In hoeverre bestond de woningvoorraad uit arbeiderswoningen?
Geplaatst op: 14 februari 2019 Hoort bij: Geschiedenis, Westerkwartier 3 reactiesIn 1808 wilde de overheid met het oog op een nieuwe belasting weten hoeveel woningen er in elk dorp stonden, en hoeveel van die onderkomens arbeiders- en armenwoningen waren. Voor het Westerkwartier zijn de opgaven bewaard gebleven. Ik heb ze in deze tabel ondergebracht:
| Plaats | Totaal bewoonde huizen | Boeren en ingezetenen | Arbeiders dagloners + armen | Percentage arbeiders |
| Vredewold | ||||
| Marum +
de Wilp |
115 | 51 | 44,3 % | |
| Nuis | 49 | 12 | 24,5 % | |
| Niebert | 55 | 20 | 36,4 % | |
| Tolbert | 119 | 52 | 43,7 % | |
| Midwolde | 49 | 15 | 30,6 % | |
| Leek | 151 | 45 | 29,8 % | |
| Zevenhuizen | 200 | 145 | 72,5 % | |
| Lettelbert | 46 | 10 | 21,7 % | |
| Oostwold | 35 | 11 | 31,4 % | |
| Lagemeeden | 22 | 6 | 27,3 % | |
| Hoogkerk &c. | ||||
| Hoogkerk | 76 | 26 | 34,2 % | |
| Leegkerk | 31 | 11 | 35,5 % | |
| Dorkwerd | 17 | 4 | 23,5 % | |
| Aduard etc. | ||||
| Aduard | 98 | 44 | 44,9 % | |
| Hogemeeden | 44 | 12 | 27,3 % | |
| Den Ham | 42 | 12 | 28,6 % | |
| Fransum | 23 | 6 | 26,1 % | |
| Wierum | 26 | 1 | 3,8 % | |
| Oostum | 14 | 3 | 21,4 % | |
| Garnwerd | 85 | 48 | 56,5 % | |
| Westerdeel-Langewold | ||||
| Grijpskerk | 124 | 85 | 33 + 6 | 31,5 % |
| Kommerzijl + drie Waarden | 82 | 50 | 61,0 % | |
| Sebaldeburen | 62 | 40 | 19 + 3 | 35,4 % |
| Lutjegast | 93 | 59 | 28 + 6 | 36,6 % |
| Grootegast | 145 | 84 | 55 + 6 | 42,1 % |
| Doezum | 123 | 80 | 40 + 3 | 35,0 % |
| Opende | 47 | 36 | 10 + 1 | 23,4 % |
| Lucaswolde | 16 | 11 | 5 | 31,2 % |
| Oosterdeel-Langewold | ||||
| Zuidhorn | 133 | 57 | 42,9 % | |
| Noordhorn | 135 | 54 | 40,0 % | |
| Niekerk | 70 | 28 | 40,0 % | |
| Oldekerk | 68 | 37 | 54,4 % | |
| Faan | 10 | 1 | 10,0 % | |
| Niezijl | 78 | 39 | 50,0 % | |
| Visvliet etc. | ||||
| Visvliet en Pieterzijl | 130 | 50 | 38,5 % | |
| Kommerzijl + drie Waarden | 82 | 50 | 61,0 % | |
| Middag-Humsterland | ||||
| Oldehove | 134 | 63 | 47,0 % | |
| Niehove | 100 | 44 | 44,0 % | |
| Saaksum | 40 | 21 | 52,5 % | |
| Ezinge | 98 | 36 | 36,7 % | |
| Feerwerd | – | – | – |
De grootste kernen Zevenhuizen en Leek waren juist ook hele jonge – ze hadden hun ontstaan aan de vervening te danken. Maar terwijl Zevenhuizen het hoogste aandeel arbeiderswoningen van het Westerkwartier kende (72,5 %) was dat in Leek juist aan de lage kant (29,8 %). Zevenhuizen was veel proletarischer dan het verzorgingscentrum Leek, mag je concluderen. Hoge percentages arbeiderswoningen waren er ook in Kommerzijl en Garnwerd met hun kleinschalige havenactiviteiten. Door de bank genomen zal in het Westerkwartier ruim een derde van de woningvoorraad uit arbeiderswoningen hebben bestaan. Laag waren de percentages in typische boerendorpen als Dorkwerd en Lettelbert.
Verder heb ik de percentages geclassificeerd in vier groepen: 20-29% (geel), 30-39 % (oranje), 40-49 % (rood) en meer dan 50 % (paars). Hoe donkerder de kleur, hoe hoger het percentage arbeiderswoningen op de gehele woningvoorraad. In kaart gebracht levert dat het volgende beeld op:

De paarse stippen (relatief veel arbeiderswoningen) zitten vooral vlakbij het Reitdiep, waar afgezien van de haventjes de grote boerderijen op de jonge zeeklei ’s zomers behoefte aan veel losse arbeidskrachten hadden. In de omgeving van de stad en het noorden van het Vredewold vallen juist de lage percentages op. Ten zuiden van het Hoendiep is het paars van Zevenhuizen vrij uitzonderlijk.
—
Bron; Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 752.
‘Trouwe seingever bij de overvaart’
Geplaatst op: 13 februari 2019 Hoort bij: Geschiedenis, Westerkwartier 3 reacties
Het Noorden in Woord en Beeld 25 november 1932 (pag. 847).
Toen in 1932 de nieuwe brug van Garnwerd bijna gereed was en dus het einde naderde voor het lokale veer over het Reitdiep, plaatste Het Noorden in Woord en Beeld naast een foto van de nieuwe brug er eentje van hèt symbool van de eerdaags overbodige overzet: een soort van afdakje op poten met een kloeke scheepsbel. Deze miniatuur klokkestoel stond aan de overkant van het Reitdiep tegenover het welbekende Café Hammingh, waarvan de uitbater tevens reder en kapitein van het veer of de overzet was. Met het belsignaal waarschuwden klanten, dat ze gaarne overgezet wilden worden. De veerman kwam er dan met gezwinde spoed aan, hoopten ze.
De Groninger Archieven beschikken over een wat oudere foto van het verdwenen icoon. In hun prentenverzameling zit bovendien een fijne tekening uit 1920 van Ids Wiersma, die altijd een goed gevoel had voor bouwsels die weldra het veld moesten ruimen.
—
Mede met dank aan MdJ, voor deze in dialoog tot stand gekomen ontdekking.
Rondje Enumatil
Geplaatst op: 3 februari 2019 Hoort bij: Westerkwartier 3 reactiesTussen de Poffert en Oostwoldemerdraai:

Smienten in het land een eind verder:

Enumatil, de Dijkstreek bij het Hoendiep, tegenover de Zuiderweg naar Zuidhorn. Wat ze hier met dat ‘Kiek ien de Pot’ bedoelen? Ooit, medio zeventiende eeuw, heette een object aan het Aduarderdiep onder Hoogkerk ook zo::

Groot-Boskamp, boerderij aan de Zuiderweg vlakbij het fietspad terug naar Den Horn:

Een relletje op Hankema
Geplaatst op: 3 februari 2019 Hoort bij: Geschiedenis, Westerkwartier 2 reacties
Hermanus Numan, De Hankemaborg te Zuidhorn, ca. 1800. Collectie Groninger Museum.
Hij was helemaal over de rooie, de heer Bindervoet, schoonzoon van wijlen baron Maurits Clant, de laatste jonker van de Hankemaborg in Zuidhorn. Nog dezelfde ochtend stiefelde hij naar het rechthuis ter plaatse om bij de drost van het Westerkwartier zijn beklag te doen:
Dat deze morgen, terwijl hij nog te bed had gelegen, aan sijn huis was gekomen ene Lammert Aries, vader van een kleine meid welke bij hem van may 1806 tot may 1807 was besteed. Dat deselve Lammert opgemelde meid terugeischende, verscheidene brutaliteiten tegens hem hadde gepleegd welke hij sig in zijn eigen huis had moeten laten welgevallen, sodat hij ook deselve meid met de vader had moeten laten gaan. Vermenende evenswel, dat hij aan diergelijke ongeregeldheden niet diende te worden blootgesteld…
De drost liet meteen Lammert Aries erbij roepen, die zich tegenover hem op “enen evenmin voeglijken, en brutale wijze” gedroeg. Daarop besloot de drost
Dat Lammert Aries terstond zijn dogter wederom sal moeten besorgen in haren vorigen dienst, waartoe deselve wordt gelast mits dezen.
Eventueel kon Lammert Aries de zaak nog voor het gerecht aanhangig maken. Tegelijkertijd gaf de drost zijn fiscaal (aanklager) opdracht om het gedrag van Aries in de Hankemaborg te onderzoeken.
De volgende dag, dinsdag 16 december 1806, gaf wedman Homan van Zuid- en Noordhorn de drost bericht, dat Lammert Aries weliswaar zijn dochter had teruggebracht naar de Hankemaborg,
dog ook deselve eijgenherig wederom vandaar had medegenomen buiten bewilliging van dezelven Heer Bendervoet en er aldus niet is voldaan aan de gerigtsorder op gisteren afgegeven.
Kennelijk ging het terugbrengen gepaard met ruzie met Bindervoet. Aries kreeg ditmaal bevel zijn dochter nog dezelfde ochtend “in haar vorige huis” terug te brengen,
voorbehoudens zijn regt om zo hij mogt vermenen redenen te hebben dat zijn dogter haar dienst binnentijds sou moeten verlaten.
Die redenen diende hij dan bij de drost in te dienen. Wedman Homan moest om 12 uur ’s middags controleren of de kleine meid weer op Hankema was teruggebracht. Zo niet, dan dreigde ogenblikkelijk een straf voor haar vader.
Aries schijnt aan het gerechtelijk bevel te hebben voldaan, want verder horen we helemaal niets meer over de zaak.
Over het algemeen had inwonend personeel heel weinig rechten. In aanmerking genomen dat ouders hun kinderen absoluut niet zo gauw aan een dienst onttrokken – ook al omdat het door die kinderen verdiende geld naar het eigen huishouden ging – moet er wel iets heel bijzonders aan de hand zijn geweest. Zou het te gewaagd zijn te veronderstellen dat de heer Bindervoet zijn handen niet thuis had kunnen houden? In dat geval bond de drost de kat op het spek.
De vader van het meisje, Lammert Aries/Arijs, een arbeider, koos een paar jaar later later de familienaam Huising/Huizing. Bij deze zaak ging het hoogstwaarschijnlijk om diens dochter Anje, destijds twaalf jaar oud.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 412: civiele zaken, 15 en 16 december 1806.
Een vossejacht bij Grootegast
Geplaatst op: 30 januari 2019 Hoort bij: Dieren, Geschiedenis, Westerkwartier 3 reacties
Roelant Savery – Vossejacht in een bos, ca. 1630. Collectie Rijksmuseum.
Op het verzoek van
…Wybe en Pieter Willems Hazenberg te Grotegast adidem, om in de Woudstreek van dit Quartier een en andermaal de vossejagt te mogen exerceren, is aan dezelve geaccordeerd, en dezelve vossejagt op den 11 dezer bepaald, zullende de koddebeier hierbij assisteren.
Bron: Groninger Archieven 735 (rechterlijk archief Westerkwartier) inv.nr. 411 (civiele zaken) vrijdag 4 januari 1805.
Met de woudstreek van het Westerkwartier werd het zuidelijke deel van deze landstreek bedoeld, met name het gedeelte tegen de Friese grens aan. De koddebeier was de jachtopzichter.
Het is de eerste keer dat ik een dergelijk verzoekschrift zie. Misschien was er een vossenplaag? Aanvankelijk dacht ik dat deze jacht hier dan vast niet zou lijken op de nu bekende vossenjacht met jagers op paarden en met een meute honden, maar in de databank van het Rijksmuseum komen de meeste Nederlandse plaatjes daar toch wel op neer, zij het dan zonder de rooie jasjes en ruiterhelmen van tegenwoordig.
.
Vooraf dacht ik ook dat er geen rekesten in het civiele protocol van het Westerkwarttier zouden voorkomen omdat er een aparte registratie voor was. Maar dat bleek eveneens een vergissing.
Rondje Onlanden – Lagemeeden
Geplaatst op: 19 januari 2019 Hoort bij: Onlanden, Westerkwartier 5 reactiesNa de middag lag er nog rijp in de schaduw:

De ronde poel In de hoek van de Eelder Madijk en de Bruilweering:

Blaarkopstiertje, hoek Langmadijk-Hamersweg, Peizermade:

Zijn kornuiten:

Zilverreiger op de Matsloot, op de achtergrond nog een paar:

Ganzen op de Zuidwending:

Lagemeeden – pompoen die over de uiterste houdbaarheidsdatum heen is:

Ze hadden zitten afstromen, zodat er op de sloten aan de randen veel bomijs lag:

Korhoenders in Groningerland, 1828
Geplaatst op: 16 januari 2019 Hoort bij: Dieren, Geschiedenis, Westerkwartier 5 reacties
Bij het doornemen van schoolmeestersrapporten uit 1828 viel me op dat sommige onderwijzers bij de vraag naar de “voortbrengselen des dierenrijks” ook jachtwild noemden, o.a. korhoenders/korhoenderen. Heb al die rapporten er maar even systematisch op doorzocht. Op de plekken, gemarkeerd door de rode stippen op de kaart werden korhoenders door de schoolmeesters gerapporteerd.
Het Westerkwartier, het Gorecht en Westerwolde springen eruit als leefgebieden van deze veel bejaagde vogel. Bij Scheemda, op het schiereiland van Winschoten, werden ze ook wel gezien. In alle gevallen ging het om hoger gelegen zand- en veengronden met nog vrij veel onontgonnen natuur en kleinschalige landbouw.
Een overdreven voorstelling van de aantallen moeten we ons maar niet maken. In Grootegast werd het korhoen zeer zelden gezien, in Opende ging het om enkele exemplaren, in Zevenhuizen waren ze vrij zeldzaam en in de buurt van Scheemda zag je ze weinig. In belendende streken als de Friese Wouden en Drenthe – waar nog veel meer hoogveen aan snee zou komen – waren de aantallen wellicht groter.
Een bijzondere vermelding verdient nog de schoolmeester van Doezum. Hij kwam met een volksetymologische verklaring voor de naam van de buurtschap Kornhorn:
het heeft ook zoo men zegt, zyn naam van de jagt ontleend; hier werden in vroeger tyden veel korhoenen gevangen of geschoten, en omdat dit wild, hier in menigten verkeerde, noemde men die hoek de Korhoek of Korhorn; nu zegt men gewoonlyk de Kornhorn.
Eind zeventiende eeuw is in stukken steeds sprake van Curringehorn. Dat duidt eerder op een familie- en een boerderijnaam.
Rondje Leegkerk – Dorkwerd
Geplaatst op: 12 januari 2019 Hoort bij: Hoogkerk, Westerkwartier 8 reactiesGedumpte goot in de berm van de Roderwolderdijk, Hoogkerk:

Hindernisbalken van Henkie Hout, Aduarderdiepsterweg Leegkerk:

Door geiten aangevreten boom bij de Tichelwerkbrug:

Boerderij op Leegkerk:

Leegkerk – reddeloos ensemble met de kerk op de achtergrond:

Gaaikemadijk, de populierenrij:

De nieuwe brug bij Aduard staat nog omhoog:

Het kerkje van Dorkwerd:

Toren Garnwerd stort in – drie klokluiders dood, drie andere wonderbaarlijk gered
Geplaatst op: 5 januari 2019 Hoort bij: Geschiedenis, Westerkwartier 2 reactiesDen 8 sept. 1738 is bij het verluiden van eenen Isaack Jans de toren van Garnwert nedergestort, zijnde ses mannen in deselve, waarvan drie onder de puijnhopen versmoort ende verplettert zijn geworden namelijk Barelt Jans, Wighger Jans en Popke Jacobs, en twee nogh levendigh van onder het hout en steen wegh gehaalt, te weten Peter Jacobs schoenmaker ende Jan Derks Cortisaan, zijnde van beijde hoop van herstellinge, ende eijndelijk Jacob Tijssens schoenmaker, welcke miraculeuselijk als bewaart is, zijnde over de puijnhoop selvs als uijt gegaan en onder seer weijnige quetsinge wederom tot de sijne gekomen.
Rondje Matsloot – Lagemeeden – Den Horn
Geplaatst op: 2 januari 2019 Hoort bij: Westerkwartier 3 reactiesMicrolandschap Matsloot (kussentjes mos op beton):

Onversaagd boerenwormkruid, Westpoort:

Zuidwendingermolen:

Aan de Nutweg in Lagemeeden was een plataan omgegaan:

Een poosje geleden is de weg tussen Lagemeeden en Den Horn vernieuwd. Het zand zat vol zaad dat aansloeg:

Groep grazende zwanen in land bij Den Horn:

Een duivelbanner of wonderdokter van Surhuisterveen
Geplaatst op: 28 december 2018 Hoort bij: Geschiedenis, Westerkwartier Een reactie plaatsen
Daniel Nikolaus Chodowiecki, Wonderdokter (1788), uitsnede. Collectie Rijksmuseum.
Op donderdag 20 oktober 1808 werd Pieter Jacobs, bijgenaamd Pieter Scharenslijper, overgebracht naar het rechthuis van Zuidhorn. Waarschijnlijk keken de gerichtsbedienden van het Westerkwartier al een poos naar hem uit, maar nu hadden ze hem dan te pakken, want hij was
bevonden met een pak medicijnen en op de Sevenhuyzen mede rondlopende, sonder enige acte of patent.
Het patent was de vergunning die een handelaar, winkelier of ambachtsman sinds een jaar of wat moest hebben om zijn beroep te kunnen uitoefenen – er ging een belasting mee gepaard. Het andere stuk, de akte, sloeg op de officiële erkenning waarover een medisch dienstverlener moest beschikken. Juist in deze tijd werd er een forse stap gezet in de professionalisering van de medische stand, door een inventarisatie van alle medische beroepsbeoefenaren, waarbij gekeken werd naar hun diploma’s, bekwaamheden en ervaring. Toegelaten personen kregen zo’n akte. Tegelijkertijd keerden Geneeskundige Commissies zich fel tegen mensen die medische diensten leverden zonder dat ze over zo’n akte beschikten. Daarmee kreeg ook de strijd tegen de kwakzalverij een flinke impuls, en dat terwijl veel gangbare medische praktijken toch ook niet bepaald ‘evidence based’ waren – men denke alleen al aan het veelvuldige aderlaten.
Hoe dan ook, Pieter Scharenslijper werd voorlopig vastgezet en de drost stuurde de fiscaal (aanklager) op onderzoek uit. Een week later deed deze verslag van zijn bevindingen. Het was hem gebleken dat Pieter Scharenslijper, woonachtig te Surhuisterveen,
al zedert onderscheidene jaren binnen deze jurisdictie, meestal nabij de grensen van Friesland, heeft rondgesworven, en onder het voorwendsel van medicijnen voor paarden en beesten te verkopen, ook ondernomen heeft medicijnen voor menschen te praepareren en te verkopen, en wel bijsonder voor de sodanige menschen, van welke de siekte daaraan wierd toegeschreven dat zij behekst of betovert souden sijn, hoedanige menschen er ongelukkig in deze meer afgelegene contrainen uit hoofde van een aldaar voortdurend bijgeloof en onkunde nog worden gevonden…
Niet alleen bestond er in de meer afgelegen delen van het Westerkwartier nog een redelijk groot publiek voor de onttoveringsmiddeltjes van Pieter Scharenslijper, ook verhief hij
bij onderscheidene zodane zieken (…) op eene buitensporige wijze de waarde en wonderdoende kragten van zijne medicamenten ter genezing en wegneming ener gewaande betoverij.
Zo bedong de Feanster wonderdokter van “minvermogende en hoogst verlegen mensen” veel meer geld voor zijn “niets beduidende medicamenten” dan ze hoe dan ook waard konden zijn. Kortom, als monopolist gedroeg Scharenslijper zich net zo als de huidige farmaceutische industrie. De fiscaal bracht drie concrete voorbeelden van zo’n exorbitante vraagprijs te berde. Het eerste betrof een Berent Koster “op de Zevenhuijzen”,
welke gezegd wierdt betovert te zijn en van binnen bij zig te hebben een aalreiger, of slange.
Scharenslijper leverde de man twee drankjes, in totaal voor 13 gulden. Bij het tweede geval ging het om een kind van de roderoede (veldwachter) Jan Bakker uit Marum, “hetwelk mede wierd gehouden betoverd te zijn”. Het drankje dat Scharenslijper “ter genezing” van deze patiënt leverde, kostte de vader 4 gulden, een bedrag dat voor hem minstens een weekloon vertegenwoordigde. Het derde voorbeeld gold het kind van Tjebbe Jans en vrouw in Tolbert, dat “nu onlangs” voor betoverd werd gehouden, waarbij Scharenslijper “de verlegene ouders” voor 6,5 gulden een drank verkocht “met nog enige nietswaardige droge kruiden”.
Dit alles werd ook niet ontkend door Scharenslijper, zodat de drost hem schuldig achtte aan
het misdrijf van op eene listige wijze misbruik te maken van de onkunde en verlegenheid, om dezelven langs dezen weg onbehoorlijk hun dikwijls zeer duur verdiende gerede penningen uit handen te brengen, sowel als aan het veroorsaken van onenigheid en wantrouwen in de huisgezinnen en buurten, ter oorsake van de ingewikkelde beschuldigingen en gissingen welke doorgaans met sodane gewaande betoveringen en onttoverringen zijn verbonden.
Als er min of meer iemand werd aangewezen die voor de betovering verantwoordelijk zou zijn, dan kon dat forse sociale gevolgen voor zo iemand hebben, zeker in een bijgelovige omgeving. Als hij of zij daar niet boven stond, dan kon hij of zij naar de rechter stappen met de eis, dat de beschuldiging openlijk zou worden herroepen door degene die haar in de wereld hielp. Mogelijk had de drost daar in zijn civiele rechtspraak ervaring mee. In elk geval vond hij het voeden en misbruik maken van zulk bijgeloof een misdaad van dien aard,
dat ofschoon deselve kan worden begrepen gene absolute materie op te leveren voor een regelmatig crimineel proces, egter ten hoogsten de attentie der goede policie moet na sig trekken, ten einde ook aan de maatschappij van die kante de benodigde veijligheid te doen erlangen, temeer daar deselve is gepleegd door een persoon, welke volgens zijne eygene confessie reeds twee malen in het departement Friesland in regtshanden is geweest.
Hoewel dat meermalen opgepakt zijn van Scharenslijper nog niet betekende dat hij ook veroordeeld was, laat staan voor eenzelfde vergrijp, suggereerde de drost hier dat hij een recidivist was. In de drost zijn ogen mochten de termen voor een regelrechte strafzaak dan ontbreken, maar hij maakte wel korte metten met de wonderdokter, door hem bij akte te veroordelen tot teruggave aan de kopers van het geld dat zij hem voor de drankjes hadden betaald. Bovendien werd Scharenslijper voor acht dagen op water en brood gezet in de toren van Midwolde, waarna gerichtsbedienden hem over de grens van de jurisdictie Westerkwartier zouden zetten met de aanbeveling
om sig in het toekomstige buiten deselve te houden, bij poena van nadere dispositie.
Of Scharenslijper, die toen al 56 was, zich inderdaad nooit meer in het Westerkwartier gewaagd heeft, is de vraag. In elk geval lijkt hij voorlopig zijn werkterrein naar Drenthe te hebben verplaatst, want daar veroordeelde de Etstoel (hoogste rechtbank) hem op 6 december 1808 tot een levenslange verbanning uit Drenthe en het daarmee gecombineerde Overijssel. Als hij zich aan beide ontzeggingen hield, en al eerder ook in Friesland veroordeeld was wegens soortgelijke praktijken, dan zal dat alles zijn actieradius aanzienlijk hebben beperkt.
—
Bronnen:
- RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 611: criminalia 20 en 27 oktober 1808.
- Klaas R, Henstra, Duivelbanners en wonderdokters in de Wouden (Leeuwarden 2007) 83-84. Bron van de laatste was uiteindelijk een verhaal dat in 1985 in de rubriek ‘Noorder Rondblik’ (NvhN) heeft gestaan, en waarin ten onrechte sprake is van een veroordeling in, en verbanning uit Groningen, waar slechts het stuk uit het Westerkwartier bedoeld kan zijn.
Rondje Marum
Geplaatst op: 27 december 2018 Hoort bij: Westerkwartier 2 reactiesMickey en Minnie Mouse aan ’t snoetjeknovveln bij Oostwold:

Gezicht vanaf het viaduct bij Lettelbert:

Carbidschieters met anarchistisch palet, hoek Halbe Wiersmaweg bij Niebert::

Horizontale eik bij ’t Pad in Nuis:

Watergang haaks op de Zuiderhoekseweg, Marum:

Het gehucht Willemstad bij Marum heeft fonkelnieuwe plaatnaambordjes. Er zit nog geen vogelpoepje op:

Bouwproject bij de Jonkersvaart:

Paardenhoofd bij ’t Pad, Nuis:

Illegale verlotingen
Geplaatst op: 26 december 2018 Hoort bij: Hoogkerk, Westerkwartier 1 reactieIn de laatste week van februari 1804 werd “tot narigt van een ieder” een notificatie aangeslagen op alle gewezen rechthuizen van het Westerkwartier. Omdat het houden van verlotingen nogal eens uit de hand liep, kondigde de drost een reglementje af, dat een eind moest maken aan de “ongeregeltheeden”.
Het bestond uit vier artikelen. Samengevat kwamen die neer op het volgende. Voortaan werd er alleen nog maar toestemming voor een verloting gegeven, als die plaatsvond in een algemeen toegankelijke en bekende herberg. De uitbater daarvan mocht de verloting alleen laten plaatsvinden, als de organisator van de verloting een schriftelijke vergunning van het gerecht kon tonen. Naast het betalen van “consentgeld” aan het gerecht voor die vergunning, moest een organisator een vrij lot reserveren voor de plaatselijke diaconie. Dit mocht hij vervangen door iets anders, maar sowieso diende hij een bewijsstuk van de diaconale acceptatie te tonen bij zijn vergunningsaanvraag. Verder mocht een herberg bij een verloting niet langer open zijn dan normaal. De hoogste tijd van 10 uur bleef van kracht – dan ging de tap toe, en moest iedere gast wegwezen, op straffe van een boete van 3 gulden, die half voor de gerichtsbediende (wedman of roderoede) en half voor de plaatselijke diaconie was. De wedman of roderoede die het dichtste bij de herberg woonde, zag ook toe op het ordelijk verlopen van de verloting.
Het reglementje is bepaald geen dichtgetimmerd stuk, en roept verschillende vragen op. Eerder bestond blijkbaar de opvatting dat er niet om toestemming hoefde te worden gevraagd. Maar was die opvatting wel juist? In het oudere rekestboek van het Vredewold vond ik inderdaad geen verzoeken voor het toestaan van verlotingen, maar wat betekent dat dan: waren ze zonder meer vrij, of werden ze hier, anders dan in het Oldambt, helemaal niet toegestaan? Ook laat het reglementje ons in het ongewisse over de functionaris die de vergunning moest afgeven – was dat de drost in Zuidhorn, of de lokale wedman? Bovendien lijkt er wel een boete te staan op het na sluitingstijd aanwezig zijn in een herberg, maar niet op het houden van een illegale loterij. Kortom, juridisch viel er nogal wat af te dingen op het reglementje.
Mogelijk is het ook een paar maanden later geboekt, dan in de bedoeling lag. De vervolging van illegale verlotingen begint namelijk eind 1803 al. Dan geeft wedman Sytsma van Hoogkerk de drost kennis dat er op maandagavond 26 december, dus op Tweede Kerstdag, bij kastelein Christiaan Hubster door ene Derk Derks
loterij was gehouden, zonder dat daartoe enig consent van den Drost was gevraagd, veel weiniger verleend.
De vergunningverlener, zo blijkt uit deze aangifte, was dus duidelijk (nog) de drost. En die paste snelrecht toe. Zowel Hubster als Derks moest op woensdagochtend 4 januari in het rechthuis van Zuidhorn verschijnen,
teneinde aan de dezelve de welmening van dezen Gerichte te doen verstaan.
Beiden kregen bij die gelegenheid de overtreding van ’s lands wetten aangewreven – mogelijk bestond er dus ook nog nationale regelgeving. Beiden erkenden grif een loterij te hebben gehouden zonder dat ze daar toestemming voor hadden gevraagd, maar verzochten om clementie. Daartoe was de drost niet bereid. Kastelein Hubster kreeg een boete van 2 daalder en organisator Derks mocht volstaan met de helft, welke bedragen ze binnen binnen drie etmalen aan de diaconie van Hoogkerk moesten voldoen, anders dreigden forsere sancties. Binnen dezelfde tijd moesten ze de kwitanties van hun betalingen tonen aan de wedman van Hoogkerk.
Op dezelfde 26ste december 1803 waren er ook illegale verlotingen in Saaksum en in Marum. Die van Saaksum werd bij de drost aangebracht door wedman Abbring van Oldehove. Het betrof de tapper Meerten Sytses, die op 5 januari te Zuidhorn op het matje moest komen. Sytses bekende “zijne misdaad” en verzocht om “gratie en vergiffenis”, “uit hoofde dat uit onwetentheid gepecceert hadde en arm was”. Dat laatste wilde de drost wel geloven, want de boete bleek voor Sytses beduidend lager uit te vallen dan die voor zijn Hoogkerker collega. Hij moest binnen drie maal 24 uur 2 schellingen (12 stuivers) aan de diaconie van Saaksum voldoen en binnen hetzelfde tijdsbestek een kwitantie daarvan tonen aan de wedman die hem aanbracht. In Marum ging het om kastelein Hindrik Jans Bakker. Hij kreeg te maken met hetzelfde tarief als in Hoogkerk: een boete van 2 daalders, binnen 3 maal 24 uur te voldoen aan de diaconie van zijn kerspel, de kwitantie binnen diezelfde tijd te vertonen aan wedman Juursema van Leek, de kerel die hem waarschijnlijk ook had betrapt.
Twee daalder of drie gulden, dat kwam ongeveer neer op het weekloon van een arbeider. Zo’n bedrag hield men liever op zak. Toch kwamen er eind 1804 en eind 1805 nog steeds illegale verlotingen voor in het Westerkwartier en dan met name in het Vredewold, waar wedman Juursema in alle drie de gevallen weer de aanbrenger bleek. Blijkbaar was die wat fanatieker in de opsporing dan andere wedlieden. Eind 1804 ging het om Jacob Feringa en Martje Pieters Koster, die respectievelijk op 22 en 24 december loterijen zonder vergunning hielden in hun huizen te Tolbert. Elk kreeg weer een boete van 3 gulden voor de lokale armen. De betalingstermijn werd in hun geval verlengd tot acht dagen. Die termijn gold ook voor Alle Hindriks in Marum, die op 24 december 1805 te Marum betrapt werd. Hij erkende zijn fout, “dog dat niet hadde geweten hieraan quaad te doen”. Enige korting kreeg hij er niet om. De boete bleef 2 daalder, waarvan in dit geval de helft naar de diaconie ging en de andere helft naar de aanbrenger, dus wedman Juursema.
Wat in het oog loopt bij deze zaakjes, zijn ten eerste de data. De illegale verlotingen van 1803 vonden alle plaats op 26 december, dus Tweede Kerstdag. Bij die van 1804 en 1805 ging het in twee gevallen om 24 december en in één geval om 22 december. Dus steeds betrof het de donkere dagen rond kerstmis. In het Oldambt bleek de periode voor (legale) verlotingen wat meer uitgesmeerd. December spande hier ook wel de kroon, maar verder kwamen ze voor in het gehele winterhalfjaar. ’s Zomers waren er geen verlotingen, dan riep het werk.
Met uitzondering van de arme tapper uit Saaksum, moesten de op een illegale verloting betrapte herbergiers van het Westerkwartier 2 daalders of 3 gulden boete betalen. De bestemming van die boetes was steeds de plaatselijke diaconie. alleen in het laatste geval, dat van Marum, ging het geld half naar de diaconie en half naar de aanbrenger. Zo’n half-halfregeling bestond inderdaad allang voor de boetes wegens het na sluitingstijd nog in een herberg zitten, en zal voor de gerichtsbedienden een extra stimulans zijn geweest om af en toe poolshoogte te komen nemen in een herberg.
Wat er bij de verlotingen in het Westerkwartier te winnen viel, is helaas niet bekend – voor de drost deden de prijzen er immers niet toe, of het nu om een vette koe ging of om een luxe klok, een verloting zonder vergunning bleef even strafbaar. Alleen een briefje van het Plaatselijk Bestuur Aduard uit februari 1809 laat weten wat er toen bij kastelein Simon Joosten op het spel stond: enige doeken etc. Uit het briefje blijkt ook dat de drost qua loterijen op afstand was gezet – het is namelijk een kennisgeving. De drost mocht nog wel zorgen voor politioneel toezicht, maar de vergunning werd inmiddels verstrekt door het nieuwbakken gemeentebestuur.
—
Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (jurisdictie Westerkwartier), de inv.nrs.:
- 729: notificatie van 22 febr. 1804;
- 98: rekesten Vredewold;
- 610: criminalia 29 december 1803; 4, 5, 11 en 26 januari 1804; 14 en 23 januari 1805 en 15 januari 1806;
- 722: het briefje van het Plaatselijk Bestuur van Aduard d.d. 9 februari 1809.
Friezen willen oude Groninger dijk afslichten
Geplaatst op: 8 december 2018 Hoort bij: Geschiedenis, Westerkwartier 3 reacties
Bron: http://www.hisgis.nl
Medio juli 1806 leverden enkele Friese boeren uit de streek voorbij grensrivier de Lauwers een rekest in bij de drost van het Westerkwartier:
Geven met verschuldigde eerbied te kennen de ondergetekende landgebruikeren woonende onder den dorpe Buirum in Buirummerland,
hoe dat de Oude Dijk als tot eenen weg verstrekkende, loopende van de oostzijde van Visvliet naar Pieterzijl, van daar na de Hooge Dam en Leegte, weegens de smalte derzelver bij sommige tijden volstrekt niet bruikbaar [is] om met een rijtuig te passeeren en vooral in tijde wanneer de slooden bijlangs dezelve gegraaven of opgehaakt zijn, met de eene zijde de rijdtuigen meenigmaalen over en door de hoekselpollen moeten passeeren, en alzo in het uiterste gevaar om alle ogenblikken een ongeluk te zullen krijgen.
En daar nu deeze dijk of weg op eene zeer gemakkelijke wijze zoude kunnen worden verbeeterd, in dier voegen, dat dezelve zoverre wierde afgesligt dat de rijdtuigen malkanderen kunnen passeeren – gelijk reeds door het wijs besluit van Uw[el]E[del]gest[renge] met die van Nyzijl na Commerzijl deezen jaare is geschied – zoude deeze verbeetering niet voor ons alleen, maar zelfs in ’t algemeen voort alle die dezelve moeten passeeren van de grootste nuttigheid zijn –
De Oude Dijk tussen Visvliet en Pieterzijl waar het hier om gaat, heet tegenwoordig Pieterzijlsterweg, alleen is het tracé daarvan (deels) rechtgetrokken. Het vervolg voorbij Pieterzijl is de Brugstraat. De Leegte, op de grens met Friesland, bevindt zich halverwege Pieterzijl en Warfstermolen, terwijl de Hoge Dam daar de Lauwers afsloot.
Deze Oude Dijk was waarschijnlijk nog van een model, dat voor 1717 gangbaar was: vrij steil oplopend en relatief smal van onder en van boven. Vooral als de sloten aan weerszijden werden schoongemaakt en er uitgehaalde pollen waterplanten en slijk op het ongeplaveide karrespoor lagen, zorgde dat voor gevaarlijke hobbels op de weg. Vandaar dat de Friezen voor een bredere, beter begaanbare en minder gevaarlijke weg een stuk van de kruin van de dijk wilden afhalen. Of beter gezegd: laten afhalen, want Groningers moesten het werk doen! Hun verzoek kwam er namelijk op neer dat de eigenaars of gebruikers van de Oude Dijk – te weten Bote Teekes, Itte Jans,en Romke Klaassens, alle wonend onder Pieterzijl –
mogen worden gelast om de voornoemde dijk in dier voegen te verbeeteren dat dezelve op een behoorlijke wijze met rijdtuigen kan worden gebruikt ofwel in dier voegen als Uwe Wijsheid het zal goedvinden om te behooren.
Van de in totaal 13 ondertekenaren kwamen de eerste 3 uit Burummerland, waar het verzoekschrift ook geconcipieerd was, terwijl het zich laat aanzien dat de andere 10 uit Munnekezijl afkomstig waren.
De drost liet eerst de situatie onderzoeken, waarna hij een hoorzitting zou uitschrijven. Een verslag daarvan heb ik echter (nog) niet kunnen vinden. Misschien is de procedure bij de drost ook niet vervolgd, omdat de Oude Dijk niet direct onder diens competentie viel. De bewuste dijk stond immers onder toezicht van het Dijk- en Buurrecht van Visvliet en Pieterzijl. Of de bestuurders daarvan oren naar het plan hadden, is onzeker. Inderdaad was de al even steile dijk tussen Niezijl en Kommerzijl in 1806 afgetopt om de bovenkant breder en beter begaanbaar te maken voor rijtuigen, en dat na een soortgelijk verzoekschrift aan de drost van het Westerkwartier, maar daar kunnen weer andere omstandigheden hebben bestaan dan in Pieterzijl. Het is dus niet gezegd dat het voorbeeld werd gevolgd. Overigens waren volgens het kadaster van ca. 1830 (waarop ‘t bovenstaand kaartje is gebaseerd) hele repen op de flanken van deze dijk in gebruik als tuin, maar ook dat zegt nog niets, lijkt me, over een eventuele afslichting vanwege het rekest in 1806.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (jurisdictie Westerkwartier) inv.nr. 726: rekestboek, 17 juli 1806.
Rondje Leekstermeer
Geplaatst op: 18 november 2018 Hoort bij: Drenthe, Westerkwartier 5 reactiesBij de Bruilweering, uiteind Stadspark:

Bij Sandebuur stond een heel stel vogelaars bij auto’s te koekeloeren. In de verte ging boven de Stobbevenne steeds een drom ganzen op de wieken:

Dit paard vond het ook wel een interessant schouwspel:

Tussen Leutingewolde en het Leekstermeer opnieuw een enorm aantal ganzen:

Bij de Meerweg onder Nietap (ooit de Hooilandscheweg, leerde ik vandaag). De boom was uitvalsbasis voor een stel roodborstjes:

Oprijlaan in het buurtschapje Emmerik:

Gezicht op de Stad vanaf het Lettelberterdiep:

Koe, grazend bij wilg, Lettelbert (waar trouwens een vrouw bezig was met het maaien van haar gazon)::


Recente reacties