Rondje Peize – Roderwolde
Geplaatst op: 31 maart 2021 Hoort bij: Drenthe Een reactie plaatsenDe Onlander Cascade werkt weer:

Oostkant Peize:

Bosanemonen galore:

De drie Gezusters, Achterstewold Peize:

Er zit altijd een wat meer ondernemend type bij:

Verkrottende boerderij, westkant Sandebuur:

Verzameling kabelspoelen, Westpoort:

Brouwerijvoorraden leveren kluinrecept op
Geplaatst op: 28 maart 2021 Hoort bij: Stad toen 1 reactieAls op 10 oktober 1722 de Groninger brouwer, olderman der brouwers en hopman van de Groninger burgerwacht Gerlof van Suirenhuisen overlijdt, laat hij onder meer zijn brouwerij met ketels en kuipen in de Brugstraat zuidzijde na. Eerst wordt dit bedrijf voortgezet door zijn tweede vrouw, de uit Utrecht afkomstige Agnes Gaillard (of Galjaard). De weduwe krijgt het er nog druk mee, want getuige de aandelen in huizen en panden en diverse schuldbrieven leverde de brouwerij kluinbier aan herbergen en tapperijen in onder meer Vierverlaten, Enumatil, Leek, Tolbert en Marum, dus in het gehele Vredewold, maar ook in de stad en in Baflo. Mogelijk dat een kortingsregeling in de vorm van “geschenken” of “vereeringen” de afzet van de brouwerij vergrootte. Zo’n regeling wordt namelijk een paar keer genoemd in de zeer uitgebreide boedelinventaris, die er van Gerlofs van Suirenhuisens nalatenschap opgemaakt is.
Onder meer bevat deze boedelinventaris twee voorraadstaatjes van kluin in de kelder en ingrediënten op zolder. Het oudste staatje, dat evenwel later in het stuk verschijnt, dateert waarschijnlijk van 28 januari 1723:

Terwijl het jongste staatje op 30 maart 1724 is opgemaakt:

In het ene geval lagen er 15 tonnen kluin (à 155) liter in de kelder aan de Brugstraat, terwijl het ruim een jaar later 19 tonnen waren. Van lichter stuiversbier is geen sprake. Ook zijn de mout- en hopvoorraden in tweede instantie veel groter. Het zijn maar momentopnamen, natuurlijk – hooguit zou je met een slag om de arm kunnen zeggen dat de zaak er onder het bestier van de weduwe Van Suirenhuisen-Gaillard niet op achteruit ging. Ook uit de gezolderde ingrediënten kan je eigenlijk geen ontwikkeling opmaken. Het gaat me dan ook niet om de verschillen tussen beide staatjes, maar om een overeenkomst:
| Jaar | Hop | Gerstemolt | Havermolt | Molt beide | Perc. haver |
| 1723 | 1,5 mud | 414,5 mud | 26,5 mud | 441 mud | 6,0 % |
| 1724 | 16 mud | 630 mud | 61 mud | 691 mud | 8,8 % |
Zoals we weten, ging er een flinke dot haver in de kluin, dat roemruchte want uiterst lekkere Groninger bier, maar is onbekend hoeveel haver dat was in verhouding tot de gerst. Bij beide voorraadopnames in de brouwerij aan de Brugstraat was de hoeveelheid havermolt echter minder dan 10 % van alle mout samen (zie laatste kolom), veel minder dan de 40 % die wel eens genoemd wordt. Op basis van deze cijfers zou je zeggen dat je als kluinbrouwer met één deel havermolt op negen of tien delen gerstemolt al aan de ruime kant zit. Vanaf die verhouding zou je de hoeveelheid haver in je kluin wellicht nog wat omlaag kunnen brengen voor de juiste historische smaaksensatie.
Uiteraard gaat het maar om één enkele brouwerij, maar met de voorraadstaatjes van andere brouwers uit het archief van de Weeskamer is de receptuur wellicht nog wat te verfijnen.
—
Bron: Groninger Archieven, Tg. 1462 (archief Weeskamer) inv.nr. 14 (boedelinventarissen) 1724-22a (scans 527 e.v., met name 561 (1724) en 585 (1723).
De barre grond van Roden
Geplaatst op: 26 maart 2021 Hoort bij: Drenthe vrogger Een reactie plaatsen
Notitie uit 1745 van de beëdigde landmeter W. Atlas uit Roden, dat het bouwland in Roden, Leutingewolde en Steenbergen niet altijd als volwaardig te beschouwen viel, omdat veel akkers maar een jaar of drie bebouwing verdroegen. Na die drie jaren moesten ze een jaar of vijf braak liggen en kon er hooguit wat vee worden geweid. Na afloop van deze cyclus was het land soms na twee jaar alweer met heide begroeid. Daarom diende er volgens hem ook een kortingsregeling te komen bij de heffing van de grondschatting.
De notitie zegt alles over het mesttekort, destijds, toen er nog geen kunstmest was, laat staan een stikstofprobleem.
—
Bron: Drents Archief, Toegang 1, inv.nr. 858.23 folio (en scan) 50.
De Toutenborg, herberg van Terheijl
Geplaatst op: 23 maart 2021 Hoort bij: Drenthe vrogger 5 reacties
Jammer dat sommige huisnamen alleen op kaarten en in archivalia te zien zijn en niet op of bij het pand zelf. Dit vrij onopvallende pand op de grens van Nietap en Roden heet bijvoorbeeld Toutenborg.
Het staat in het verlengde van de Toutenburgsingel, maar het is daar niet naar genoemd. Net als de singel ontleende het huis zijn naam aan de Toutenburg in Vollenhove, de woonplaats van de heer en mevrouw De Lille-Van Dedem voordat zij het in 1789 het geheel opgeknapte Huis Terheijl betrokken. Zij lieten de Toutenburgsingel aanleggen en moeten de Toutenborg hier destijds ook hebben neergezet. Het pand kreeg de functie van herberg.
In het Terheijlster Staatboek van 1806 wordt het zo beschreven:
Een herberg genaamd Toutenborg, gelegen tusschen de Nietap en Roden, bestaande in een behuizinge, schuur en stallingen voor eenige paarden, benevens de grond achter hetselve en aan de noordzijde is gelegen, midsgaders de bouwacker in de bos ten oosten en de weijderij in ’t Zulterveld, verhuurd in losse huure aan Hind[rik] Caspers jaarlijks voor ƒ 70,-…
Hindrik Caspers was nog tot mei 1814 de uitbater, steeds voor dezelfde huur. Dat bedrag vormde een bescheiden pachtsom, in aanmerking genomen dat herbergen in de stad Groningen meestal 100 à 200 gulden aan huur per jaar deden. Waarschijnlijk was de Toutenborg, zoals gebruikelijk op het platteland, ook meer een boerderij dan een herberg. Aan de noordkant werd er tot aan de Turfweg rogge en haver verbouwd op de zogenaamde Dobber-es en -kampen, verder had Hindrik nog de beschikking over bouwland dat ingeklemd lag tussen percelen van het Noordholt. Op een strook groenland tussen zijn huis en het Noordholt zullen wat melkkoeien hebben gelopen. Aan de andere kant van de weg lag de Zulterheide waarop zijn schapen graasden.
In 1806 waren dat zelfs merinoschapen, die bij opbod verkocht werden aan “liefhebbers van de schapeteelt en de wolverfijning”. Maar veel belangrijker waren de houtveilingen in herberg de Toutenborg, met name in 1810 en 1811. In het eerste jaar ging het in november om “eene aanzienlijke kwantiteit eiken stamboomen, waaronder geschikt voor molenmakers, wagenmakers en scheepstimmerlieden”. Daarnaast betrof het percelen schilhout in de bossen en op de boerenplaatsen van Terheijl. In het voorjaar van 1811 kwam bovendien dennen-, elzen- en berkenhout onder de hamer, dat reeds gekapt klaarlag op de “cingels en plantagiën” van Huize Terheijl. Ook later dat jaar werden weer enorme partijen hout verkocht, het moet er een aanzienlijke kaalslag zijn geweest. En steeds was kastelein Hindrik Caspers van de Toutenborg de man die je alles kon aanwijzen, als je gading op wat hout maakte.
Ommetje suikerfabriek
Geplaatst op: 21 maart 2021 Hoort bij: Stad nu 3 reactiesEigenlijk lag iets anders in de bedoeling, maar het was me iets te grijs, fris en winderig. Het daarom maar eens dichtbij gehouden.
“Ongeluckige schoott” eist leven bij klootschieterij te Roderwolde
Geplaatst op: 21 maart 2021 Hoort bij: Drenthe vrogger Een reactie plaatsenBij een opgraving of een zoektocht met een metaaldetector komt er nog wel eens eentje uit de bodem tevoorschijn: het skelet van een klootschietbal, dat wil zeggen een meervoudig kruisvormig stuk lood, dat ooit via gaten ingegoten was in een verder mooie ronde, maar spoorloos verdwenen houten bal die men bij het klootschieten gebruikte.
Slechts één keer komt dat spel ter sprake in de lottingsregisters van de Etstoel, maar dat ene geval maakt wel duidelijk hoe gevaarlijk zo’n bal kon zijn.
Gabbe Jacobs, een jonge boer “wonend op het Zandebuijr”, zou die Petridag (22 februari) 1676 van zijn levensdagen niet vergeten. Op zo’n St-Petri ad Cathedram liepen nogal wat huurcontracten voor los land af en ging er ook meer geld om dan anders. In het kerspel Roderwolde, waaronder Sandebuur viel, was Jan Ottens, de knecht van kapitein Van Echten op bezoek om wat paarden te verkopen. Zowel Gabbe als Jan deden mee aan een pot klootschieten. Tijdens die partij schoot Gabbe uit met de bal zodat Jan door hem
“ongeluckig an hett hooft is geraeckt en naerdatt deselve noch een geruijme tijdt mede hadde gespeelt, sijn Heeren peerden an koopluijden gepresenteert, flaeuw wordende, waer komen te overlijden sonder datt hij remonstrant (= Gabbe) oijt de minste quaestie mett de overledene hadde gehadt, off miening om hem te quetsen, veel weijniger te dooden, gelijck alles en sijnen vullencomen onnoselheijt uijtt de informatiën door ordre van den heer Drost genomen, genoegsaem soude consteren, alsmede uijtt de verklaringe van den D[octo]r[e]n en Chirurgijns, die hett doode lichaem hebben gevisiteert, dat de voorschr[even] Jan Ottens niet soo seer an dese ongeluckige schoott, als well van voorige onpasselijckheden sij overleden…”
Gabbe was dus onhandig geweest, erg onhandig. Hij had Jan helemaal niet willen raken, laat staan doden. Maar Jan deed daarna nog een hele poos mee aan het spel en bood zelfs zijn paarden te koop aan bij handelaars. Daarna zakte hij weg en stierf. Uit de verklaringen die de drost naderhand ter plaatse liet opnemen, bleek ook wel dat er geen opzet in het spel was, terwijl de lijkschouwing uitwees dat Jan al langer niet zo gezond was geweest.
Gabbe vroeg daarom of het gerecht hem vrij wilde laten met kwijtschelding van de gerechtelijke- en andere onkosten. Inderdaad willigde de Etstoel dat verzoek in – deze Drentse rechtbank sprak Gabbe zonder criminele strafoplegging vrij van alle aantijgingen. Wel moest Gabbe de kosten van zijn verzoekschrift betalen en de kosten van zijn detentie na de eerste drie dagen. Blijkbaar vond de Etstoel dat Gabbe zijn onvoorzichtigheid nog wel in zijn beurs mocht voelen. Het kerspel Roderwolde zou de eerste drie dagen moeten betalen, terwijl de Etstoel verder besloot dat de lijkschouwing en alles wat in deze zaak op last van de drost was geschied, “tott lastt van hett landt” zou komen.
—
Bron: Archief Etstoel, inv.nr. 14, deel 22, folio 407, 6 juni 1676.
Tel de knopen! Of: een dure broek te Wapserveen
Geplaatst op: 17 maart 2021 Hoort bij: Drenthe vrogger, Uncategorized Een reactie plaatsenDe weesjongen Jan Hessels uit Wittelte en de mulder Jan Jacobs van Wapserveen troffen elkaar in het najaar van 1692 op een begrafenis in de laatste plaats. En zoals wel vaker bij een uitvaart – ze maakten daar plezier met zijn beiden. De mulder bewonderde quasi de broek van de weesjongen, die het zelf bij nader inzien ook wel een mooi exemplaar vond. De mulder vroeg of Jan die broek van ‘m niet wilde verkopen. Eerst zei de weesjongen van nee, maar toen de mulder er bij voortduring op aan bleef dringen, noemde de jongen toch een prijs. Die liep per knoop op: voor de eerste knoop aan zijn broek vroeg hij slechts een duit, maar voor elke knoop meer wilde hij het dubbele beuren van het bedrag voor de vorige knoop. Lachend sloot de mulder de koop en drukte de hand van de weesjongen, die hem geluk wenste met zijn aanwinst.
Maar toen Jan Hessels zijn broek naar de molenaar op Wapserveen kwam brengen, weigerde die het kledingstuk in ontvangst te nemen en de bedongen prijs te betalen.
Waarschijnlijk zou de jongen het zelf wel uit zijn hoofd hebben gelaten, maar zijn voogd, Lucas Jansens Snoeck uit Wittelte, die wellicht nog een appeltje met de molenaar te schillen had, drong er bij hem op aan om door te zetten. Het was ook oom Snoeck die naar de Etstoel stapte, en zijn neef ruim een jaar later voor deze rechtbank vertegenwoordigde in de zaak over de broek.
Hier bleek dat de verkooppijs van het kledingstuk door de systematische verdubbeling van het bedrag bij iedere knoop aardig opgelopen was. De broek telde namelijk 17 knopen. De daarmee exponentieel toegenomen vraagprijs bedroeg uiteindelijk ruim 409 gulden, een bedrag waarvoor je destijds een kleine middenstandswoning kon kopen.
Oom Snoeck wilde dat de Etstoel de mulder van Wapserveen zou veroordelen tot betaling van dit bedrag. De broek was nou eenmaal voor dat bedrag verkocht en ook aangeboden bij mulder Jacobs. Die had Snoecks verweesde neef voor de gek willen houden, maar was “door sijn raillerie ten rechte bedrogen” en “na rechte hijrin condemnabel”. De mulder, kortom, had het geheel en al aan zichzelf te wijten dat hij erin gestonken was.
Uiteraard was de molenaar het niet eens met deze voor hem netelige voorstelling van zaken. Hij voerde bij de Etstoel aan
“dat dyergelijcke saecken niet behoorden voor den richter te komen als sijnde niet als gecker[n]iën geweest”.
De zaak moest dus volgens hem ‘hors de la cour’, buiten het gerecht verwezen worden, zoals dat ook wel eens bij scheldzaakjes gebeurde. De molenaar noemde de koop onbewezen, in elk geval was die niet serieus bedoeld, maar slechts het resultaat van “raillerie”, scherts geweest. Een broek van 3 of hooguit 4 gulden was toch zeker geen 400 waard?
De Etstoel benoemde een commissie om beide partijen te horen, zo doenlijk tot elkaar te brengen, of anders een uitspraak te doen. Het werd een uitspraak. Van de commissie hoefde de molenaar niet het volle pond te betalen, maar wel 100 gulden. Daar kon je geen woning meer van kopen en toch was het nog steeds een leuk bedrag voor een wees.
Voor de molenaar was het nog steeds veel te veel, en de voogd van de jongen vond het juist te weinig. Beide partijen gingen daarom in hoger beroep. Ook in de appèlzaak hield de Etstoel echter vast aan de sententie. De mulder van Wapserveen moest dus dokken. Hij zal vast flink de smoor in hebben gehad.
—
Bron: Drents Archief, Etstoel inv.nr. 14, deel 30, folio 114, 13 november 1693; en idem folio 216, 4 juni 1694.
Men noemt een goede waard geen poffertbakker
Geplaatst op: 15 maart 2021 Hoort bij: Drenthe vrogger 5 reacties
In de index op de handelingen van de Etstoel, het Drentse gerechtshof, viel mijn oog op een lasterzaakje uit 1698, waarbij het slachtoffer zich beledigd achtte door de term “pofferbacker of poffereter”. Poffer of poffert kwam al wel enkele decennia in kookboeken voor, maar was verder ook weer niet zo bekend. In het kookboek van de Menkemaborg (1717-1750) heet het baksel nog “boffert”. Over poffertbakkers weten we al helemaal niets. Dat dit nobele beroep als een scheldnaam figureerde, verbaasde me zeer. Vandaar dat ik me maar eens op dit zaakje wierp.
Bij nader inzien hoorde het bij een cluster van vier soortgelijke zaakjes, waarbij één naam centraal stond, die van Hindrik Lenting (ook wel Lentinge of Lentinck). Hij was telg van een vooraanstaande eigenerfde boerenfamilie die schulten (het equivalent van de latere burgemeesters en notarissen) aan de kerspelen Zuidlaren, Borger en Zweelo leverde en was (een dikke) vierpaardsboer op De Groeve, vlakbij de Drents-Groningse grens, en bovendien herbergier en solliciteur.
Met die laatste functie werd hij meestal aangeduid. Deze hield in dat Lenting namens de overheid optrad als bank, payroll of geldschieter voor een compagnie soldaten. Hij schoot uit eigen zak de soldij voor en ontving van de overheid aflossingen met een bovengemiddelde rente terug. De overheid was blij, want dit vormde de oplossing voor een voortdurend krappe kas, vooral in tijden van oorlog; de soldaten waren eveneens blij, want ze kregen hun soldij op tijd zodat ze niet hoefden muiten en plunderen. Een mooie winwin-situatie dus, waaraan je als solliciteur ook redelijk goed kon verdienen. De functie stond, zo is mijn indruk, vrij hoog in aanzien.
De herberg van Lenting op De Groeve moet ook een goede reputatie hebben gehad. Het was niet zomaar een tapperijtje. In 1695 vergaderde “de gemene bour” van Zuidlaren er, waarbij deze ingezetenen van Zuid- en Midlaren gezamenlijk maar liefst 235 gulden verteerden, een bedrag waar sommigen echter niet aan mee wilden betalen., Waarschijnlijk ging de vergadering over de grens tussen Midlaren en Zuidlaarderveen en daarmee over het visrecht op het Zuidlaardermeer, een kwestie die al sinds 1636 speelde en waarover ook nu weer de partijschap was opgelaaid. Omdat Lentings vordering op zich niet werd bestreden, wees de Etstoel die toe. De “bour” of boermarke van Zuidlaren moest dus collectief de somma betalen, waarbij ze het geld maar terug moest zien te halen bij de leden die aan de vergadering(en) hadden deelgenomen.
Goed, twee jaar later, in 1697, werden er vier klachten wegens ‘verbale injurie’ of belediging ingediend. Dat gebeurde op een goorspraak – een periodiek gehouden samenkomst waar mensen verplicht alle delicten moesten melden waarvan ze weet hadden. Twee van de klachten kwamen van een gebelgde Hindrik Lenting. Maar hij en zijn schoonzoon Jan Tabing waren op de goorspraak ook zelf van belediging beticht.
Voorlopig bleven de beledigingen zelf nogal schimmig. Ze moeten wel in het verslag van de goorspraak hebben gestaan, maar dat stuk ontbreekt nu. Bij de Etstoel betichtte Lenting ten eerste Egbert Sissing, een keuterboer op Zuidlaarderveen. Lenting wilde dat Sissing zijn gewraakte uitlatingen openlijk voor de Etstoel herriep, maar daar had Sissing geen zin in. Volgens hem bestond er geen enkel bewijs voor dat hij Lenting beledigd had. Hij had Lenting niet genoemd, laat staan bedoeld. Zijn woorden hielden geen belediging in, en hij had bij Lenting – in wiens herberg zich een en ander kennelijk had afgespeeld – ook geen “animus injuriandi” gehad toen hij de woorden uitsprak.
Meteen na Sissing sprak Lenting een Laurens Levinge aan, van een ander gezeten boerengeslacht. Hij was zoon van een Jan Levinge en daar kon je in Zuidlaren meerdere kanten mee op: in 1672 woonde er nog een oud-schullte met die naam in het dorp, en in de jaren 90 een tweepaardsboer, naast een driepaardsboer die ook herberg hield. Dat was dus een concurrent van Lenting en ik kan het helaas niet hard maken, maar vermoed dat Laurens een zoon van deze laatste was. In elk geval verliep de behandeling van Lentings klacht in zijn geval eerst precies zo als bij Sissing. Hij had Lenting niet beledigd, vond Levinge, en zijn woorden hielden geen belediging in.
Zoals gezegd, werd Lenting zelf ook van schelden beticht. Dat gebeurde door Hermen Hermens, de knecht van Gedeputeerde van Selbach die op de havezathe Laarwoud woonde. Lenting ontkende het hem ten laste gelegde, noemde alle tegen hem ingebrachte getuigeverklaringen partijdig en kon “in goeden gemoede” verklaren dat hij niets ten nadele van de dienstknecht had gezegd. Net als Sissing en Levinge voor hem, wilde ook Lenting zijn woorden niet openlijk herroepen of intrekken. Zouden deze drie zaakjes dus nog een vervolg krijgen, anders was het gesteld met het vierde, op basis van een klacht die de Zuidlaarder molenaar Willem Hendriks had ingediend tegen Jan Tabing, de schoonzoon van solliciteur Lenting die op Zuidlaarderveen woonde. Mede op basis van het formele argument dat deze veenkolonie qua volmachten, grondschatting en goorspraak zelfstandig was, werd deze zaak niet verder behandeld – de Etstoel achtte Tabing ook niet schuldig aan belediging.
Drie zaken liepen dus nog door en in alle drie deze zaken benoemde de Etstoel een vrij zware commissie die bestond uit de drost, baron Van Pallandt, de landschrijver en de vier etten van het dingspil Oostermoer. Dit gezelschap moest de klagers en beklaagden nogmaals horen om ze dan zo doenlijk de zaak “in der minne” bij te laten leggen, of, als dat niet lukte, ze bij uitspraak te “ontscheiden”.
Dat gebeurde nog in november 1697. In alle drie deze restante zaakjes legde de commissie de schelders (Lenting, Sissing en Levinge) op te verklaren, dat ze niets van de beledigde partij wisten “als alle eer en goet”. In het geval van Lenting gold dit Hermens als individu: Lenting moest verklaren dat hij de gedeputeerdenknecht mogelijk “in grote toorn en haestigheijt” had beledigd, “wenschende dat het niet waer voorgevallen”. In de verklaring was ook vastgelegd dat deze niet zou strekken “tot de minste krenkinge van de ere en reputatie, goede naem en faem” van Lenting zelf. Lenting moest Hermens bovendien een deel van diens proceskosten betalen: 10 zilveren ducatons (ruim 30 gulden).
In de zaken van Lenting contra Sissing en Leving kwam de Etstoelcommissie tot een gelijk oordeel, met dien verstande dat beide gedaagden moesten verklaren dat ze solliciteur Lenting èn diens familie niet hadden willen beledigen. Het ging dus om meer dan de eer van de solliciteur alleen. Voor de tegemoetkoming in de proceskosten maakte dat niets uit, die bestond uit hetzelfde bedrag.
Lenting, Sissing en Levinge gingen alle drie in hoger beroep en Sissing zou zelfs revies aanvragen, maar dat baatte allemaal niets: de Etstoel bleef in 1698 en 1699 bij de commissoriale uitspraken van eind november 1697. Alleen in het geval van Laurens Levinge kwam nog aan het licht, waardoor Lenting zich nou zo in zijn eer aangetast voelde. Levinge verklaarde dat de motieven van Sissing niet voor hem golden – hij was dus maar een meeloper. Hij kon daarom “hoog en duir” en bij “sin hoogste waerheijt” verklaren
“dat hij de woorden van pofferbackers of poffer eters niet hadde gesproken”
Blijkbaar waren dar dan de woorden van zijn kompaan Sissing geweest. Ook verklaarde Levinge dat een andere uitlating die hem aangewreven werd, niet de bedoeling had die solliciteur Lenting erin had bespeurd. Toen een gespreksgenoot van Sissing en Helinge opmerkte, “dat hij de poffen liever at met corinthen”, zou Levinge hebben gerantwoord: “Ick eetse liever met botter”. Echter, daarmee had hij solliciteur Lenting, diens schoonzoon Tabing, of hun familie niet willen beledigen.
Het was Lentings eer te na om een poffertbakker te heten, of ermee vergeleken te worden. Wellicht was hij wat overgevoelig qua eer, maar dat gold voor vele tijdgenoten. Het hier besproken cluster rechtszaakjes uit de jaren 1697-1699 toont dat eens te meer aan en ook maakt het duidelijk dat je poffertbakkers niet zomaar met goed-gereputeerde herbergiers mocht vergelijken. Een aardige bijkomstigheid is nog dat blijkt, hoe poffert destijds werd gegeten: met krenten of met boter. In elk geval was het betere kost, dan die je in een herbergje op het Zuidlaarderveen kon eten – de eigenaar daarvan stond in het Zuidlaarder heerdstedenregister van 1694 te boek als “Jannes in de Brijpot”.
—
Bronnen:
Drents Archief, Etstoel 14,
- deel 31, folio 119, 120 e.v.: 19 november 1695;
- deel 32, folio 348-351: 16 november 1697;
- deel 33, folio 46-51: 19 juni 1698;
- deel 33, folio 273-276: juni 1699.
Inentingstoebereidselen
Geplaatst op: 14 maart 2021 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieHet encyclopedische woordenboek van Chomel uit 1778 bevat een lang artikel over “inenting der kinderpokjes”, dat Groningen en Petrus Camper nogal eens noemt. Mijn oog bleef haken bij een passage over de voorbereiding tot de handeling – de heren onderzoekers dachten destijds heel verschillend over nut en noodzaak daarvan:

Poëzie voor lekkerbekken
Geplaatst op: 13 maart 2021 Hoort bij: Dieren 1 reactie
Marsepeynen, eyervlaen,
Hoenders aen het spit gebraen,
Vetgemeste huyskapoenen
Met een sap van citeroenen
Voor een vyertjen omgedraeyt,
En met suycker wel bezaeyt,
Vette gansen, jonge duyven,
Hippelkievits met haer kuyven,
Hanekammen veelderley
In een soete meelpastey,
Of een snipjen, of een duycker,
Welbestroogt met kruyt en suycker,
Of een haesjen, of een knijn,
Of een biggen van een swijn,
Of een vinckjen, of een mosje,
Of een baersjen, of een posje,
Of een sallem fris geleeft,
Of een krabben, of een kreeft,
Of wat kappers, of olijven,
Of ansjovis, of andijven,
Of noch eenigh groen’ salaet
Die soo versch op tafel staet,
Oude bieren, nieuwe wijnen,
Tonnevijgen, blaeuw’ rosijnen,
Confituren voor ’t banket,
Alles wert hem voorgeset…
—
Uit: ‘Al te losse huyshouding’, in: Isaac Burghoorn, Nieuwe werelt vol gecken (Den Haag 1619) 33-34.
Spokerij op Dalerveen
Geplaatst op: 13 maart 2021 Hoort bij: Drenthe vrogger 1 reactie
Drost en Vierentwintigh Etten der Landschap Drenthe
Also sedert eenigen tijd voor een gerugte in deze Landschap is gespargeert alsof het op Dalerveen spookte, en wij geïnformeert sijn geworden dat de vilder wonende op De Haar met namen Pieter Hindriks dit gewaande spook heeft gemaakt of angerigt –
Hebben wij goedgevonden mits desen te gelasten de capitain geweldiger C. van Elferen om sig ten spoedigsten in alle secretesse te begeven na De Haar, de voorschr[even] Pieter Hindriks in apprehensie te neemen en vervolgens denselven secuur na Assen ter gevankenisse over te brengen, gelastende mits desen de scholts van Sleen L.L. Huisinge en desselfs pander om den Capt Geweldiger tot verrigtinge van dit exploict in allen delen behulpsaam te sijn.
Actum Assen den 4 julij 1752.
Ter ordonnantie van de Heeren voorschreven
/get./ J. Kymmel
1752
Nauwelijks twee weken later velt de Etstoel het vonnis:
Also de gedetineerde Pieter Hindriks van De Haar in de markte van Ermen alhier ter gevankenisse is gebragt op sware praesumptie dat hij sedert eenigen tijd spokerij op Dalerveen hadde aangerigt, en daartoe van anderen sou wesen angeset, waarover de gedetineerde gehoord, alhier ter vergaderinge heeft geconfesseert dat hij op den 4 febr. 1752 des avonds in donkeren met sijn snaphane in het veld was geweest en eenige malen het kruid van de panne hadde laten branden, dog dat sulks met geen quaad opset gedaan hadde, ook sonder inductie of aanradinge van een ander, verders versoekende genade en dat het hem mogte werden vergeven.
Waarover gedelibereert sijnde.
Hebben Drost en Vierentwintigh Etten verstaan dat de gedetineerde Pieter Hindriks voor dese reijs uit de gevankenisse sal worden gerelaxeert, en dat hem in serieuse termen sal worden aangesegt om sig inkomstig te onthouden om des avonds of ’s nagts bij sijn huis of in het veld eenig vuur of ligt te maken met een snaphane of op een ander wijse, bij poene, dat so hij daarvan overtuigt mogte worden, alsdan swaarder sal worden gestraft.
Dese sententie is de gevangen Pieter Hindriks in collegio voorgelesen op den 17 julij 1752 en ten gevolge voorschreven sententie aan hem een ernstige waarschouwinge gegeven. Quod attestor.
/get./ J. Kymmel
1752
Bronnen: Etstoel 14 deel 50 folio 139, 4 juli 1752 [scans 275 en 276] + zelfde deel folio 183vso en 184 [scana 264-265].
Toelichting: de bedoeling van de vilder (beestenhuidenaftrelkker) was kennelijk om met het vuur op de pan van zijn snaphaan (geweer) een lichtverschijnsel in het leven te roepen, dat men associeerde met een glènde (gloeiende) kerel, d.w.z. een kerel die vanwege zijn zonden na de dood geen rust kon vinden en daarom zwervend over het heideveld passanten verontrustte. De heren stuurden er hun oppercipier op af, die de vilder met hulp en een schulte en pander arresteerde en naar Assen overbracht. Daar heeft de vilder een mooi poosje in het hondengat of de gevangenis mogen vertoeven. Hij kwam er met een berisping vanaf. Helaas zijn de procesdossiers van de Etstoel nog niet online, anders was er wellicht nog wat meer informatie te vinden.
Welke jaarmarkten bezochten de Drenten het meest?
Geplaatst op: 13 maart 2021 Hoort bij: Drenthe vrogger Een reactie plaatsenHeb gisteravond flink zitten grasduinen in de Index op de lottingen van de Etstoel, 1609-1790. Zo was ik benieuwd naar de jaarmarkten die ter sprake komen op de civielrechtelijke en boetstraffelijke zittingen van deze Drentse rechtbank in die periode. Hier is het lijstje:
| Jaarmarkten binnen Drenthe | Aantal meldingen |
| Zuidlaren | 11 |
| Diever | 7 |
| Norg | 6 |
| Meppel | 4 |
| Dwingeloo | 3 |
| Ruinen | 3 |
| Odoorn | 3 |
| Zweelo | 2 |
| Hoogeveen | 2 |
| Anloo | 1 |
| Roswinkel | 1 |
| Jaarmarkten buiten Drenthe | |
| Groningen | 1 |
| Wanneperveen | 1 |
| Deventer | 1 |
Dat Zuidlaren de kroon spant, is bepaald geen verrassing. Noord-Drenthe (Zuidlaren, Norg, Anloo) is überhaupt goed vertegenwoordigd. Wel valt op dat de Rodermarkt in dit staatje schittert door afwezigheid, terwijl die drukke markt in gerechtelijke stukken van het Westerkwartier nogal eens genoemd wordt. Qua aantallen meldingen doen de gezamenlijke markten van Zuidwest-Drenthe (Diever, Dwingeloo, Ruinen, Meppel en Hoogeveen) niet voor die van Noord-Drenthe onder. Oost-Drenthe (Roswinkel, Odoorn, Zweelo) valt qua aantal meldingen nogal tegen: in dit meest geïsoleerde deel van Drenthe zat minder handel. Buiten Drenthe hadden de Drenten zo te zien vrij weinig te zoeken.
Kwestie om de ree- en kerkweg van Ter Heijl
Geplaatst op: 12 maart 2021 Hoort bij: Drenthe vrogger 5 reacties
Drents Archief 181-39.2 Uitsnede kaart van Groningen, 1784.
Op 24 juni 1788 stonden de Drentse drost S.P.A. van Heiden en de kerspellieden van Roden tegenover elkaar bij de Etstoel, het hoogste gerecht van Drenthe. Volgens de drost was bij een schouw in oktober 1787 de “rhee- en kerkweg” die in zuidoostelijke richting van Huize ter Heijl, via het Zultherveld en het gehucht de Zulthe naar het kerkdorp Roden liep, “geheel impassabel en onbruikbaar” bevonden. Op een gerechtelijke vraag hadden de Rodenaren niet willen zeggen wie er precies verantwoordelijk waren voor het hoogst noodzakelijke herstel en onderhoud. Daarom eiste de drost deze werkzaamheden van het kerspel Roden, waarbij de Rodenaren onderling maar moesten uitmaken wie het werk zou doen. Ook moesten ze de kosten van het geding betalen, vond hij.
De eerste verdedigingslinie van de Rodenaren kwam erop neer dat de drost zich voor het karretje had laten spannen van de douairière Sloet-Van Dedem, sinds enkele jaren de eigenaresse van Huize ter Heijl. Met deze nieuwkoomster waren de Rodenaren al een tijd in conflict over een nieuwe weg die zij op haar eigen kosten had laten “afbaken” en die in de toekomst, na de oplevering, de rol van ree- en kerkweg zou moeten overnemen. Waarschijnlijk betrof het de huidige Toutenburgsingel, die iets ten noorden van de Zulthe uitkwam op de hoofdweg tussen Roden en Leek en die daarbij een heideveld passeerde, dat nog het collectief eigendom was van de markegenoten van Roden. Deze ”veldgerechtigden” bliefden die particuliere weg echter niet op hun grond en hadden de bouw stil laten leggen. De Rodenaren vonden dat de drost eerst deze kwestie had moeten afhandelen, voordat hij aan de onderhoudszaak van de zuidoostelijke route had mogen beginnen.
Volgens de Rodenaren had de drost de wegschouw op die zuidoostelijke route laten uitvoeren op aanvraag van mevrouw Sloet en op aanwijzing van haar bedienden en meiers. Ze vonden dat de drost ook mevrouw voor de Etstoel had moeten dagen. Bovendien hadden Lieveren en Steenbergen niets te maken met wegonderhoud ten noorden van Roden, dus met het indagen van het algehele kerspel Roden richtte de drost zich aan het verkeerde adres.
De drost daarentegen, vond dat hij destijds wel op het verzoek van mevrouw Sloet moest ingaan – hij had de schouw volgens de gewone regels laten uitvoeren door de schulte en twee eigenerfden van Peize. De kerspellieden van Roden had hij ook in de gelegenheid gesteld hun belangen in te brengen. Het was absoluut niet zijn bedoeling geweest om ze met de schouw onder druk te zetten zodat ze toestemming zouden geven voor de aanleg van de nieuwe, wat noordelijker gelegen weg. De Rodenaren bleven echter de mening toegedaan dat Van Heiden zijn oren had laten hangen naar mevrouw Sloet. En dat nota bene zonder hen, “oude landzaten”, de mond te gunnen.
Belangrijker dan dit afgeleide gekibbel, was een principiële, inhoudelijke discussie over de aard van de zo slecht onderhouden weg bij de Zulthe. De Rodenaren meenden dat alleen “publiek bekende herenwegen, rhee- en kerkewegen” onderhevig waren aan schouw en daartoe behoorde deze weg in hun ogen beslist niet. Ze kenden geen andere reeweg (voor het vervoer van doden naar het aangewezen kerkhof) vanaf Ter Heijl dan de Heijlsterweg (eerder Helsterweg, nu Vagevuurselaan/Natuurschoonweg) naar de Nietap en voorts vandaar naar Roden, wat natuurlijk een geweldige, Ommelander omweg was, al vertelden ze dat er wijselijk niet bij.
Daarentegen hield de drost vast aan de zuidoostelijke, geheel vervallen route over het Zultherveld en langs een steeg in De Zulthe. Volgens hem was dit de “gewone” en “aloude” route voor het wegbrengen van doden. Hij bracht naar voren dat hierlangs “van tijd tot tijd” (af en toe) overleden pachtboeren van Huize ter Heijl naar hun laatste rustplaats in Roden waren gegaan. Hoe vaak dat gebeurde, vertelde de drost er op zijn beurt niet bij, maar zelfs rond 1800 gebeurde dat hooguit één keer per jaar. De Heijlsterweg naar Nietap was volgens hem alleen maar als dodenweg gebruikt voor begrafenissen te Midwolde of elders in Groningerland. Dat deze noordelijke route geen ree- en kerkweg naar Roden kon zijn, bleek naar zijn mening uit de geschiedenis. De kloosteruithof in Ter Heijl viel vanouds, vanaf de late Midddeleeuwen, onder de parochiekerk te Roden, terwijl Nietap pas veel later (eind zeventiende eeuw) was gesticht. Bovendien stond de slecht onderhouden reeweg over het Zultherveld ende Zulthe volgens hem ook op de landkaarten.
Inderdaad staat die route op één enkele kaart, zij het van Groningerland (zie pijltje op kaartuitsnede boven): het betreft een zijweg vanaf de Scheperij over de heide naar De Zulthe. Destijds nog actuelere kaarten van Drenthe laten dit wormvormig aanhangseltje echter helemaal niet zien; sterker nog, ze tonen vaak niet eens de Heijlsterweg van Ter Heijl naar Nietap. Volkomen begrijpelijk dus, dat de kerspellieden van Roden dit argument resoluut van de hand wezen. In hun historische visie was er nooit een ree- of kerkweg naar Roden geweest. Op de middeleeuwse uithof van de abdij Aduard in Ter Heijl stond een kapel, waar volgens hen de lokale doden werden begraven. Een ree- en kerkweg naar Roden was dus niet nodig geweest en ook niet in het Zultherveld te vinden. Van een markescheiding was zo’n weg ook niet bekend, en sinds mensenheugenis was er evenmin zo’n weg geschouwd.
Toegegeven, er waren heus wel eens overleden pachters van Ter Heijl door het Zultherveld en de Zulthe naar Roden gebracht, zonder dat dat ooit was belet, maar uit die praktijk volgde nog niet dat men recht op dit gebruik had, laat staan dat die weg als reeweg onderhevig was aan schouw. Nee, de ware reeweg, zo stelden de Rodenaren, liep van het huis Ter Heijl noordwaarts over Nietap, zoals ook te zien was aan de familie Van Ewsum (die van 1626 tot 1771 Huize Ter Heijl in eigendom had). De Van Ewsums zetten hun doden bij in familiegraven (meervoud) in de kerk van Midwolde, terwijl ook andere doden van Ter Heijl meest via de Heijlsterweg en Nietap naar de provincie Groningen gingen, om daar te worden begraven.
Hoewel de Rodenaren mijns inziens historisch de sterkste argumenten hadden, dolven ze toch het onderspit. Drost van Heiden had het laatste woord, Naar zijn mening volgde uit het niet schouwen van een weg nog niet, dat die weg niet schouwbaar was. Zonder twijfel was de zuidoostelijke route over het Zultherveld en De Zulthe schouwbaar. Hij had er wel zeven getuigen voor dat deze route altijd voor een ree- en kerkweg naar Roden was gehouden en dat ze sinds mensheugenis ook zo was gebruikt.
Aan het eind van zijn pleidooi maakte de drost alle historische argumentatie zelfs overbodig. Als er bij en in De Zulthe nooit zo’n reeweg was geweest, zoals de Rodenaren meenden, dan was hij als drost nog steeds bevoegd om daar omwille van het belang der huidige Ter Heijlsters aan te dringen op de instelling ervan. Zelfs al hadden de Van Ewsums hun doden “willekeurig” in Midwolde begraven, dan nog viel Ter Heijl “onder de klokkenslag van het carspel Roden”. De bewoners van de buurtschap moesten daarom beschikken over een (korte) ree- en kerkweg naar Roden.
Met dit machtswoord over de politieke wenselijkheid trok de drost aan het langste eind: de Etstoel stelde hem in het gelijk. De kerspellieden van Roden mochten de kosten geding betalen en zullen naderhand ook braaf de reparatie en het toekomstig onderhoud van de weg in kwestie hebben geregeld.
—
Bron: Drents Archief Assen, Toegang 0085 (archief Etstoel) inv.nr. 14, deel 65, folio 38vso e.v., zitting 24 juni 1788.

































Recente reacties