De opgang van de term privacy in de Leeuwarder Courant

Geplaatst op 23 november 2010  a

De grafiek toont hoe vaak het woord privacy werd gebruikt in de Leeuwarder Courant, de afgelopen vijftig jaar. Begin jaren zestig was dat nog nauwelijks het geval, maar tegenwoordig ontbreekt het woord in bijna geen enkele editie.

De allereerste keer dat het sinds 1752 in de Leeuwarder Courant voorkwam was in 1913, in een brief over pensions te Berlijn. De tweede keer kwam pas in de jaren vijftig.

Wat heel erg duidelijk maakt dat het in de jaren vijftig om een nieuwe term ging, was dat deze destijds vrijwel uitsluitend tussen aanhalingstekens in de krant kwam te staan. Van de 14 keer was dat 13 maal het geval. In de eerste helft van de jaren zestig stond het grofweg de helft van de keren nog tussen aanhalingstekens. Ook toen was de term nog lang niet bij iedereen bekend. In de tweede helft van de jaren zestig zouden de aanhalingstekens langzamerhand verdwijnen – in die tijd pas werd de term gangbaar. Terwijl het woord in 1959 naar zeggen van de krant nog als “modern” gold, raakte het in 1969 “steeds meer ingeburgerd”. Volgens een verslag van de Friese Culturele Raad uit 1966, was iedereen er zelfs dol op.

In de jaren vijftig en zestig werd de term privacy in verreweg de meeste gevallen gebruikt voor woon-, maar ook wel verblijfsituaties. Denk bij het eerste aan de woningnood, en de flats, portiek-etage- en doorzonwoningen van de wederopbouw, waarin drie generaties wel eens op elkaars lip zaten, en je hebt het plaatje. Eind jaren zestig gingen bouwers van de weeromstuit adverteren met de privacy van hun woningen, gebouwd onder een architectuur die de inkijk meed. Maar ook de privacy in hotels, van vakantiehuizen, op de camping, op het strand, in ziekenhuizen en inrichtingen werd intussen een thema.

Een tweede categorie, bestaande uit ongeveer een kwart van de gevallen, betrof de privacy van beroemdheden, waar de (roddel-)pers zich (te) weinig aan gelegen liet liggen. Dan ging het primair om leden van het Koninklijk huis – zo vormden de eerste foto’s van Beatrix en Claus (1965) een gelegenheid, waarbij het woord privacy nogal vaak viel. Maar ook andere slachtoffers van privacy-schending kwamen ter sprake. Zo brak de Leeuwarder Courant in 1962 zijn staf over ene Koos Posthuma die op TV de Nederlandse Miss World “zonder enig respect voor haar privacy” ondervroeg. Dat programma zou ik dus best eens willen zien. 🙂

Pas een heel eind daarna – ongeveer 10 % van de gevallen – komt de derde context waarin het woord privacy viel, waarbij de overheid als Big Brother optrad en geheime diensten naar hartelust nietsvermoedende burgers afluisterden. Relatief was dit soort privacy-schendingen waarschijnllijk minder een zorg dan nu.

Vermoedelijk hangt de grote opgang van het woord privacy ook met een bepaalde inflatie samen. In die zin dat “de persoonlijke levenssfeer” en “het recht om met rust gelaten te worden” als steeds breder werden gezien. Een eerste teken daarvan is dat nota bene de oerconservatieve Ridder van Rappard in 1968 opmerkte dat hij geen kijkgeld betaalde om via de televisie in zijn eigen huiskamer geschoffeerd te worden. Dat hij zichzelf ook wel kon beschermen door de knop om te draaien, kwam kennelijk niet bij hem op.


De naam Stroobos

“De naam”, zegt Wikipedia over Stroobos,

“zou voor het eerst zijn gebruikt in 1655, toen het Hoendiep werd gegraven, en zou verwijzen naar onderkomens van stro voor de arbeiders die het kanaal groeven.”

Deze opvatting staat al te lezen in het schoolmeestersrapport, dat de koster van Doezum in 1828 schreef:

“Het heeft, zoo men zegt, zijn naam ontleend door een groote hoop stroo hetwelk de werklieden daar hadden verzameld, ten tijde dat de vaart daar gegraven is, om zich daarin of achter te schuilen, bij regenachtige tijden, om dat er nog geene huizen voorhanden waren”

Of los stro zoveel dekking in het open veld geeft? De naamkundige W. de Vries geloofde in 1946 maar half in de naamsverklaring. “Ik vrees”, zo schreef hij,

“dat ons nooit histories gegevens te hulp zullen komen. In ’t Westerkwartier is het echter ’n staande aardigheid, als men naar bed gaat te zeggen: “Ik ga naar Strobos toe.”

Wat De Vries zich niet realiseerde was dat er in de achttiende en negentiende eeuw nog een tweede gehucht Stroobos was, namelijk helemaal aan de andere kant van de provincie Groningen, zo’n beetje halverwege Winschoten en Oude Pekela. Dit bevond zich in een flauwe bocht van het gekanaliseerde riviertje de Pekel A.

Er waren dus meerdere Stroobossen. En als je dan kijkt naar de overeenkomst, dan valt op dat zowel het westelijke als het oostelijke Stroobos op een strategische plek aan een nieuw vaarwater lag. Een plek die kansen bood, een plek waar mensen zich graag als pioniers vestigden.

Een bescheiden zoektocht in oude woordenboeken op de term strobos leert vervolgens dat er een spreekwoord was. In de zeventiende eeuw werd het nog vaak gebruikt voor iemand die de kansen op zo’n plek waarmaakte. Er zit zowel een ondertoon in van jaloezie, als van bewondering:

“Hij is op een stroobos komen aandrijven.”

Toen hij er kwam, was hij een armoedzaaier, maar hij is nu een man in bonis. Zou het niet dat spreekwoord zijn, waaraan de beide Stroobossen hun naam te danken hebben? Dat lijkt me als verklaring plausibeler dan het schuilen onder stro.


Groninger tongval was levensgevaarlijk

Uit het Nieuwsblad van het Noorden de dato 5 maart 1968 (p. 3):

Geplaatst op 14 november 2010  tongval

(Toevallig tegengekomen bij een onderzoekje naar het voorkomen van de termen beatbar en beatkelder, vandaar dat die laatste term gemarkeerd is.)


Vertikte oorden

De laatste tijd maak ik regelmatig dezelfde tikfouten. Zoals in deze plaatsnamen:

  • Groiningen – Stad met onderbuikgevoelens
  • Amsterdamn – Vervloekt oord
  • Winscum – Allemaal tuig wat daar woont

Ik meen dat het er nog een of twee meer waren, maar die heb ik nu even niet paraat. Of hebben jullie misschien nog andere plaatsnamen waarbij een slip op het toetsenbord iets minder vleiends oplevert voor de plaats in kwestie?

Nog eentje op 20 april 2019:

  • Delfzijk – Lekker pissen in zee.

Lekker voor een persoon is ouder dan je denkt

In een verhoor uit 1729 probeert de stad-Groninger advocaat-fiscaal (aanklager) uit te vogelen of een getrouwde vrouw een verhouding had met haar kostganger. Die vrouw ontkent. Over haar kostganger zegt ze:

“weet niet of die man soo lekker is”.

Ook omdat de notities van de fiscaal niet altijd even leesbaar zijn, heb ik die zin indertijd een paar keer overgelezen. Ik twijfelde: stond er nou echt lekker? Die term kwam namelijk zo modern over. Maar het was echt zo, er stond inderdaad lekker. Het WNT bevestigde bovendien dat die term al heel lang het synoniem is voor aangenaam, en in die hoedanigheid niet alleen gebruikt werd voor voedsel, maar ook voor personen.

Ik moest aan dat twijfelgevalletje denken toen ik net in deel 3 van Onder de Groene Linde een paar versies tegenkwam van het lied ‘Er waren eens twee zoeteliefjes‘. Dat lied dateert van begin negentiende eeuw en de eerste variant bevat deze regels:

“En ik heb een man die zo lief en zo lekker is
En ik heb een man die mij zo teer bemint…”

Ook hier dus dat modern lijkende gebruik van lekker voor een persoon.

Overigens kan men de geluidsopnamen van de liederen in de drie bundels Onder de Groene Linde – die kersvers in de DBNL opgenomen zijn – uiteraard vinden in de Nederlandse Liederenbank. Van het vooral in Drenthe overgeleverde ‘Twee zoetelieffies’ zijn dat er zelfs enige tientallen. Mijn indruk is dat het lied vaak wat te snel gezongen werd, wat de dramatische thematiek niet ten goede kwam. Dit vond ik de drie mooiste opnamen:


“Onnes zien bok het ’t geld opvreten”

Geplaatst op 13 september 2010  a

Honderd jaar geleden circuleerde in de buurt van de Groninger Hereweg een typisch lokale uitdrukking:

“Geld, d’r is gain hond dei ’t vreten wil, moar Onnes zien bok het ’t opvreten.”

Dat kwam zo. Onnes, een van de laatste moeskers en koemelkers aan de Hereweg, was thuisgekomen van de veemarkt, waar hij tamelijk goeie zaken had gedaan. Gewoontegetrouw hing hij zijn jas op in de schuur, maar vergat er, enigszins rozig door de geconsumeerde kelkjes jenever, de 200 gulden aan papiergeld uit te nemen, die hij op de veemarkt had gebeurd. Helaas liep er in de schuur een bok rond, En die wist wel raad met de bankbiljetten.

Op zijn beurt wist Onnes wel raad met de bok. Hij liet meteen de slachter komen, die kordaat een eind aan het leven van de geldverslindende bok maakte. Uit diens maag kwamen de reepjes bankbiljetten tevoorschijn. Deze bleken na een gedegen reinigings- en strijkbeurt nog goed aan elkaar te passen. Zelfs was de Nederlandsche Bank bereid, om de bokkemaagresiduën in te ruilen tegen het volle pond aan héle bankbiljetten.

Eind goed, al goed, Onnes blij, maar zo kwam dus dat rare gezegde in de wereld.

Bron


Wie procedeert om een koe

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Te weinig bekend spreekwoord. Ik ken een soortgelijk tegeltableau van een monumentale boerderij in Nijeveen waar ik als puber wel eens kwam, maar het bovenstaande zag ik vanmiddag hangen in een boerderij aan de rand van de stad Groningen. Hoewel het motief oud is en de tegeltjes behoorlijk verkleurde randen hebben, lijkt dit tableau me niet antiek. Gezien de belettering komt het uit de twintigste eeuw.


De groene Van Dale en andere streektaalkwesties

Een van de UK-hoofdredacteuren die ik meemaakte had een grote hekel aan het woord niks. Daar ging subiet een streep doorheen. Het moest niets zijn, vond hij.

Juist naar niks en niets heeft Siemon Reker, hoogleraar Groninger taal en cultuur, onlangs een onderzoekje gedaan. Hij merkte dat heel veel hoofdredacteuren, net als die van de UK, niks mijden als de pest, maar dat het woord in de oostelijke gewesten, zeg maar langs de Duitse grens, toch iets geaccepteerder is dan in de kustprovincies. Niks komt oorspronkelijk uit het Duits en heeft de Randstad nog niet bereikt. Wat iets anders is dan dat het spreektaal of volkstaal zou zijn, zoals de Van Dale beweert

Dezelfde hoofdredacteur vond ook altijd dat je het bijvoeglijk naamwoord Gronings(e) moest gebruiken, in plaats van Groninger. Zwaar ten onrechte natuurlijk, maar dat heb ik hier al eens uitgelegd. Siemon Reker constateert nu dat bij het Dagblad van het Noorden de regionale variant Groninger veel vaker gebruikt wordt voor zaken in een plattelands- of in elk geval gewonere context, terwijl Gronings(e) vaak gebruikt wordt voor chiquere materie, bijvoorbeeld universiteit of hoogleraren. De manier waarop hier Groninger verdrongen wordt door Groningse, lijkt sterk op een top-downproces.

Ik heb ook wel eens een eindredacteur meegemaakt, die – ritme of niet, kon niet schelen – een groene volgorde van hulpwerkwoord en deelwoord steevast verving door een rode. Ter verklaring: het hulpwerkwoord voor het deelwoord zetten (bijvoorbeeld: is gevallen), wordt de rode volgorde genoemd, terwijl het de groene volgorde is, als het hulpwerkwoord na het deelwoord komt (bijvoorbeeld: gevallen is). In Friesland en Groningen is die laatste volgorde het meest algemeen, zij vormen ’s lands groenste provincies, en dus zit er een regionale ‘smet’ op die groene volgorde. Terwijl in de jaren dertig bulletins van de Radionieuwsdienst ANP nog in 30 % van de gevallen de groene volgorde hanteerden, gebeurde dat in de jaren tachtig nog maar in 1 % van de gevallen. Reker: “Het ANP-radionieuws heeft zic dus in die halve eeuw van het Noorden verwijderd”. Desalniettemin ontdekte hij dat voorbeeldzinnen in de dikke Van Dale nog in 75 % van de gevallen zo groen zijn als gras. “Dat is een grote verrassing”, aldus Reker,

“maar ik u vraag u zeer dringend om hier geen ruchtbaarheid aan te geven; want voor je het weet, besluiten ze in Utrecht om Van Dale in stilte te ontgroenen…”

Reker presenteerde deze onderzoekjes van hem in een lezing, die hij uitsprak op het streektaalfestival !REUR!, begin maart in Emmen. Eigenlijk ging die lezing over het gebruik dat je van internet en krantendatabanken  kunt maken voor het onderzoek naar taalverschijnselen, maar Reker plaatst in de schriftelijke uitwerking die er onlangs van die lezing verscheen, toch ook enkele polemische opmerkingen.

Voor iemand als Reker is taal rijkgeschakeerd, fluïde en variabel. en moet dat ook vooral ook zo blijven. Wat zuiver of gaaf of goed taalgebruik is, kan je vaak helemaal niet zo onderscheiden als sommigen beweren. Reker hekelt dan ook de smetangst, die hier en daar heerst. Van de taaldiscriminatie die er ten nadele van noordoostelijke varianten van het Nederlands bestaat moet hij niets hebben, maar met evenveel of nog meer kracht gispt hij het  hyper-correcte Gronings waarin een lang gangbare term als penningmeester niet langer mag, terwijl het synoniem puutholder daarentegen verplicht geworden is. Een dergelijke schoolfrikkerigheid signaleert hij ook wel eens op de regionale buis:

“In de uitzending van Grunnegers op TV Noord van 04.01.2010 werd de kijkers op het hart gebonden om in de vertaling van ‘Het is niet alles goud wat er blinkt’ toch vooral dat en géén wat te gebruiken. Dergelijke van alle realiteit gespeende aanwijzingen die op niets anders dan distantiedrang gebaseerd zijn, krijgen kijkers vaker in deze rubriek als serieuze boodschap voorgehouden.”

Of:

“Het werkt bij mij dan ook altijd op de lachspieren, wanneer iemand een bepaalde tekst goud en geef Grunnegers noemt -‘goed en gaaf Gronings’ dat is in mijn optiek niets anders dan een verkooppraatje bij zoveel gevarieerde rijkdom binnen een dialect als het Gronings.”

Ik weet haast wel zeker dat niet iedereen hem zulke uitspraken in dank afneemt.

Siemon Reker – Het balletje in het schuurtje; het opsporen van regionaal Nederlands in gedrukte vorm (Huus van de Taol, Beilen, 2010)


Doe en joe in Grootegast

“Hoe men telkens voor geheel onverwachte verhoudingen kan worden geplaatst, ongedachte spraakgebruiken, leerde mij onlangs een bezoek aan Grootegast, in het centrum ongeveer van het Groningsche Westerkwartier. Hier spreken goede vrienden elkaar aan met “doe”, tot mijn groote verbazing echter uitsluitend in de intieme sfeer van het “onder ons”. Want zoodra een vreemdeling binnen het gezelschap wordt opgenomen, wordt het pronomen “doe” geheel gebannen en geldt voor alle aanwezigen “joe”, de beleefdheidsvorm.”

Bron: Jan Naarding in Onze Taaltuin (1936)


Drentse dialectatlas nu al online

Geplaatst op 17 juni 2010  a

In het zuidwesten van Drenthe zeggen streektaalsprekers varken tegen varken. Daar staan de groene pinnetjes voor. Bij de rode maken ze van de a een dubbele a, dus vaarken. Erg veel verschil zit daar niet tussen, Maar in de rest van Drenthe hebben ze het over een zwien, als het over een varken gaat. Hieraan zie je dat de invloed van het algemene Nederlands zich vooral liet gelden in het zuidwesten, waar van oudsher ook wat meer contact was met het westen des lands.

Het dialectkaartje is een van de honderd die al online staan bij de digitale Drentse dialectatlas, welke morgenmiddag om half een officieel van start gaat. De kaarten zijn gemaakt op basis van inventarisaties die in het verleden zijn gedaan, en die ook dienden als basis voor het digitale Drentse Woordenboek.


Muntendammer bijnamen

Eerst de bijnaam, dan de reden:

  • Johannes Hoaze – had een hazelip
  • Lammert mit ’t voessie – gehandicapt aan zijn hand
  • Blaauwe Harm – vanwege een hartkwaal die zijn sporen in het gelaat naliet
  • Jan Kopzeerte – klaagde veel over hoofdpijn
  • Oarend Sterenkieker – met scheef hoofd en scheel
  • Verbrande Hinne – vanwege verbrande en misvormde vingers
  • Derk Snoef – om het snuifgeluid vanuit de keel
  • Jan Konde – wegens een geprononceerde derriëre
  • Annoa Boekje – voortdurend in verwachting
  • de Lekkertjes – familie die kadavers opgroef voor consumptie
  • Jochum Kwaalster – produceerde onsmakelijke geluiden bij het pruimen
  • Janna Moddevidee – omdat ze als kind ooit eens Montivideo zo verhaspelde
  • Kloas Beere – oud-berenleider
  • Johannes Plankje – timmerman
  • Heemskerck – om zijn hoge voorhoofd, naar minister Heemskerk die dat ook had
  • Annoa Stoetje – broodventster

“Het geven van bijnamen gebeurde te goeder trouw”, zegt Brinkman, die ze uit zijn geheugen noteerde: “Er was geen opzet tot krenking aanwezig, ook accepteerde het slachtoffer zonder protest de hem geschonken bijnaam, die dikwijls getuigt van geestigheid en echte volkshumor.”

Toch waren de ouderen die ik ooit voor de Oosterpoorter interviewde, altijd vrij huiverig om vroegere bijnamen van buurtgenoten uit hun herinnering op te halen. Dat moest maar niet, ook niet als ze de echte namen er van mij er niet bij hoefden te geven. Het was beter, dat die bijnamen voor eeuwig in vergetelheid bleven.

Bron: EFW Brinkman – Muntendam en de Muntendammers (Assen 1948) pag. 50 – 52


De taal van Wilders onderzocht

Jan Kuitenbrouwer analyseerde de taal van Wilders, en ziet hem onder andere als nostalgist en satiricus. Vanochtend was Kuitenbrouwers met zijn verhaal op Radio I. De uitzending is hier nog te beluisteren.


Brommer-, motor- en auto-acroniemen anders verklaard

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Henk Scholte bracht vanmiddag een lang vergeten staaltje volkscultuur in herinnering: de alternatieve verklaringen voor allerlei uit afkortingen bestaande merknamen, waarmee (adspirant-) auto-, motor- en brommerbezitters elkaar goedmoedig plaagden:

ARIEL – Alles Rammelt In Eens Los
BMW – Berend Mout Weg
BSA – Berend Stöt Aan
DAF – Duwen Anders Fietsen
DKW – Duutse Kinder Woagen, of: Dit Kreng Waaigert
NSU – Nait Sneller Uutvonden
RAP – Rotterdams Afval Produkt

Weet u er nog meer misschien? Uw bijdrage is van harte welkom bij de reacties!


Beis! Beis! Een Jiddisch restant in Groninger straattaal

Geplaatst op 13 maart 2010  juut

Ruim een half jaar geleden werd ik benaderd door een misdaadauteur, die zich afvroeg waar het woord beis of bijs vandaan kwam.

In zijn jeugdjaren hier in de stad Groningen werd dat woord gebruikt ter aanduiding van een politieman:

“Wij zeiden in de vijftiger jaren en later hier in Groningen tegen een agent altijd beis. (…) Een rechercheur noemden we altijd een ‘stille beis’.”

Hij had links en rechts wat mensen geraadpleegd, en de suggesties gingen helaas alle kanten op. Zo dacht iemand dat beis bargoens was voor kwartje. Iets wat de misdaadauteur vreemd voorkwam, want hoe lag dan het verband tussen dat kwartje en die politieagent?

Ik keek even in het WNT, maar dat leverde niet veel soeps op. Het enige wat ik kon bedenken, was een verband met de term biesjager. Een biesjager of armjager, op het Groninger platteland meestal roderoede of roroe, en in Drenthe doorgaans kerspelsoldaat geheten, was de veldwachter die moest voorkomen dat er arme sloebers zich metterwoon in een dorp gingen vestigen waardoor zij de lokale armenkas konden gaan belasten. Biesjager zou dan in het Gronings verkort en vervormd kunnen zijn tot beis. Maar ik moest er meteen bij zeggen dat deze verklaring me wel wat gezocht leek voor een woord, dat voorlopig louter uit een stad-Groninger context bekend was.

Als een vraag open blijft staan, stuit ik vaak vrij snel en bij toeval op een plausibel antwoord. Begin februari zat ik in elk geval nog op het spoor van biesjager. Uit een oud etymologisch artikeltje van J. Bergsma liet zich opmaken dat de term biesjager pas in de tweede helft van de negentiende eeuw vanuit Friesland doordrong in de wijde omgeving van Emmen. Die term was daar in Zuidoost Drenthe dus waarschijnlijk geïmporteerd door veenarbeiders. Volgens Bergsma stond biesjager zowel in Friesland en Oost-Friesland, als het tussenliggende Groningerland voor gerechtsdienaars die op het platteland “boeven, schooiers en ander verdacht volk” uit hun gemeentes moesten geleiden:

“Bisen zou hetzelfde zijn als ons biezen, dat van loeiend en wild rondloopende koeien wordt gezegd.”

Maar een betere verklaring vond men volgens Bergsma in een woordenlijst bij de zeventiende-eeuwse Friese auteur Gijsbert Japicx:

“Bijze is boef, schurk, schelm, schalk, guit enz.”

Hoe dan zo’n aanduiding voor gespuis in het Friesland van de Gouden Eeuw evolueerde tot een aanduiding voor juist de bestrijder van datzelfde gespuis, bleef een raadsel. En dit spoor leek dan ook een doodlopend spoor. Nog steeds hadden we geen zekerheid omtrent de herkomst van beis, zo concludeerden de misdaadauteur en ik mistroostig.

Maar het wordt nog wel wat met onze studie, want van de week vond ik een beter antwoord in een lijst met jiddische woorden en zegswijzen, zoals die voor de oorlog in Winschoten werden gebruikt. Op die lijst staan de termen beis, beis hebbm, beisje, beisjen (of beizen), beisjeroge en beisjerool.

Van al deze woorden lijken beisjeroge en beisjerool het minst met het stad-Groninger taalfenomeen beis te maken te hebben. Deze twee termen hebben zich vanuit het oorspronkelijk Hebreeuwse ‘ben jisroël’ (zoon van Israël) ontwikkeld tot een aanduiding voor jood en joodse koopman in ongeregeld goed.

Beis zelf kwam volgens de Winschoter-jiddische woordenlijst ook uit het Hebreeuws, en betekent in die taal: twee. En bij uitbreiding: iets of iemand op twee benen. De betekenis in het Winschoter jiddisch was echter: politie-agent (meervoud beizn)!!!

Beis hebbm, afgeleid van het Duitse böse of het joodse beise, oorspronkelijk staand voor kwaad, was in het Winschoter jiddisch: ruzie hebben

Beisje, weer afgeleid van twee, was dubbeltje (twee stuivers immers). Vandaar de verwijzing naar het Bargoense kwartje, die onze misdaadauteur tegenkwam.

Beisjen (of beizn), tenslotte, stond oorspronkelijk voor: op twee benen gaan. Maar dit evolueerde in het Winschoter (en Groninger) jiddisch tot: rennen. Overigens is de uitgang -jen een Fries restant in sommige Groningse werkwoorden.

Kortom: beis, in de jaren vijftig en zestig nog een term waarmee stad-Groninger straatjongens elkaar waarschuwden als er politie aankwam – Beis! beis! – belandde in hun taal via het jiddisch, waarin het al een aanduiding voor politie was. Oorspronkelijk is beis een Hebreeuws term voor twee. Deze term verbijzonderde in de loop der tijd tot een aanduiding voor iemand op twee benen. Met die lichaamsdelen heeft ook het werkwoord te maken, dat van toepassing was op straatjongens die een beis aan zagen komen. Ze moesten beisjen, oftewel maken dat ze wegkwamen, rennen.

Literatuur:

  • J. Bergsma – ‘Woordafleiding’, in: Driemaandelijkse Bladen, eerste jaargang nr 4 (1902), pag. 121 – 122.
  • Dr. T Potjewijd – Leven en werken in Winschoten in  de negentiende eeuw (Winschoten 1977) pag. 156.

Stad, kortom

Laatst vroeg ene Thijs hier:

“Wat is dat fenomeen dat Groningers altijd ‘stad’ zonder lidwoord gebruiken om de stad Groningen mee aan te duiden? Is daar een verklaring voor? Persoonlijk vind ik het nogal slordig staan en misschien een tikkeltje arrogant omdat er meer steden dan Groningen zijn.”

Er kwamen toen al wat verklaringen voor, zoals de vroegere naam van de provincie: Stad & Lande.

Zonet kwam ik in de ‘Vaderlandsche geographie‘ van WA Bachiene (1791) een passage tegen die daar mooi op aansluit (pag. 158):

“GRONINGEN: de Hoofdstad, en de eenige- die, volstrektelyk genomen, den naam eener Stad verdiend; weshalven, by de aanwyzing der verdeeling dezer geheele Provincie, de benaming van STAD en Landen, alzo zeer gemeen (= gewoon) en zelfs, gemeener is dan die van Groningen en Ommelanden; dewyl door alleen de Stad te noemen (als by uitnemenheid) geene andere- dan Groningen kan bedoeld worden.”