Groninger adel sprak zo plat mogelijk

Bijnamen zijn hier wel vaker ter sprake gekomen, maar vrijwel altijd als betitelingen van mensen uit de onderste lagen van de samenleving. Het gekke met de bijnamen die Waalko Jan Roelfsema (1847-1937) zich vooral uit zijn jeugdjaren herinnerde, is nou juist dat ze vrijwel allemaal behoorden tot lieden uit de bovenste lagen van de stad-Groninger samenleving.

Als tamelijk misantropisch ingesteld mens had Roelfsema, een ondernemer en langdurig gemeenteraadslid, een fijn ontwikkeld gevoel voor de ondeugden van zijn evennaasten, en dus ook voor de bijnamen die daar uitdrukking aan gaven.  Het aardige is, dat sommige van die ondeugden te maken hadden met taal.

Dat Groningers in het derde kwart van de negentiende eeuw overdreven Hollands spreken niet zo op prijs konden stellen, zal misschien nauwelijks verbazen. Over de “stront-prefect” Evert Buttinger meldt Roelfsema, dat deze directeur stadsreiniging (later burgemeester van Wedde en Zuidhorn) “kazerne hollandsch” sprak. We herkennen hier meteen een Groninger type in, dat nu nog steeds bestaat en dat liever een plat-randstedelijke tongval hanteert, dan zich te laten betrappen op een meer autochtoon accent.

Nog erger was de commissionair Mulder, een collega van Roelfsema als bestuurslid van de Groningse Kamer van Koophandel. Roelfsema:

“Hij had iets opvallend pedants in zijn manieren en sprak erg hoog-haarlemmerdijks en dat op bloemzoeten toon, zoodat zijn bijnaam niet slecht gekoozen was.”

En hoe luidde dan die bijnaam van Mulder? Wel, men noemde hem “de hollandsche ruiter“. Zo iemand zat nogal hoog te paard, moet je maar rekenen.

Hier tegenover stonden echter de heer en mevrouw Trip. Naar de manier waarop deze man en vrouw elkaar aanspraken, heetten ze “Hinderk Jan mien jong”, respectievelijk “Kato mien wicht”. Omdat zijn vader in 1817 in de adelstand verheven was, mocht Trip zich jonkheer noemen – deze wethouder en gemeente-ontvanger behoorde tot een oude stad-Groningse regentenfamilie, die een jongere tak was van een eveneens patricisch Amsterdams geslacht. Die verre afkomst was in de taal van hem en zijn vrouw echter absoluut niet te merken, aldus Roelfsema:

“Deze soort lieden, de adelijken en de patriciërs, onderscheidden zich door hun zeer groningschen spraak en gebrek aan manieren; zij schenen er haast een eer in te stellen zoo plat mogelijk te doen en te spreken.”

Bij toeval eens in Apeldoorn in hetzelfde hotel verblijvend als de heer en mevrouw Trip, die als Groningers steeds hun gezelschap zochten, geneerden Roelfsema en vrouw zich voortdurend wegens

“de zeer laagbijdegrondsche gesprekkken  en de platte taal van onze stadgenooten”.

Andere gasten vroegen de Roelfsema’s wie dat toch voor mensen waren, aan hun tafel:

“en kon men niet gelooven dat men aangezeten had met menschen van den groningschen adel.”


‘De Boonen’

Na het lofdicht op de zoepenbrij staat er een ode aan de bonen in de schriftjes van Siepko Lameris. Hoewel bonen in de negentiende eeuw een gangbaar voedsel vormden in heel Groningerland, lijkt dit vers afkomstig uit het Oldambt:

De Boonen

De boonen geven mark en bloud
En smaoken goud.
Bie zeuven boonen ’n goud stuk spek,
Dij dat nait lust, dat is ’n gek,
Dat is gaint nao d’Oldamster trant,
Gaint oet het Grönnegerland!

’n Man, nait wied van honderd jaor,
Mien bessevaor,
Et zuk er drijmaol daogs van zat,
Mien vaor, dij zag al daoge dat,
Kreeg ook de smaok en dut hom ’t nao,
En hom aop ik weer nao.

Krieg ie alsmits gain boonenpap,
Ie worden slap;
Waor zij nait bie de ribben staon,
Het nooit ’n man zien wark goud daon.
Wacht eerst zoo lank er meel in zit
Din geft ’t eerst regte pit.

Al zai ‘k maor ain dij boonen et,
of ‘k mie gaauw zet:
As hij maor even wenkt nao mie,
Ben ik al klaor en stao hom bie,
En ‘k laot zoo lank nao binnen gaon,
As ’t maogien is voldaon.


Lofdicht op de Zoepenbrij

Lofdicht op de zoepenbrij

Ze zijn nogal verfomfaaid en verstoft, de schriftjes die de Lopster uurwerkmaker Siepko Lameris vanaf 1857 met gedichten en stukjes proza volschreef. De afkalvende marges en het uit elkaar liggen van de blaadjes duiden erop, dat ze zeer vaak ter hand genomen zijn. Waarschijnlijk onderhield Siepko in de omgeving een voordrachtspraktijk, al is het ook mogelijk dat de schriftjes gewoon veel rond zijn gegaan, ook later nog in de familie.

In die schriftjes vind je voornamelijk Nederlandstalige stukjes van destijds bekende nationale auteurs. Maar er staan ook een paar Groningstalige stukjes in, helaas niet altijd compleet (voor zover ik tijd had om de puzzel te leggen). Anders dan bij de Nederlandstalige, zette Siepko bij de Groningstalige nooit de naam van een auteur. Wie ze schreef, is dus onbekend, maar de gedichtjes moeten zeker in de smaak gevallen zijn. Met name deze ode op de karnemelksepap, destijds dagelijkse kost voor zowat iedere Groninger – in menig huishouden hing het spul van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat boven het vuur te dampen, vaak werd het ook gegeten in combinaties met brood of aardappelen die ons nogal vreemd voorkomen:

Lofdicht op de Zoepenbrij
opgedragen aan een jeugdig en bevallig boerenmeisje door een boerenjongen.

De zoepenbrij dij smaokt zoo goud,
Mit stroop of zunder zuite;
Het geft ons fris en jeugdig bloud,
Het geft bie zwart brood kracht en moud
Veur wainig geld en muite!

De stadjer let ‘r wien veur staon;
Maor zel der lank op loeren.
Hij wil der graog ’n uur om gaon,
Ja, luip der wel veur nao de maon,
En vind hom bie de boeren.

Eet doe, mien wigt! maor zoepenbrij;
Het geft ook roode wangen,
(Maor wees nait mit de stroop te rei,
Want din rakst nait van kieven vrij.)
En loat de soeppot hangen.

En of ze zeggen: ’t deugt die nait,
Dat binnen al maor praotjes.
De zoepenbrij, leuv maor da’k ’t wait
Nait al te kold, nait al te hait,
Is beter spul as taotjes.

Het is ’n kost veur alle man
Veur jongen en veur ollen.
Het kind, dat lust ’t ‘r al graog wat van,
En dij ’t nait meer bieten kan
Zel ’t hier nait lank meer hollen.


‘Spock’ over zijn achtergrond

Leonard Nimoy over zijn joodse achtergrond en de jammerlijke teloorgang van het jiddisch:

“Mijn moeder en vader waren buitengewoon voorzichtige mensen. Alles wat ze deden was gekleurd door angst. Wat kan er gebeuren als je dit of dat doet? Hou het veilig, hou het veilig.”

Ze waren gevlucht uit de Oekraïne, destijds een fijn land met al zijn pogroms. Gelukkig stimuleerde zijn grootvader zijn nieuwsgierigheid, anders was hij misschien nooit acteur geworden, iets wat eenvoudigweg buiten het voorstellingsvermogen van zijn ouders lag. Wel waren zijn ouders later trots op zijn succes. Zijn vader had een kapperszaak in Boston en jongetjes kwamen er om een Spock haircut vragen:


Via


Moedertaal, dat ligt soms gecompliceerder

UNESCO_Tag_der_Muttersprache_2010

Naar aanleiding van de ‘Dag van de moedertaal‘.

Het zal inderdaad zo zijn dat velen hun eerste verbale taal hebben opgedaan van hun moeder. Vader was destijds altijd aan het werk of sowieso niet zo spraakzaam, de eerste woorden moesten van moeders komen.

Die moeder van mij spreekt Zuidwest-Drents, maar niet van huis uit. Ze is geboren en tot haar negende woonachtig geweest in Zuidhorn. Je bent dan geneigd te denken dat ze in haar eerste levensjaren de Westerkwartierster variant van het Gronings sprak. En dat was misschien ook wel zo in haar schooltijd, maar haar moeder was op haar beurt Fries en pas op haar twaalfde naar de Dijkstreek in het Westerkwartier verhuisd, zodat je in beginsel een flinke Friese influx niet mag uitsluiten.

Mijn grootmoeder praatte ook later nog Fries met haar zusters. Ik heb er mijn moeder wel eens naar gevraagd, maar het enige woord dat ze zich wist te herinneren was tuutsje voor kus. Die oma overleed toen ik zeven was, maar ze lag erg goed bij mij en van geliefde mensen neem je meer aan dan van mensen die je niet mag. In elk geval vind ik de zangerigheid van het Fries, of de onderliggende melodie zoals die klinkt als Friezen Nederlands spreken, nog steeds erg mooi.

Toen ik een jaar of veertien was, liet de leraar Nederlands ons eens een dialectproef doen. Hij vond mijn Drents nergens op lijken. Terwijl we thuis en op de lagere school toch Drents spraken, meende ik. Ik was dan ook behoorlijk in mijn wiek geschoten van zijn diskwalificatie. Maar er achteraf op terugkijkend, vermoed ik dat de man toch wel een beetje gelijk had. Het concept moedertaal is in  mijn geval gewoon een wat meer gecompliceerde aangelegenheid.


Veiling van een partij maagden, vrijsters, bejaarde dochters enz.

catalogus maagden

Humor uit 1800, o.a. te koop bij de boekhandelaar Zuidema in Groningen voor 3 stuivers. Voor wie de complete catalogus van zestien pagina’s met maar liefst twintig ruimhartig omschreven kavels wil zien – deze is te vinden op Google Books en wel hier.


De rarekiek en zijn uitbater, een kapstok voor satire

535-Hora Siccama 762 nieuwjaarsprent 1812 rarekiek rarekiekkas blogb

Dit tafereeltje staat op een voorgedrukte nieuwjaarsbrief uit 1812. De kist op de schraag is een rarekiek of rarekiekkas, waarin gaten met vergrotende lenzen de toeschouwers zicht geven op taferelen en personages, die op dat moment in de belangstelling staan. Getuige het schoorsteenpijpje is de kast in dit geval voorzien van toverlantaarntechnologie. Verder bevinden zich waarschijnlijk draai- en/of verschuifbare spiegels, panelen en opticaprenten in het inwendige. Deze attractie beleefde haar hoogtijdagen in de tweede helft van de achttiende eeuw, maar viel nog tot diep in de negentiende eeuw op kermissen en jaarmarkten te bekijken.

De mannen die er stad en land mee afreisden, stonden niet bepaald in hoog aanzien. Zo bevat een Groninger Courant uit 1767 het verhaal over de dochter van een Noord-Duitse rijkaard. Ze ging er vandoor met een kerel die rondzwierf met een rarekiek. Het bericht suggereert dat ze voor haar reisgeld een greep in de kas van haar papa had gedaan,

”wyl zy ongetwyffelt niet voorneemens zal geweest zyn, op hunne kunst te reizen”.

Met andere woorden: de verdiensten hielden niet over. De lage status van de rarekiek en zijn uitbater blijkt overigens eveneens uit een aflevering van De Vriend des Vaderlands uit 1832, waarin gezegd wordt dat de belangrijkste Schouwburg van het land zich verlaagd heeft tot een rarekiekkas.

Naar de rarekiek zijn in de achttiende eeuw tientallen politieke pamfletten genoemd. Wat betreft Groningen kennen we De Groninger Rarekiek, die in de jaren 1780 in een reeks vervolgen allerlei vooraanstaande personen te kijk zette. Als gefingeerde auteur werd opgevoerd een Steven Walon en uit een steekproefje bij Google Books blijkt, dat dit de gangbare praktijk was: afgezien van een enkele Savoyaard en Tiroler zijn het altijd Fransen en Walen die als vertellers en explicateurs in deze teksten figureren. Daarbij heten ze in de eerste decennia van de achttiende eeuw nog steevast Harlequin, naar de Italiaanse commedia del’arte-figuur. Dat ze ook wel als zodanig uitgedost zijn, dus met een ruitenpak, blijkt uit een enkele afbeelding. Na 1740 verdwijnt echter de naam Harlequin en daarmee waarschijnlijk ook de uitdossing. Aannemelijk is dat deze ontwikkeling in teksten de werkelijkheid op kermissen volgt.

Toen ik ergens in de jaren 80 de Groninger Rarekiek voor het eerst las, had ik aanvankelijk wat moeite met de taal. Ook die moet ontleend zijn aan de werkelijkheid. Het betreft een met Frans idioom doorspekt koeterwaals dat moeilijk leesbaar is als je geen rekening houdt met het vette Franse accent. De g bijvoorbeeld, wordt zo hard uitgesproken dat ze door een k wordt vervangen, terwijl de h nog wel eens wil ontbreken. Te pas en te onpas valt de uitroep “Fraai Curieus”, waarmee de rarekiekman het waarachtig belang van zijn attractie wilde aanprijzen.

Vooral in de opmaat van de pamfletten komt dit talige aspect tot uiting. Daar wordt vaak even de situatie opgeroepen van de rarekiekman die pas op de kermis is gearriveerd. Zo begint de eigenlijke tekst van Harlequin reysende met zyn rarekiek uit 1709 met:

“Mooy fraai kurieus; wie wil ze kyk,
De raritee, niete gelyk?
Allon messieurs, hier is mervelje,
’t is maar twie duit, ze is nonparelje…”

Een andere Franse Harlekijn heeft in 1732 deze introductie:

“Ik hebbe nou al fer kenoek ketorst en kesukkel met die kas
Ikke wil die pardie ier neersette, op oope of er ook nok wel een liefebbre was,
Fan die fraai curjeus en die foor een liard mon mooi spul wou beskouwen,
O! Ditte is un spul zonder weerka, keloof my fry te koeder trouwen,
Ikke kom daarmee zo rekelrekt fan Parys, die kroote en folkryke stad,
Daar ikke eb lank verkeert en met allerlei folke omkank keadt.”

De gebooren Hollander die in 1781, tijdens de Vierde Engelse Oorlog, zogenaamd zijn opwachting maakt in Londen, begint zijn verhaal zo:

“Je suis François, moi foi! en ik vertoon parbleus!
Een freemde rarekiek, o die is fraikerjeus! (…)
De vinding is gantsch vreemt, en nieuwerwets van steil,
Zy is sur mein parool! in alles sans pareil!
Kom Engelandertjes! Wilt my nu niet ontwyken,
Gy kunt hier, o zo mooi! door myne gaatjes kyken…”

Dat de toeschouwers geld moesten geven voor ze een blik door de glaasjes mochten werpen, blijkt nog eens uit De vrolyke Walon met de rarekiek-kas op de Amsterdamsche kermis, uit 1782:

“Alon folkje, keef my de handkeld, ze eb nok niete ontfang. Ha! jey, zel jou my keef andkelte? Zegge jy jae.”

De rarekiek-uitbater die in een krom Frans-Nederlands de in zijn kast getoonde actualiteiten becommentarieerde, vormde destijds dus een populaire kapstok voor satire. Aan de ene kant kon je hem personen en toestanden over de hekel laten halen, aan de andere kant hoefde men hem er niet al te zeer op aan te kijken en serieus te nemen. Dat de werkelijkherid van de kermis door zulke satire heen schemert, is mooi meegenomen, want daardoor krijgen we zicht op een professie, waarover anders nauwelijks iets bekend zou zijn..


Max en Maurits – vaaierde streek

Hou de twei deugenaiten meester Lampel bie poot haren. Noar ’t Duuts van Wilhelm Busch ien ’t Grunnegers van ’t Hogelaand overzet deur Jan Klompsma. ‘Boukje verscheen doudestieds, ien 80, bie Willem Diemer van Stabo/All Round an Oosterweg, en mog om mie wel ’n twijde druk beleven.


Haarms Loflaid op Stad (HCC Dronrijp Uges, 1842)

‘k Wol ’t ook eem perbaaiern:


Coverversie, zok mor zeggen, van dizzent hier.


‘Gaan met die banaan’ – waar komt die uitdrukking vandaan?

Huisnaam studentenhuis in de Hoekstraat, Groningen (2008).

Huisnaam studentenhuis in de Hoekstraat, Groningen (2008).

De laatste tijd koop ik regelmatig bananen, terwijl ik er jarenlang niet naar getaald heb. Ik zie nu dat ook elders sprake is van herwaardering. :-)r

Naar de uitdrukking ‘gaan met die banaan’, die daar en passant “raar” gevonden wordt, heb ik even een klein onderzoekje ingesteld. De eerste melding in een krant blijkt Het Vrije Volk 1989. Het gaat dan om een popmuzikantenartikel. Later dat jaar krijgt een candidcamera-show op Veronique (met Patty Brard als presentatrice) de uitdrukking ‘Gaan met die banaan’ als titel .

Hoewel je hier bijkans nostalgisch van zou worden, is die uitdrukking dus niet erg oud. Ik wil hierbij de hypothese poneren dat ze uit de wielersport afkomstig is. Bij middellange tijdritten en bergop stak er bij renners een banaan half uit de opgestikte zakjes op hun gekromde rug, iets boven hun heup. Die banaan moest onderweg voor de suiker-suppletie zorgen, als het aankwam op stoempen tegen het zuur.

Flink doorgerijpte bananen vind ik overigens juist het lekkerst. Hierin ben ik niet de enige. Ook Surinamers savoureren de vrucht het liefst in zulk een staat.


Op- en neergang van het scheldwoord ‘mispunt’

Door al dat gedonder met ISIS in Noord-Irak, schiet me weer het scheldwoord ‘mispunt’ in de zin.  Mijn moeder maakte me er nogal eens voor uit, in mijn jonge jaren. Heb het nu echter allang niet meer horen bezigen. Het lijkt warempel wel uit de tijd.

Een  woordenboekenagregaat op interner geeft als synoniemen voor mispunt onder meer: akelig kind, meisje of mens, vervelend en onuitstaanbaar persoon, beroerling, ellendeling, etterbak, fluim, klier, kreng, kwal, lammeling, lummel, misbaksel, naarling, stuk ongeluk, ploert, rotzak, sekreet en schoft.  Het zal je maar gezegd worden, dat mispunt!

Echt heel oud lijkt het woord niet, in deze negatieve strekking voor personen. Het WNT gaf in 1906 ook nog als eerste woordverklaring:

“term in het biljartspel: een stoot waarbij men geen der ballen raakt, en daardoor zijne tegenpartij een punt bezorgt.”

Hoewel het WNT elders legio middeleeuwse, zestiende-, zeventiende- en achttiende-eeuwse voorbeeldzinnen aanhaalt, neemt het inzake ‘mispunt’ zijn toevlucht tot een werk van Beets uit 1839. Voor de tweede, overdrachtelijke betekenis in de zin van het scheldwoord, komt de adstructie uit iets later werk van Jan Gouverneur. Hoe dan ook waaide de term over uit het biljartspel, dat zich pas in de negentiende eeuw ontwikkelde van een aristocratische tot een populaire liefhebberij.

Men kan dus een opgang en een neergang in het gebruik van de term vermoeden. Om die in kaart te brengen, ging ik te rade bij de krantendatabanken Krant van Toen en Delpher, de eerste voor de Leeuwarder Courant vanaf 1753 en het Nieuwsblad van het Noorden vanaf 1970, en de tweede voor het Nieuwsblad tot 1970. Het aantal keren dat in beide kranten het woord mispunt viel, heb ik vervolgens per decennium bij elkaar opgeteld:

Frequentie van de term ‘mispunt’ in de Leeuwarder Courant, het Nieuwsblad van het Noorden en beide kranten samen, per tien jaar.

De eerste maal dat de term in een van beide kranten voorkomt, is in 1890, in de Leeuwarder Courant. Dat gebeurde in een feuilleton. Het eerste nieuwsbericht in de LC met de term dateert van 1901, toen een Franse journalist de burgemeester van Reims ervoor uitschold wegens diens vermeende wangedrag bij het bezoek van de tsaar aan Reims. Voor typisch lokaal gebruik van de term ‘mispunt’ moeten we wachten tot 1906 – dat jaar gold het als belediging van een ambtenaar in functie, te weten de veldwachter van Makkum.

Kijken we naar de grafiek, dan laat die zien dat de term ‘mispunt’ een opgang maakte tot een hoogtepunt in de jaren 30 en 40. In feite zijn de cijfers voor de jaren 40 nog fors gedrukt omdat de kranten toen wegens papierschaarste een poos behoorlijk dunner waren, of zelfs (NvhN) helemaal niet verschenen. Erg vaak viel de term nou ook weer niet in de krantenkolommen, een keer per twee weken is het slechts op zijn hoogtepunt bij de LC.

Dat de oorspronkelijke betekenis in 1952 geheel verdrongen is door de maledictische, blijkt uit een stukje in het NvhN. Sindsdien neemt het gebruik van mispunt door de bank genomen af, waarbij we ook nog moeten bedenken dat de cijfers voor de jaren 70 en 80 alleen maar zo hoog kunnen zijn, doordat in een NvhN-strip de heks Eucalypta haar aartsvijand Paulus de Boskabouter nogal eens uitscheldt voor mispunt, terwijl dit maledictum ook nogal eens valt in de NvhN-verhalenrubriek ‘Berichten van ’t Oosterend’ door Simon van Wattum.

Kortom, mijn moeder bezigde rond 1970 een scheldwoord dat al enigszins op zijn retour was en dat ze waarschijnlijk oppikte toen het ’t vaakst gebruikt werd. Als ouderwets scheldwoord is het nu zijn kracht kwijt. Momenteel is het te slap om nog toe te passen op de ISIS.

 


Een ontmoeting met Jan Boer

Henk Scholte kwam ooit bij de bekende Grunneger schriever Jan Boer over de vloer en vertelt over diens inspiratie:


Baonevegerslaid

baanveger Tg

Ik bin Aolderk Braik
Nooit genog, nooit zaik,
‘k Was vanmörgn al vroug an ’t vegen:
‘k Heb nog niks verdaind,
Wèl acht klokjes laind,
As ’t deuweer is, valt er regen!

‘k Zwaitte d’ haile dag,
Moar gain mensch dei ’t zag; –
Doar heb ik zoo’n dörst van kregen.
Gao zoo nait veurbie.
Denk ook wat aan mie!
Hei meneer! I harrn d’r hoast legen!

‘k Veeg al vairtig joar,
‘k Heb nou al gries haor
En ain blauwe neuze kregen.
Juffer, geef i nait?
Goud, dat ik dat wait,
‘k Zel joen buutse straks ais wegen!

Uit: E.G. Panman, Winter in ’t Oldambt. Schildering uit ons volksleven in den Oldambtster tongval (Drieborg 1894).

Woordenlijstje:

  • klokjes = borrels
  • deuweer = dooiweer
  • buutse = zak in of onder de rok (met geld)

Maal Bé

Laatst twitterde ik dat ‘Mad John‘ van the Small Faces (1968) al heel lang een favoriet nummer van me is.

Daarna heb ik de wellicht wat hippie-achtige, misschien zelfs crypto-christelijke tekst in het Gronings vertaald. Met de laatste regel voor het Dai diedeledaidai ben ik nog steeds niet helemaal tevreden. Suggesties dienaangaande zal ik dan ook verwelkomen. Maar de rest kan ermee door, hoewel dat loofbos in de eerste regel ook zeker niet heilig is:

Der was ’n ol kerel dei leefde int loofbos
Gainaine dei kon hom of wos wat hai dee
Mor olders woarschaauwden heur kiender: Paas op veur Maal Bé

Bé, dei zong mit de veugels in mörn
Hai lachte mit wiend mit int kol end van nacht
Hai is nait goud wies, zeen lu achter gerdienen, wat zaacht

Bé, haart wel deur, hai leefde zien leven as sjamp
Ja zien ber lag in vocht en in damp moar de zun was zien vrund
Hai was vrij

Dus hier waar ’n wieze, dei hol van zien hoaters
Zo groot was zien laifde dat ze der bange van wörn
En bevend vanachter gerdienen kregen dizze gelaifden te heurn:

Dai diedeliedaidai diedeliedaidai diedeliedaiai
etc.

(Herhoalen eerste couplet.)


Grunneger Toaldag

Een echtpaar bekijkt met Moi en ’t Pergram in de hand wat voor onderdelen het wil bezoeken. Kiezen is verliezen:
2013-03-16 037

Zelf ga ik eerst maar eens naar de verjoardagsvezide boven. Daar zit Jan Kornelis Harms (80), oud-leraar Grieks & Latijn op het Willem Lodewijk Gymnasium in stad, op de versierde stoel en leest voor uit zijn verhalenbundel Dood struunt deur ’t Oldambt, tevens zijn debuut dat na zijn pensionering utkwam:
2013-03-16 043

De luisteraar kan zich ondertussen laven aan harde en zachte suikerwaren:
2013-03-16 046

Niet iedereen beleeft plezier aan verjaardagen. Melle Hijlkema, uit Marum, heeft een uitgebreide en sterk aan elkaar hangende familie en bezoekt er elke week wel een paar. Dan heb je elkaar op een gegeven moment weinig meer te vertellen, aldus Melle, die in een prachtige, naar het Fries zwemende variant van het Gronings schrijft:
2013-03-16 062

Een enkele auteur is in eetbare vorm aanwezig:

2013-03-16 064

Ook elders op de verdieping wordt voorgelezen – zoals in de uitgeverskamer:
2013-03-16 069

Meester Kriet verrast beneden in zijn hoekje op de boeken- en informatiemarkt oud-kamerlid Marjo van Dijken met werk van eigen hand:
2013-03-16 080

In de centrale hal of Muziekkroug treedt Arnold Veeman op:
2013-03-16 089

Hij oogst een flink applaus voor zijn bekendste laid:
2013-03-16 092

Mooie types in het publiek:
2013-03-16 102

Deze ouwe baas was schipper en bevoer ooit Schelde, Maas en Rijn:
2013-03-16 106

Als organisator ben je altijd een beetje bang dat je iets vergeten bent:
2013-03-16 113

Kapsel onder constructie:
2013-03-16 121

Volgens mij speelt haar liefie in Swinder. Heet ze misschien Annemarie?:
2013-03-16 136

De organisator nu eens van de voorkant,  met aan zijn zijde Aafke Steenhuis, de winnares van de Klaas ter Laanprijs (juryrapport)
2013-03-16 137

Wat mij betreft de topact van de dag – Martin Korthuis en band:
2013-03-16 173

As ik die wil zain‘,  zijn vertaling van ‘If I needed you‘ (Townes van Zandt) blijft de hele dag in het hoofd doorzoemen:
2013-03-16 207

Zijn Limburgse vriend Paul van Loo, vertaler van Ede Staal in het Limburgs, doet een paar nummers mee:
2013-03-16 219

Het mooiste boek op de boekenmarkt, een reclame-uitgave uit 1927 met stadsgezichten van de later veel expressionister werkende Nico Bulder:
2013-03-16 240

Bij het scheiden van die markt:
2013-03-16 242