Stads’ zicht op de Pauw

Dat de pauw een ijzersterk beeldmerk is, zie je nog steeds hier en daar in de stad. Zoals aan het begin van de Blekerstraat, waar ooit de Noord Nederlandsche clichéfabriek zat, die kranten- en andere drukkerijen van foto- en advertentiecliché’s voorzag:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Zoals ook hoog op een gevel aan de Brugstraat, waar – denk ik – ooit een damesconfectiezaak onderdak vond:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Beide voorbeelden zijn nu bijna een eeuw oud, het gaat om Groninger Jugendstil.

Plaatjes van ouwere pauwen in het stadsbeeld heb ik niet, maar als een paal boven water staat dat de vogel met de opgestoken verentooi bij ons in de stad langdurig op horeca-uithangborden prijkte. Van de zestiende eeuw tot zeker 1775 was De Gouden Pauw, kortweg De Pauw, een herberg op de hoek van de Suipstraat, zoals de Waagstraat toen nog heette, en Tussen beide Markten. Deze herberg stond daar aan de kant van de Brede of Botermarkt, dus op een super-A lokatie, nu ingenomen door het NewsCafé. Maar ook herbergen op B-lokaties aan De Laan (ca. 1680), op de hoek van het Sledemennersplein (1713) en aan de Lutkenieuwstraat (1792) heetten De Pauw en droegen zo’n uithangbord.

Die herberg aan De Laan is omstreeks 1810 een pakhuis, dat dan nog steeds De Pauw heet. Uit een geschiedenis van de roemruchte Groninger bierbrouwerij Barbarossa valt op te maken dat dit pakhuis, samen met een belendende kroeg en de achterliggende bierbrouwerij in 1832 aan de basis lag van een nieuwe fusiebrouwerij, die nog tot 1869 De Gekroonde Pauw bleef heten.

Vanaf dat tijdstip ontbreekt het zicht op Groninger pauwen, wat dus niet wil zeggen dat ze er niet geweest zijn. Sinds begin twintigste eeuw hebben we dan dat zandstenen reliëf en dat tegeltableau aan de Blekerstraat en de Brugstraat, terwijl de horecatraditie sinds 23 jaar nieuw leven ingeblazen is met restaurant De Pauw aan de Gelkingestraat

Mogelijk met uitval tussen 1869 en ca. 1910 is er dus zo’n vierhonderd, vijfhonderd jaar een pauw te zien geweest in het Groninger straatbeeld. Dat de stadjers iets overnamen van het spreekwoordelijk trotse beest, mag daarom geen verbazing wekken.


Op gasthuiszolders

Ter gelegenheid van monumentendag hield de gemeentelijke bouwhistoricus Taco Tel rondleidingen over de zolders van het Pepergasthuis, dat dit jaar zes eeuwen bestaat en nog laat-middeleeuwse eikenhouten kapconstructies heeft:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Een timmerman-aannemer zette zo’n constructie op zijn eigen werf in elkaar met pen- en gatverbindingen. De onderdelen werden met mes- of bijtelinkepingen genummerd, het hele zaakje ging dan gedemonteerd naar de plaats van aanbouw, waar het in omgekeerde volgorde weer in elkaar werd gezet. Alleen aan de allerlaatste steunbalkjes kwamen spijkers te pas.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Uiterst merkwaardig was, dat een van de zolders geplaveid bleek met klinkertjes, die op kleine balkjes berusten. Tel verzocht ons vooraf een beetje rustig aan te doen. De klinkers lagen niet echt effen en de vloer welfde duidelijk, echt betrouwbaar kwam hij niet over. Op een belendende zolder lagen er plavuizen op eenzelfde ondergrond. Zoiets komt alleen in de stad voor.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Met een takelmechanisme hees men de wintervoorraden naar boven. Omdat er 50 tot 70 conventualen in het gasthuis uit de pot mee aten, ging het om aanzienlijke hoeveelheden. Volgens een notitie van een kokmoer uit de negentiende eeuw lag dit allemaal op zolder:

  • 5 dagwerk gewone turf
  • 100 bak baggerturf
  • 70 – 80 mud rogge
  • 60 mud aardappelen
  • 30 mud grauwe stambonen
  • 22 mud gort etcetera.

De beun van het Pepergasthuisspook:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


Hondekaak als bouwoffer

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

De revelatie van deze Monumentendag was het extra onderdeel, de boerderij bij de Reitdiepdijk, even voorbij de nieuwbouw. Otto wees er me laatst al op, waarschijnlijk omdat ze “van het Oldambtster type” heet te zijn. Inderdaad ben ik toen ook even wezen kijken, maar aan wildvreemde mensen vraag je niet zo gauw of je hun huis ook mag zien, dus verder dan het damhek kwam ik niet.

Maar vanmiddag bleek tot mijn grote verrassing dat de eigenaar een ouwe bekende is. Vroeger woonde Egbert in de Oosterpoort, om precies te zijn in de gesloopte Kop, waar hij aan de Duikerstraat veel buiten zijn deur zat te beeldhouwen. De ouwe Vaszlovszky heeft er zelfs nog een foto van in zijn etalage hangen. Egbert studeerde indertijd theoretische natuurkunde, maar zit nu in de ict, en heeft samen met enkele compagnons een bedrijf dat websites en communities bouwt, onder andere voor de nationale ombudsman.

Hij en zijn partner hebben de heerd nu twee jaar in eigendom. De laatste boer, louter schapen houdend, ging er in 1999 uit, en intussen zat er een anti-kraakwacht in. Vanwege de vele modernere onderdelen, zoals het voorhuis, is de boerderij geen monument, en Egbert en zijn partner krijgen derhalve geen spie subsidie voor het opknappen. Maar wel maakt de boerderij deel uit van een beschermd stadsgezicht, zodat de bouwregelgeving wat strenger is.

Omdat de rietdekkers nog steeds bezig zijn, is het gebintenstel van de schuur nu nog in het volle daglicht te bekijken. Volgens het jaarringen-onderzoek bestaan de eerste vier gebinten uit hout, dat in 1632 gekapt werd. Met andere woorden: het span voor de schuur moet een of twee jaar later gericht zijn. Oorspronkelijk was die schuur met zijn drie vakken dus een stuk kleiner dan hij nu is.

Egbert vertelde ook dat hij onder een staander de halve onderkaak van een hond vond. Vervolgens keek hij bij de volgende staander, en daar vond hij de andere helft van dezelfde onderkaak. Het kan niet anders, of ’t gaat om een bouwoffer. Hoogst curieus voor de zeventiende eeuw, dacht ik hardop. Maar, zei hij, dat bouwoffer zat oorspronkelijk wellicht onder een nog oudere muur van kloostermoppen, waarvan hij eveneens enkele restanten aantrof.

Vroeger deed hij veel dingen met theater. Misschien wordt dat ook een bestemming voor de schuur. Over een jaar moest ik nog maar eens weer komen kijken. Dat zal ik zeker doen.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

 


Rabenhaupt spreekt

Geplaatst op 28 augustus 2005 Rabenhaupt

Karl Rabenhaupt, baron van Sucha, eertijds redder van Groningen, voor piespaal weggestopt achter het stadhuis, zodat de gemeentelijke milieudienst hem elke ochtend schoon moet komen spoelen opdat de burgemeester hem niet ruikt, mag heel eventjes, voor deze speciale gelegenheid op zondag de 28-ste augustus 2005, zeggen waar het volgens hem op staat:

“Wees nou eens eerlijk. Zonder mij had die Bernhard von Galen, a.k.a. Bommen Berend, bisschop van Munster, jullie na een langdurig beleg overwonnen. Tienduizenden stadjers zou dat het leven hebben gekost. Omdat jullie altijd zo verdomde eigenwijs zijn en jullie nooit en te nimmer zouden hebben willen buigen, kregen jullie geen kwartier meer. Dagenlang mochten de troepen van de bisschop hun gang gaan. Mannen waren niet veilig, vrouwen en kinderen evenmin. Slechts een enkeling redde het vege lijf. Nog wekenlang hing er een verrotte lijkenlucht tot mijlenver in de omtrek rond jullie verwoeste veste.

Bij de vrede kreeg de bisschop de Graafschap Zutphen, Overijssel, Drenthe en Groningerland. Alle kerken kwamen weer in katholieke handen en protestanten moesten zich voegen. Als ze niet tot het katholicisme overgingen, kregen ze inkwartiering van Munsterse dragonders. Veel Groningers namen de wijk naar het Hollandse rompstaatje, maar er waren ook nogal wat die in Amerika terechtkwamen. Sommigen die bleven begonnen een guerilla, zoals die ook in de Cévennes al woedde, waar de Camisards vochten tegen de Zonnekoning, die steeds een bondgenoot van de Munsterse bisschop bleef.

Jullie guerilla’s kregen wel wat steun uit het Hollandse rompstaatje, maar dat bleek onvoldoende. De reactie was verschrikkelijk. Overal stonden galgen met opgeknoopte protestanten, waarvan het goed aan de bisschop kwam. Het land ontvolkte en de economie zakte in, zoals ze nog nooit ingezakt was. Omdat de zetbazen en de geïmporteerde monniken van de bisschop geen kaas van waterstaat hadden gegeten, verwaarloosde hun bestuur de dijken. In 1686 en 1717 braken die door. Anders zou dat misschien ook wel gebeurd zijn, maar nu was er helemaal geen redden meer aan. En liepen er honderden dorpen onder. Definitief.

Alleen jullie ontvolkte stad en het Gorecht hielden nog stand tegen het water. En zo hebben jullie dan nu nog, op je vooruitgeschoven landtongetje, het pittoreske havenstadje Groningen, dat die verschrikkelijke oorlog nooit meer te boven kwam, en dat zich nog altijd omringd weet door een immens kwelder- en waddenlandschap.

Wat doe ik hier eigenlijk nog? Hebben jullie enig idee misschien?”


Het wakend oog

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

“Ik ben het wakend oog
Mijn blik blijft rustig staren
Gericht steeds over zee
Let ik op de gevaren
Al wordt er onder mij
Van oudsher steeds gelogen
Voor hulp of redding ook
Vindt men zich nooit bedrogen”

(Gezien op de Noorderhaven. Volgens het jaartal dateert dit object van 1897.)


Het smakschip of de smak

smakschip links - collectie Ottema Kingma

Er wordt hier al reikhalzend uitgekeken naar de scheepsmanifestatie ‘Groninger Welvaart‘, die donderdag begint. Vandaag ruimt het Dagblad van het Noorden er een halve nieuwspagina voor in, en ik heb ook al het nodige strooidrukwerk onder ogen gehad, reclamekrantjes en -folders.

Natuurlijk ga ook ik straks met de camera op struin, alleen heb ik er op voorhand wel een beetje de pé over in dat de nadruk helemaal ligt op het industriële, ijzeren vaartuig van na 1900. Ook voor die tijd dankte Groningen namelijk welvaart aan scheepvaart en scheepsbouw. En relatief nog wel meer dan later. Begin 1851, bijvoorbeeld, had de ruime meerderheid van alle, toentertijd nog bijna uitsluitend zeilende Nederlandse kustvaarders – het ging om kof-, galjoot-, smak-, en tjalkschepen – een thuishaven in Groningerland. Van de 919 geregistreerde schepen waren dat er maar liefst 529.

Al die kustvaarders vervoerden bulkgoederen als hout en graan langs de Europese kusten, met name tussen Frankrijk, Noorwegen en de landen aan de Oostzee. En de scheepsbouw die deze kustvaart bediende was toen al sinds jaar en dag langs het Winschoterdiep en zijn zijkanalen gevestigd. Bij de gebruikte scheepstypen springt er één uit. Het paradepaardje van de zeilende Groninger kustvaardersvloot was de smak of het smakschip.

Omstreeks 1660 dook het type voor het eerst op in de Groninger wateren, maar het werd hier pas vanaf ongeveer 1740 gebouwd, toen een Groninger scheepstimmermansbaas een Friese grootknecht in dienst nam die de smak goed kende. Sindsdien verbreidde zich de kennis pijlsnel in Groningerland en bleef het type ruim een eeuw lang gewild.

Naar de schippers die er woonden is in Groningen ook nog steeds de Smakkersgang genoemd.

Het smakschip was een rondgebouwde tweemaster met zwaarden, uitstekend boven de boorden. Met zijn platte bodem kon hij tamelijk ver de rivieren opkomen. Hij was ruim twintig meter lang, vijf meter breed en 2,3 meter hol. In de Groninger Courant kwam ik exemplaren tegen met 40 tot 75 roggelasten laadvermogen, dat is 80 tot 150 ton, het gemiddelde zal op circa 110 ton gelegen hebben. In de achttiende eeuw kostte een nieuwe smak een 3000, 4000 gulden. Een smak geld, nu zou dat minstens enige honderdduizenden euro zijn.

Bij mijn weten bestaat er geen enkel exemplaar meer van de smak, maar wellicht is er nog eens zo’n schip na te bouwen voor een volgende editie van ‘Groninger Welvaart’, bijvoorbeeld in het kader van een werkgelegenheidsproject. Ja, geef met de smak Groningerland zijn ware vlaggeschip terug. Modellen, bestekken, en bouwtekeningen zijn er genoeg en ook is er voldoende documentatie van zeil en treil aanwezig in archief en museum.


Asterix in stad

opgraving lutkenieuwstraat

Ik dacht al, wat doet die grote camera daar? Maar op de Tehuis-lokatie aan de Lutkenieuwstraat hebben de archeologen nu dan sporen uit de Romeinse tijd ontdekt.

Volgens stadsarcheoloog Ger Kortekaas betreft het primair ploegkrassen, greppels en paalkuilen. Wat wijst op een nederzetting. Opnieuw een teken dat het stadsgebied een ononderbroken bewoningsgeschiedenis van ruim twee millennia kent.

Ook is er een wat meer spectaculaire vondst gedaan, een komscherf van Gallische terra sigillata uit de tweede eeuw na Christus. De nederzetting beschikte dus over import-aardewerk uit het Romeinse Rijk. Waarmee is aangetoond dat die nederzetting surplus-producten verhandelde en enige welvaart kende.

Eerder kwamen in wierden al terra sigillata-scherven naar boven, en vorig jaar gebeurde dat ook op de Bloemert-lokatie bij Midlaren, waar een nog rijkere nederzetting werd blootgelegd, die al een gespecialiseerde stand van ambachtslieden kende (voornamelijk wevers).

 


Wildeman, zeemonster of Gorgon

Hij heeft twee hoorns op zijn voorhoofd, een paar woedende puilogen, een wanstaltig brede neus, een grote, gretige muil met vlijmscherpe tanden die gehakt van mensjes maken, een uitgestoken tong ten teken dat hij dat lekkers maar wat graag naar binnen slikt, en een overvloed aan haar- en baardgroei.

Het is een van de mooiste ornamenten van de stad Groningen, daar naast café Prins van Monaco, op het adres A-Kerkhof zuidzijde 8/1. Het gaat om een zandstenen reliëf boven een rijtuigpoort. Volgens de iets lager ingezette sluitsteen stammen poort en reliëf uit 1683.

Vaag had ik het idee dat ik een soortgelijke wildeman of hellebeest op een schilderij van Hieronymus Bosch had gezien, maar toen ik ’t nakeek, bleek dat een vergissing. In tweede instantie dacht ik dat het wel eens een zeemonster zou kunnen zijn. Immers, die wijd uitwaaierende, haarachtige uitstulpingen zouden ook wel eens vangarmen kunnen verbeelden. En dan gaat het om een wezen, half mens, half octopus, zoals er vast wel een op een oude zeekaart voorkomt.

Om aan mijn onzekerheid een einde te maken, belde ik de afdeling monumentenzorg van de gemeente maar eens. Volgens Taco Tel daar, die het dossier voor me inkeek, betitelde Rijksmonumenten het als een Gorgonenmasker. Dat nu, betwijfel ik een beetje omdat de drie vrouwelijke Gorgonen – onder andere Medusa – in de klassieke oudheid en later weliswaar een afschrikwekkend uiterlijk meekregen, maar meestal gezegend waren met slangenhaar en een baardloos blotebillengezicht, kenmerken waar het wezen hier niet aan voldoet. Bovendien droegen Gorgonen geen hoorns.

Een Gorgon zag er volgens Caravaggio zo uit.

In elk geval is het bepaald geen uitnodigend beeld, daar aan het A-Kerkhof. Integendeel, de gemiddelde voorbijganger van 1683, die nog volop in reuzen, monsters en demonen geloofde, moet het reliëf met ontzag hebben aanschouwd. Zoveel ontzag, dat hij zich wel twee keer bedacht voordat hij deze poort binnenging als hij er niets te zoeken had. Vermoedelijk bedoelde de zeventiende-eeuwse poortbouwer het dan ook als equivalent van ons bordje ‘Verboden toegang voor onbevoegden’, dus om straatjongens, bedelaars en ander gespuis buiten te houden.

Helaas is de poort wat scheefgezakt en krakkemikkig en lijkt het reliëf er niet helemaal stabiel meer op te staan. Volgens Tel komt dat doordat het pand met de Prins van Monaco er rond 1900 twee verdiepingen bijkreeg. Een paar jaar geleden maakten bewoners van het pand achter de poort het poortreliëf nog schoon, om het in bonte kleuren te beschilderen. Inmiddels is hun verf er bijna weer af en zamelt zich vooral onderin het reliëf vuil op. Dat vuil houdt weer regenwater vast, niet best, want met vriesweer krijg je zo ijs-afzettingen, die het zandsteen kunnen doen scheuren. Gelukkig ligt er een restauratieplan klaar. Tenminste, dat zei Tel. Als het goed is, wordt het reliëf binnenkort dus opgeknapt.