Demo voor ’t Nederlands is achterhoedegevecht

Ik lees hier en daar dat er gedemonstreerd gaat worden bij de opening van het academische jaar, eind augustus hier in Groningen. Voor de voertaal Nederlands, en tegen de oprukkende verengelsing van de universiteit.

Erg mooi, zo’n initiatief. Maar ik denk ook dat het pleit allang beslecht is. In het bèta-, medische en veel sociaal-wetenschappelijk onderzoek is Engels allang de norm. In principe wordt onderwijs in de masterfase al in het Engels gegeven. Langzamerhand zal dat ook in de bachelorfase gaan gebeuren. Met allerlei middelen – ook minder fraaie – worden de geesten langzamerhand rijp gemaakt voor een volledige overschakeling. Er hoeven hoogstens nog wat pockets of resistance te worden opgeruimd en dan is alles om.

Zo’n universiteit is als een vliegkampschip, Wanneer dat eenmaal koers heeft gezet in een bepaalde richting, verander je dat niet zomaar. Die demo is, kortom, een achterhoedegevecht.


Geeltjesreboelie bij de UK

Bij de UK zijn we heus wel wat gewend. Maar wat ons als kernredactie vanochtend in het gezicht sloeg tart elke beschrijving. De hele toko zat van onder tot boven ondergeplakt met memo-geeltjes. Een representatieve steekproef:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

We hebben uren werk gehad om alles weer toonbaar te maken. Het bleek te gaan om een actie van de studentredacteuren. Deels komen zij met terechte constateringen (zie ook de update onderaan):

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Deels kon het management de eisen volmondig onderschrijven:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Hoewel er op enkele schaduwrijke plekjes ook schier onvervulbare desiderata hingen:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Het heeft er veel van weg, dat de UK een roerige week tegemoet gaat!

Update woensdag 17.6, 19.30 uur:

Bij Soggen suggereert ene J.B. vanwege de tweede foto:

“Harry helpt getekend-hakenkruis-dat-later-verdoezeld is?!”

Ik heb er navraag naar gedaan en dit was het antwoord:

“Het stelt het rode kruis voor van het Rode Kruis omdat je altijd voor iedereen klaar staat met allerhande informatie en tips. Maar naast het feit dat ik slordig schrijf, ben ik ook geen tekentalent.”

Dit antwoord acht ik afdoende.


Schandpaal journalistiek

De opleiding journalistiek van de RUG kent een eigen schandpaal. Overtreders van de spellingsregels worden daar keihard aan vastgenageld:

Geplaatst op 7 juni 2009

De foto is van Zacht Ei


Elke gelijkenis berust puur op inbeelding

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Vileine tongen beweren dat die akelige Kees Willemen zich verschrikkelijk gemeen heeft uitgeleefd op de aimabele rector magnificus van onze academie. De man zou onverstaanbaar lallend geportretteerd zijn met een Beiers aandoende bierpul in zijn knuist, terwijl Duitse studenten hem bevragen:

“Herr Professor wo könnte man diese Tripp’s kauf’n sag doch mal…”

Heus, vergelijking met een al even recent fotoportret van de man toont ondubbelzinnig aan dat elke gelijkenis puur op inbeelding berust. Kijk maar:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Het kapsel, de kleur haar, de vorm van het hoofd etcetera zijn allemaal hééél anders. Toch?


De RUG in ’42

Geplaatst op 12 mei 2009  RUG in 42

Vandaag kwam iemand van een studentenvereniging aanzetten met een stapeltje Groninger Universiteitsbladen uit het oorlogsjaar 1942, Het was een soort mededelingenblad met collegeroosters, aankondigingen van promoties en oraties, adreswijzigingen en namenlijstjes van repetitoren. Ook stonden er advertenties in. Opvallend is bijvoorbeeld een overlijdensadvertentie voor een rechtenstudent Tiesinga die door een granaatsplinter aan het Oostfront stierf.

Bij de opening van het academische jaar, op 4 november, hield rector magnificus Kapteijn een tamelijk foute rede, die afgedrukt staat in het blad. Een student heeft een enkele passage met pen onderstreept, het is ook de enige persoonlijke toevoeging in al die nummers:

Geplaatst op 12 mei 2009 RUG in 42 b


Kees in actie

UK-cartoonist Kees Willemen is bezig aan zijn Nachtwacht in de UB. Bibliothecaris Michiel Thomas portretteerde hem. Slideshow.


Eeuwfeest universiteit gaat niet door

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Het moet een enorme teleurstelling zijn geweest voor de professoren van de Groninger Academie. Via de eerste curator en de rector magnificus kregen ze op 4 juli 1714 te horen dat er geen sprake van een eerste eeuwfeest van hun Academie kon zijn. In de Landdag, de Provinciale Staten, hadden de stadsheren voorgesteld het jubileum op 3 september plechtig te vieren “nae het exempel van andere academiën”. Maar de heren van de Ommelanden antwoordden “dat sij daar toe niet veerdigh waren”. Wat een hoogtepunt had moeten zijn, werd zo een beklagenswaardig dieptepunt.

En niet het enige, want de Ommelanders lagen tussen 1706 en 1714 al voortdurend dwars bij hoogleraarsbenoemingen. Beide leden van de provincie Stad en Lande hadden evenveel zeggenschap over de Academie, en als een van die leden dwars lag, moest de Academie het bezuren. Door de Ommelander obstructie-politiek nam het aantal hoogleraren af van 9 in 1700 tot slechts 4 in het gemankeerde jubeljaar 1714. Daar zat zelfs geen theoloog meer bij, terwijl godgeleerdheid de bestaansreden van de universiteit was.

Ook het aantal studenten daalde. Nu gebeurde dat overal aan de academies, omdat die een functieverandering ondergingen. Van humanistische algemene vormingscentra, werden het steeds meer instituten waar vakspecialisten kennis op konden doen. Tegelijkertijd beperkten studenten zich steeds meer tot een enkele universiteit, in plaats van rond te reizen door Europa en aan diverse universiteiten hun licht op te steken.

Zoals Pieter Caljé duidelijk maakt, deelde de Groninger academie “op dramatische wijze” in deze trends. Ten eerste was ze altijd meer dan andere universiteiten afhankelijk geweest van buitenlandse studenten. Ten tweede zorgden de conflicten tussen Stad en Lande en het afnemende hooglerarenaantal voor een sterkere terugloop in het studenten-aantal dan elders het geval was. Maar zelfs die verschijnselen moet je volgens Caljé tegen de achtergrond zien van de meer algemene ontwikkelingen. De Ommelander jonkers hadden een algemene academische ontwikkeling nodig, met wat Latijn konden ze heus hun stand wel ophouden, ook al was enige elementaire juridische kennis daarbij nooit weg. Diploma’s hadden de jonkerszonen in elk geval niet nodig, ook zonder konden ze zich wel redden. Voor de stedelijke elites lag dat anders. Die hechtten wèl waarde aan vakspecifieke kennis, vooral voor medici en juristen. Doordat vooral de stedelingen in dit opzicht van de Academie profiteerden, lieten de jonkers er zich juist zo weinig aan gelegen liggen.


Delen courant leidt tot degenhouwen student

 

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Christophorus Nucella kwam als ‘Walda Montanus’ uit Vaudémont, in Lotharingen, een plaats waar ze waarschijnlijk nog Duits spraken. En David Steinken – Cassell Hassus – uit Kassel in Hessen. Beide schreven zich in mei 1688 in als student aan de Groninger academie. De een deed dat op de 17e van die maand, de ander op de 23ste. Terwijl Steinken rechten ging doen, is van Nucella de studie niet genoteerd, maar hij was zoon van een predikant, en zou zelf in 1705 sterven als dominee van Paramaribo, dus je mag aannemen dat hij theologie studeerde.

Een paar maanden na hun aankomst, in juli en dus “in feriis“, hadden de rechts- en de godgeleerde in spe de grootst mogelijke bonje op het Broerplein. Aanleiding was het feit dat ze gezamelijk de courant lazen, om en om, waarbij ieder 2 gulden, of de helft van de totale rekening betaalde.

Volgens de aanklacht die Nucella bij de Senaat deponeerde, wilde Steinken achterstallige couranten van hem hebben, een wens waar Nucella niet meteen aan had voldaan. Toen Nucella uit de Burse kwam, zeg maar de mensa aan de oostkant van het Academiegebouw, had Steinken hem gevraagd waarom hij hem die couranten niet stuurde. Dit verzuim betitelde Steinken als “hontsvotterij”. Hetgeen als een ernstige belediging gold, immers een hondsvot was het schaamdeel van een vrouwelijke hond, en hondsvotterij stond voor vergaande beuzelachtigheid. Naar eigen zeggen antwoordde Nucella met een jijbak: “Das ist ein hantsvott der es sagt“. Waarop Steinken zijn degen trok, hem ermee sloeg en hem zodoende aan zijn hoofd en – doordat hij de degen greep en Steinken die aantrok – op drie plekken aan zijn hand verwondde.

In de versie van Steinken was Nucella de agressor. Deze zou op hem zijn afgekomen en had hem aan het haar vastgegrepen en geslagen. Hij was bijna achterover in een kelder gedeinsd en om de sterkere Nucella af te weren had hij zich gedwongen gevoeld om zijn degen te trekken. Nucella sloeg het blanke wapen omhoog en was er gewoon in gelopen. Pech gehad.

In eerste instantie vermaande de Senaat beide heren om “voortaan in vrintschap met een ander te leven”. Na de vakantie echter, kwam men op de zaak terug, met drie getuigen, alle drie student. Volgens de een hadden zowel Steinken als Nucella elkaar eerst geslagen, maar de andere twee ontkenden dat en bevestigden dat Steinken zijn degen trok zonder dat Nucella hem daartoe provoceerde. De laatste getuige zei dat Steinken Nucella juist uitdaagde om ook zijn degen te trekken. Dat had Nucella geweigerd, en desondanks was Steinken er op los gegaan en had Nucella verwond, voordat deze getuige ze uit elkaar had kunnen halen.

Op basis van de getuigenverklaringen veroordeelde de Senaat Steinken tot een boete van een ducaton (ruim 3 gulden) “in fisco academico” (de universiteitskas). Bovendien moest Steinken “het volle meijsterloon van ’t genesen der wonden” van Nucella betalen.

Met die volledige doktersrekening zou het nog wel meevallen. Eind 1688 klaagde de medisch hoogleraar Eyssonius in de Senaat dat chirurgijn Swijghuisen zijn nota wegens dit geval maar niet wilde matigen. De Senaat snoeide de rekening daarom zelf maar terug van 10 tot 5 gulden, “als oordelende hij niet meer verdient te hebben”.


Een avondje in de Sint Jacob

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Laatste oproep van de gezamenlijke Oostfriese, Hollandse en Gelderse collegia aan de studenten Vijch en beide Tibouten met het bevel…

“…dat ghij te samen van stonden af aen, bij ons in St Jacob sijnde sult compareeren en u volgens de wetten submitteren. ’t Welk ons eernstelick gebott niet nakomende  sult de straffen daar toe gestelt te verwachten hebben.”

Dit voor de ontvangers tamelijk dreigende briefje, daterend van dinsdag 15 februari 1653, herinnerde de Academische Senaat eraan dat de Collegia Nationalia (studentenclubs op basis van herkomst), ondanks alle strenge verboden nog steeds bestonden en dat deze “zuipgenootschappen” ook nog steeds hun vermaledijde groendwang probeerden uit te oefenen. Net als tijdens het oproer van maart 1652 kwamen diverse collegia zelfs weer bij elkaar in de nieuwe Sint Jacob aan de Zwanestraat.

Omdat de Senaat graag wilde weten wie de auteurs van de illegale convocatie waren, liet hij het stadsbestuur Hindrik Harmens, de waard van de Sint Jacob (36), diens vrouw Asseltien (35), hun “maagd” Aeltien (20) en hun knecht Geert Thuis (15) een verhoor afnemen. Dat verhoor vond twee dagen na de bijeenkomst van de studenten plaats. De waard, zijn vrouw en de dienstmeid verklaarden onder ede, daarentegen werd de jonge knecht scherp vermaand om de waarheid te spreken.

De vier bevestigden dat er op de voorlaatste dag Gelderse, Oostfriese en Hollandse studenten in de Sint Jacob waren geweest, “wesende vele in getalle”. Hoewel de autoriteiten dachten dat het om een 70, 80 ging,. zwakte herbergier Hindrik Harmens dat af tot ruim 50.

“Vermits sij sterck waeren”, gaf hij de studenten de beschikking over drie verschillende kamers. Elke natie kreeg er dus mogelijk één. Naderhand, toen een gedeelte van de studenten alweer weg was, kwam de rest op één zaal of kamer bijeen. Al deze ruimtes bevonden zich op de bovenverdieping, waar de dienstmeid niet kwam. De bediening werd er gedaan door Geert Thuis, die meldde…

“…dat hij getapt heeft als daer geschelt wierde.”

Er was dus een bel, waarmee de studenten de ober naar boven konden ontbieden. Het gelag werd een dag eerder bij de waard besteld door de studenten Rijns en Graswinckel. Zij verzochten hem…

“..off sij de groote saell niet mochten hebben om te spreken over ’t opbrengen der gelden.”

Kennelijk was dit de zaal waar de drie naties naderhand samenkwamen. Met het geld zal de entree van de nieuwelingen bedoeld zijn. Omdat Vijch en de Tibouten niet op kwamen dagen, kregen zij alsnog de convocatie, die dus al snel bij de Senaat belandde.

De herbergier en zijn huisgenoten intussen, kenden buiten Tijns en Graswinckel geen andere namen, ook al zaten er bekende gezichten onder de studenten die “bij wijlen er koomen te drincken”. Wie de preses generalis was geweest, wie elk der naties voorzat, wie er zoal het woord voerde, wie er om papier en inkt vroeg, wie er iets opschreef, de mensen van Sint Jacob wisten het niet.

De knecht bevestigde dat hij opdracht had gekregen om een brief bij rector Maresius te bezorgen. Naar de senaat eerder hoorde had hij moeten zeggen dat die van Amsterdam kwam, zodat hij er port voor kon vragen. Dat hij dat ook deed gaf Geert toe. Maar een specifieke student had hem die brief niet overhandigd:

“datt de brief op de taeffel heeft gelegen ende om hem geschelt hebbende, sij te saemen geroepen: Brengh die aen mijn heer Maresius huis.”

Met elkaar hadden de studenten hem dus de bestel-opdracht gegeven. Weer terug uit de Boteringestraat, meldde hij dat hij de brief besteld had. Hoe hun antwoord luidde, kon hij niet zeggen. Na de brievenbestelling was het gezelschap in elk geval langzamerhand uitgedund, de meeste studenten bleven tot een uur of zeven, andere wat langer. Over de betaling hadden ze bij de Sint Jacob geen klagen, want volgens Geert was het zo

“datt elck sijnen geldt op de taefell heeft geleght…”

en Geerts bazin bevestigde dat hij het geld bij gedeelten naar beneden bracht. Alleen op het punt voor hoeveel geld de studenten nu eigenlijk verteerden verschilden de meningen nogal. Volgens de waard hadden degenen die het eerst vertrokken meest voor 10 stuvers verteerd. Dat is de waarde van 1,25 liter wijn of ruim 3 liter bier. Voor degenen die het laatst vertrokken verwees Hindrik Harmens naar zijn knecht Geert, die zei dat ieder voor een halve gulden verteerde. Maar noch de ene, noch de andere raming  spoort met de schatting van herbergiersvrouw Asseltien, die het totale gelag begrootte op slechts een tien à  twaalf gulden.


Pedellendag

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Naast rokjesdag is het vandaag pedellendag. Zo’n zestig pedellen van Nederlandse en Vlaamse universiteiten ontmoeten elkaar vandaag in een zonovergoten Groningen. Hier poseren zij op de trap van het Academiegebouw, met rector magnificus Frans Zwarts in hun midden. Hij voelt zich vandaag zeer beschermd, immers, de pedel, nu nog steeds ceremoniemeester bij promoties, was vroeger tevens de steun, toeverlaat en sterke arm van de rector.


Het was op 6 oktober

Geplaatst op 24 maart 2009 het was op 6 oktober

Dit zij nog aangetekend te eeuwiger nagedachtenisse. Op maandag 6 oktober 2008, globaal tussen negen uur en half tien des ochtends, geviel het dat de camerawagen van Google langs de etalage van de Groninger universiteitskrant kwam.

Met dank aan E.


Warner Emmen, echt een Drenthinus?

Ik was benieuwd naar het verdere leven van Warner, ook wel Warnerus Emmen, de “Drentse” leider van het Groninger studentenoproer van 1652. Blijkt dat er twee versies van dat leven bestaan.

In het ene geval ging hij eerst naar Basel, maar promoveerde hij tot J.U.D. in Orleans (1658). In deze versie van zijn leven keerde hij terug naar Groningen om er te eindigen als Raadsheer (1668-1678).

In het andere geval werd hij in 1654, dus vrij vlot na het oproer, schulte van Emmen.

Een van de twee versies moet fout zijn. Misschien hebben de genealogen twee neven door elkaar gehaald? De neef van het ene geval ging naar de Latijnse school aan het Martinikerkhof, waarschijnlijk was dit een Groninger. De andere neef kwam van Emmen, en zal zo’n school dus wel in Coevorden hebben bezocht.

Het probleem is: ik zie zo’n studentenleider, gekozen door een heel stel leiders van studenten-nationes, niet zo gauw schulte van Emmen worden. Ook lijkt het me stug dat de Groninger Warner Emmen op zo’n post terecht kwam.

Zou de studentenleider misschien ten onrechte als Drenthinus zijn aangemerkt?

De bronnen zullen het leren.


Mensa mores van weleer

Voordat studentenvereniging VERA in 1964 een grote algemene mensa kreeg, waar dagelijks 600 maaltijden over de balie gingen, was er een kleine verenigingsmensa, waar 150 veranen aten. “Het was een gezellige mensa”, schrijft Pieter Caljé in zijn boek VERA: vorming en vriendschap:

De eerstejaars bedienden, aan de tafels werd volgens anciënniteit plaatsgenomen en wanneer de tafelpraeses een bijbelpassage had gelezen en “Ik wens U allen een recht smakelijk eten” had uitgesproken, werd door iedereen in koor rhytmisch “Insgelijks, meneer de Tafelpraes” geantwoord.”


Hoe de kale knikkers uit het stadsbeeld verdwenen

Geplaatst op 13 maart 2009  a

Ik las weer een heel aardig stukje van Stadjer, ‘Er zit de klad in kale koppen’, opgenomen in het NvhN van 5 september 1968.

Op dat moment hadden de confessionele studentenverenigingen – het katholieke Albertus Magnus en het gereformeerde VERA – het kaalscheren van aankomende eerstejaars afgeschaft. Alleen bij Vindicat bleef deze ontgroeningstraditie nog in zwang. Maar ook hier, wist Stadjer, zou het dit jaar wel voor het laatst zijn:

“Binnen Vindicat is er een hevige discussie geweest of de tondeuse nou wel of niet ter hand diende te worden genomen. Bij de stemming wonnen de pro-kalen van de antikalen die door de pro-kalen voor radikalen werden uitgemaakt.”

Het was maar met een hele nipte meerderheid geweest. Stadjer, zelf student, constateerde dat het er in de groentijd “steeds liever” aan toeging:

“Lichamelijk groenen is alom verboden. En dat houdt in dat je een groen niet meer door elkaar mag rammelen, vol verf mag smeren, of bij een trap neer mag gooien. Dat laatste mocht overigens nooit, maar bleek voor sommigen een aantrekkelijke hobby.”

Ook de aanspreektitel meneer voor ouderejaars was afgeschaft. De groentijd werd een introductietijd op voet van gelijkheid…

“Op straat zult u van de groentijd ook niks meer merken. Er wordt niets meer met tandenborstels opgemeten. En ook niemand zal u meer nederig vragen of hij uw tenen even mag natellen.”

Tot zover Stadjer. Archiefambtenaar Paul J., die ik het stukje liet zien, kwam dadelijk op de proppen met een copie van zijn eigen kale eerstejaars-knikker. Anno 1967 behoorde hij tot de allerlaatste lichting Albertianen die met de tondeuse te maken kreeg.


Tytboeck Linetreckers opgeduikeld

Geplaatst op 15 februari 2009  a

Dit is het voorblad van de kalender voor het jaar 1954 die gemaakt is door ‘dye Linetreckers‘, de getalenteerde tekenclub van het studentencorps Vindicat atque Polit. Deze club kreeg, zoals bekend, les van de Ploeg-schilder Johan Dijkstra.

Het plaatje betreft de voorpui van het nieuwe Mutua Fides, In 1954 kwam dit sociëteitsgebouw gereed. Waarschijnlijk met het oog op de verhuizing bevat de kalender voorstellingen van alle vroegere Vindicat-onderkomens: Het Gouden Hoofd (1815-1823), Kuilenburg (1823-1838), (lokatie) De Pool (1838-1883), iets verderop aan de noordzijde van de Grote Markt (1883-1945), de Kortegaarde (of Corps de Garde 1945-1946) en de Emmasingel (1946-1954). Deze voorstellingen worden afgewisseld met plaatjes met titels als ‘Vrouw in de ochtend’, ‘Yucca-cactus’, ‘Verboden te vissen’, ‘Terschelling’, ‘Hannes’ en (nogal raadselachtig) ‘Fles van Hangelbroek’.

Ik denk dat het gaat om lineoleumsnedes, maar misschien zijn het ook wel houtsnedes. In elk geval springt een van de voorstellingen eruit, en dat is het magnifieke portret van Hannes de studentenkoetsier. Het zou best kunnen zijn dat Dijkstra dat portret heeft gemaakt. Ik zal het hier plaatsen zodra ik wat meer weet over Hannes.

De kalender is het eigendom van H. Voorlopig ziet het er naar uit dat alleen het Groninger Museum er een exemplaar van heeft.

Naschrift bij de restauratie van dit logje op 9 mei 2013):

Ik heb de kalender indertijd van H. overgenomen en deze is inmiddels aan de Groninger Archieven geschonken.