Langs religieuze lokaties
Geplaatst op: 22 oktober 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenIn het kader van de week van de geschiedenis met als thema ‘geloof en bijgeloof’ was er vanmiddag een wandeling langs plekken met een religie-historisch karakter in de Groninger binnenstad. Deze begon en eindigde in de Nieuwe Kerk. Daar stak ik zelf een licht herziene versie van het verhaal af over Hadewych de Duivelbanster. Het was de eerste keer dat ik mij in een kerk verstaanbaar moest maken en ik zat een beetje in over de galm. Maar achteraf hoorde ik dat het redelijk goed overkwam.
Egbert van der Werff nam de groep vervolgens mee langs lokaties waar ooit katholieke kerken en instituten gevestigd waren. Zo kwamen we langs een zeventiende eeuwse gevel aan de Ebbingestraat. In de top heeft deze twee nissen waarin beelden van Sint Jan staan:
Toch heeft dit huis niets met katholicisme te maken, in tegenstelling tot een huis aan de andere kant van de Butjesstraat, dat ooit als schuilkerk functioneerde. In dit kwartier tussen de Ebbinge- en de Boteringestraat wemelde het ook in de zeventiende eeuw nog van katholieken. Het was echt een katholieke enclave in de stad. Aan de zuidkant was er het Rode Weeshuis, voor de Reformatie nog het Geestelijke Maagdenconvent, een soort van begijnhof. Daar wees Egbert onder meer op een dichtgemetseld raam, waarvan je de latei die het venster in tweeën deelde, in het metselwerk kunt zien:
Terug in de Nieuwe Kerk behandelde Peter Bootsma de architectuurgeschiedenis van dit Godshuis. Het werd tussen 1660 en 1664 gebouwd naar het model van de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Kende een katholieke kerk een plattegrond als een lang kruis, met een hoog koor op het korte uiteind, nodig om de mis te kunnen celebreren, deze hervormde kerken kregen een grondplan in de vorm van een Grieks kruis, met korte uiteinden, die weer werden opgevuld, zodat de kerk van binnen een ronde indruk maakt. In het midden kwam de kansel, want bij de protestanten staat het woord centraal. Peter attendeerde ook op het vele houtsnijwerk van Jan de Rijck. Zo is aan het deurtje voor de kanseltrap heel goed te zien wie de kerk betaalde:
Het stadsbestuur, dat zichzelf eerde met het stadswapen. Maar in het houtsnijwerk van de Nieuwe Kerk zijn er ook wat meer geestelijke adelaars aanwezig, die lijken te concurreren met de dubbele adelaar van de stad:
Aduarderstraat, Aduardersteeg
Geplaatst op: 23 september 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenI
De Aduarderstraat, een onooglijk en rommelig straatje aan de westkant van de Hereweg, is aan de Herewegkant van de aardbodem verdwenen. Er staat nu een schot voor:

Het restante gedeelte, hier naar het westen gezien:

Op dit doodlopende restant bevindt zich ook nog het verweerde straatnaambord:

Aan de Herewegkant komt er een appartementencomplex, dat ze ‘De Heeren’ gaan noemen. Zodra dat opgetrokken is, voert een onderdoorgang (althans daar lijkt het op) naar de Aduarderstraat:

II
Voor 1950 heettte het straatje nog Aduardersteeg. Oorspronkelijk was het een hofsteeg, genoemd naar de grote tuin die de heren Lewe van Aduard hier in de eerste helft van de achttiende eeuw hadden. Volgens Siem Jager, die het lokale grondeigendom onderzocht, had die tuin van de Heren Lewe een vijver. Later werd de tuin in tien hoven opgedeeld.
Een “extra Vermaakelyk en groot Vrugtbaar Hof” alhier, was dat van Tamme Jacobs in 1751. Deze bevond zich vanaf de Hereweg gezien op het eind van de tuin van Lewe van Aduard ,
“hebbende haar uytzigt over het Land (…), met extra vrugtbaare Wynstokken, Persiken, Abricosen, Kersen en 8 schoone Aspergie-Bedden”.
In 1718 was er een rechtzaakje over een bijenzwerm in deze omgeving. De weduwe van Albert Segers, die er woonde, en de bijenhouder Jan Maat, die zijn imen op haar grond had staan, eisten van Erenst Hovenier de teruggave van de zwerm die hun “ontvlogen” was. Deze zwerm had zich vlakbij het huisje van de weduwe Segers neergezet op de grote tuin van Erenst zijn baas baas: de Heer Lewe van Aduard.
In opdracht van de machtige Ommelander potentaat weigerde diens hovenier de zwerm weer af te geven, hoewel de president-Burgemeester, bij wie de weduwe Segers en de imker waren komen klagen, hem dat bevolen had. Impliciet viel het Nedergericht de Burgemeester af, want het besloot dat de eisers eerst maar eens moesten bewijzen dat de zwerm hun eigendom was. Helaas bleek het niet mogelijk de bijen als getuigen op te roepen, en dat betekende einde proces.
Het was in de achttiende-eeuwse rechterlijke archieven van de stad het enige stukje jurisprudentie over een bijenzwerm. Je zou er uit kunnen opmaken dat de grondeigenaar hier alle rechten had. In Westerwolde was de zwerm juist helemaal het eigendom van degene die haar met een penning, zakdoek, of hoed markeerde, terwijl “de jonge Yme ofte Zwarm” in Drenthe voor de helft aan de markeerder en voor de andere helft aan de grond- of houteigenaar toekwam.
De Aduardersteeg circa 1825:

Dochter Piet van Dijken zet zijn liefdesleven op het web
Geplaatst op: 19 september 2006 Hoort bij: Stad toen 17 reactiesIk zit een beetje weblogjes te screenen en kom bij Welmoed16 opeens een tekstje tegen over haar vader, die net 57 geworden is. Wat hij niet leuk vindt. Maar het etentje was gaaf:
“Tot maandag heb ik nooit geweten wie mijn vaders eerste liefde/vriendinnetje was en na een fiks aantal borrels kregen wij met zijn allen een openbaring.”
Haar vader deed het voor het eerst met Ria. Zijn moeder was aan het werk bij HB aan de Vismarkt en de jongelui hadden thuis het rijk alleen. Pa’s evaluatie:
“Er was geen fluit aan.”
De tweede keer, even later, deed Welmoeds’ vader het met Connie.
“Althans, het was de bedoeling dat er iets ging gebeuren. Deze one night stand was net een paar seconden [aan de gang] toen het condoom opeens spoorloos was. Deze was in Connie blijven ‘hangen’.”
De loep van zijn moeder gebruikte hij om het condoom eruit te pietepeuteren. Dan volgt er een passage waarbij mijn antenne omhoog gaat. “In zijn beginjaren als DJ”, schrijft Welmoed16 over haar vader, “was Piet een echte bachelor en de meiden hingen om zijn nek”. Een vader die Piet heet, DJ was en 57 is, een leeftijd waar hij niet echt aan wil? Dat moet welhaast onze Bekende Groninger Piet van Dijken zijn. Even checken bij rtv Noord. En jawel hoor: “Piet van Dijken (1949)” staat er boven zijn portret.
Ha, Piets’ dochter etaleert op het web dus zijn liefdesgeschiedenissen. Met zijn grote vlam Femmie werd het ook niets, lees ik. Femmie was “hard to get”. Uiteindelijk ging ze met hem mee, de hond moest nog even uit, en toen hij terugkwam was Femmie poter. Hij dronk nog wat, ging naar boven, en daar bleek ze naakt op het bed te liggen, zonder dekens over zich heen. Welmoed16:
“Ze lag in een bepaalde positie zodat Piet vrijwel niks meer hoefde te doen. Hij hoefde hem er alleen nog maar in te hangen. Dat lukte niet, want dit was toch niet zijn idee van erotiek.”
Dat werd dus ook niks met Femmie. Piet is daarna flink aan de rol geweest:
“Mannen, vrouwen, trio’s, alles passeerde de boulevard.”
Aldus deze dochter van Piet van Dijken die, zo mogen we onderhand wel concluderen, qua praatzucht een aardje naar papaatje heeft. “Ach” zegt ze zelf in haar allereerste postje op 4 mei,
“Ik hou wel van opvallen dus dat is niet zo’n probleem.”
Her schootsveld na de aftocht van Bommen Berend
Geplaatst op: 28 augustus 2006 Hoort bij: Oosterpoort, Stad toen Een reactie plaatsen
Groningen Constant, ’t behoud van het land. Toen op zaterdag de 28-ste augustus 1672 hier ontdekt werd dat de troepen van Münster en Keulen met stille trom hun stellingen tussen de Hereweg en de Meeuwerd hadden ontruimd, stroomden ’s middags de stadjers hun behouden veste uit om de aanvalslinies van de vijand eens te bezien. Volgens dominee Eldercampius van Lutjegast, die erbij was, zag men “overal verlaten batterijen, loopgravens, onderaardse galderijen ende mijnen”. Hier en daar lagen in de zompige modder, temidden van de rijsbossen, pionierschoppen, houwelen, musket- en kanonskogels nog soldatenlijken ook, waaronder twaalf die “naakt uitgeschud” waren bij een Keulse stelling even ten oosten van de Oosterweg.
Was een kwart van de stad min of meer in puin geschoten, de verdedigers lieten zich niet onbetuigd. Ze beschikten over nagenoeg dezelfde projectielen als Bommen Berend – stinkpotten en brandbommen, schroot en vlinten, naast de gebruikelijke munitie – en hun beste geschut reikte tot de grens met Helpman. Het vuur vanuit de stad was zelfs moorddadiger geweest dan dat van Bommen Berend, want terwijl er in de stad een kleine honderd doden vielen, vooral burgers, zouden er onder de Münstersen, de Keulers en hun Franse adviseurs enige duizenden gesneuveld zijn.
Het gebied dat nu begrensd wordt door de Hereweg en de Meeuwerderweg en dat toen de achilleshiel van de stad vormde, omdat een uitloper van de Hondsrug zich nu eenmaal niet onder water liet zetten, was één omgeploegde, pokdalige woestenij. Al bij de aantocht van de bisschoppen had men hier de huizen en andere opstallen verbrand en neergehaald, de bomen, struiken en heggen gekapt en de sloten en wallen tussen wegen, hoven en tuinen geslecht, om “den viandt van verschuyl en nestelen alle gelegentheydt af te snijden”.
Hoe kwam er op dit schootsveld weer cultuur. Hoe raakte deze verschroeide aarde weer bewoond?
Voor het beleg kenmerkte het aangegeven gebied zich qua bebouwing door hoven (omheinde siertuinen met onbewoonde zomerhuisjes), een stuk of wat herbergen, en – vooral ten zuiden van de huidige Sophiastraat en Warmoesstraat – moeskerijen (tuinbouwbedrijfjes, waarop ook vee gehouden werd). Na het beleg zou de bevolking, die voornamelijk uit moeskers bestond, er terugkeren. Volgens Gerard Offerman gebeurde dat pas na 1700. Die voorstelling van zaken staat hier te bezien.
Laat me het inzaaien, het verhuren en het bewonen van de grond even scheiden. Tijdens het beleg, als het schieten een poosje ophield, zag men vijandelijke soldaten wortels en kruiden zoeken in wat er van de moestuinen over was. De mensen in de stad kregen uiteraard geen producten meer van deze grond. Zo zegt de rekening van het Anthoniegasthuis over 1672:
“Alsoo de Moestuinen buiten Ooster en Heerpoorte zijn verdestineert is int Gasthuis geen moes gespijsiget”.
Onmiddellijk na het ontzet nam het stadsbestuur een ‘secrete resolutie’ aan, waarbij het onder andere de agrarische bebouwing aan een vergunning bond. Eind januari 1673 verkregen de gezamenlijke moeskers, “gewoond hebbende de Heere en de Oosterpoort” reeds de toestemming om weer groente te telen, zij het dat een commissie uit het stadsbestuur nog wel even op zoek ging naar een betere plaats voor hun tuinen. In afwachting van dat onderzoek werd sommige grond buiten de Oosterpoort opnieuw bebouwd, andere niet. Zo stond er in 1673 weer groente op het menu van het Anthoniegasthuis; kennelijk kwam hier de aanvoer vanuit het zuiden weer op gang. De moeskerstuin van het Burgerweeshuis daarentegen, de zesde aan de westkant van de Oosterweg, lag dat jaar nog braak:
“De voorgeschr[even] Tuinlanden door den Vijandt geruïneert zijnde, hebben in ’t jaar 1673 voor vogelweide gelegen, alsoo van niemandt gebruickt zijn…”
Een alternatieve plek voor de moeskerstuinen buiten de Ooster- en de Herepoort was er domweg niet en het is dan ook geen wonder dat we niets meer van het onderzoek vernemen. Schold het stadbestuur de grondpachten voor tuinen die in eigendom waren van de gast- en weeshuizen over 1672 en 1673 nog kwijt, vanaf 1674 konden deze filantropische instellingen weer geld van hun huurders beuren. Ging het hierbij vooral om tuinen tussen de Here- en de Oosterweg, begin dat jaar kreeg ook de particuliere verhuurder van de acht eerste moeskerijen ten oosten van de Oosterweg, luitenant Popko Everards de Embda, vergunning om zijn tuinlanden weer te verpachten, zij het “bij provisie” (voorlopig) en “op sijn pericul” (op eigen risico). Net zomin als elders mochten er huizen op zijn grond worden gebouwd, “noch bomen en hegen gepotet” en zou “de wijke” (een geplande extra verdedigingslinie) door deze tuinen komen, dan moest De Embda zich vooral niet komen beklagen op het stadhuis.
Tegelijkertijd met hun toestemming aan de militair namen Burgemeesteren en Raad het besluit om de tuinen te laten opmeten door een landmeter, die de rooilijnen ook in kaart zou brengen. Dit werk – de kaart ging helaas verloren – voerde hij in het voorjaar van 1674 uit, na overleg met Gedeputeerde Staten van Stad en Lande, de instantie die in zaken van defensie het laatste woord had. Bij de onderhandelingen over de pachten van de tuinen die in bezit van filantropische instellingen waren, kregen de desbetreffende moeskers dat jaar een kwart tot een halve stuiver de roe huurvermindering, “om dat gegraven gront waer”. In plaats van 1,75 stuiver de roe betaalden de meesten voorlopig 1,5 stuiver de roe; zuidwaarts kon de korting nog wat oplopen, wellicht omdat de schade die de moeskers daar moesten herstellen wat groter was.
Vanaf 1674 waren dus alle tuinlanden weer verhuurd en wel in gebruik. Maar het agrarisch benutten van de grond hoefde natuurlijk nog niet te betekenen dat die grond ook bewoond werd. Wat dat aangaat is de hierboven al genoemde ‘secrete resolutie’ die het stadsbestuur vier dagen na het ontzet nam, op zich duidelijk genoeg. Burgemeesteren en Raad voorzagen dat deze of gene bij het voortduren van de prille vrede zou verzoeken om herbouw van zijn woning, hetgeen bij een volgend beleg dan opnieuw tot afbraak en schade zou leiden. Daarom mocht er in dit gebied niet getimmerd worden, als op vergunning van het stadsbestuur. Het stond de moeskers “tot bewaeringe haerer vruchten ende schuil bij quaedt weder” vrij “een clein huttien van houdt” te maken, maar hun “principale woningen ende koemelckers gebruick” dienden zij binnen de wallen van de stad te hebben en te houden.
Nu dwong een geheim besluit zonder verdere ruchtbaarheid geen naleving af. Hernieuwde vestiging van moeskers buiten de poorten zal voorlopig zonder ophef zijn verhinderd, maar kan op termijn even geruisloos weer op gang gekomen zijn. Met de toestemming om hun tuinland weer te bebouwen, begin 1673, kregen de groentetelers vergunning om “tenten” op dat land te zetten. Die ‘tenten’ waren net als voornoemde hutjes van hout, en de moeskers konden er hun gereedschap in kwijt, hun koeien in stallen en hun oogst in schoonmaken. Het ligt voor de hand dat de moeskers er, om hun spullen tegen dieven te beschermen, tijdens het seizoen regelmatig de nacht hebben doorgebracht.
Op de eerste moeskerstuin aan de westkant van de Oosterweg, die van het Anthoniegasthuis, stond in 1685 alweer een bewoond huisje, al bracht dat nog geen 65 gulden op. Van deze verkoop is geen acte opgemaakt; het bedrag was niet de moeite van een gang naar een zegelaar waard. Kijken we naar de schaarse wèl aanwezige koopacten, dan zien we dat er uit de jaren 1666-1668 een drietal stamt van buiten de Oosterpoort gelegen moeskerijen, met een gemiddelde prijs van 820 gulden, terwijl er daarna pas weer zulke stukken opduiken in het eerste decennium van de achttiende eeuw, eveneens een drietal, met een gemiddelde prijs van 354 gulden. Afgaande op deze acten lijkt Offerman inderdaad gelijk te hebben met zijn stelling dat de herbevolking pas in de achttiende eeuw op gang kwam.
Echter, tien jaar na het beleg, anno 1682, speelde er een kwestie die beter dan de ietwat elitaire koopacten licht werpt op de herbebouwing en herbevolking. De stadsfiscaal (aanklager) eiste dat jaar een boete van 150 gulden tegen degenen die de inning van de bieraccijns van de stad pachtten, omdat ze het op een accoordje hadden gegooid met Harmen Arends, de tapper van herberg de Cuba buiten de Oosterpoort. Deze Arends hoefde van de bierpachters slechts accijns te betalen over één halve ton bier, terwijl hij er twee ingeslagen had. De bierpachters gaven hun overtreding volmondig toe, maar verzochten de magistraat om clementie,
“ontkennende dat sij sulcks aen Harmen Arends als weerdt hadden gep[er]mitteert, maer dat de gesamentlijcke naebuiren buiten d’Oosterpoorte, sijnde moesschers en lieden van geringe conditie, t’selve van hem hadden versocht, om in dier voegen sich ten huyse van Harmen Arendts wat te vermaecken, en enig bier te mogen verteren, sijnde andersints in derselver woningen geen bequame gelegentheijt”.
Dat er al wel weer een bevolking buiten de Oosterpoort was, stond bij deze kwestie buiten kijf, evenals de aanwezigheid van woningen. De moeskers en kleine luiden beschikten echter over geen enkele ruimte die groot genoeg was om hun ‘nabertering’ in te houden. Een dergelijk buurtfeest had ook plaats kunnen vinden in een achterhuis of schuur, maar die waren er blijkbaar nog niet, zoals dat in de achttiende eeuw wel het geval zou zijn, en daarom zochten de nabers hun toevlucht tot herberg de Cuba. De buiten de Oosterpoort aanwezige woningen zagen er, kortom, nog zeer primitief uit. Waarschijnlijk ging het om niet veel meer dan de tien jaar eerder toegestane houten hutten of tenten, die men in weerwil van het toen genomen geheime besluit bewoonde, zonder dat daar woorden aan vuil zijn gemaakt.
Over herbergen gesproken, zowel de Brandenburg als de Cuba keerde terug na het beleg van 1672. Van de Emmaus en de Hulzebosch, twee andere uitspanningen die zich voor het beleg in het gebied buiten de Oosterpoort bevonden, hoort men niet meer. Ook voor de herbergen geldt dat de herbouw aarzelend op gang kwam en verre van compleet was.
Tot slot nog een bron die beter dan de genoemde laat zien in welk tempo de buiten-Oosterpoorter herbevolking na het Gronings Ontzet haar beslag kreeg: de doopregisters van de Gereformeerde, later Hervormd genoemde gemeente, de geloofsgemeenschap die het gros van de ingezetenen omvatte. Deze registers geven ook de adressen van de kinderen, die, anders dan tegenwoordig, bijna allemaal werden gedoopt, als ze tenminste de eerste weken overleefden. Welnu, in de kwarteeuw voor 1665 neemt het jaarlijkse aantal gereformeerde dopelingen van buiten de Oosterpoort toe van gemiddeld 5 tot een 8 à 9 per jaar, met een piek van 11 in 1663. Na de eerste inval van Bommen Berend (1665) daalt dit aantal reeds fors, tot gemiddeld 3 in de jaren 1665-1671. In de jaren 1672, 1673 en 1674 is er zelfs geen enkel van buiten de Oosterpoort afkomstig kind dat in de Martini-, A-, of Noorderkerk met doopwater besprenkeld wordt. Nadien, in de tweede helft van de jaren 1670, dopen de gereformeerde predikanten gemiddeld slechts 1 buiten-Oosterpoortertje per jaar, maar in de eerste helft van de jaren 1680 blijken dat er al weer 4.
Getuige ook de boven aangehaalde bierpachterskwestie moet in die laatste periode de herbevolking op gang gekomen zijn. Het getal dopelingen van buiten de Oosterpoort, hoewel trendmatig toenemend, blijft echter nog tot diep in de achttiende eeuw achter bij de vruchtbare periode onmiddellijk voor de eerste Münsterse inval. Pas in 1724 wordt het dopelingenrecord van 1663 gebroken en pas na 1755 overtreffen de vijfjaarlijkse gemiddelden die van de eerste helft der jaren 1660.
De conclusie luidt dat het gebied buiten de Oosterpoort, in tegenstelling tot wat Gerard Offerman meent, niet pas in de achttiende eeuw, maar enige jaren na het Gronings ontzet al weer bevolkt raakte. De bewoners huisden voorlopig in uiterst schamele hutten of tenten van hout. Anders dan de secrete resolutie van vlak na het Ontzet wilde, kwam er aan de hervestiging geen vergunning te pas. Ze geschiedde sluipenderwijs. Het stadsbestuur kon niet voorkomen dat de moeskers voor de bescherming van hun bezit eerst zelf in hun primitieve onderkomens gingen slapen, om er vervolgens gezelschap te krijgen van hun families.
De bank aan de Munnekeholm (1992)
Geplaatst op: 24 augustus 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenIk vond een ouwe videofilm met een rondgang door de burelen van de ABN-AMRO Bank, Munnekeholm 10, anno 1992, vlak voor de verhuizing naar de Stationsweg en de Geulstraat. Die film is gemaakt en op het web gezet door Martin Wiersma, indertijd medewerker van de afdeling boekhouding.
In die vijftien jaar veranderde er op kantoorgebied heel wat. Opvallend in de film:
- Het roken op de werkplek – men paft er nog lustig op los.
- Het gebruik dat men nog van typemachines maakt. Dat tikken op papier gaf een onaangenaam hard geluid.
- De loeizware monochrome monitoren bij de computers die er al wel zijn.
- Het vette Groninger accent bij de meeste medewerkers.
- De tamelijk relaxte, maar op het oog weinig nijvere sfeer. “Ikzelf”, zegt Wiersma op zijn MuHo-pagina, “heb de sfeer op de nieuwe gefuseerde bank als veel zakelijker ervaren en daarin stond ik zeker niet alleen.”
Het was zo gezellig bij die ouwe bank dat er medio september alweer een reünie gehouden wordt. Om die reden heeft Wiersma zijn video ook op het web gezet. Af en toe zitten er lange stukken met een blauw titelbord tussen, waarbij het geluid doorloopt. Ook is het begin wat moeizaam. Ondanks die manco’s gaat het om een nu al historische bron, die denkelijk meer zal gaan intrigeren, naarmate de memorie aan de oude kantooromgeving vervaagt.
Mans van de swaarde kunst
Geplaatst op: 20 juni 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen“Mien ollers woonden aan de Wolddiek. Doar ben ik geboren, in 1861. Mien voader was aarbaider bie Onne Feringoa.
Loater is ‘e woatermuller worren in Helper Poller. As kwoajong mos ik al op mollegoaten pazzen bie diek, mor ’s winters ston alles onner woater. Wie woonden op ’n ailaandje.
Loater is voader noar Hogebrug tou goan. Wie deden dou ’t stro- en hooimennen. Zo’n beetje vouermantjederij. Dat heb ik ook aaltied omhaans had.
Grootvoader woonde bie de sluzen in ’t Raitdaip, Dörkwerd veurbie. Op ’n keer mozzen wie ol man wat helpen te hooimennen. Wie sluipen in hooioppers en dou ’t duuster wer, wazzen doar allemoal hiplichtjes. Berend Jonker en ik wazzen doodsbenauwd. Mor Mans Heller lachtte ons oet.
Dei Mans was ’n haile minne, ’n stroattiep. As ‘e noar Stad gong, kocht ‘e Fraanze brandewien. Doar was ‘e gek op. Hai har ook al in kast zeten. Drij, vaaier doagen aarbaiden en den aan de boemel!
En hai zat vol loezen. Soms kledde hai zok noakend oet en spoulde alles oet. Den was ’t eerst weer wat makkelker.
Mor hai kon veul meer as ’n gewoon mensk. Hai was ook visker, kon netten braien. En hai kon kwoad zain. “Kiek, kiek”, zee ‘e den, “doar vlaigen ze weer!” Hai zag vlaigmesienen al in de lucht dou er nog gain sproake van was.
Op ’n keer luit ‘e ain peerd stoan bie Herepoortenwaal. Gain mensk kon dat peerd van stee kriegen. Mor dou kerel zee van: “Vot mor weer!”, gong ’t peerd weer aan loop.
Wie harren twij woagens hooi vol moakt en dou vruig ‘e grootvoader om meer geld. “As ie mie nait meer geven willen, den koom ie nait mit vouer hooi in Stad, den loat ik woagens bie ’t tolhek op Wenzumer stroatweg stoan.” En ’t haile spul blééf doar stoan. Mor grootvoader wol hom ’t geld eerst nait geven. En dou was ’t ain dot vuur. ’t Vuur vloog overaal oet.
“As ie mie ain kwartje geven, den gaait vuur weer vot”, zee Mans. Grootvoader gaf hom ain kwartje en van vuur waster niks meer te zain. En peerden gingen weer aan loop.
Mien grootvoader wol loater nooit meer wat mit hom vanneuden hemmen. Dij kerel kon duvelskunsten. Hai kon wat van swaarde kunst. Dat haar ‘e van zien vraauw leerd. Dat was ’n heks. Ze zeden dat ‘e dij vraauw vermoord har…”
Geredigeerde versie van: E.J. Huizinga Onnekes – ‘Heksen- en duivelsverhalen in Groningerland’ (uitgeverij Futurem, Ten Boer, een paar jaar terug € 6,40 in de boekhandel). De schrijfster noteerde dit verhaal in 1949 in de stad, uit de mond van een 87-jarige zegsman. De vermeende gebeurtenissen zouden dus eind negentiende eeuw moeten hebben plaatsgevonden.
Vervallende gevelstenen
Geplaatst op: 26 mei 2006 Hoort bij: Stad nu, Stad toen 12 reacties
Een lichte casus. Aan het Schuitendiep is er dit bruine paard, dat met zijn blauwe manen bijna weggelopen lijkt uit een schilderij van Franz Marc. In de zeventiende eeuw was hier het domicilie van brouwerij ‘Het Witte Paard’, maar de huidige eigenaar besloot het hele pand wit te schilderen, en om weer contrast te krijgen, moest het paard blijkbaar maar andere kleurtjes.

Deze steen van de voerman en wagenverhuurder Sikke Joestens (1762) werd jaren geleden opnieuw ingemetseld in een stuk nieuwbouw aan de Nieuweweg zuidzijde, op de hoek van de Pluimersgang. De tekst –
De wel de weg bespoort
En rit des Heeren wegen
De rit bliemoedig voort
Godt laat hem nooit verleegen
– is nog net leesbaar, maar niet lang meer.

Aan de Steentilstaat is het verval al zover voortgeschreden, dat de achttiende-eeuwse tekst bijna voor de helft niet meer leesbaar is. Er lijkt ook weinig reliëf in de steen te zitten, het woord “karelaars” (= kakelaars) lijkt me om die reden een noodgreep bij een eerdere restauratie. Deze steen is reddeloos verloren als er niet ingegrepen wordt. Nog even de tekst:
Wat wort er meenig mensch
Geschonden en belogen
Van so veel kakelaars
Die selve niet veel dogen
Het was te wenschen
Dat alle menschen
haar selve eerst bekeken
Eer dat sie quaat
Het sie vroeg of laat,
van een ander quamen te spreken

En ook hier aan de Westerhavenstraat, bij deze van onder wijd uitlopende ton, waarschijnlijk een boterkarn, lijkt me een interventie niet ondienstig, als men tenminste het verval wil keren dat teweeggebracht werd door een lekke waterafvoer, vorst, en steenbrekende plantjes.
Helaas heeft Groningen geen vereniging die zich bezighoudt met de opsporing en restauratie van dit soort ornamentjes. Amsterdam heeft wel zo’n club, en daaraan zie je volgens mij het verschil in houding ten opzichte van historische overblijfselen. In Groningen schat men die veel minder op waarde.
Terwijl hier in de provincie wel de know-how aanwezig is om die dingen op te kalefateren. Bertus Onderwater, een steenhouwer in Schouwerzijl, maakt immers nieuwe gevelstenen. Net als zijn collega Hans ’t Mannetje, al woont die wat verder weg, in Zutphen.
Tot slot, voor de echte liefhebbers, nog even het boek van Herman Sauer.
De tijdgeest in een drukkersboekhouding
Geplaatst op: 24 mei 2006 Hoort bij: Stad toen 2 reacties
Naar het archief geweest om een serie kasboeken na te vlooien op het jaar dat drukkerij Springelkamp de Oosterpoorter gaat drukken. De laatste eigenaar van de drukkerij vermoedde dat ze de druk in 1950 overnamen van Weessies & Vriese, maar hij wist het niet zeker, en daarom neem je maar een ruime marge. Dat werd even doorbijten, want het juiste jaar bleek 1957 te zijn.
Al veel eerder liet de Oosterpoorter buurt-toneelvereniging ‘De Dubbele Vieve’ twee keer per jaar de boekjes voor haar uitvoeringen bij Springelkamp drukken, terwijl Springelkamp ook allang de Herepoort Heraut, de buurtkrant van de winkeliers in de Herewegbuurt, produceerde. Kennelijk plukte hij de vruchten van een goede mond-op-mondreclame in de Oosterpoort en omgeving.
Het even moeten doorbijten werd overigens verzacht door de vele namen van verdwenen bedrijven en verenigingen die je voorbij ziet komen als je zulke kasboeken screent. Die namen ademen vaak de sfeer van de jaren vijftig uit, en dat geldt ook voor de werkzaamheden. Zo trof ik – terwijl Springelkamp ze natuurlijk lang niet allemaal als klant had – maar liefst twaalf leesbibliotheken in zijn kasboeken aan, particuliere boekerijtjes waar je voor een habbekrats romannetjes kon huren.
Een lijstje namen van andere bedrijven in categorieën:
Levensmiddelen: Dreize (De eerste supermarkt in Groningen, aan de Meeuwerderweg. Toen Dreize voor de opening nog even gauw een hapje boven zijn winkel at, hoorde hij door de geopende ramen enkele vrouwen beneden op de stoep commentaar geven: als ze de spullen zelf uit de schappen moesten pakken, hielden ze het voor gezien. Wat wel meeviel, Dreize eindigde als multimiljonair.Chocolaterie André (zie ook fabrieken)
Kleding:
Magazijn de Maan
Het Tricothuis
Babyhuis de Ooievaar
Horeca en vermaak:
Restaurant Suisse
Café de Lendekamp
d’Oude Waegh
Luxe Bar ’t Schuilhoekje
(H. van Erp, A. Teuben)
Luxe Bar Extase
Dansinstituut Wold
Dansschool Blauw
Grand Theatre (bioscoop)
Luxor Theatre (idem,bij Hotel Frigge)
Auto’s en motoren:
Motorpalace Klaas Schuur
Uitvaartverzorging:
R. Nicolaas, aanspreker
Diversen:
Bureau voor Autobusreclame
Fotohandel Filmax
Het Noorder Duivensporthuis
Fabrieken:
Houtwarenfabriek Ti-To
Clichéfabriek de Poel (Nieuwe Boteringestraat?)
Lamaf apparatenfabriek
Regenkledingfabriek BBB
Groen’s Cartonnagefabriek
Puddingfabriek Anello
IJsfabriek André
(zie ook levensmiddelen)
Bladen:
De Favoriet der Puzzelsport
Sions Harp
De Olympiaan
Verenigingen:
Melkveehoudersbond
Melkcontrolevereniging
Bond van Landpachters
Vereniging voor Pulpaankoop
Kruideniers Vakcentrale
Groninger Drogistenkring
Vereniging Hoofden van Scholen
Comité inzake Huishoudelijke Voorlichting
Katholiek Thuisfront
Vereniging Vrienden van de RK Gezinszorg
Bond van Ouders van Spastische Kinderen
Vereniging voor Christelijk Kleuteronderwijs
Christelijke Jeugdbond voor Natuurstudie
Buurtvereniging ‘Het Gaat Goed’
Hengelclub ‘De Goede Vangst’
Korfbalvereniging Hermes
Turnkring Groningen (KNGV)
De Schuine Plank
De Verstopte Sproeier
(Vermoedelijk toneelclubs)
&
Zangvereniging Juliana
Noordkant Grote Markt, anno 1930
Geplaatst op: 9 mei 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
In de etalage van Kunsthandel Han Vos aan de Kleine Kromme Elleboog staat dit gezicht op de noordzijde van de Grote Markt en de Martinitoren. Het dateert van omstreeks 1930 en is gemaakt door Carl August Streefkerk (1884-1968).
Meestal woonde en werkte Streefkerk in Amsterdam, waar hij veel stadsgezichten produceerde. Een buurman van hem kwam uit Groningen, wilde kennelijk graag een herinnering aan zijn vaderstad, en in diens opdracht schilderde de kunstenaar dit doek. Met het gezichtspunt hoog vanaf het Stadhuis, je vraagt je zelfs af of hij foto’s in de dakgoot heeft staan maken.
Eerst het onaanzienlijke. Rechtsonder is er uitdragersmarkt. Naar links zien we een paar handkarren, één staat er langs de riepe met appelsienen en ander fruit. Maar verreweg de meeste aandacht gaat uit naar de bebouwing, die op de Martini na geheel en al verruïneerd is bij de Bevrijding in 1945. Uit nostalgie hemelt menigeen die bebouwing nogal eens op, maar ook op dit vrij unieke schilderij valt weer eens te zien dat ze beslist niet allemaal even oud en monumentaal was.
18 – Van rond 1870 was het gebouw met de groene markies en het uitspringende torentje op de hoek van de Ebbingestraat. Hierin zat de Groningse Bijenkorf, waar een meneer Veltrup de scepter zwaaide.
19 – Het brede pand daarnaast is zelfs twintigste-eeuws, ik denk van rond 1920. Het ging om een soort bedrijfsverzamelgebouw avant la lettre, waarin de Amsterdamse Bank, en verder onder meer Centraal Beheer, de Risico Bank en het Noordelijk Assurantie Kantoor NASK samenwoonden.
20 – In het eenvoudige negentiende eeuwse pandje daar weer naast, zaten tandarts E. van der Molen en de koffiekelderhouder S. Overzet.
21 en 22 – Pas daarna komen de echt oude panden, met voorgevels uit de zeventiende eeuw of nog vroeger. Eertijds ging het om de Grote en de Kleine Toelast, wijnherbergen met grote wijnvaten als uithangborden. Anno 1930 heb je daar onder meer de firma L.W. Vopel, in pelterijen en maatkleding voor dames, de Schaftkelder van Jac. Bultje en enkele gemeentelijke instanties.
23 – Rechts voor de voet van de Martini en de kosterij, tenslotte, de laat middeleeuwse Burger-Hoofdwacht, waar eeuwenlang de dienstdoende officieren, onderofficieren en manschappen van de burgerwacht de nachten wakend doorbrachten, maar waar anno 1930 het gemeentelijke woningbureau domicilieert.
De nummers komen uit de Groningse adresboeken van 1930, 1931 en 1933
Acht namen op een doodsplaccaat
Geplaatst op: 4 mei 2006 Hoort bij: Stad toen 3 reacties“Het oordeel is voltrokken”, zegt dit doodsplaccaat van 4 mei 1943. Egbert Thoma (26) en de broers Eisso (50) en Hermanus Kleefman (48) werden die ochtend gearresteerd omdat ze betrokken waren bij de staking op aardappelmeelfabriek ‘De Woudbloem’ in Scharmer, onder Slochteren. In het Scholtenshuis veroordeelde de Duitse snelrechter dezelfde dag nog alle drie ter dood. Om 16.05 uur werden ze voor de fabriek gefusilleerd. Waarbij de andere arbeiders moesten toekijken.
De andere vijf stonden om 18.45 uur voor het vuurpeloton bij de strokartonfabriek in Hoogezand, een plaats waar algemeen gestaakt was. Ook hier moesten de aanwezige fabrieksarbeiders toekijken. Toch waren het niet hun collega’s die daar neergeknald werden. Rienold Terpstra (29), een boerenknecht, deed in Doezum mee aan de melkstaking en het leeggooien van al opgehaalde melkbussen. De hellingknechten Paulinus Nieuwold (41) en Gerrit Imbos (20) namen deel aan de staking op een scheepshelling in Hoogezand. Willem Antonie van Rossum (19), een landbouwstudent uit Nederlands Indië, pakten ze die dag op omdat hij een windbuks op zijn Groninger kamer had staan, wat gold als ‘verboden wapenbezit’. En Cornelis Luinstra (19) uit Warfstermolen zou in die plaats tot staking hebben aangezet.
Voor een extra intimiderend effect hielden de Duitsers geheim waar ze deze mannen en jongens begroeven. Feitelijk werd hun graf nooit gevonden, zijn ze nog steeds vermist. Al wees onderzoek wel uit dat ze met nog acht andere gefusilleerden in de Appèlbergen onder Haren liggen, meer precies in het Grote Veen, nu een drassig en nagenoeg onbegaanbaar natuurterrein, waar het water indertijd een halve meter lager stond.
Sinds twee jaar is er aan de rand van dat Grote Veen een monument voor alle zestien vermisten, en negentien anderen wier lichamen wèl zijn gevonden, vlak na de oorlog al.
Bronnen
website
artikel
scriptie (pdf)
foto’s onderzoek
monument
Een paradijskorrel in de Lutkenieuwstraat
Geplaatst op: 3 mei 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Op de bodem van de leeggeschepte beerput gekomen, vulden de archeologen een kinderemmertje met de laatst weggehaalde drab. Dat monster uit de Lutkenieuwstraat is nu onderzocht op plantenresten, zoals zaden. Zo’n 78 verschillende soorten bleken vertegenwoordigd. Waaronder – verrassing – de uitheemse paradijskorrel. De archeologen schreven er een hele verhandeling over. Mèt een paar recepten voor hippocras, de kruidenwijn die in de achttiende eeuw na een huwelijksmaaltijd gedronken werd.
Vooruitziende blik
Geplaatst op: 20 april 2006 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen Een reactie plaatsen
Eind 1796 wist de publieke opinie in Groningen al waar men aan toe zou zijn met de eenheidsstaat. Er lag toen net een eerste grondwetsontwerp voor de Bataafse Republiek, met een unificatie van alle gewesten op termijn. De Groninger arts Jacob van Geuns schreef:
“De zoo zeer met overhaasting naderhand gedecreteerde absolute eenheid, zoo wel nae buiten als omtrent het bestuur van binnen, staat hier veelen zeer slegt aan. Men vreest dat zoo het binnenlands bestuur onder volkstrekte eenheid gebragt wordt, dat dan de afgelegene deelen, van* Den Haag, waar tog het Hooftbestuur zal blijven, zullen verwaarloost worden. Of dat de belangen van Holland zullen voorgetrokken worden ten koste van de anderen.”
*Van = door
250-ste Beno’s Stad
Geplaatst op: 20 april 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenVandaag de 250-ste aflevering van Beno’s Stad op OOG TV, de lokale televisiezender hier in Groningen. Van de Benosketches, waarin Beno op clowneske wijze historische figuren uitbeeldt, ben ik niet zo’n geweldige liefhebber, maar verder is het toch een heel aardig programma. Met een ijzersterke formule: een aanleiding in het heden, waar een historisch TV-exposé aan opgehangen wordt. De aflevering van vandaag gaat over de abstracte Ploeg-schilder Jan Jordens, en is hier vanavond en vannacht nog te zien als onderdeel van de live-stream van OOG TV (aanvang steeds om ongeveer 10 over het (half-)uur).
De kleinzoon van Jordens vertelde me dat zijn grootvader tot zijn dood in 1962 aan de H.W. Mesdagstraat woonde, op nummer 30. Dat deed toen nog geen belletje bij me rinkelen. Maar van Beno’s filmpje herken ik het nu als Huize Thirty Mind. En het grappige is dat ik daar jaren geleden eens een prijswinnende studentkunstenaar interviewde, die ook al abstract schilderde. Bij alle verschil in bewoning, lijkt er zo toch continuïteit in dat huis.
Ede Staal en de motormuis
Geplaatst op: 16 april 2006 Hoort bij: Stad toen 6 reacties
Op een middag in februari 1986 ziet motoragent Lucas Naaijer een aftandse Mercedes door de WA Scholtenstraat rijden. Hij merkt dat er geen kentekenbewijs deel III achter de voorruit zit en dwingt het vehikel tot stoppen. De magere, ongezond ogende chauffeur mag van hem uitstappen. De politieman vraagt de man om zijn naam. Die steekt zijn hand uit en stelt zich netjes voor, maar vraagt de verbalisant ook om diens naam. Als Naayer ‘m noemt, klinkt er: “Haar ik ’t nait docht.”
Wegens het ontbreken van het papiertje laat de agent de Mercedes afvoeren naar het bureau. De automobilist gaat lopend van de WA Scholtensstraat naar het Damsterdiep, om bij het busstation de bus te pakken. Maar op het Damsterdiep merkt hij dat de wachtkamer van het busstation niet meer bestaat en nu een bloemenzaak is. Heel vervelend voor de man, want hij is zwaar ziek, en heeft nog maar een paar maanden te leven.
Die automobilist was Ede Staal. En Ede verpakte de gebeurtenis een week later onherkenbaar in een “vertelstertje” voor het programma ‘Sloaperstil’, zondagochtend op radio Noord. In dat fictieve verhaal, ‘Bitte der Hund’, draait het om enkele ongemakken van het winkelen even over de grens en in de stad Groningen. In Groningen zet de wat sullige protagonist zijn auto wederrechtelijk neer op de busbaan van het Zuiderdiep, omdat hij voor zijn zoon een schebelskop (masker) wil kopen bij de feestartikelenwinkel van Mulder . Er komt een agent langszij, die hem vraagt of hij wil schikken of het laat voorkomen. “Nee meneer, dit was niet te voorkomen”, zegt de overtreder. Wiens vrouw de schebelskop opzet, zodat er een volksoploop ontstaat. Voordat het helemaal uit de klauw loopt, escorteert de politie het wereldvreemde echtpaar tot buiten de stad. Zegt de man van het stel tevreden achter zijn stuur: “Bin bliede dat ons jong loater bie politie wil.”
Iemand die de aanhouding van Ede in de WA Scholtenstraat op afstand had gezien, maar doorfietste, was Siemon Reker, toen presentator van ‘Sloaperstil’ en nu hoogleraar Groningse taal en cultuur aan de RUG. Samen waren Ede en Siemon even tevoren de studio aan het Martinikerkhof uitgekomen, waar ze een bespreking hadden gehad. Sinds zijn aantreden als hoogleraar, in 2001, nam Siemon elk jaar het vertelstertje van Ede op in een serie algemeen vormende colleges over het Gronings, die zich in een behoorlijke populariteit mogen verheugen. En steeds vroeg hij dan, of iemand die motoragent van de WA Scholtensstraat toevallig kende.
Dit collegejaar was het eindelijk raak. Een van de studenten wist waar Naaijer woonde. En zo kon Siemon de politieman, inmiddels rechercheur, benaderen voor een officiële handeling. Zonder een spoor van rancune over Edes’ ironische wraak stelde Naaijer hem weer in gebruik, de Ede Staalwebsite van RTV Noord.
Hier kan je het hele verhaal nog eens nalezen en beluisteren.
Een tegeltableau van de Munnekeholm
Geplaatst op: 11 maart 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen[geëmbedde plaatje is weggehaald van internet, er wordt n og een oplossing voor dit probleem gezocht.]
Dit is Groningen kwijt. Een tegeltableau met twee brievenbussen. Het engeltje bewaakt de gleuf voor handgeschreven post, de posthoorn staat boven die voor het drukwerk.
Het tableau is gemaakt door de Haagse aardewerk- en porseleinfabriek Rozenburg naar een schetsontwerp van rijksbouwmeester C.H. Peters. Nu bijna een eeuw geleden, in 1907, werd het geplaatst in de ‘wachtzaal’, dat wil zeggen de voor publiek toegankelijke, centrale ruimte in het hoofdpostkantoor aan de Munnekeholm. Er is nog slechts één enkel ander exemplaar bekend, maar de firma Rozenberg zal er ongeveer twintig van hebben geleverd aan het staatspostbedrijf. Ook het postkantoor van Winschoten beschikte over zo’n exemplaar.
Wanneer Groningen het kunstwerkje precies kwijtraakte, is ongewis, maar mij staat bij, dat ik het nog wel in het gebouw aan de Munnekeholm gezien heb. Het bevindt zich nu in het Museum voor Communicatie in Den Haag, de moderne voortzetting van het Postmuseum, tevens de lokatie waar vandaag de Dutch Bloggies plaatsvinden.







Recente reacties