar noodruft” om een wekelijkse toelage uit de algemene middelen, m.a.w. om op gelijke voet met de erkende schoolhouders in de stad behandeld te worden, hetgeen de heren van de hand wezen.
Elsiens rekest is de eerste vermelding van een onderwijsvoorziening buiten de Oosterpoort. Wat waren de achtergronden van deze onderwijspionier, waar werd er buiten de Oosterpoort school gehouden en wat moeten we ons ongeveer voorstellen bij die school?
Qua achtergrond van de weduwe Basthagen liep mijn spoor dood in Tinallinge, waar haar man Roebert Basthagen omstreeks 1694 tot koster, schoolmeester en organist werd benoemd door de op huize Weerda residerende jonker Pompejus Gruys, zich noemende ‘unicus collator’ van Tinallinge (wat betekende dat hij in zijn eentje de belangrijkste kerkelijke ambten ter plaatse mocht begeven). Buiten de lange zomer en de vakanties om vertoefde jonker Gruys meestentijds in de stad, waar hij Hoofdman (een van de hoogste rechters van Stad en Lande) was en bovendien Stadsartilleriemeester, zeg maar de baas over het Kruithuis.
In de kosterij van Tinallinge kregen Elsien en Roebert Basthagen tussen 1694 en 1703 zes kinderen, waarvan er drie al spoedig stierven. Anders dan andere kosters-schoolmeesters – zoals zijn opvolger – en ondanks een kerkelijke schorsingsbedreiging zette meester Basthagen niet zijn handtekening onder de calvinistische ‘Formulieren van Enigheid’ in het prothocol van classis (kerkvergadering) de Marne. Want jonker Gruys gaf hem nooit de beroepbrief, waarmee hij zich in de classis moest vertonen. Zoals wel meer jonkers toonde Gruys op deze manier wie de macht had in de locale kerk: hij, en niet de predikanten van de classis.
Bij gebrek aan een kerkeraadsprothocol is er weinig bijzonders te melden over het leven en werken van de Basthagen’s in Tinallinge. Net als zijn collega’s elders in de Marne zal meester Basthagen te maken hebben gehad met veel schoolverzuim, waardoor het zoeken van bijverdiensten op de borg of in de schepperij (het waterschap) noodzakelijk was, temeer daar ook het boerenwerk op de kosterij bepaald geen vetpot was. Maar over Basthagen deden er geen verhalen de ronde, zoals over zijn collega van Leens, die met de noorderzon verdween; of de vakbroeder van Saaxumhuizen, die tijdens een kerkdienst dronken was; of de pedagoog van Obergum, die op een zondag in de herberg voor lichte vrouwen op de viool speelde en die bij een bloederige vechtpartij in het plaatselijke godshuis zijn opponent de neus dreigde af te bijten.
En toch voldeed meester Basthagen niet, althans niet in de ogen van de man die hem aangesteld had. In april 1707 kreeg de schoolmeester de wedman aan de deur, die hem uit naam van jonker Gruys de gerechtelijke aanzegging deed dat hij binnen acht dagen uit de kosterij moest vertrekken
“ende sulx om redenen de E. Heer Gruis daartoe moverende”.
Met andere woorden: de koster kreeg zijn congé en de jonker beliefde het niet dit ontslag schriftelijk te motiveren.
Het kan zijn dat Basthagen aan de verkeerde zijde was gaan staan in de partijstrijd die het dorp in zijn greep had. Want Tinallinge werd beheerst door twee ‘cabalen’ of facties, die elkaar geen duimbreed toegaven. De ene partij stond onder leiding van jonker Gruys en de andere werd aangevoerd door redger (plaatselijke rechter) Scherius, een zetbaas van de Heer van Ulrum. Gruys en Scherius lagen al langer met elkaar overhoop over aandelen in de schepperij van Baflo en de collatie van en de glazen in de kerk van Tinallinge, en het conflict kwam opnieuw tot uitbarsting na het ontslag van de schoolmeester.
De redger vocht dit ontslag onmiddellijk aan en ontzegde de jonker het recht om het kosterijland te verhuren. Bovendien benoemde de redger alvast een plaatsvervangende klokkenluider, hetgeen de jonker in het verkeerde keelgat schoot. In dit conflict trok jonker Gruys in oktober aan het langste eind, door een uitspraak van ‘zijn’ Hoofdmannenkamer.
Verder was er de zaak van de wedmansverkiezing, die net als Basthagens ontslag medio april 1707 plaatsvond. Deze verkiezing was op touw gezet door ds. Vechtman, de predikant van Tinallinge, een trouw aanhanger van jonker Gruys, en werd eveneens bestreden door Scherius, die op dit punt uiteindelijk kon triomferen omdat hij nou eenmaal zelf redger was.
Intussen liepen de emoties hoog op bij een maaltijd na een wegenschouw door de scheppers van Baflo. De daar voor “schelm” uitgemaakte redger Scherius graaide de pruik van ds. Vechtmans hoofd, gooide deze het venster uit, greep de predikant vervolgens aan zijn echte haar beet en sloeg diens gezicht met de vrije hand bont en blauw, totdat een collega van ds. Vechtman tussenbeide kwam. Tegen de vrouw van de predikant, die naderhand verhaal kwam halen, sprak redger Scherius de gedenkwaardige woorden:
“Brui wegh, ghy votse, wat hebt ghy hier te doen, of ik geef u een voet in den aars”.
Van die verheffende Ommelander dorpstaferelen. Ook over het koren op het bouwland, de mest, het hooi, de “eyde” (eg) en het “etgroen” (tweede gewas op gemaaid hooiland) van de kosterij zette men elkaar de voet dwars.
Basthagen had met dit alles verder weinig te maken. Hij en zijn vrouw hielden een boeldag om van hun overbodige spullen en schulden af te komen en vertrokken richting stad. Ds. Vechtman weigerde ze naderhand een attestatie van lidmaatschap te geven, iets wat pas in 1712 zou worden rechtgezet.
Na hun gedwongen vertrek uit Tinallinge kochten Roebert en Elsien een moeskerij aan de oostzijde van de Oosterweg. De precieze datum van deze aankoop is onbekend, aangezien er geen koopakte te vinden is, maar waarschijnlijk was het in 1708 of 1709. De vorige eigenaresse van de ondergrond had enige jaren eerder namelijk de behuizing op en de “overdracht” (beklemming) van de tuin “met het insaadt, boomen, planten en plantagiën met nog een bulte hooy” van het vorige moeskersechtpaar overgenomen voor slechts 104 gulden – waarmee tevens twee van de drie jaar huurachterstand goeddeels waren ingelopen – maar ze moest zich veel moeite getroosten om dit berooide echtpaar en naderhand de weduwe ook van de tuin te krijgen. Zelf maakte ze dat niet meer mee; het zou pas haar dochter en enige erfgename lukken, eind maart 1708, dus vlak voor het zaai- en plantseizoen.
Dat er geen koopakte is, kan enerzijds gelegen hebben aan die dochter, die haar erfenis er in zo’n hoog tempo doorjoeg, dat er een zaakwaarnemer benoemd moest worden, een neef die haar onder curatèle liet stellen. Anderzijds kan men het ontbreken van een koopakte ook zien in het licht van de jarenlange verwaarlozing, waaraan de moeskerij onderhevig moet zijn geweest. Want veel zullen Roebert en Elsien Basthagen er niet voor hebben neergeteld; wellicht was het zo weinig dat het de kosten en moeite van een gang naar de zegelaar niet eens loonde.
Het nieuwe eigendom van de Basthagen’s, de derde moeskerij aan de oostzijde van de Oosterweg, was 407 roe (ruim 0,6 ha.) groot en er moest 40 gulden en 14 stuivers grondpacht per jaar voor worden betaald, precies 2 stuivers de roe (16,94 m2). Afgezet op de huidige kaart van de Oosterpoort omvatte deze moeskerij een kleine 40 passen brede strook grond tussen Oosterweg en Meeuwerderweg, gelegen langs de zuidzijde van de tegenwoordige Jacobstraat. De behuizing stond ongeveer op de plek waar zich nu de binnenplaats van Oosterweg 76 bevindt.
Twee stuivers de roe was een standaardprijs voor moeskersgrond. Met die grond was niets mis. Anders was het gesteld met de bedrijfsvoering van de Basthagens, waarbij als verzachtende omstandigheid geldt, dat het in deze tijd wel meer moeskers niet voor de wind ging. Gaf Roebert bij een collecte voor de herbouw van de half ingestorte A-kerk in 1710 de op een na grootste gift van de moeskers buiten de Oosterpoort, hetzelfde jaar nog werd hij in rechte aangesproken omdat hij een koe niet betaald had. In 1711 bleef hij in gebreke na een boeldag waarop hij zich het een en ander aanschafte en in 1712 liet de nieuwe eigenaar van de tuinondergrond vanwege achterstallige beslag leggen op gewas en inboedel. In 1712 vorderde iemand bovendien nog een oude boekschuld op, waarvoor in 1714, na maar liefst vijf maal uitstel van executie, pand gehaald zou worden in de vorm van een bed met toebehoren. Tijdens dit proces betaalde Basthagen aanvankelijk ook niet de advocaat. Het veepestjaar 1714 vormde sowieso een rampjaar voor de Basthagens, want iemand eiste geld voor zijn hooileverantie en al hun roerende goederen werden op verzoek van de grondeigenaar gerechtelijk opgeschreven voor het geval dat.
Aan deze registratie danken we een inkijkje in het huis van Roebert en Elsien. Het lijstje met hun goederen omvat afgezien van de 3 “roothaarde” koeien en het kalf o.a. een boekenkastje met enige oude boeken, een zandloper en een clavecimbel, unieke voorwerpen voor een moeskersinboedel. Uit boeken haalde iemand zijn wijsheid, als hij daar tenminste behoefte aan had, maar dan behoorde hij wel tot een zeer kleine minderheid. Een zandloper gaf van dichtbij de tijd aan, bijvoorbeeld het eind van een les. En wat moest een groenteteler in hemelsnaam met een clavecimbel? In een redelijk gegoede burgermanshuishouding kwam zo’n voorwerp nog wel eens voor, maar in deze omgeving was het volstrekt ongekend. En reken maar dat er op gespeeld werd ook, want anders was het gezien het gebrek aan liquide middelen allang te gelde gemaakt. Behoud van kostbare voorwerpen uit nostalgie kon men zich in het milieu van de Basthagens allerminst veroorloven.

De boeken, de zandloper en het clavecimbel duiden erop, dat Roebert Basthagen zich buiten de Oosterpoort niet louter bezighield met het telen van groente en het melken van zijn rode koeien. Genoemde voorwerpen kunnen weliswaar niet ondubbelzinnig bewijzen dat hij hier doorging met lesgeven, maar ze vormen er wel een stevige aanwijzing voor.
Toen de Basthagens in 1716 opnieuw in het krijt stonden bij de eigenaar van hun tuin-ondergrond, en hun goederen andermaal geregistreerd werden, bevonden de boeken zich nog steeds op hun inventaris. Zo niet de zandloper en het clavecimbel; het muziekinstrument was vervangen door een viool, wel zo goedkoop, maar niet duidend op een einde aan de muziekpraktijk van de (ex-)schoolmeester. Van de drie koeien resteerde er op dat moment nog maar één. Nieuwe elementen in de inboedel vormden een partij vlas en enige percelen garen, waaruit we kunnen opmaken dat Elsien inmiddels met spinnen iets probeerde bij te verdienen.
Vlak na deze tweede opschrijving was het dat de Basthagens 300 gulden leenden van koopman Alle Writsers. Ook verkochten ze hun moeskerij voor 700 gulden, waarbij de nieuwe eigenaren een tot dan toe ongeregistreerde, restante hypotheek à 400 gulden van dezelfde koopman Writsers uit 1710 overnamen. Vergelijken we de nieuwe prijs van het vastgoed met die van het jaar 1704 – te begroten op ruim 185 gulden – dan blijkt de waarde van de moeskerij in twaalf jaar tijd bijna vier maal over de kop gegaan te zijn, een teken dat de Basthagens er het nodige aan hadden verbeterd. Waarschijnlijk was er een nieuw huis op de tuin gebouwd.
Begin mei 1717 ontruimden de Basthagen’s dit huis. Tot Sint Jacob (25 juli) van dat jaar verbleven ze nog in een slaapstee in de stad, om vervolgens richting Wildervank te vertrekken, waar ze van hun overgebleven geld en op een krediet van een tichelaar (steenfabrikant) uit Westerlee andermaal een nieuwe woning lieten neerzetten. Hoewel ik ook hiervoor geen enkel positief bewijs kon vinden, denk ik toch dat Roebert Basthagen zich in Wildervank – een uitdijende veenkolonie met een groeiende kinderschare – probeerde te vestigen als schoolhouder, zij het niet als een officiële, maar als een bijschoolmeester. Maar ook het verblijf in Wildervank was niet gelukkig en eind 1719 keerden de Basthagens terug naar de stad, waar ze inmiddels weliswaar twee verhuurde kamerwoninkjes onder één dak in de Kostersgang hadden geërfd, maar ook weer werden achtervolgd door schuldeisers, die uiteindelijk deze woninkjes gerechtelijk zouden laten veilen.
In het kader van deze procedures is het, dat we indirect van de dood van Roebert Basthagen vernemen. Op 12 december 1719 leefde hij nog, maar op 12 maart 1720 werd zijn weduwe aangesproken op een restant huis- en tuinhuur, waarmee we het begin van haar onderwijspraktijk buiten de Oosterpoort kunnen bepalen op 1720. Overigens noemde Elsien wijlen haar man in een rekest van eind maart 1720 nog “gewezen schoolmeester”, iets wat minder in de rede zou liggen als Roebert zich na 1707 helemaal niet meer met onderwijs zou hebben bezig gehouden. Ondanks het ontbreken van echte bewijzen neem ik dan ook aan dat niet Elsien, maar Roebert de eerste schoolhouder buiten de Oosterpoort was, temeer daar uit literatuur blijkt dat schoolmeesters vaak geassisteerd, en bij afwezigheid of ziekte vervangen werden door hun vrouwen, die als weduwen ook menigmaal de scholen van wijlen hun echtgenoten voortzetten.
Als Roebert Basthagen tussen 1708 en 1716 inderdaad buiten de Oosterpoort school heeft gehouden, dan zal dat in de derde moeskerij aan de oostzijde van de Oosterweg geweest zijn. De plek waar zijn weduwe tussen 1720 en 1736 haar onderwijs aanbood blijft echter een raadsel.
Op een lijstje van Elsien’s crediteuren uit 1722 staan louter leveranciers van binnen de wallen der stad, o.a. zaadkoopman Van Alsema uit de Herestraat. Onroerend goed heeft ze verder niet meer bezeten en huurders zijn nu eenmaal een stuk moeilijker te traceren dan eigenaars.
Misschien dat Elsien school heeft gehouden in een moeskerij van een zoon of dochter. Want drie van haar kinderen (Jan, Roebert en Trijntien) kwamen terecht op een moeskerij aan de Oosterweg.
Jan Roeberts Basthagen kocht ca. 1715 de eerste moeskerij aan de oostzijde. Hij stierf echter al in 1720, waarna zijn weduwe spoedig hertrouwde. Naderhand kregen deze vrouw en haar zwager Roebert Roeberts Basthagen, voogd over de zoon uit haar eerste huwelijk, ruzie, welk conflict resulteerde in het uit haar huis nemen van die zoon. De eerste moeskerij aan de oostzijde ligt derhalve minder voor de hand als plaats waar Elsien school hield.
Roebert Roeberts Basthagen, geboren in 1696, nam na een mislukt avontuur buiten de Boteringepoort in 1723 de achtste moeskerij aan de westzijde van de Oosterweg van zijn schoonmoeder over. Deze moeskerij lag naast het groenland waarop veertig jaar later het Sterrebos zou komen, een wat excentrische lokatie voor een school.
Trijntje Roeberts Basthagen, geboren in 1703 en op haar twintigste trouwend met Jan Geerts, kwam in 1730 met deze man van Sloterdijk terug naar Groningen, waarna ze de derde moeskerij aan de oostzijde van de Oosterweg betrokken, dezelfde moeskerij die van 1708 tot 1716 het eigendom was geweest van Roebert Basthagen senior en Elsien Geerts. Van de drie moeskerijen die in handen waren van Elsiens kinderen lijkt me deze nog het meest in aanmerking te komen als plek voor haar school, tenminste in 1736.
Hierbij zou ik het kunnen laten, ware het niet dat er nog een complicerende factor is in de vorm van Elsien’s tweede huwelijk met ene Jan Hansen, welk huwelijk in februari 1724 werd voltrokken. Van deze Jan Hansen weet ik verder niets. Maar of we veel belang aan dit huwelijk moeten hechten is de vraag, gezien het feit dat Elsien zich anno 1736 nog steeds de weduwe Basthagen noemde. Wellicht heeft Hansen na hun huwelijk niet zo lang meer geleefd – Elsien was zelf op het moment van haar tweede trouwen immers ook al 58 jaar.
Tot slot nog iets over de aard van het onderwijs dat hier door Roebert Basthagen en zijn weduwe zal zijn gegeven. Wat moeten we ons daarbij voorstellen?
De plaats waar op werkdagen van acht tot elf en van één tot drie uur (behalve op woensdag- en zaterdagmiddag) lesgegeven werd, was, zoals reeds uit het voorgaande kan blijken, een moeskerij, d.w.z. niet de krappe woonkeuken met haar vuurhaard en bedsteden maar de onverwarmde en slecht verlichte schuur erachter.
Als onbesproken lidmaten van de bevoorrechte, gereformeerde kerk zullen de Basthagens zich in deze schuur niet hebben onttrokken aan de opdracht van die kerk om
“neerstige acht te geven op de tedere spruiten, die an hare sorge en opsicht toebetrouwt worden, ten eynde deselve te cultiveren voor Godt en haer eeuwigh welvaeren”.
De godsdienstige en zedelijke opvoeding vormde inderdaad het alfa en omega van het basisonderwijs in deze tijd. De lessen begonnen en eindigden met gebed. De leermiddelen bestonden voor een belangrijk deel uit psalmen, spreuken, evangeliën, (verkorte) catechismussen en andere stichtelijke lectuur. En de belangrijkste leerdoelen waren het aanleren van eerbied voor God, de overheden, de gereformeerde kerk, predikanten, schoolmeesters, ouders en alle eerlijke mensen, alsmede het afleren van vloeken, zweren, ontuchtige praatjes, dobbelen, kaarten, kijven, vechten, bijnamen geven, met gebreken spotten etc.
In methodisch opzicht was het zaak om de jongste leerlingen eerst maar eens te doen gewennen aan eenvoudig stilzitten. Vaak waren deze jongste leerlingen nog peuters. Zo heet het anno 1730 hier in de stad dat
“veele borgeren en ingeseetenen de gewoonte hadden haere jonge kindertjes, selfs van 3 à 4 jaeren, seer vroegh nae de schoolen te senden, niet soo seer om daer te leeren, als wel om niet alleen van haer niet belemmert te worden in hunne huysdiensten, maer ook om gerust te syn dat se voor een groot gedeelte van de dagh waaren in eene versekerde plaetse…”
Juist om deze reden werd in genoemd jaar ook bepaald dat er in iedere kluft van de stad een vrouw aangesteld zou worden als (bewaar-)schoolhoudster.
Of de weduwe Basthagen een zuivere bewaarschool hield weten we niet, maar het lijkt me onwaarschijnlijk gezien ’t feit dat zij voor 1736 van de schoolgelden kon leven. Zeker is dat veel schoolmeesteressen zich niet tot alleen maar bewaren beperkten en net als hun mannelijke collega’s lees- en schrijfonderricht gaven, vooral aan kinderen tot zo acht, negen jaar, die daarna gewoonlijk door de ouders van school werden genomen om aan het werk te worden gezet. In deze omgeving zal dat niet anders geweest zijn en verdwenen de meisjes in een huishouding en gingen de jongens bijvoorbeeld op een tuin assisteren.
Meestal konden die ex-leerlingen dan al wel lezen, hoe onbeholpen ook. Ze hadden dat trapsgewijs geleerd, eerst door gotische en romeinse alfabetten uit het hoofd te leren, vervolgens door wisselende letters afzonderlijk te spellen, daarna door lettergrepen in hun verband te lezen, in ’t voorlaatste stadium door teksten spellend te lezen en uiteindelijk door lezend te lezen.
Schrijven was echter een geheel andere zaak, want daaraan mochten de leerlingen pas beginnen als ze het lezen volkomen machtig waren, wat gemiddeld een jaar of drie duurde. Ook vele buiten-Oosterpoorters kwamen niet eens aan schrijven toe, getuige het feit dat ze op latere leeftijd geen handtekening of zelfs maar simpele initialen konden produceren. Het schrijfonderricht, eveneens trapsgewijs, was ook duurder, want het vergde papier, inkt en gesneden ganzeveren, materialen waarmee de schoolhouder een duit of wat extra kon verdienen.
Over rekenen doe ik maar het zwijgen toe, al leek de kennis van de cijferkunst voor moeskers geen overbodige luxe. Rest me nog te vertellen dat kinderen van de verschillende leeftijden door elkaar zaten en dat elk kind in zijn eigen tempo en hardop voor zichzelf leerde, zodat het ook in die moeskerij aan de Oosterweg een geroezemoes van jewelste geweest moet zijn.

Zoekplaatje 2
Geplaatst op: 27 december 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Waar stond of staat dit hotel in Groningen?
Bevroren spoor bij flauw maanlicht
Geplaatst op: 20 december 2006 Hoort bij: Drenthe vrogger, Stad toen Een reactie plaatsen
Als de jonge Groninger arts en verloskundige Jacob van Geuns op 20 december 1798 ’s middags rond theetijd terugkeert van zijn visiteronde door de stad Groningen, treft hij in zijn huurkamer aan de Steentilstraat een boer van de Peizerhorst aan. De man vertelt dat een buurvrouw van hem al twee dagen in barensnood verkeert en verzoekt dokter Van Geuns om hulp. Hoewel Van Geuns ’s avonds eigenlijk naar een bijeenkomst van het Nut zou, kan hij niet weigeren.
Naderhand doet hij zijn vader, hoogleraar genees- en verloskunde Matthias van Geuns in Utrecht, verslag van zijn reisje naar de Peizerhorst. Opvallend aan dat verslag is, dat Van Geuns niet de kortste weg nam, maar over Haren, Glimmen, De Punt en Eelde ging. Kennelijk was de hoge weg over de Hondsrug bij donker en vrieskou betrouwbaarder dan de laaggelegen veenlanen naar Paterswolde en Peize. Toch verliep ook de omweg niet zonder horten en stoten, en vanaf Eelde moest Van Geuns zelfs te voet verder.
Maar het was de moeite waard, de verlossing van de veertigjarige en tot dan toe kinderloze boerin verliep voorspoedig, tot vreugde van haar tweede man, voorheen haar knecht, die nu via zijn kind bepaalde rechten op het erfgoed verkreeg en de dokter op de traditionele brandewijn met rozijnen tracteerde.
Op de terugweg ’s nachts nam Van Geuns dezelfde route en sliep hij in de herberg op De Punt. Zijn verslag is vooral informatief over de barre winterse reisomstandigheden van weleer:
“Zedert mijne laaste brief (…) heb ik weer een avontuurlijk togje moeten doen. Om half vier aan huis eeven aangaande, vond ik aldaar een Boer, die mij al een uur met verlangen wagtte. Het dringend verzoek was nae Peijzerhorst, een uur agter Eelde, te willen reijzen, ten einde een vrouw, zedert twee etmaalen in nood, te helpen. Ik kon mij hier niet wel van ontslaan, en in plaats van onze gewoone maandel[ijkse] Departem[ents] verg[adering] van ’t Nut bij te woonen, maakte ik mij reijsvaerdig, en reed met een fourgon om half vijf de poort uit.
Het eerste half uur ging alles wel, doch het flaauwer maanligt liet niet toe dat wij duidelijk het bereeden spoor konden onderkennen. De weg was hart en stijf bevrooren, en niet bereeden. Wij kwaamen toch met hommelen en stooten om 6 uur goed en wel op De Punt. De voerman maakte zwarigheid verder te gaan, dewijl de weg niet beter werd en hij bevreest was dat de raaden, in de felle vorst bros zijnde, en de spooren diep en hart, soms mogten breeken, dewijl men niet goed zien konde om er altijd in te blijven. Ook zoude de reijs dan toch langsaam vorderen.
De Casteleijn en 2 Boeren die aldaar waren, raden liever te voet te gaan dan met de Fourgon te rijden. Ik besloot ook hier toe en nam de voerman mede, egter ging ik tot aan Oosterbroek* op eene verdekte boerewagen zitten, zijnde de knegt en wagen van Tonko Modderman**, en verder ging ik met de voerman en de beladene wagen nae Eelde. Het was eene drooge en frisse koude, doch al wandelende en omhangen met mijne dikke jas kon ik de warmte beet houden.
Te Eelde ging ik bij de Brouwer*** aan met wien ik nu een Jaer geleden kennis gemaakt had doordien ik bij eene soortgelijke expeditie, doch in veel slegter weer, aldaar een nagt geslapen had. Deeze gaf mij op mijn verzoek 2 sufficante Drenten mede met een schijnvat of lantaarn. Zoo stapten wij sneedig en wel door langs het voetpad, en kwam dus warm geloopen om 8 uur bij de Boerin.
Alles liep gunstig en spoedig af. Er was groote blijdschap dat er eene levendig en zwaar kind geboren werd. Te meer had de Boer hier reden toe, dewijl hij voor een jaar met de vrouw, weduw zijnde, en bij de eerste man geene kinderen gehad hebbende, getrouwt was. Hij had te vooren als knegt bij de Boerin gewoont, en daar de vrouw 40 Jaren oud was, was er niet veel kans meer nog kinderen te krijgen, intusschen scheelde het hem veel in de keur [?], dat er een leevendig kind gebooren werd, daar dit het uitzigt op zijn fortuin veel vaster maakte.
Ik had mijn plan gemaakt om ’s nagts op De Punt te slaapen, dus mijne zaaken verrigt hebbende, en de vrouw redelijk welvaarende te bed gebragt zijnde, ging ik om 10 uur weer op reijs, welgemoed en opgeruimd over mijne welgeslaagde hulp. Ik nam vooraf egter nog het gewoone tractement bij die gelegenheden, t.w. Brandewijn met rosijnen.
Twee Boeren met een lantaarn escorteerden mij tot Eelde, alwaar ik mijn voerman in het hoekje der haart in eene geruste slaap vond. Schoon ik wel geen dringende honger had, nam ik egter een goede Drentsche boterham met een glas genever. Dit was dagt mij goed, voor eene wandeling in de koude, ten minste de geeuwhonger zoude mij dan niet ligt overvallen.
Nu ging ik met de voerman op reijs nae De Punt, hij met de lantaarn voor aan en ik een pijp tabak rookende en goed doorstappende agter aan. En schoon het bij middernagt was, dat wij de wandeling over de Heijde deeden en de oostewind vrij fijn blaasde hinderde mij de koude niets. Wij kwaamen om 12 uur ’s nagts gezond en wel op De Punt. Hier dronk ik een half kroes heet bier, en sliep zeer gerust tot 6 uur ’s morgens, half 7 zat ik in de fourgon, en was weer om 8 uur op mijn kamer.”
Notities:
* Oosterbroek, havezathe bij de Drentsche A onder Eelde.
** Tonco Modderman (1745 – 1802), groot-ondernemer, mede-eigenaar van scheepswerven, een oliemolen en een papiermolen, advocaat, veelzijdig amateurgeleerde en letterkundige te Groningen, sinds 1784 Heer van Oosterbroek en in 1796 lid van de Nationale Vergadering (het parlement van de Bataafse Republiek).
*** Hermannus Hilbrants (1755 -1831), uit het bekende Eelder brouwersgeslacht Hillebrands/Hilbrants.
Andere reisjes van Jacob van Geuns:
Zoekplaatje
Geplaatst op: 17 december 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Waar in de stad Groningen is deze foto gemaakt? (Ik zag het eerst zelf ook niet, maar er moet uit te komen zijn.)
Bengaalse neushoorn in stad
Geplaatst op: 7 december 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen“Word hier meede aan alle Heeren en Liefhebbers bekent gemaakt, dat alhier in Groningen is aangekomen een Levende REINOSCEROS of NASEHOORN (…) is omtrent 6 jaaren oudt (…) voor op de neus heeft hy een Hoorn dewelke eerst in ’t 7de Jaar vol uytwast (..) waar meede in de Wildernisse als hy quaat is de aarde geheel omme keert en een gewottelde boom of wat hy aantreft uyt de aarde na agter zig werpt. (…) In ’t lopen is hy niet tegenstaande zyn groote en zwaarte zoo gau, dat hy het snelste Paard voorby lopen zou. Tot een daagelyks voeder gebruykt hy 60 pondt hooy, 20 pondt broot en 14 Emmer water. Het is gevangen doen het 8 daagen oud geweest is, in het gebied van den Grooten Mogol, en van Bengalen over Holland alhier gebragt. Zynde een wonder van de Weereld om gezien te worden.”
Aldus luidt een bekendmaking in de Groninger Courant van 29 januari 1745. Clara, zo heette de neushoorn, was hier wel een paar maanden lang te zien, in een tent op de Botermarkt (Grote Markt zz). Dat kwam door de winter, het water was dicht, dankzij het ijs kon de uitbater het beest niet verder vervoeren.
In 1744 vertoefde Clara nog in Hamburg, waarschijnlijk was ze via Bremen en Emden en Holland naar Groningen gekomen. Uit 1746 zijn er meldingen van Clara in Hannover en Berlijn. Juffrouw maakte furore aan allerlei vorstenhoven, en deed naast Duitse, ook Oostenrijkse, Franse en Noord-Italiaanse steden aan. In 1756 kwam ze nog eens naar Groningen, met veel minder marketing dan elf jaar eerder, maar mogelijk rekende de uitbater nog op de naam en faam van weleer.
Die uitbater was ene kapitein Douwe van der Meer die in 1740 vanuit Bengalen was gerepatrieerd naar Holland en Clara meenam. Ze was toen twee jaar oud. Van der Meer kreeg haar dat jaar van Joan Albert Sichterman, de puissant rijke Directeur van de VOC in Bengalen, een oud-Groninger die later naar Groningen terug zou keren. Sichterman liet het neushoorntje zelfs in zijn Bengaalse eetkamer ronddarren, tijdens het diner. Op zijn beurt had de VOC-Directeur Clara als relatiegeschenk van de Groot-Mogol gekregen. In 1738 was ze als baby gevangen.
De gegevens voor dit stukje komen uit het artikel ‘Clara de Rinoceros’ van Willem Doornbos in het zeer appetijtelijke nummer van het cultuurhistorisch tijdschrift ‘Stad en Lande’ dat vandaag op de deurmat lag.
Hoornsediep met het witte brugje
Geplaatst op: 1 december 2006 Hoort bij: Stad toen 3 reacties
Vanmiddag even naar Cees Hofsteenge geweest voor dit schilderij van Jan van der Zee. Volgens Cees schilderde Van der Zee het eind jaren dertig. Centraal in de voorstelling staat het Hoornsediep, gezien naar de stad toe, met het witte brugje over het Helperdiepje nabij de Papiermolen. Links van het Hoornsediep zien we de scheepswerven van Kerstholt en Bodewes & Duthmer (in sleepbootjes), terwijl tussen de twee eerste masten door ook nog de stomp van een houtzaagmolen te zien is. Rechtsachter vinden we de dan nog vrij nieuwe rode bakstenen huizen van de Rivierenbuurt.
In werkelijkheid is het schilderij iets lichter, dan hier afgebeeld. Het lage zonlicht is dat van de nazomer, daarover zijn we het eens. Van der Zee maakte nogal uiteenlopend werk, maar dit doek is toch stukken mooier dan het schilderij, dat laatst in een Zeeuwse kringloopwinkel opdook, en dat bij de veiling 16.200 euro opbracht.
Large, ample, and imperiall cittie
Geplaatst op: 21 november 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenDe capitulatie-voorwaarden waarbij het Spaansgezinde Groningen zich anno 1594 voegde naar de opstandige provinciën, blijken in het Engels vertaald te zijn. De bibliotheek van Harvard heeft een exemplaar van het boekje, dat indertijd werd gedrukt en uitgegeven door John Wolf in Londen.
Dat ontdekte ik op Early English Books Online. Dit EEBO wil alle Engelse boeken die van ca. 1475 tot 1700 verschenen in facsimile – als pdf- en tiffbestanden – beschikbaar stellen. Momenteel bevat de site al bijna 110.000 van de 125.000 bekende titels.
Het gebruik van EEBO is voorbehouden aan bibliotheken. Die moeten daarvoor vrij zwaar in de buidel tasten. Maar als je lid bent van een bibliotheek kan je een free trial aanvragen.
Middeleeuws plaveisel gevonden
Geplaatst op: 20 november 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenDe operatie ondergrondse afvalinzameling geeft in de binnenstad interessante kijkgaatjes naar het verleden. Zo zijn er eind vorige week onder het wegdek van de Stoeldraaierstraat twee veel oudere stukkies plaveisel blootgelegd. Het bovenste lag op ongeveer een meter diepte en Gert Kortekaas, de stadsarcheoloog, schat de ouderdom op “zeker dertiende eeuw of jonger”. Het onderste lag op bijna anderhalve meter diepte en is van ongeveer 1200.
Onder de oudste laag plaveisel troffen de archeologen een esdek aan. Deze middeleeuwse akkerlaag was ter plaatse slechts ongeveer dertig centimeter dik. Normaal gaat het om een veel dikker pakket landbouwgrond. “Dus”, concludeert Kortekaas, “is er afgegraven voor de wegaanleg”.
Op ongeveer 1.80 diepte, op het niveau van het gele zand (zie de foto’s bij Blik op Nieuws) waren een paalkuil en een paar greppels en sloten zichtbaar, die uit de vroege Middeleeuwen dateren (ongeveer de zesde, zevende eeuw). “Getuige een forse (berm?-)sloot aan de oostzijde van de containerkuil”, aldus Kortekaas, “sporen die sloten niet met de bestaande structuur. Die structuur moet er dus later overheen zijn gelegd.”
(In het qua bijschrift niet helemaal juiste fotobericht van BoN krijgt de stadsarcheoloog, die het dagelijkse werk aan ARC heeft uitbesteed, overigens een curieuze voornaam. Hij heet niet Herman, zoals BoN wil.)
Kroningskalender van Fongers
Geplaatst op: 19 november 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Boven de rijwielfabriek van Fongers aan de Hereweg en onder het Groninger Hoofdstation – twee topografische details uit de kalender voor het kroningsjaar 1898, die Fongers samen met andere bedrijven uitgaf. De Wolfsonian bieb (Florida) heeft al die kalenderbladen op het web gezet – voila.

Penningmeester van de Bouwmanstort
Geplaatst op: 15 november 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenBebob heeft een foto van een bomenrij op de ‘Hoornse Schans’. Ik denk: “Hoornse Schans, Hoornse Schans, die ken ik helemaal niet”. En dus ga ik even googelen. Met maar elf hits als resultaat. Zo verwonderlijk is het nou ook weer niet dat ik die Hoornse Schans niet ken.
Op het overzicht van de Google-hits staat als eerste een onbereikbaar pdf-je van D66 Groningen, maar de html-weergave doet het wèl. Het betreft een stuk van Hans van der Veen over het eigendom van de Herepoort-restanten. Volgens de Herepoortclub die deze restanten naar Groningen wilde halen, waren ze nog steeds van defensie of domeinen (eigenaars rond 1880), en niet van het Rijksmuseum. Volgens Van der Veen echter, “zou dat een leuk precedent scheppen, bijvoorbeeld voor de Hoornse Schans”.
Die Hoornse Schans, legt het oud-raadslid van D66 uit,
“is een wal tussen de Verlegde Veenweg en de wijk Hoornse Park. Die wal is niet, zoals de naam suggereert, een restant van vroegere vestingwerken. (…) Nee, tot enkele jaren geleden had die Schans een veel functionelere naam: Bouwmanstort. De Hoornse Schans is zo genoemd, omdat de verkoopbaarheid van de aanpalende woningen zou lijden onder de wetenschap dat het een berg sloopafval is.”
Naar analogie van de redenering bij de Herepoortclub laat Van der Veen dan de stadjers wier sloopafval ooit op de Bouwmanstort belandde, mede-eigenaren zijn van de huidige Hoornse Schans. “Ik zou dus een stichting in het leven kunnen roepen, die pleit voor het openleggen van de voormalige Bouwmanstort als monument…”, zegt Van der Veen. Zelf wil hij voorzitter van die stichting zijn. En dan komt het: “Harry Perton mag penningmeester worden…”
Zo! Daar word je toch wel even confuus van. Nog zeer bedankt Hans, voor de in mij gestelde fiducie! Ik beloof je alvast dat ik mijn uiterste best zal doen om dit vertrouwen niet te beschamen. Die functie ga ik naar eer en geweten vervullen. En naar mijn allerbeste vermogen. Al vind ik het wel een heel klein beetje betreurenswaardig dat ik pas zo laat van je voordracht verneem. En dat dan ook nog slechts viavia. Misschien heb ik nog wel wat communicatie-tips voor je, die de voorzitter van zo’n stichting heel goed van pas kunnen komen. Zullen we binnenkort maar eens een bakkie doen?
Herberg ‘Het Fortuin’
Geplaatst op: 9 november 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
In het vorige logje kwam u Het Fortuin tegen. Dat was een veelvoorkomende huisnaam, en dan vooral van herbergen. In de stad Groningen bijvoorbeeld ging het om de aanduiding van een huis aan de Oosterstraat (ca. 1680), een huis aan de Vismarkt zuidzijde (ca. 1690 – 1775), een brouwerij aan de oostzijde van de A (1760 – na 1780) en herbergen aan de Achter de Muur (ca. 1700), aan de Turfsingel (1765), aan de Grote Markt zuidzijde (1765), en aan de Hereweg oostzijde (1787 – tot na 1802).
Er is zelfs een volksliedje over een kroeg die ‘Het Fortuintje’ heette:
“In ’t Fortuintje motte we wezen,
in ’t Fortuintje moeten we zijn.
Daar staat op de deur te lezen:
Hier verkoopt men brandewijn.Altijd zijn die boeren dronken,
altijd zijn die boeren zat,
dat komt van ’t jenever drinken,
dat komt van dat lelijke nat / Allemaal larie,allemaal larie, allemaal larie en anders niet;
zie wat je maar ziet,
klare jenever lust me niet!” (Bron)
Aan de gevel van zo’n kroeg zal een uithangbord gehangen hebben met een beeltenis van de godin Fortuna, al dan niet met rad. Uiteraard hoopte de uitbater dat het hem dankzij haar voor de wind ging. Maar dat kon verkeren.
Zo werd Het Fortuin aan de Hereweg, op de zuidhoek van de Brandenburgersteeg, met andere herbergen in de omgeving gruwelijk geplunderd door oranjegezinde soldaten. Op een mooie pinksterdag was dat, in 1788. Bij het avondschemer kwam een troep met onder meer een tiental pijpers en tamboers eventjes langs. Een kleine korporaal sloeg met zijn sabel het uithangbord voor de gevel weg. Eenmaal binnen eisten de soldaten oranjebitter en kregen het met pullen tegelijk. Tot een jonge, schele tamboer de waardin een pul uit handen nam, zelf ging tappen en de kraan uit het vat trok. Op dat moment klonk buiten glasgerinkel. Een ruiter begon met zijn handstok de glazen van de zomerkeuken in te hakken, infanteristen sloegen met latten in op de ramen van de voorkamer, anderen gooiden hun pullen door de ramen naar buiten, en ramden de meubels kort en klein. Al het glaswerk, alle spiegels en schotels, al het porcelein en aardewerk ging aan diggelen. Achteraf toonde een van de plunderaars bij een jeneverstoker in de Herestraat, waar hij nog even “een zoopje” kwam halen, een souvenir. Het bleek een radje uit de klok van Het Fortuin.
Vrouwe Fortuna was notoir ongestadig in haar gunsten. Niet altijd viel het geluk af te dwingen met haar naam.
De transferia van eertijds
Geplaatst op: 8 november 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Als iemand in die tijd naar de stad reed, moest hij hier zijn paard of paarden ergens kwijt. Dat gebeurde vooral bij herbergen. Nu noemen sommige koopacten en veilingaankondigingen van herbergen de capaciteit van de bijbehorende paardenstallen. Die opgaven heb ik verzameld, op een rijtje gezet en gegroepeerd per gebied:
- A) De middeleeuwse binnenstad,
- B) De zeventiende-eeuwse stadsuitleg (Hortus en Binnenstad-Oost), en
- C) Buiten de poorten en de wallen van de stad.
|
A) |
DE MIDDELEEUWSE BINNENSTAD |
||
|
1687 |
Het Hagje |
Martinikerkhof |
5 |
|
1703 |
Het Fortuin |
Achter de Muur |
2 |
|
1740 |
De (Gouden) Helm |
Grote Markt zz |
28 |
|
1766 |
Het Parlement van Engeland |
Herestraat |
12 |
|
1772 |
Het Wapen van Stad en Lande |
Poelestraat |
18 |
|
1786 |
Het zwarte Paard |
Princen-hofstraat |
9 |
|
1782 |
Hamburg |
bij Steentilbrug wz. |
4 |
|
1828 |
De 7 Provinciën |
Grote Markt zz |
20 |
|
B) |
DE STADSUITLEG: |
||
|
1790 |
Het nieuwe Tijgerpaard |
Nieuwe Ebbingestraat wz. |
70, 80 |
|
1825 |
Het Nieuwe Tijgerpaard |
Nieuwe Ebbingestraat wz |
90 |
|
1812 |
Het Wapen van Zuid Holland |
Nieuwe Ebbingestraat |
80 |
|
1824 |
Het (Oude) Tijgerpaard |
Nieuwe Ebbingestraat oz. |
40 |
|
1818 |
Oud Delfzijl |
Nieuweweg voor Steentilpoort |
50 |
|
C) |
BUITEN DE POORTEN |
||
|
1829 |
De Groene Weide |
buiten Ebbingepoort, Boterdiep |
100 ruim |
|
1801 |
De Stadsherberg |
buiten A-poort, Hoendiep |
60, 70 |
|
1819 |
De Swaan |
buiten A- poort, Hoendiep |
120 |
|
1782 |
De Altena |
buiten Steentilpoort, Damsterdiep |
100 |
|
1783 |
De Altena |
buiten Steentilpoort, Damsterdiep |
60, 70 |
|
1784 |
De Altena |
buiten Steentilpoort, Damsterdiep |
60, 70 |
|
1834 |
De Altena |
buiten Steentilpoort, Damsterdiep |
70 |
|
1805 |
De Dekhengst? |
buiten Steentilpoort, Damsterdiep |
40 |
|
1821 |
De Dekhengst |
buiten Steentilpoort, Damsterdiep |
40 |
|
1823 |
??? |
buiten Steentilpoort, Damsterdiep |
50 |
|
1766 |
Het Wapen van het Oldambt |
buiten Kleinpoortje, Winschoterdiep |
30 |
|
1768 |
Het Wapen van het Oldambt |
buiten Kleinpoortje, Winschoterdiep |
30 |
|
1783 |
Het Wapen van het Oldambt |
buiten Kleinpoortje, Winschoterdiep |
30 |
CONCLUSIE:
Van herberg tot herberg en van gebied tot gebied verschilde de capaciteit van de paardenstallen aanmerkelijk. In de dichtbebouwde middeleeuwse binnenstad was de gemiddelde capaciteit het kleinst, ruim 12 paarden per herberg. Over de meeste ruimte beschikte hier nog De (Gouden) Helm aan de zuidzijde van de Grote Markt, waar de postwagens in alle richtingen afreden. Achter dit bedrijf, op de nu nog steeds bestaande binnenplaats met een uitgang naar de Oosterstraat, stonden twee stallen die plaats boden aan 28 paarden in totaal.
In zeventiende-eeuwse schil en het gebied buiten de poorten, waar nog volop ruimte was, kom ik op een een aanzienlijk hoger gemiddelde stallingscapaciteit dan in de middeleeuwse binnenstad, namelijk 65 à 70 paarden per herberg. Maar terwijl de grootste herbergen in de stadsuitleg, Het Nieuwe Tijgerpaard en Het Wapen van Zuid Holland, zo’n 80 à 90 paarden konden onderbrengen, werd hun stalruimte nog overtroffen door die bij de grootste herbergen in het buitengebied. Daar spanden De Groene Weide aan het Boterdiep en De Swaen aan het Hoendiep met respectievelijk ruim 100 en 120 plaatsen de kroon.
Herbergen als deze laatste twee waren de transferia van die tijd. In beide gevallen ging het om oude bedrijven die de stad omstreeks 1675, 1676 voor hun streekje octroyeerde. Het verleende alleenrecht stelde niet zo bar veel voor, steeds kregen ze concurrentie naast zich, maar de herbergiers bleven wèl voor de octrooyen betalen. Waarschijnlijk ging daar een soort reclame van uit, misschien ook doordat een bord met het stadswapen het publiek attendeerde op de nominale, maar vererende status.
Dokter Brood en zijn narcotische invloed
Geplaatst op: 2 november 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenVanaf 1976 was ik in Groningen jarenlang bezoeker en medewerker van jongerencentrum Vera. Daar kwamen ook veel junkies over de vloer. Naar ik me herinner, zorgde de populariteit van Herman Brood voor een golf nieuwe speed- en heroïneverslaafden, jongens van een jaar of 15 à 17 die bij openluchtconcerten van Brood vaak vlak voor het podium stonden.
Maar, herinnering kan bedriegen. Daarom ben ik op onderzoek uitgegaan. Wat was de invloed van Brood in dit opzicht?
Herman Brood (1946-2001) was vanaf zijn 19de tot zijn dood nauwelijks clean, zo blijkt uit zijn biografie door Jan Eilander. Voor alles was de Rock ’n Roll Junkie een speedfreak. Bij optredens in Duitsland raakte hij verslaafd aan gemakkelijk verkrijgbare vermageringspilletjes, en later spoot hij zich minstens twee gram amfetamine per dag in de aderen, wat neerkwam op vierhonderd van zulke pilletjes. De pep hielp hem van zijn verlegenheid af en gaf hem naar eigen zeggen de energie en inspiratie voor zijn muziek. Maar speed maakte hem ook paranoïde en gespannen. Alcohol nam die effecten weg. Met speed word je niet zo snel dronken, maar als er geen speed was, werd Brood vaak ladderzat. Een derde, eveneens downende component in het chemische mengvat Brood waren de opiaten, vooral heroïne, een middel waarvan hij meermalen afkickte.
Aan de songteksten uit zijn hoogtijdagen kan je zijn voorkeur aflezen. “Going straight on in the lift by the pill”, heet het in ‘Pop it’ op zijn eerste elpee Street (1977). En in ‘Never Be Clever’ op het live-album ChaCha (1979) zingt hij: “Got all I need, plastic teeth and a bucket full of speed”
Intelligentie, humor en charisma kon je Brood niet ontzeggen. Volgens biograaf Eilander baatte Brood al medio jaren zeventig zijn dope-reputatie uit in de publiciteit, en maakte hij van junkieromantiek zijn handelsmerk. Een voorlopig toppunt vormde het televisieprogramma Wonderland begin 1978, waarin hij als treinreiziger een flinke lik speed opsnoof, en dat onder de ogen van een conducteur.
Bij collega-muzikanten stond de invloed van Brood buiten kijf. In 1975 wilde drummer Hans Lafaille niet langer met Brood spelen: “Herman trekt toch een heleboel mensen mee in zijn gebruik”. Twee jaar later kwam de jonge, cleane bassist Gerrit Veen bij Broods band Wild Romance. Eilander in zijn boek: “Hij was zo gehypnotiseerd door Brood, dat hij hem in heel grote mate ging nadoen”. Het irriteerde Brood weliswaar, maar het voorkwam niet dat Veens opvolger Freddie Cavalli eveneens aan de speed raakte: “Speed was door Brood een heel natuurlijk verschijnsel. Niks moest, maar iedereen deed gewoon mee.”
Invloed op collega’s is wat anders dan invloed op een algemener publiek. Voor dat laatste moest Brood eerst populair zijn in wijdere kring dan de incrowd van het clubcircuit. In 1977 en 1978 kwam die doorbraak. “De kids vonden het prachtig, zo’n vent die over drank en drugs zong”, aldus Gerard Kosterman, de productmanager van Broods platenmaatschappij. In volle zalen zongen hysterische fans de junkieteksten luidkeels mee.
Als puber vond Peter Smid, later programmeur van het Groninger Cultuurcentrum, Broods dopegedoe een stuk interessanter dan huiswerk maken. En een Amsterdamse leraar vertelt op zijn weblog hoe Broods ruige wereld “mythische proporties” voor hem aannam. Als dertienjarige moest en zou hij daaraan deelnemen. Voor hem stond Brood symbool voor verzet tegen ouders, school, burgerlijkheid en gereformeerde opvoeding.
Na de snuifscène op de buis zei een christelijke school in Delfzijl een optreden van Brood af. Ook de politie maakte zich zorgen over de slechte invloed die van Brood zou uitgaan. Maar of Brood werkelijk kids tot zijn dope bekeerde? Louis Becherer, indertijd werkzaam bij Drugs Informatie Centrum Groningen, denkt van niet: “Brood spoot niet overal, dat deed hij netjes op het toilet”. In Hoog Hullen en de Breegweestee, afkickklinieken onder Eelde, viel de naam Brood ook niet of nauwelijks, zegt hulpverlener Peter Dijkhuis: “Ik geloof niet dat mensen door hem verslaafd zijn geraakt”. Alleen Ben Bloem, indertijd straathoekwerker in Groningen, onderschrijft het verband: “Brood kreeg meer status toebedeeld dan hij zelf in de gaten had, die voorbeeldrol heeft hij wel heel erg gehad. Dat hij niet op die school in Delfzijl mocht spelen omdat hij te veel met dope omging: een betere reclame kan je niet hebben, dat werkte averechts.” Bloem denkt aan een groep jongens uit Paddepoel die veel naar concerten van Brood ging. “Daar is ook een stel van overleden.” Waarom zulke jongens Brood navolgden? “Brood had zoveel talent”, zegt Bloem. “En veel jongens verbonden dat aan de dope, ze dachten dat je je talent goed kon laten zien als je dope gebruikte.”
“Ik geef toe”, zei Brood zelf ooit in een interview, “dat ik op een gegeven moment wel ben geschrokken dat mijn populariteit mensen tot gebruik zou kunnen aanzetten. Daarom heb ik Dope Sucks geschreven maar dat werd verkeerd begrepen. Nou zoeken ze het maar uit. Ik ben nog steeds blij met de man die mij destijds aanzette om drugs te gaan gebruiken.”
(Uit de UK van deze week, maar dan met links)



Recente reacties