De teloorgang van het begrip arbeider

Martin Hillenga signaleerde onlangs, dat je het woord arbeider nog maar zelden in de krant leest.

Inderdaad noemt geen hond zich meer zo. En die ontwikkeling is ook al tientallen jaren aan de gang. In de jaren negentig kon ik een ouwe communist bij mij om de hoek  altijd aardig op de kast krijgen met de constatering dat er helemaal geen arbeiders meer waren, of, preciezer, dat niemand zich meer zo noemde.

Maar wanneer zette die neergang in? Een geëigend middel om zoiets te meten zijn de jaargangen Leeuwarder Courant bij de Krant van Toen. De aantallen keren dat het woord arbeider in enkel- of meervoud in de Leeuwarder verscheen, heb ik voor de periode 1900-2005 weergegeven in onderstaande grafiek:

arbeider, arbeiders in de LC 1900-2005

De hoogste frequenties kwamen voor in de crisisjaren dertig en vooral de eerste oorlogsjaren. Tot dan is er trendmatig een stijging, die misschien ook wel samenhangt met de dikte van de krant. De papierschaarste en dunne, kleine krantjes van de laatste oorlogsjaren vertalen zich in elk geval in zeer lage frequenties. Een opleving is er kort na de oorlog, en in veel mindere mate ook nog in de tweede helft van de jaren vijftig en de periode 1968-1972, maar daarna zet de definitieve neergang door.

Eigenlijk vormen de jaren zestig niet of nauwelijks een trendbreuk, terwijl het begrip arbeider toen wel een herwaardering kreeg bij de spraakmakende linkse gemeente.  Die geringe opleving in die radicale tijd is wat mij nog het meest verbaast. Maar die verbazing komt wellicht ook voort uit een overschatting van het belang der jaren zestig.


Meester Stijl en de voorleeskunst

De uit Middelbert afkomstige Klaas Geerts Stijl was zo’n twintig jaar lang de kundige en geliefde schoolmeester-organist van het Oldambtster kerspel Midwolda, toen hij daar op 10 mei 1774 stierf aan een “uitterende ziekte”. Vlak voor zijn dood voltooide hij er nog een taalkundig werkje, bedoeld voor schooljeugd en collega-onderwijzers. Een naburige predikant met wie hij bevriend was, Lambertus van Bolhuis (Oostwold), zou dat werkje naderhand uitgeven. Het haalde drie drukken en bevat onder meer een verhandelingetje over de leeskunst, waarmee Stijl eigenlijk de voorleeskunst bedoelde:

Het oogmerk der Schrijftale is, dat ze gelezen worde. Tot ene goede opzegging of hoorbare Lezing wordt vereischt:

1) dat men de gestelde bewoording met ene klare en duidelijke stemme en uitsprake vaardig, net, zo als er staat, uitbrenge. Het tegendeel is valsch lezen.

2) dat men, naar vereisch van de zintekenen der perioden (leestekens, red.) behoorlijk scheide en ruste. Het tegendeel heet rabbelen.

3) dat men niet alleen aan de grepen, maar ook aan de woorden en zaken, door den nadruk der uitsprake hier en ginds, naar vereisch, behoorlijken klem geve. Het tegendeel noemt men stijf lezen.

4) En dat men naar de voorkomende stoffe en stijl, door ene eenvoudige, natuurlijke, of eigenaartige, stemleidinge de zaken en gemoedsbewegingen als naar het leven uitbeelde. Dit is duidelijk en aandoenlijk voor den Toehoorder. Dit is het toppunt der Leeskonste; doch iedereen heeft die gave niet, en is ook voor zulk onderwijs niet vatbaar. Zulk een houde er zich dan ook van af – de minste gemaaktheid is hier aanstotelijk.

Klaas Stijl, Beknopte aanleiding tot de kennis der spelling, spraakdelen en zintekenen van de Nederduitsche taal, ten dienste van mingevorderden (Groningen 17873) pag. 150-152.


Bouseman, boesman, Buzeman

Citaat uit De Pilaren ende Peerlen van Groningen, een werk van Bernhard Alting dat voor het eerst in 1648 verscheen. Alting, die het Groningse stapelrecht verdedigde, vertelt hier dat de angst voor de Olderman van het Stapelrecht – dat was de handhaver van dat stadsrecht – in de Ommelanden dermate afnam, dat men hem er hield voor een “bouseman of bulleback”, die meer blies dan beet.

Wat intrigeert is dat “bouseman”. Het WNT heeft het niet als apart lemma, in wat voor spelling dan ook, maar het vermeldt de term wel als boesman onder boezen voor kloppen of slaan, en verwijst verder naar boeman en een Overijssels equivalent, te weten boezekerel.

Bouseman, boes(e)man en boesekerel voor een kinderschrik die door volwassenen niet al te serieus wordt genomen, zijn volgens mij in het Groninges van de 19e en 20e eeuw niet (zo) bekend. In de noordelijke streektaal lijkt de functie vooral over te zijn gegaan op de term boesjeude die we op diverse woordenlijstjes (1, 2) en ook in volksverhalen (1, 2) terugvinden.

Voor 1700 had je heel weinig joden in Stad & Lande. Als het bang kunnen maken van kinderen met een jood een zekere mate van bekendheid met joden veronderstelt, dan zal dat bouseman van Alting in de loop van de 18e of zelfs de 19e eeuw verdrongen zijn door boesjeude.

In Groningerland heb je wel nog steeds de typisch Groninger families Buseman en Buzeman. Voor zover ik weet komt die naam oorspronkelijk uit Oost-Friesland, en drong ze na 1750 (definitief) door in het Wold-Oldambt (de regio Winschoten).  Op Alle Groningers vond ik verder een eerste Bouseman anno 1723 te Oostwold en een eerste Boeseman in 1715 te Uithuizermeeden. Misschien hebben die namen met iets anders te maken, maar dan nog kan je het gegeven dat een familie zo’n naam aanhield, niet los zien van het feit dat de vreesaanjagende connotatie in vergetelheid raakte. Want wie wil er nou een bullebak of kinderschrik heten?


Scheuvelderij

Tussen mijn mede-redacteur en mij was er enige discussie over de vraag in hoeverre het woord scheuvel (voor schaats) wel typisch Gronings (of Nedersaksich) was. Dit naar aanleiding van een lijstje met Winschoter woorden uit 1808, waarop de term voorkwam. Mijn collega betwijfelde of het wel typisch streektaal was, want ‘honderd jaar geleden was scheuvel ook gewoon Nederlands’.

Ik kijk in zo’n geval altijd even in de moeder aller woordenboeken, het WNT. En dat zegt in een uit 1923 daterende woordverklaring dat dat term scheuvel indertijd gangbaar was in Groningen, Drenthe en Overijssel.

Bij mededeling van deze quick reference, meldde mijn collega dat zijn uit Almelo afkomstige grootmoeder het woord altijd gebruikte:

‘En hoewel ze wel degelijk Twents kon spreken, deed ze dat als meisje uit de nette burgerij nooit. Ze sprak een vrijwel accentloos correct Nederlands.’

Volgens mijn collega zou het ook Nederduits genoemd kunnen worden. Met hetzelfde recht kan je dan wijzen op een verwantschap met het Engels, want scheuvel hangt samen met het oude schoven voor: schuiven. En dat schoven brengt ons dichtbij het Engelse werkwoord to shove voor dezelfde beweging over een oppervlak.

Intussen raakte ik toch nieuwsgierig en ik besloot vanavond eens wat verder te kijken, om aan de weet te komen wat het nou is, dat scheuvelen: Nederlands of streektaal? Een aangewezen website om zoiets uit te vogelen is de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren (DBNL), met duizenden historisch-literaire teksten en een karrevracht aan geleerde naslagwerken op het gebied van onze taal.

Welnu, mijn query scheuvel OR scheuvels leverde in de DBNL slechts 28 meldingen op. Zo weinig, dat dit magere resultaat alleen al eerder wijst op een regionaal gebruik van het woord scheuvels, dan op een algemeen-Nederlands gebruik. Bovendien zijn die meldingen dan nog niet eens allemaal bruikbaar , omdat het woord in het Vlaams, bijvoorbeeld bij Stijn Streuvels, een aanduiding is voor gespuis.

Maar leggen we zulke ‘valse” meldingen en de doublures terzijde, dan blijven er toch nog wel wat relevante over. Deze presenteer ik hieronder in een chronologische volgorde, om eventuele verschuivingen te kunnen constateren. Woorden kunnen zich immers verbreiden over een groter taalgebied, maar ook terugtrekken in een bepaalde regio.

1756 Friesland; 1844 Nederland

In 1756 verscheen te Leeuwarden een dichtstuk over de winter door ene Bornius Alvaarsma, dat in 1844 samengevat wordt door Van der Aa:

‘Het vriest dat het knipt, zeggen de Friezen. De schaatsen of scheuvels worden door de liefhebbers opgezocht, en naar de smid gebragt.’

Dit is een latere parafrasering en daarmee is het onzeker of het woord in 1756 werkelijk in de Fries-Nederlandsee context gebruikt werd. De latere weergever kan hierin zijn eigen inbreng gehad hebben. Dan nog valt op dat scheuvels in het citaat op het tweede plan komen. Of de parafraseur van 1844 of de Friezen van 1756 gebruikten het woord als minder frequent alternatief voor schaatsen.

Ca. 1860, Groningen

P.J. Harrebomée geeft in zijn driedelige Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal, dat rond 1860 verscheen, twee spreekwoorden met scheuvels. Het eerste:

‘Op scheuvels gaan, staat, in Groningen, tegenover: door dik en dun loopen. Scheuvels zijn schaatsen.’

Het tweede:

‘Hij heeft eene scheuvel aan. [Men zegt dit in Groningen voor een weinig dronken zijn.’

Dat Harrebomée het woord meent te moeten verklaren, geeft al aan dat het geen algemeen Nederlands is, integendeel, het was in zijn compendium Gronings.

1861 Overijssel, Drenthe, Groningen

In een Taalgids-artikel over ‘Overijselsch taaleigen’ schrijft TH Buser anno 1861:

‘Scheuvels voor schaatsen, heb ik te Zwolle wel eens gehoord, doch gewoonlijk zegt men schaatsen en schaatsen loopen voor schaatsrijden; vergelijk op slieren. Scheuvels is echter inheemsch in Groningen en Drenthe, waar men (in Groningen) ook scheuvelen en scheuvelloopen, en in Drenthe (bepaaldelijk te Emmen) scheuveljagen voor schaatsrijden hoort zeggen’ (volgt een lijst bronnen)

1872, Hunsingo

In zijn woordenlijst van het Hunsingoër Gronings neemt J. Onnekes uit Ulrum het woord als typisch streektaal op.

Tweede helft 19e eeuw, Groningen

Het enige literaire (of literair bedoelde) werk  met scheuvels in de titel is de Haardriederij op scheuvels van de Zeerijpster schoenmaker Ane Kuipers (1833-1905) een ‘rijmer in de Gron. volkstaal’. Wel past hier een slag om de arm, de melding in de DBNL komt uit K. ter Laans Letterkundige woordenboek voor Noord en Zuid, en er zou sprake kunnen zijn van een bias. Van deze auteur kan je namelijk verwachten dat hij een beter inzicht heeft van wat in het Gronings verscheen, dan in de totale Nederlandse literaire productie. Hoewel je die bias voor deze literaire veelvraat ook weer niet zou moeten overdrijven, dat zeker niet.

1880, Groninger Veenkoloniën

In een woordenlijst van woorden uit de zuidoosthoek van Groningerland noemt Van Ankum scheuvels voor: schaatsen. ‘Op scheuvels wezen’ betekent aldaar: de kluts kwijt zijn.’

Jaren 1880, Drenthe en Overijssel

Taco H. de Beer noemt in zijn ‘Woordenlijst van de Taal, welke in de Saksische streken van Nederland gesproken wordt’ eveneens scheuvel, als woord dat in Overijssel en Drenthe gebezigd werd voor: schaats. Een burleske quote:

”t īs is glad, zèj Harmen tègen Ba(r)telt, / As īj geen scharpe scheuvels hebt, Dan rol ij dat ij spa(r)telt.’

Eind 19e eeuw, Groningse context

Eind negentiende eeuw heet het in ‘De vrijaadje van een Groninger kofkapitein’, een verhaal van Werumeus Buning:

‘We waren met een lading hout uit Noorwegen  gekomen, maar door de strenge vorst waren we vastgevroren en we konden niet lossen. Nu, toen maakten we natuurlijk maar pleizier, zooveel als we konden, en we liepen den heelen dag op ’t ijs op scheuvels, zooals we in Groningen zeggen …..’

1933 Nederland, 1901 Fivelgo

Een artikel in Onze Taaltuin, jaargang 1933/1934, signaleert het gebruik van het woord scheuvels in Fivelgoër landleven van AS de Blécourt, een werk uit 1901. Het artikel geeft een citaat over een goed stel ijzers:

‘’n Poar beste scheuvels (= schaatsen), smidsiezers; zuls (= zelf) moakt en over viefteg joar bruukt.’

De vertaling tussen haakjes maakt duidelijk dat het woord scheuvels indertijd beslist geen algemeen Nederlands was. Een generatie eerder was het woord bekend in Fivelgo.

1938, Drenthe

Redacteur Anne de Vries associeert in De Nederlandsche volkskarakters (1938) het woord scheuvels met zijn geliefde Drenthe:

‘Reizen deed een Drent slechts ’s winters, als hij de tijd had en op scheuvels, dan kostte ’t hem ook geen geld.’

Conclusie:

Als we de eerste melding buiten beschouwing laten als zijnde ambigu, dan valt op dat het woord scheuvels louter en alleen in Noordoost Nederland gebruikt werd. In verreweg de meeste gevallen is de context Gronings. Drenthe komt er een heel eind achteraan qua meldingen. In Overijssel kent men het woord wel, maar wordt het niet zo vaak gebruikt.


Hitte Poempaain

Vroeger woonde er in het Oldambtster Midwolda een man, die bekend stond onder de bijnaam Hitte Poempaain

Hij had een paard en wagen, waarmee hij met groente ventte. Begin jaren zeventig werd dat paard nog vervangen door een trekkertje.

Zijn voornaam was Hitte. Volgens mijn zegsman althans. Dat zal dan wel Hidde geweest zijn – want de voornaam Hitte stierf hier in 1803 al uit – maar misschien zit ik ook wel fout. In elk geval school daar het opmerkelijke niet in.

Waar dan wel in? Nou, de man kon de r niet uitspreken. Als hij de klanten bij zijn wagen vroeg of ze nog pruimen of preien moesten hebben, vroeg hij: “Hest nog vellèt öm poem’m of paai’n?”

En zo kwam Hitte Poempaain aan zijn bijnaam.


Het raadsel Endelkoek

Geplaatst op 20 juli 2011  b

Nieuwe Tilburgsche Courant 5 juni 1887

Ik kwam vandaag een paar keer de term ‘endelkoek’ tegen, eerst in een Pijter en Jaapstukje van ca. 1820, later in een gedicht van ongeveer 1860, 1870 over een uitstapje naar Paterswolde. Duidelijk is uit de twee passages dat het als een lekkernij gold voor onderweg, maar ook om te eten met een slok brandewijn. Ik meen dat ik de term wel eens eerder ben tegengekomen, en dat hij me toen al intrigeerde wegens de connotatie met het laatste stuk darm.

Googelend op ‘endelkoek’ vind ik een handvol meldingen uit Groningen, Friesland en Drenthe:

  • In een verhaal van Jan Boer over de stoetvrouw in haar glorietijd, begin twintigste eeuw te Rottum (Gr.):
  • In een anekdote van Koos Dijksterhuis over hoe zijn ouders elkaar ontmoetten tijdens de oorlog in de binnenlanden van Friesland. Zijn (waarschijnlijk Groninger) vader gebruikte het woord in een spelletje. Citaat: “En toch was endelkoek ooit een lekkernij, geserveerd bij warme groc.”
  • In een beschrijving van de situatie in Assen anno 1867: Citaat: “…de beroemde endelkoek, die in geen enkel huisgezin een volslagen vreemdeling is”.
  • En in een roman van Elise van Calcar uit 1857. Citaat: “Zij was uit Groningerland geboortig en oordeelde dat het dan nog beter ware onder hare eigene landslieden ‘endelkoek’ te eten dan een overvloed van perziken te Port Natal.”

Het woord staat niet in het WNT en evenmin in een Groninger Encyclopedie. Qua krantenberichten vond ik nog enkele meldingen uit Tilburg, anno 1887, van iemand die daar aan de Willem II-straat Groninger bakprodukten verkocht (zie boven), en één uit Rotterdam 1906, opnieuw een advertentie, waarin gerept wordt van: “de echte Grongingsche endelkoek” (zie onder).

Geplaatst op 20 juli 2011

Rotterdamsch Nieuwsblad 3 november 1906

Duidelijk is dat het een vooral Groninger bakprodukt was, dat een zekere populariteit of in elk geval bekendheid genoot in de anderhalve eeuw voor de Tweede Wereldoorlog. Maar wat ik me er precies bij moet voorstellen? Inmiddels heb ik dè Groninger koekhistoricus aangeschreven, maar misschien kan iemand van de lezers hier er intussen meer over vertellen?

Update 21 juli:

Met dank aan Kor, Erik, en Otto die de goede richting aangaven: het is inderdaad kantkoek. In zijn Groningse Woordenboeken met edities uit 1929 en 1952 geeft Ter Laan het woord evenmin, een vrij zeker teken dat het toen al niet meer zovaak gebruikt werd, maar het staat wel in H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19de eeuw (Winsum 1887). Molema geeft daar als synoniemen kaantkouk en pondkouk: “Koek, die in Groningen gebakken en bij ’t gewicht verkocht wordt”. Opmerkelijk is, bij de ontstentenis in Ter Laans woordenboeken, dat Kocks Drentse Woordenboek (1996) het dan wel weer noemt, met een verwijzing naar Molema en een citaat uit Peize: “Vrouger kocht wai veur een dubbeldie endelkouk, en aj het op haren waj zat”.


 


Een rijmneurose uit 1769

Geplaatst op 13 juli 2011  a Geplaatst op 13 juli 2011  b

Promotievers voor Wicher van Swinderen (Groningen 1769)

 


Van schaap tot herder

Hoe een onrustig schaap evolueerde tot een herder valt te lezen in een recente column van Siemon Reker.

Via


Joop Gall taalvirtuoos

Joop Gall, de trainer die tegen alle verwachtingen in met zijn cluppie BV Veendam de nacompetitie haalde, produceerde enkele weergaloze taaljuweeltjes bij zijn commentaar op dit heugelijke feit:

“Als wij de tweede ronde kunnen instappen, ja, dan maken we toch een grotere kans om in de finale te komen en daar wie dan ook de pis lauw te maken, en stel je voor dat dat gebeurt dan dan lach ik me de korte achternaam uit de broek.”

(Vanaf 2 minuten en 50 seconden in het filmpje.)

Eerst tracteert Gall ons op een Slapsma-Tiessens-achtige taaltournure door een bij mijn weten oorspronkelijk Groningse uitdrukking – Moak mie de pizze nait laauw (dit is: laat mij niet zodanig schuddebuiken dat ik het water moet laten lopen) – rechtstreeks te vernederlandsen, en bovendien om te vormen van iets negatiefs in – schijnbaar – iets positiefs.

Daarna evolueert de maledictische term in de standaard-uitdrukking “Jan met de korte achternaam” (voor: sneu type) terug tot een uitdrukking voor het aanduidende object tout court, welk voorwerp zich op die opgewarmde urine-golf een weg door het Zeeman-textiel baant.

Meesterlijk. Ongetwijfeld is Johan Cruyff de grootse taalvirtuoos in het vaderlandse voetbalwezen, maar Joop Gall verdient zeker de tweede plek!


Een sussend helaas

In een mailtje over een kwelderrandwandeling bij de Dollard, die ze voor paaszondag op stapel heeft gezet, zegt stichting Het Groninger Landschap

“Honden zijn hier helaas niet toegestaan, ook niet aangelijnd.”

Wat voor effect honden zouden hebben op de kluten, grutto’s, wulpen, scholeksters en brandganzen in het gebied, laat zich gemakkelijk raden. Het Groninger Landschap kan dat “helaas” derhalve niet menen. De term zit alleen in dat zinnetje geplakt om de hondenbezitters onder de aanhang te sussen.


Noodrem

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Kovviekoamer op eerste verdaipen van Grunneger Archieven wör vandoage ombaauwd tot ’n soort van station. Dit vanwege de schrievers en dichters dij hier zotterdag veurlezen oet aigen waark. Heur thema is ‘Onderwegens’, vandoar dij anklaaiding, In vitrines ligt d’r spul van ‘t NNTTM (Noord Nederlands Trein & Tram Museum), zoas dizze olle noodrem.


Streektaalstaaltjes in een rommelransel (1710)

Geplaatst op 11 maart 2011

Als het niet de oudste staaltjes Gronings in druk bevat, dan behoren die wel tot de eerste drie. Ik doel op een anoniem gelegenheidsstukje, in 1710 in Groningen vervaardigd op de inhuldiging van de toen 23-jarige Johan Willem Friso, stadhouder en prins van Oranje. Indertijd was hij pas getrouwd met Maria Louise van Hessen Kassel, de latere Marijke Meu.

Over dat stukje is er bij mijn weten nog nooit wat gepubliceerd. Het is aan de aandacht ontsnapt, omdat het ver van Groningen in de Koninklijke Bibliotheek lag, en de materie voor streektaalonderzoekers ook niet erg interessant is, op het eerste gezicht. Ik ging er ook alleen in lezen, omdat ik wel meer van dit soort stukjes heb gelezen, die echter uitkwamen bij inhuldigingen van latere stadhouders. Daarom wilde ik eens kijken, hoe dit vroegere geval uitpakte. De titel Rommel-Ransel hielp de interesse op gang.

In het stukje zien we de Groninger inhuldiging van de prins vooral door de ogen van Velingh. Deze onnozele Westfaler, naar kennelijk eeuwenoude schrijfusances Hans genaamd, is getuige het loon dat hij op een keer uit Holland thuisbracht hannekemaaier, of dat geweest voor hij zich kort geleden in Groningen vestigde. Hij woont in de buurt van Grönneger, die Jan heet. Jan is de aangever van het stel.

Beide spreken hun eigen patois. Dat geldt ook wel voor Waal, een andere buurman van Jan waarmee het stukje begint, maar die al gauw het veld ruimt. Terwijl  Velingh de functie heeft om de prachtige festiviteiten door zijn verbaasde ogen te zien, laat de auteur Waal een sumier portret geven van de ingehuldigde stadhouder.

Waal is verbaasd over het klokgelui en tromgeroffel, al dat vrolijke volk en al die koetsen en dat “pif pof paf” van de voetzoekers op straat. “Wil my doch verklare”, verzoekt hij zijn buurman Jan, “wat mag ons van dees dagh in Groning” wedervare?” Jan legt het hem graag uit: “Dat wil ik geern doen, de Prins word nou hult”. En hij nodigt zijn buurman uit om samen een lekkere pot bier te gaan drinken:

“Kom naber wilte met? Vandaag de bouk ins vult
met d’alderbeste kluin die wij maar keunen krijgen,
Kijk, sugste dat daar niet, hoe datte juffers nijgen?
Kom eret wort te laat, kwil de Princesse sien”

Maar Waal wil, voordat hij met Jan Grönneger meegaat, eerst wel eens wat meer weten over die prins en prinses:

“Is het een vreemde Heer, die hier met zijn maistresse,
Zo defte word onthaal’?”

Grönneger lijkt verbolgen over die suggestie en hij roept de naam van de prins en prinses luide uit. Dan komt Waal bij zinnen, want hij is op Franse hand. Nu realiseert hij zich wie die prins eigenlijk is. Over Johan Willem Friso zegt hij: “Dat is die geuse Prins, die vroom Louis verkragt'” Met dat Louis doelt hij op Lodewijk XIV, de Zonnekoning. De Franse vorst heeft in de Zuidelijke Nederlanden enkele malen geducht klop gehad van de Nederlandse prins en angst overmant Waal daarom:

“Wil men die Prinse hier nu hulde in dees Stadt?
Ik kruipe in de hool, de bange my bevat.”

Hij kiest het hazepad en Grönneger kijkt hem na:

“De duivel slady Wael ja, in dijn pens met praten.
Waar löpte nou weer hen, ik mach hum lopen laten,
En seuken wat plesier; kom, eerst ins na de poort,
daar ist besukte vol; die met wil die koom voort,
kom Hans waar steyste na, du wilte ook doch slenteren.”

In tegenstelling tot de francofiele Waal, weet Hans Velingh de inhuldiging wèl te waarderen. Het passerende rijtuig van het prinselijk paar vindt hij maar wat mooi:

“Y wat een batschke koets, su, su, dahr sitse in,
Is dat de Furst nich Jan? en dat wijf de Furstin?”

Grönneger kan het beamen; “Ja, ja”, bromt die, “kom wagdy wat, die beyden bin de rechten.” Veling houdt zich echter niet in, en beschrijft vervolgens enthousiast de rest van de stoet, zodat we maximaal kunnen profiteren van zijn naieve verbazing. Er staan bijvoorbeeld pektonnen op staken opgesteld, die ’s avonds bij wijze van illuminatie in brand zullen gaan. Velingh kent die gewoonte helemaal niet en denkt dat er bier in de tonnen zit:

“Maar Jan wat ‘k vragen wil, die tonnen opper staken,
Sul men daar t’avont nich een vris gelach op maken?
Dat issen dul bedrijf, ik klimme nich zo hoog,
Soop ik den balge vol, die trap my wol bedroogh,
Ik hol mik anne gront, wen ik wil digte zwelgen,
Men sol zijn hals en bein en ’t hele lijf verdelgen,
By’m duivel neen, ik gaa daar ’t avont nich te bier.'”

Velingh denkt dus dat hij op een ladder in zo’n mast moet klimmen om zich aan het bier te kunnen laven. Maar Grönneger helpt hem uit de droom:

“Loop domme duivel, dat ’s een wark met van pleisier.
Dat bin piktunnen vult met torf en holt te branden,
Wolste daar gaan te bier, dan solste wel belanden.”

Dat de prins meer eer krijgt dan hijzelf in Westfalen, toen hij daar vorig jaar thuiskwam vanuit Holland, vindt Velingh maar raar: “Ik had ein styge daalder gaart, was ik doe ook nich ryke?” Maar er was nin zijn vaderland iemand die een saluutschot voor hem loste, of voor hem boog.  Over die vergelijking met de prins is Grönneger verbolgen – de prins is namelijk ver boven een dergelijke vergelijking verheven:

“…die dut ja blyk op blyk in sijne jonge jaren,
Hy wil suk niet ontsien in d’uitterste gevaren,
Heb wy van ’t Sömmer dat niet mennigmaal weer heurt
En ’t veurige Sömmer ook, wat is doe niet al beurt!
Hoe sleug hy sick doe braef en lustig deur de Franssen,
Schoon dat die laggen stark in retrenchen en schanssen,
De Deugt verwinte nijt, dat kanste hier an sien,
Hoe ivert ider suk dat hum mach eer geschien.”

En als Velingh wegloopt voor de voetzoekers, die hem de hozen (een Westfaals exportproduct) doen branden, roept Jan Grönneger: “Waar wilte hen, sta stil, kanste nargens lopen.” Zijn moraal – met een verwijzing naar de Westfaalse schinken of hammen, een ander exportpruduct van Hans zijn vaderland:

“Die metten varken wil, dusdane vreugt beschouwen,
die hold’ suk oppe ruumt’ en uut gedrangs benouwen.”

Via de KB-site:
Rommel-Ransel, uitgeschudt op het huldigen van haar vorstelijke doorluchtigheden binnen Groningen. Gedrukt te Groningen tot profijt van den drukker en vermaak van den lezer. 1710


Dag van de Grunneger toal

Geplaatst op 3 maart 2011

Bert Hadders het zien exemploar van ’t Grunneger woordenbouk al oarig stukkent lezen.

Pegram


Ook derde Strobos was plek met potentie

En toen kwam ik een derde Strobos tegen, in een bundeltje verklaringen uit het eerste jaar van de Bataafse Vrijheid: 1795.

Die verklaringen werden allemaal te Wildervank afgelegd. Ze kwamen van Wildervanksters, en waren belastend voor Wildervanksters, te weten orangisten die hardop durfden te zeggen “dat de Paterjotten schelms waszen” en “dat de Prins weer op de troon moest”. Uiteindelijk, en dat moest het gerecht weten, gingen deze oproerkraaiers er zelfs toe over de leus “Oranje Boven” te scanderen!

Drank maakt overmoedig. Het belangrijkste van deze akkefiejes vond plaats in een herberg, waar schippersknechten een  bekende patriot jenden, door orangistische liedjes te zingen en te zeggen dat alle patriotten verbrand moesten worden. Maar die herberg, hoewel druk bezocht door Wildervanksters, stond niet in Wildervank, en evenmin op Gronings territoir. Volgens de geplaagde patriot, Berend Krans, vonden de “ongeoorloofde baldadigheden” namelijk plaats in Drenthe, “ten huijse van Popke Harms op Stroobos genaamt”. Er deed zelfs een “soldaat van de Landschap” mee met het liedjeszingen. Met andere woorden: de lokale Drentse veldwachter was op de hand van de oproerkraaiers.

Een getuige, Lammert Pieters, die Berend Krans later naar huis had begeleid, bevestigde wat er die zaterdag 19 december aan het eind van de middag was gebeurd. Hij had gehoord dat een koopman van de Gasselternijveen doeken zou gaan verloten in de herberg, en nam zelf een paar laarzen mee, dat hem te krap zat, met de bedoeling om dat als extra prijs bij de verloting in te zetten.

Pieters preciseert de positie van Popke Harms’ herberg als “vooraan op het Landschap Drenthe staande”. Dat moet dan vlakbij Wildervank geweest zijn, even over de Semslinie, oftewel de grens tussen Stad en Lande en Drenthe. De enige Popke Harms in de Drentse heerdstedenregisters is inderdaad een keuter met nering te Gieterveen (1804). Wat in 1841 ook de plaats van diens overlijden blijkt. Dan draagt hij inmiddels de achternaam Strobos, die hij nog niet droeg bij zijn doop (1764, Veendam) en huwelijk (1789, Wildervank). De herberg heet dus niet naar de familie, maar de famiilie naar de herberg, wil ik maar zeggen. Bij het eerste kadaster van 1832 bezit Popke Harms Strobos Sectie B nummer 79. Dat is anno 1795, ten tijde van de akkefietjes, inderdaad vlakbij Wildervank en Bareveld aan het uiteinde van het in 1780 gereedgekomen Grevelingskanaal, waarop in 1800 het Nieuwediep aan zou takken.

Business was booming op deze lokatie. En daarmee voldoet ook dit derde Strobos aan de overeenkomst die ik al tussen de eerste twee Strobossen constateerde. Het was:

“een strategische plek aan een nieuw vaarwater. Een plek die kansen bood, een plek waar mensen zich graag als pioniers vestigden.”

Doordat de geplaagde patriot Krans zegt dat het huis van Popke Harms “op Stroobos” heet, wordt de naamsverklaring die ik anderhalve maand geleden opperde, nog wat plausibeler. Popke was er vlak voor 1795 als het ware “op een stroobos komen aandrijven”, maar maakte zijn kansen meer dan waar. Toen hij er kwam, was hij een armoedzaaier, maar eind 1795 was hij een man in bonis, mede dankzij al die Wildervanksters die even over de provinciegrens hun politieke gemoed kwamen luchten.

Bron: Groninger Archieven, toegang 731 Gerechten in het Oldambt inv. nr. 5971: Stukken betreffende het vooronderzoek naar politiek onwelgevallige uitlatingen in herberg ‘Het Strobos’  op de grens van Drenthe en Groningen, 1795.


Waar komt dat woord vandaan? Vraag het de etymologiebank!

Het Meertens Instituut mag dan in Het Bureau van Voskuil voorgesteld worden als een stoffig onderzoekscentrum waar de medewerkers voornamelijk aan kantoorpolitiek doen, het heeft de laatste jaren wel een zootje heel erg fijne databanken over onder andere namen en feesten online gezet. Vandaag kreeg het Nederlandse volk weer een leuk cadeautje van het Meertens Instituut: de etymologiebank. Inmiddels zijn er twintig woordenboeken in leeggekieperd die de herkomst van woorden behandelen, maar er volgen nog veel meer.

Heb alvast even gekeken naar de behandeling van schorriemorrie, bosklopper en lekker.  Volgens mij hangt schorriemorrie samen met korremorre, een soort brandewijn rond 1700. Die verklaring staat er helaas niet bij. Bosklopper is helemaal onvindbaar, als zijnde wellicht te regionaal en gedateerd. Bij lekker vinden we onder andere:

“Afleiding van het Middelnederlandse werkwoord lecken, variant van → likken ‘met de tong langs iets gaan’.”

Onze door schorriemorrie ondersteunde vingeraflikkers waren dus ooit lekker, maar nu niet meer. Voor mij mogen er boskloppers overheen.

Met dank aan Bob voor de tip.