Door het Noord-Drents arcadia

Grazige weiden bij Foxwolde:
DSC08274
Nieuwe schuur in aanbouw, het gebruikmaking van oude stenen, Weehorsterweg Roden:
DSC08285
Ponyveulen op de Weehorst:
DSC08299
Akkerrand tussen Lieveren en Langelo:
DSC08304
Weidebeekjuffer bij het Oostervoortsche Diep, waar er nogal wat zaten:
DSC08348
Ook daar – deze gehoornde Hooglander:
DSC08353
Akkerrand voorbij Langelo:
DSC08357
Bij Langelo – een hooiland afspeurende ooievaar:
DSC08358
Bloeiend aardappelland tussen Altena en Peest:
DSC08368
Spinneweb met spinnetje boven Larixbloem:
DSC08372
Schaapskooi in Peest:
DSC08377
Oud straatje van veldkeien tussen Peest en Donderen:
DSC08389
Bloeiende berenklauw, van onderen:
DSC08397
Voetpad scheidt aardappelvelden tussen Donderen en Bunne:
DSC08405
Bij Bunne – compositie met afgedankt melkstation en dito boerenhekken:
DSC08415
Dorpsgezicht, Winde:
DSC08417
Vervallende schuur, noordkant Winde:
DSC08419
Graanveld bij Peize:
DSC08422
Langs de Drentsedijk veel wederikken:
DSC08428
En paapjes, elders zeldzaam maar in dit deel van de Onlanden niet:
DSC08430
Relaxende koeien:
DSC08440
Opvliegende gaai:
DSC08449
Hek, alles aan de Drentsedijk:
DSC08451
Aan de Zanddijk bij de Onlanderij een haas in de klaver:
DSC08496


Populistentokkies en het kiesrecht

Een tijdje geleden had ik een discussie met iemand die vond dat je eerst maar eens toelatingsexamen moest doen om het stemrecht te verdienen. Aangezien de met hun onderbuiken stemmende populistentokkies te dom zijn om voor de duvel te dansen, ruimde dat mooi op.

Hoewel ik vind dat democratie verantwoordelijkheidsbesef en kennis van zaken veronderstelt, denk ik dat dit middel, hoe aantrekkelijk ook op het eerste gezicht, erger is dan de kwaal. Een stemmende onderklasse is me liever dan plunderend grauw.


Zoel schemerrondje Leegkerk

Stille wateren bij de suikerfabriek:
DSC08225
Twee paar elkaar ‘vlooiende’ of besnuffelende paarden aan de Aduarderdiepsterweg:
DSC08230
Blaarkopkalf met grazende tantes:
DSC08235
Ook een haas vindt paarden interessant:
DSC08243


Rondje Wolfsbarge – Zuidlaren

Europapark – kolenmuur met VOC-graffiti en doorkijkje naar nieuwbouw:
DSC08153
Kinepolis, Europapark:
DSC08154
Vlakbij het spoorwegmuseum van wijlen Riekje Buivenga in Waterhuizen stond deze:
DSC08158

Dacht even dat de verzameling nog weer uitgebreid was, tot ik me realiseerde dat er vandaag wegens onderhoud geen treinen reden tussen de stad en Nieuweschans. Dat onderhoud vond hier dus plaats, op de plek waar de shortcut van de lijn bij Haren uitkomt op de lijn naar Oost-Groningen.

Westerbroekstermadepolder – Hooglander krabt zich, het voedsel groeit ze hier boven het hoofd:
DSC08166
Dan, toch een trein, van RailPro – dat zal dan wel het zusje zijn van het ProRail dat het onderhoud uitvoert:
DSC08172
Station Kropswolde;
DSC08173
Molen en veenboerderij, Kropswolde:
DSC08175
Kraai op windvaan in Wolfsbarge:
DSC08177
Staat te koop, maar moest nog wel het een en ander aan gebeuren –  een Ford Y Saloon uit 1932:
DSC08181
Molen de Wachter met entourage, Zuidlaren:
DSC08186
Vrouwtjesmerel in Haren:
DSC08203
Haas en ganzen bij ’t Hegepad onder Hoogkerk:
DSC08213


Blije boom

DSC08103

(In het Stadspark.)


‘Het getal misdrijven is dan ook zeer gering’

“Van de stedelijke policie te Groningen mag met lof gewag gemaakt worden. Aan het hoofd van dezelve zijn twee commissarissen geplaatst; zij bestaat overigens uit 3 agenten van de eerste, 6 van de tweede, 6 van de derde, 54 van de vierde en 12 van de vijfde klasse. Volgens het rapport daaromtrent op het einde van het jaar 1850, door den eersten commissaris van policie gedaan, beijvert het personeel dier policie zich meer en meer om aan deszelfs roeping te voldoen. Het getal misdrijven, binnen deze stad gepleegd wordende, is dan ook zeer gering, hetgeen voor een goed deel aan de waakzaamheid der policie mag worden toegeschreven.

De toestand der policie in de gemeenten ten plattenlande mag niet voldoende genoemd worden. In de meeste gemeenten wordt dezelve onder de leiding van het hoofd des bestuurs (= de Burgemeester, HP) uitgeoefend door slechts eenen enkelen veldwachter. In sommige gemeenten als Appingedam, Bedum, Beerta, Delfzijl, Nieuwe Pekela, Termunten, Uithuizermeeden, Veendam, Vlagtwedde, Winschoten en ’t Zand zijn twee veldwachters aanwezig en in de gemeenten Hoogezand, Scheemda, Slochteren en Wildervank bevinden zich 3 veldwachters. De ontoereikendheid dezer policie wordt door vele plaatselijke besturen erkend, doch omstandigheden van financiëlen aard staan veeltijds eene gewenschte uitbreiding daarvan in den weg.”

Bron: Verslag toestand provincie over 1850, hoofdstuk Openbare veiligheid, in: Groninger Courant 29 juli 1851.

Commentaar: Met een corpssterkte van 83 manschappen in de stad met zijn 33.643 inwoners (volgens de Volkstelling van 1849), was er in de stad op elke 405 inwoners 1 politieman. Op het platteland moet die verdeling inderdaad heel wat dunner geweest zijn. Hier hadden bijna alleen stedelijke kernen (Appingedam, Winschoten), de grotere Veenkoloniën (Hoogezand, Veendam-Wildervank, Nieuwe Pekela) en akkerbouwgemeenten met enerzijds een rijke elite en anderzijds een grote arbeidersbevolking (Uithuizermeeden, Scheemda, Beerta) een meerkoppige politiemacht.


Onlander uitstapjes

Na de bui bleef er te weinig middag over voor een lange fietstocht, maar de Onlanden liggen dichtbij.

Lichtend pad:
DSC08068
Vrij veel gele plompen op een beperkt oppervlak:
DSC08077
Eindelijk eens de hoogzit uitproberen:
DSC08080 was 98
Uitzicht naar het zuiden:
DSC08089
Uitzicht richting Peize, met aalscholvers in de kale boom en kokmeeuwen:
DSC08092
Kokmeeuwen hebben hier een kolonie zoals er vroeger ook een op de heide bij Havelte was. Hier zit een aantal in een streep – misschien een oude landweg of zo, die iets hoger en droger ligt:
DSC08095
De hoogzit is een degelijk stuk werk, maar deze sport  lijkt me niet echt duurzaam:
DSC08097
Vanavond nog even in een ander stuk van De Onlanden geweest. Bloeiende grassen:
DSC08116
Een oude landweg naar Matsloot:
DSC08117
Er kwam een kokmeeuw voorbij:
DSC08132
Gele plomp van boven:
DSC08134
Verfomfaaid fuutje in het laatste avondlicht:
DSC08136


Rondje Vries

Doorkijkje bij Peizermade:
DSC07957
Peizer kalf heeft dorst (erachter staat een watertank die de kuip voedt via de buis):
DSC07970
Zijn lijdzame moeder, met haar markante kop:
DSC07974
Rietdekkers bij Bunne:
DSC07986
Lapjeskat in het weiland er tegenover:
DSC07987
Ravitailleringsmomentje in Donderen:
DSC07992
Berm tussen Donderen en Vries:
DSC07995
Vlakbij Vries – een met o.a. wederik dichtgegroeide sloot:
DSC08004
De tinten groen van een korenveld bij Vries:
DSC08006
‘Luistervink’ bij de Vriezerbrug:
DSC08010
In de buurt van Tynaarloo – restanten van een schuur:
DSC08019
Op een nogal verlaten plek, aan de Osbroekweg, daar waar de N34 het spoor kruist, kwam opeens de sigaarfietsersclub de bocht om zeilen:
DSC08020
Eindje verder aan de bosrand deze welig bloeiende kamperfoelie:
DSC08023
Rand Noordlaarderbos bij De Poll – de eerste druppen lieten niet lang op zich wachten, pas bij Glimmen kwam de hoosbui los:
DSC08035
Vliegveld Eelde:
DSC08044
Gezellige boel op het ooievaarsnest bij De Braak, Eelde:
DSC08045


Broeiend hooi op Westpoort

Aan de Londenweg, op het industrieterrein Westpoort bij Hoogkerk, deponeert de gemeente Groningen telkens rollen en stapels bermhooi. Laatst, toen het nog mooi weer was, geurden die enorm, reden om er gisteravond nog eens langs te gaan. Met alle nattigheid van de afgelopen dagen is de geur echter verdwenen. De stapels zijn nu gaan broeien. Gisteravond gaf dat een ietwat mysterieus effect:


Onlander avondrondje

DSC07905

DSC07906

DSC07920

DSC07921

DSC07925

DSC07929

DSC07931

DSC07935

DSC07937

DSC07942

DSC07948

DSC07955


Een verlaten sterkte in een kale, maar vette landouw. Nieuweschans en Nieuw-Beerta, 1857

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

De sjoel van Nieuweschans (links) in 2008.

De Provinciale Drentsche en Asser Courant bevatte in 1857 een reisbeschrijving van iemand die vanuit Oost-Friesland komende, het Oldambt aandeed.  Mogelijk was dit een Drents familielid van de predikant van Nieuweschans, want dat is de eerst aangewezen kandidaat voor de gastheer, bij wie de auteur een nacht logeert. Diens beschrijving

“’t Was omstreeks twee uren toen wij de Nieuwe Schans naderden en ons, bij den aanblik op hare wallen en op het roode boveneind van eene ophaalbrug, in gedachten in Rudolfs veste, het oude Coevorden, verplaatsten. Een levend wezen bewoog zich op den wal, waar vroeger zoo menigeen gewapend in het harnas stond , maar wellicht had nooit een der zonen van Mars, hoe verheven zijne roeping ook was, met zooveel genoegen op een naderend voorwerp getuurd, dan hij, die op dit oogenblik zijn oog vestigde op de diligence van Leer naar Groningen. Vóór de ophaalbrug, die den toegang tot de Nieuwe Schans opent, werd ons volgens oud, wij zeggen met goed, maar toch noodzakelijk gebruik, door een Nederlandsch ambtenaar ernstig gevraagd, of wij ook voorwerpen In ons gevolg hadden, der financiële attentie van moeder de schatkist waardig, en met al de kalmte der ziel, alleen het eigendom van hem, die rein is van den toeleg van sluikerij , stonden wij voor het aangezigt van den visiterenden Nederlander en antwoordden: “Neen, Mijnheer!”

Nadat deze ambtenaar zijn pligt had gedaan, reikten wij verheugd de hand toe aan hem, die uit vriendschap ’s Rijks wallen had beklauterd en wien het reeds goed was geweest dat hij in de verte het voertuig had mogen zien, uit welks holte een tweetal zou afdalen dat een welkom! hartelijk welkom! wachtte in zijn huis. Na groet en wedergroet stapten wij met ons drieën de Nieuwe Schans binnen, en weinige oogenblikken later zat in het stadje een viertal (waaronder de dame, wier geleider ik tot hiertoe was en de vrouw des huizes) zóó gelukkig te keuvelen, als dit alleen mogelijk is waar liefde en vriendschap zamenwonen.

Toen het middagmaal, gekruid door ernst en luim over oud en nieuw, over naaste en verre bloedverwanten, over vrienden in de nabijheid en in de verte, over geringe en meer belangrijke zaken was geëindigd, deden wij met onzen gastheer eene wandeling in en om de Nieuwe Schans, terwijl de dames een vertrouwelijk tête a tête hielden en de huisvrouw de genoegelijke zorg op zich had genomen om de beide wandelaars een smakelijk kopje thee te bereiden. Nieuwe Schans, eene verlatene sterkte, maar toch in al zijne geringheid niet in zoo desolaten toestand als Coevorden, is een zeer klein plaatsje. (…) Wij waren verrast door de entree in de Nieuwe Schans , wetende, dat menige roode poort, als een oven gefatsoeneerd, weinig bekoorlijks voorspelt. En hier – wij bevonden ons niet in eene akelige naauwe straat (…) maar eene ruime vlakte met boomen beplant, waar men met genoegen de frissche lucht inademt en de dorpsjeugd vrolijk spelende rond dartelt. Onder de openbare gebouwen mag het kerkje zich wel laten zien en zou zelfs het torentje, als het een helderder uiterlijk bekwam en eene wijzerplaat wier cijfers te lezen waren, aan het geheel voegen. (…) Het penseel en de kwast van den dorpsschilder zou hier dus in één dag veel tot verfraaijing en tot gemak tevens van den poorter en van den vreemde kunnen aanbrengen. “Van den vreemde?”, vraagt gij welligt eenigzins verwonderd. Ja lezers! van den vreemde, want de Nieuwe Schans ziet welligt door zijne middellijn meer rijtuigen en chaissen passeeren, dan vele der aanzienlijkste dorpen van Nederland, en op Pinksteren bijvoorbeeld, moet het er zoo druk fijn, als op den weg van ‘s Gravenhage naar Schev[en]ingen. (…)

Buiten de Nieuwe Schans is het gras-, niets dan gras- en bouwland en, helaas! weinig geboomte, en waarom? Had dan nooit een Nieuw Schansser of die om de oude veste wonen lust om te leven en zich te bewegen onder het groene loof van welig geboomte? Wel zeker, en dit toonden de bewoners van het plaatsje zelf door hun groen gewelfde binnenplein, maar de Mammon, de lijfarts der tegenwoordige Maatschappij, ontzegt den landman dit genot en geeft hem weliger wasdom van het in die vette oorden zoo gebenedijde koolzaad, in ruil. Dit zooveel welvaart aanbrengend product der akkers, ’t welk in den bloeitijd eene zee van golvend goud vertoont, wil de opene lucht. En wat het zwaarste is moet het zwaarste wegen! (…)

Wij keerden na eene korte wandeling, waarop wij in ’t verschiet eene scheepstimmerwerf ontmoetten, naar de Nieuwe Schans terug, dat wij voor gezien hielden zonder een bezoek te hebben gebragt aan de Synagoge, vergastten ons aan een smakelijk kopje thee, bragten onder levendige kout den avond door die voor ons even vlugtig en wel zoo genoegelijk als in Frascatie te Amsterdam of in de opera te ’s Gravenhage, heenvloog, sliepen, terwijl de volmaaktste rust om ons heerschte, tot klokke acht, orberden met de huisgenooten en al de gezonde Nieuwe Schanssers een smakelijk ontbijt, vergastten ons des middags aan een viertal, gedurende hun kortstondig leven wèlgevoedde en onder het zorgvolle bestuur van onze gastvrouw ook wèlgebraden Nieuwe Schansser haantjes, dronken te zamen een goed glas wijn, klonken te zamen een hartelijk: “Tot wederzien” en te 3 uur zaten wij, na groet en wedergroet gewisseld te hebben, in de diligence op Groningen.

Wij zagen op den hoogen dijk nog ééns om naar het vriendelijk plaatsje en naar onzen gastheer en zijne wederhelft en naar de dame, die wij tot binnen de groene wallen der sterkte hadden begeleid en daar eenigen tijd eene gevierde logé zou zijn. Nog even meenden wij in het verre luchtruim een witten afscheid-wuivenden zakdoek te zien en toen daalden wij af in den polder, waardoor een goede kunstweg naar het nieuwe Groninger Kanaän, Nieuw Beerta, liep. ’t Is eene kale, maar vette landsdouw, die het dorp omgeeft waar de Groninger Nabobs wonen, in huizen, die elkanderen – eigenlijk wèl een weinig vervelend voor het oog des reizigers – gelijken als het eene ei op het andere. Naast den voerman op den bok gezeten, konden wij de buitenplaatsjes of “burgten” (…) op ons gemak beschouwen. Elk huis heeft drie uitstekken , waarvan het eerste het smalst en de trots is der bewoners. Daar bevindt zich de pronkkamer met staatsiegordijnen en vloerkleeden, prachtige meubels, piano, porceleinkastje, lustres en wat de steedsche weelde al meer eischt. Achter dit heiligdom, dat alleen verwarmd wordt door de zon – wijl de schoorsteen daarboven is digtgemetseld en ook des winters (indien men ons goed onderrigtte) in strikte non-activiteit wordt gehouden – kijkt het middenste gedeelte van den burgt, het eigenlijke woonhuis van het gezin, ter wederzijden met één raam, [uit] op den openbaren weg, en daarachter treedt het derde uitstek of de stal en schuur, die zeer lang en van een monsterdak voorzien is, waaronder de schatten zijn opgetascht die ’t zomerzweet beloonen (rijkelijk zouden kunnen beloonen, ook aan hen, die de meeste druppels lieten vallen, maar het niet doen) forsch tevoorschijn. Elk huis heeft om zich een grooten tuin met Engelsch werk, prieeltjes, vijvertjes, enz. enz. en daarin zagen wij hier en daar een heerschap stappen, dien men het – ons dacht het althans zoo – kon aanzien dat hij het ééns was met den kiezer-poëet in Anno 1848, die op zijn biljet schreef:

“48 is een belangrijk jaar;
1648 verdreef men den Spanjaar;
1748 kwam de Boer tegen den Heer in verzet;
en 1848 stelt de Boer den Heer de Wet.
Dus (hier behoorde eigenlijk ingevuld te zijn: Dus stem ik op)
ZIJLKER, Boer in de N.-Beerta.”

Bron: Het vijfde en zesde vervolg van ‘Reisverhaal van Assen naar ’s Gravenhage. In den trant van den Drentschen Assessor met zijne beide neven op reis naar Amsterdam’, Provinciale Drentsche en Asser Courant 3 en 7 november 1857.


Hij mag er niet in…

Staffordshire terriër mag het kattencafé niet in en doet daarom blaffend zijn beklag:

DSC07894

 


Medaille kwam te laat voor mensenredder

“Den 5den Junij van het vorige jaar viel in het diep te Beerta een kind in het water. Een groot aantal menschen stroomde toe, doch niemand beproefde hetzelve te redden; reeds zinkt het; een oogenblik nog en het is te laat; doch de redder is nabij. Evert Harms Boog, een bejaard man, ziet uit zijn huis den oploop van volk, en hoewel bezweet, loopt hij derwaarts en springt met den uitroep: wilt gij dat kind laten verdrinken? in het vrij diepe water. Hij vat het en houdt het zooveel mogelijk boven water; maar niet kunnende zwemmen, kan hij zijne buit niet naar den wal brengen en zonder de hulp van eenen haak die op zijn bevel werd gehaald, zouden beide verdronken zijn. Vanwege het depart[ement] Beerta der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen werd aan den edelmoedigen redder vroeger eenige belooning uitgereikt. Eergisteren werd voor hem vanwege het Hoofdbestuur de zilveren medaille toegezonden; maar te laat, reeds meer dan twee maanden rust hij, waarschijnlijk als het slagtoffer zijner menschlievendheid, in het graf.”

Bron: Groninger Courant 18 mei 1856.

Commentaar: Het vrij diepe water moet het Beertsterdiep geweest zijn. De dagloner Evert Harms Boog zouden we tegenwoordig geen bejaard man meer noemen. Hij was bij zijn overlijden 56 jaar oud, deze oom van mijn betovergrootmoeder Geeske Boog.


Paardenshow bij Matsloot

Vanuit mijn ooghoek zag ik een groepje paarden bij Matsloot rare capriolen uithalen. Natuurlijk hielden ze zich weer stil toen ze de vreemdeling gewaar werden:
DSC07843
Ik voelde me bijna een paardenfluisteraar, want nadat ik afstapte bij hun weiland kwamen ze meteen naar me toe:
DSC07844
Dichterbij namen ze wel enige omzichtigheid in acht:
DSC07845
Na het opnemen van de vreemdeling kregen ze opnieuw de kolder in de kop:
DSC07849
Wat op een stoffig deel van het terrein een mooi effect gaf:
DSC07851
Alle vijf bij elkaar:
DSC07854
Bokkesprong:
DSC07855
Op de plaats rust:
DSC07856


Een paar minuten merelzang

In het bosje op de driesprong Hooiweg – Matsloot – Sandebuur zat vanavond een talentvolle merel. Reden om er een paar minuten te blijven staan, met de camera op de filmstand.