Oudoom als back in Groninger Elftal

Drachtster Courant 8 april 1938.

Ontdek via de Drachtster Courant op Delpher, dat een jongere broer van mijn grootvader vlak voor de oorlog als back in het Groninger Elftal speelde. Waarschijnlijk was het Hein, omdat Klaas Vondeling al naar Assen was verhuisd, waar hij in Achilles speelde. In het Groninger team zat slechts één GVAV-er; WVV Winschoten (later de club van Klaas Nuninga, Jan Mulder en Arie haan) was de hofleverancier van het team met drie spelers, waarvan er twee in de voorhoede speelden.

Bij de Friezen geen Abe Lenstra en ook geen andere spelers van Heerenveen en Cambuur. Akkrum was hier de enige club die meer dan een enkele speler aan het vertegenwoordigende team leverde.

De Groningers begonnen de match als underdog, maar wonnen volgens het wedstrijdverslag van een paar dagen later met 5-3. De Friezen waren fysiek sterker, maar de Groningers technisch beter. Vondeling wordt niet met name genoemd, maar volgens het verslag waren er geen zwakke plekken in het Groninger Elftal. Sinds 1909 hadden beide elftallen elkaar 32 maal bestreden waarvan de Groningers 19 ontmoetingen won en de Friezen slechts 8.


‘Hier kan men zien wat goede wil vermag’

Johan Melse – Sneeuwlandschap. De Wandelaar, 1936.

[Uffelte] Vanmorgen was het in ons dorp een en al bedrijvigheid. Men zag oud en jong druk aan het sneeuwscheppen, wat met de dikke duinen, die hier en daar te hoop gestoven waren, ook wel noodig was. Vanmorgen reed de zandstrooier door ons dorp, zoodat nu alle straten weer begaanbaar zijn. Hier kan men zien wat goede wil vermag.

Aldus een bericht in de Meppeler Courant van dinsdag 6 februari 1940. Het was uiteraard alleszins lofwaardig dat de Uffelters  hun straten weer vrij schepten, maar het gemeentebestuur in het naburige Havelte wilde wel even gezegd hebben, dat het niet helemaal vanzelf gegaan was en dat het de stoot had gegeven tot deze sneeuwruimerij. In de volgende editie van de Meppeler, die van 9 februari, kwam daarom dit berichtje te staan van de Havelter correspondent:

HAVELTE. Door het gemeentebestuur werd krachtens art. 69 van de algemeene politieverordening (betreffende persoonlijke diensten) de geheele bevolking dezer gemeente tegen maandagmorgen opgeroepen om behulpzaam te zijn bij het sneeuwvrij maken van de doorgaande verkeerswegen, welke door de sneeuwverstuivingen geheel of nagenoeg geheel waren gestremd. Aan deze oproep hadden tal van goedwillende ingezetenen gehoor gegeven, in alle buurtschappen was men met man en macht bezig om de groote sneeuwmassa’s te verwijderen. Het is gebleken dat door eendrachtig samenwerken veel te bereiken is. De gemeenschapszin van de ingezetenen onzer gemeente had tot resultaat, dat de communicatie met de omliggende dorpen weer volledig hersteld werd.
Gebeurtenissen als deze hebben stellig tot gevolg dat de strenge winter van 1939-1940 nog lang in de herinnering zal blijven voortleven.

Niet alleen in Uffelte, maar overal in de gemeente Havelte waren mensen collectief in touw geweest. Kennelijk stond er een bepaling in de APV dat volwassenen daartoe ook verplicht waren. Ik denk dat dat artikel al heel lang geschrapt is en dat je nu een oproer zou krijgen als je de lui ertoe zou verplichten. Zelfs in de vrij sociale Oosterpoortbuurt was ik meestal de enige van mijn straat die de stoep voor zijn huis sneeuwvrij maakte.

Overigens is die strenge winter van vlak voor de oorlog allang vergeten. Als wij het over strenge winters hebben, dan gaat het over die van ’63 en ’79.


Rondje Roderwolde – Matsloot – Lagemeeden

Berijpt bermgewas bij tunnel Eemsgolaan:

Kleumende vink (met dank aan Hendrika) bij de eerste Onlander brug:

Uitgebloeide cichorei met rijp:

Even verderop aan de Roderwolderdijk:

Mollenfeest bij de Waalborg:

Het weggetje naar de Waalborg:

Achtereind boerderij bij de Waalborg met diverse plunderij:

Zuidelijke uiteind van de Stobbenvenne met op de achtergrond het Roderwolder kerkhof:

Scharrelvarkens aan de Hooiweg:

Dode reiger in de Matsloot:

Miro-motiefje in de  berm van de Woeste Hoeve:

De Poffert – hellingbazenwoning met pontje:

Kerkhof Lagemeeden:

In een hoek op de zon bloeiden er sneeuwklokjes:

De schuur, wat verder aan de Nutweg:

Berijpte bereklauw:


Een dode letter

Gevelsteen  in het Jacob- en Annagasthuis aan de Vishoek in Groningen.

Op 30 mei 1635 neemt het Groninger stadsbestuur een kloek besluit:

Is geresolveert dat voortaen geen curatoren oft voorstanderen van weeshuisen, gasthuisen en andere publique conventen zullen eenige van haerer naemen boven de deuren, poorten oft portailen laten houwen ofte schrijven, maer alleene de naemen van de versz[eide] conventen met de datumps der reparatiën.

Voortaan zouden de gast- en weeshuisvoogden dus niet meer mogen geuren met hun eigen namen op gedenkstenen die herinnerden aan de onder hun beheer verrichte (ver)bouwwerkzaamheden. In de resolutie is sprake van steenhouwers- en schilderswerk. Houtsnijwerk noemt ze niet. Die lacune maakten Burgemeesteren en Raad ruim een jaar later goed. Ze verordonneerden op 23 juli 1636

dat voortaen boven die Gasthusen ende Weeshusen die naemen van derselver vooghden niet gehouwen, gesneden noch geschildert sullen mogen worden.

Ook kregen de voogden van de tientallen verschillende charitatieve instellingen dit keer afschriften van het besluit, wat waarschijnlijk nog een andere omissie van het voorgaande jaar goed moest maken.

Een motivatie voor hun besluit gaven de heren niet, daar waren ze überhaupt niet zo sterk in. Ik denk dat ze de eigen lof boven allerlei poorten op gespannen voet vonden staan met de vereiste calvinistische soberheid. Bovendien hoorde je niet op je goede werken te pochen. Maar dat de maatregel al zo snel opnieuw afgekondigd moest worden, geeft  waarschijnlijk aan dat de gast- en weeshuisvoogden er zich nauwelijks aan hielden. Inderdaad zien we in veel Groninger hofjes uit die tijd de later aangebrachte opschriften, die bewijzen dat de maatregel een dode letter bleef.

De heren gaven zelf ook niet het goede voorbeeld. Volgens een besluit van 26 september 1638  lieten ze in alle ruimtes van hun Wijnhuis (keuken, oldermans-, vrouwen-. heren- en burgerkamers) nieuwe ramen maken met gebrandschilderde glazen waarop hun eigen namen (en wapens?) en die van andere andere ‘stadsofficianten’ prijkten. In de Martinikerk heb je soortgelijke ramen met familienamen en -wapens.

Maar eigenlijk mogen we ook wel blij zijn dat de maatregel een dode letter bleef. Zonder al die opschriften zouden de Groninger hofjes heel wat saaier zijn.


Rondje Terheijl

Overal vrij veel water op het land. Roderwolde:

Hout te koop, Leutingewolde:

Baggelveld, Terheijl:

Midwolde vanaf een plek bij de Hoedekast in de buurt:

Het lijkt wel of die toren steeds verder overhangt:

Bij de Kerkweg tussen Oostwold en Oostwolmerdraai:

Bij het Hoendiep vertoonde zich een bui in de vorm van een varken:

Aduarderdiep met vergistingstanks van de suikerfabriek bij Vierverlaten:


Oldambtster landarbeiders en hun verdiensten

Dagloners bij het bieten poten op het land. Nieuw-Scheemda, jaren 30. Collectie Groninger Archieven 818-10704.

Bij de landarbeidersstaking van 1907 in het Oldambt publiceerden verschillende kranten loongegevens. Die uit de Land en Volk van 8 mei 1907, nogal onoverzichtelijk achter elkaar opgeschreven, heb ik hieronder in tabel gebracht en wat nader toegelicht:

Jaarlonen in guldens volgens zegsman te:
Arbeider Beerta Boer Beerta Arbeider? Finsterwolde Boer Nieuw-Scheemda Boer? Nieuw-Beerta
Boerenknecht 150 à 160 160
Boerenmeid 90 à 100 100
Arbeider vast 305 320 294 325 390
Arbeider los 280 370 294+ 350 400+
Vrouw 70 67,50 à 57,50

Met boerenknechten en boerenmeiden werden bedoeld het op de boerderij inwonende, ongetrouwde personeel van in de regel zo’n 12 à 25 jaar oud. Opgegeven zijn de maximum-lonen voor knechten en meiden die volledig op hun taak berekend waren qua ervaring en kracht. Bij de geldlonen kwamen dan nog de kost- en inwoning, of eigenlijk moet je het andersom zeggen want de kost en inwoning vormden de basis, het geld kwam erbij. Kinderen die nog maar pas op een boerderij kwamen kijken, kregen vaak ook niet of nauwelijks geld in handen, daarvoor golden de kost- en inwoning als loon. Bij winnen aan kracht en ervaring, groeiden dan de geldbedragen van jaar op jaar. Minderjarigen stonden het verdiende geld meestal af aan ouders of voogden als bijdrage in het gezinsinkomen. Bij gezinnen die onder de diaconie vielen, beurde de diaconie dat loon.

Met vaste arbeiders zijn bedoeld de arbeiders met een vast dienstverband op de boerderij. Op elke boerderij was er één, in totaal waren er dus evenveel vaste arbeiders als boerderijen. Zo was mijn betovergrootvader Elzo Perton vast arbeider op de Onnesheerd in de Reiderwolderpolder. Die viel onder Finsterwolde, zijn kale loon zal dan ongeveer 294 gulden hebben bedragen. Maar daar zaten de emolumenten in natura nog niet bij. Omgezet in geldwaarde werden die in Finsterwolde op minstens 59 gulden begroot. Het ging dan om walgras (ƒ 25); het mogen lezen en zoeken van aren, erwten en bonen op afgeoogst land (ƒ 7.50); twee pak gerstestro (ƒ 1,50); het mogen gebruiken van de boer zijn paarden en wagens voor het halen van bijvoorbeeld turf en kwelderhooi (ƒ 20); en gratis weide voor schapen (à ƒ 5). Inclusief deze emolumenten bedroeg het jaarloon van een vaste arbeider in  Beerta 305 à 320 gulden, die was uiteindelijk dus wat minder af dan zijn collega in Finsterwolde. Die van Finsterwolde (te begroten op 353 gulden) deed echter weer onder voor die van Nieuw-Beerta (390 gulden inclusief emolumenten). De daglonen liepen daarbij op en af met het aantal (werkbare) uren daglicht en de oogstdrukte, zoals bijkomende specificaties uit Beerta en Nieuw-Beerta laten zien:

Beerta Nieuw-Beerta
Maart tot half juli (8 uur) ƒ 0,75 ƒ 0,75
Half juli tot september (14 uur) ƒ 1,25 ƒ 2,00
September-november (12 uur) ƒ 1,25 ƒ 1,00
November tot maart (7 uur) ƒ 0,60 ƒ 0,75

Ook hieruit blijkt weer, dat de vaste arbeider vooral in Nieuw-Beerta goed af was.

Maar veel groter dan het aantal vaste arbeiders, was in een Oldambtster dorp het aantal losse arbeiders of dagloners, al gauw enkele honderden per dorp. Volgens opgave uit Finsterwolde namen zij (en hun ploegen) werkzaamheden vaak per perceel aan en verdienden dan een kwartje meer per dag dan een vaste arbeider. Hoewel ze door de tijdsdruk vaak harder aan moesten poten, was hun arbeidsdiscipline minder groot: “Ze verloopen vaker een dag en zijn ook in tijden van overgang vaker zonder werk, zoodat ze per jaar niet veel meer verdienen dan vaste arbeiders”. Ze profiteerden vooral van de oogstdrukte in de zomer.

Een arbeider uit Beerta begrootte het jaarloon van een dagloner op 280 gulden, terwijl een boer uit hetzelfde dorp dat op 370 gulden raamde. In 1893 was dat nog ruim 230 gulden, zodat de daglonen rond 1900 sowieso verhoogd moeten zijn. Daarbij valt het verschil tussen beide jaarloonopgaven uit Beerta nogal op. Dat komt doordat de arbeider elders verdiend loon uit veenarbeid niet meetelde, omdat lang alle losse arbeiders daaraan deden. De specificatie die de Beertster boer leverde, zag er vanaf eind maart zo uit:

7 weken in de venen 80 gulden
2 weken wieden 8 gulden
4 weken maaien in Friesland 44 gulden
4 weken divers werk 24 gulden
6 weken oogst (vooral augustus) 90 gulden
6 weken divers werk (september, oktober) 40 gulden
4 weken (november) 20 gulden
4 weken (december) 16 gulden
8 weken (januari, februari) 24 gulden
5 weken (februari, maart) 26 gulden
TOTAAL: 372 gulden incl. of 292 gulden excl veenwerk

Tot slot de vrouwen: zij werkten vooral mee op het land voor zover hun huishouden dat toeliet. In Beerta werden hun verdiensten wat hoger geschat dan in Nieuw-Scheemda. De verschillen tussen beide bedragen, in het laatste dorp opgegeven, komen doordat de vrouw van de vaste arbeider ook meehielp in het huishouden en op de tuin van de boer, bij wie haar man in dienst was.  Een specificatie van daglonen voor vrouwen is er uit Finsterwolde:

Wieden ƒ 0,40
Schoven binden ƒ 1,75
Aardappelen en bieten rooien ƒ 0,60 à 1,00
Erwten plukken ƒ 0,80 à 1,20
Oogst inhalen ƒ 0,60 à 0,75

Dit zullen dan de bedragen zijn, die Geeske Boog, de vrouw van Elzo Perton, ongeveer zal hebben verdiend.


Veldslagen aan de Tjamme

In het voorjaar van 1886 haalde een bericht uit de Winschoter Courant meerdere landelijke kranten zoals het Algemeen Handelsblad en De Tijd. Ook regionale kranten namen het over, met onderling minieme verschillen. Dit is de versie uit de Provinciale Drentsche en Asser Courant van 29 maart dat jaar:

Tusschen de boerenknechten van Finsterwolde en die van Beerta hebben twee keeren vrij ernstige vechtpartijen plaats gehad. Waren den eersten keer de Beerters overwinnaars, de laatste maal moesten ze afdruipen, zelfs werden zij tot in Beerta achtervolgd. Enkelen hebben lichte wonden gekregen. Er wordt gevochten met stokken en palen, welke aan het eene eind voorzien zijn van spijkers. Naar we vernemen, zouden de vechtersbazen eergisterenavond elkaar weer ontmoeten. De oorzaak van een en ander moet zijn, dat de knechten van Finsterwolde soms het hof maken aan de meiden van Beerta. (W. Ct.)

Kennelijk waren deze collectieve veldslagen zelfs in Drenthe nieuws. Terwijl het daar toch maar al te bekend was, hoe jongens uit het ene dorp een mededinger uit een ander dorp afrosten, tenminste, als hij zo’n vechtpartij niet afkocht met een fles jenever.

Dat zulke praktijken destijds in het rap moderniserende Oldambt nog bestonden, daar stond ik wel van te kijken. Beerta en Finsterwolde komen later in zoveel opzichten overeen, dat je geneigd bent te denken dat het ‘dorpisme’ hier in 1886 allang uitgebannen was, een veronderstelling die destijds, gezien de verspreiding van het bericht, blijkbaar ook in den lande leefde.


Harm Boukje als propagandist

Bij de nieuwste aanwinsten van Delphers krantenbank vandaag, staat o.a.  De Vrije Socialist (1898-1940), een krant van Domela Nieuwenhuis. Uiteraard was ik benieuwd of Finsterwolde er ook in voorkwam en dan natuurlijk speciaal de anarchistische broer van mijn overgrootmoeder Antje Tuin. Dat bleek inderdaad het geval, namelijk in een bericht van 21 december 1901:

Finsterwolde. Tuin uit Finsterwolde en de ontslagen werkman Eimers zijn begonnen de propaganda in den noordoostelijken hoek van Groningen ter hand te nemen. Eerst gingen zij des maandags op de markt staan te Winschoten, maar de regen noodzaakte hen weg te gaan, zoodat zij maar voor 80 cents aan brochures verkochten. Dit was niet zeer bemoedigend.

Te Oudeschans hielden zij een openbare vergadering. Een 20-tal belangstellenden waren ter vergadering. Na opening der vergadering door Tuin, kreeg Eimers het woord en ofschoon hij zijn rede voorlas, dit hinderde niets. Spoedig zal hij wel de noodige vrijmoedigheid hebben om vrij te spreken. Ook droeg hij eenige gedichten voor, die zeer in den smaak vielen.

Tuin sloot weer de vergadering met een opwekkend woord, om aan te dringen op solidariteit onder de arbeiders. Terwijl de boeren werken aan de veredeling van paarden en vee, werken de socialisten aan de veredeling van de menschen en voor dat doel te werken, is wel de moeite waard. Tuin kolporteert ook met brochures en brengt in die streken heel wat lektuur ouder de menschen.

Harm had dus niet alleen een handeltje in boeken en brochures, maar ging ook in de wijde omgeving op stap als propagandist. Voor de veredeling der mensheid stond hij op de Winschoter markt, ging hij langs de deuren met zijn lectuur en hield hij openbare bijeenkomsten.

De jongere en nog onervaren kompaan met wie hij dat deed, was de huisschilder Christiaan Eimers, geboren in 1880 te Vlagtwedde. Waarschijnlijk werkte Eimers in 1901 bij een patroon in Winschoten en was door deze ontslagen. Enige jaren laten vestigde Eimers zich in de stad Groningen, waar hij trouwde en een schildersbedrijf had in de Van Julsinghastraat, Oosterpoortwijk. Hij zou nog wel vaker in de kolommen van de De Vrije Socialist voorkomen, ook als spreker. Volgens Eimers’ nazaten was het een forse kerel, die altijd zijn anarchistische overtuiging trouw is gebleven. Hij overleed in 1940.

Bron: De Vrije Socialist 21 december 1901.


Nieuw insectenhotel aan de Peizerweg

Sinds een week of wat staat dit vrij forse insectenhotel bij de spoorwegovergang Peizerweg aan de zuidkant. Op het eerste gezicht ziet het er vrij vandaalbestendig uit, maar de bijenstal in het Stadspark heeft ook steeds te maken met vernielingen, dus erg gerust ben ik hier niet op.

Ben ook benieuwd wat met de strook erachter gebeurt: voor het inzaaien van bloemenmengsel lijkt me die niet meer geschikt, maar komt er dan een voetpad, zodat mensen niet meer op het fietspad hoeven lopen? Enfin, we zullen zien.


Op je paasbest in een safaripak

Van ribfluweel. Met wijde pijpen. In de voorjaarsmodekleuren van 1972. Voor maar drie geeltjes stond je er hip en toch netjes op. Kom daar nu nog eens om:
:

Groninger Gezinsbode 27 april 1972.


Kampioenen der vaccinatie

De Dwingeler arts Johannes Crebas rapporteerde in juni 1809 dat hij in de kerspelen Beilen, Smilde, Diever, Dwingeloo en Ruinen in totaal 224 kinderen tegen de pokken had gevaccineerd met entstof van koepokken. Hij zette er helaas niet bij in hoeveel tijd hij die kinderen inentte.

Uit Assen kwam ongeveer tegelijkertijd het bericht van de chirurgijn Thurkow dat zolang verscheidene andere heren zich op de inenting hadden toegelegd, hij zich daar niet mee had willen bemoeien. Toen zij ermee ophielden, was hij ermee begonnen. In drie maanden tijd had hij  ongeveer 40 kinderen gevaccineerd

en continuere daarmede dagelijks, zoodat thans nog elf kindern behandele.

In 1807 telde het kerspel Assen 621 inwoners, terwijl er van 1805-1807 gemiddeld 25 kinderen werden gedoopt. Dan zijn die 40 ingeënte kinderen toch redelijk wat, in aanmerking genomen dat er, voor Thurkow met het intenten begon, ook al kinderen ingeënt waren en dat hij vooral de jongere kinderen zal hebben gevaccineerd, en bijvoorbeeld niet de kinderen die al pokken hadden gehad. Neemt niet weg dat een percentage helaas niet uit te rekenen is.

Zowel het rapportje van Crebas uit Dwingeloo als dat van Thurkow uit Assen zag ik een jaar of vier geleden op het eind van een dag onderzoek in het Nationaal Archief. Ze maken deel uit  van een forse stapel fascinerende berichten over de pokkeninenting uit de nadagen van Koning Lodewijk Napoleon. Veel tijd om er wat meer dan een stuk of wat te fotograferen had ik destijds niet, en aan een dergelijke treinreis wil ik ook pas weer denken als ik zelf tegen de corona  ingeënt ben. Voorlopig komt het dus niet van het verdere onderzoek dat ik van plan was te doen, zodat het hier bij een impressie moet blijven.

Het is ook de vraag wat je aan het materiaal hebt. Zo stuurde de Departementale Commissie van Geneeskundig Onderzoek & Toevoorzigt in Groningen op 24 grasmaand 1810 een bericht aan ’s Konings minister over de geneesheren in haar ressort die de meeste inentingen hadden verricht zonder daarvoor enige beloning ontvangen te hebben. Deze weldoeners waren:

  • Medisch doctor Antonius Otto Hermannus Tellegen te Groningen met 572 inentingen;
  • Heelmeester (chirurgijn) Johan Albrecht Friedrich Schoeler te Vlagtwedde – 165 inentingen;
  • Heelmeester Pieter Nanninga Zuidhorn – 130 inentingen.

Het gaat hier om vaccinaties van kinderen van armen en minvermogenden. Mensen die de inenting wel konden betalen, zitten niet in de primitieve statistiek, maar vormden waarschijnlijk nog de meerderheid van alle gevallen, afgaande op andere berichten. Bovendien zullen er naast deze vaccinatiekampioenen nog ettelijke ongenoemde medici geweest zijn die minder armen vaccineerden. Vermoedelijk zijn dan die getallen voor Groningen, Vlagtwedde e.o. en Zuidhorn e.o. met een factor 2 of 3 te vermenigvuldigen. De pokkenvaccinatie werd inderdaad voortvarend aangepakt in Groningerland.

Bron: Nationaal Archief, Den Haag, Toegang 2.01.12  inv.nr. 750.



Het Pekelderdiep, vol blauwe vlammetjes (2)

Oude Pekela en het Pekelderdiep op een ansichtkaart van ca. 1910. Goed te zien is hoe sterk vervuild het water is. Collectie Groninger Archieven 1986-14654.

Ik heb hier wel eens iets verteld over het Pekelderdiep en hoe je dat vroeger dankzij alle vervuiling en daaruit vrijkomende methaan in brand kon steken, wat dan resulteerde in een kanaal vol blauwe vlammetjes, waarlijk een magisch-realistisch gezicht. Daarbij putte ik uit Pekelder herinneringen die deels teruggingen tot 1916. Vandaag vond ik bij toeval nog een krantenbericht uit september 1904, dat daarmee dateert van kort nadat de vervuiling zijn intrede deed. Het verhaal stond het eerst in de Nieuwe Winschoter Courant, die niet gedigitaliseerd is, maar werd overgenomen door het Nieuwsblad van het Noorden., waaraan ik het heb ontleend. Hier volgt het:

Woendagavond om ongeveer 8 uur wierp te Oude Pekela nabij de cartonfabriek ‘Ceres’, een schipper, die zijn pijpje had opgestoken, een nog brandenden lucifer buiten boord in de vaart, die, sedert de fabrieken hier maar ongestoord hun afval daarin laten vloeien, een breed, onbedekt en stinkend riool is geworden en die vooral dezen zomer ten gevolge van den lagen waterstand bijzonder zwaar bedekt is met een vuil geelgroene, grauwe, vieze massa, waarop het stuifzand, de afgevallen boombladeren en zelfs zwaardere voorwerpen rustig blijven liggen.

Een lichte ontploffing volgde, blauwe vlammetjes schoten her- en derwaarts tusschen het schuim door en weldra stond een deel van het Pekelderdiep gewoonweg in brand. Pogingen om de vlammen te dooven mislukten.

Eenige schippers beproefden met boomen de vlammen uit te slaan, doch dan volgden telkens hevige explosies waarbij de vlammen wel een meter hoog en zelfs meer opflikkerden. Ook toen getracht werd het vuur te smoren door er zand op te werpen, verhief zich een lichte laaie op de plekken, waar het zand werd gestort.

Dit maakte dan in ‘t schuim openingen voor het daarin ontwikkelde moerasgas en waar dit ontsnappen kon en met een vlammetje in aanraking kwam, ontplofte het als buskruit. Dit moerasgas of mijngas is licht koolwaterstofgas, dat zich in mijnen of in slooten of plassen ontwikkelt, waarin planten tot verrotting overgaan. Honderden van menschen sloegen aan weerszijden van de vaart het zeldzame schouwspel gade.

De onbezonnen jeugd vond het “een leuke boel”, doch den meer bedachtzamen sloeg de angst om ’t hart. Er lagen zooveel stroo- en turfschepen in de vaart, onmiddellijk in de buurt waar de vlammen over ’t water speelden.

Ze lekten langs de zijden van een met stroo geladen vaartuig, ze verhieven zich een paar voet hoog boven ’t water. De menigte zag onder ademlooze stilte toe, hoe ’t wel zou afloopen, maar gelukkig, ’t ging goed, het vrij groote schip droeg het stroo te hoog boven water.

Een paar waaghalzen gingen met een roeiboot te water, ze willen dwars door de blauwe vlammetjes heenvaren, maar hoog-op sloegen de felle vlammen rondom het bootje en de drieste bemanning zocht een goed heenkomen.

Steeds verder, — onder de brug door, vervolgde het vuur zijn weg door het natte element. Het gevaar werd dreigender; het vuur naderde reeds de fabriek ‘Albion’, in welker nabijheid verscheidene geladen schepen lagen.

Juist toen het vuur een diep geladen turfschip had bereikt, doofde het langzamerhand uit in een plek met open water, een ‘wak’ in het schuim-ijs.

Voorloopig is ’t gevaar voorbij. ’t Vreemde geval heelt een ernstige bijdrage geleverd tot het besef van de noodzakelijkheid om paal en perk te stellen aan de verregaande verontreiniging van het Pekelderdiep. (N.W.Ct.)”


Een nieuwe duivenslagpoort bij Pabema

Zag gister tot mijn verbazing dat er een nieuwe duivenslagpoort is neergezet bij de Pabemaheerd, aan de Zuiderweg tussen Enumatil en Zuidhorn. Eerder werd daar al een nieuwe gracht gegraven, waarin een dam als nieuwe erfopgang werd neergelegd. De duivenpoort of doefkaast staat daar geheel volgens het boekje op, met een nieuw gesmeed ijzeren toegangshek tussen de stijlen.


De duivenslagpoort van Pabema lijkt gemodelleerd naar het exemplaar bij boerderij Welgelegen op het terrein van Verhildersum.

Ooit was Groningen, in samenhang met alle akkerbouw, de “duivenprovincie bij uitstek”. Tonko Ufkes, van wie deze kwalificatie afkomstig is, telde hier voor 1880 bijna evenveel duiventillen als in de rest van Nederland. Er waren toen 181 stuks hier, die huisvesting boden aan ruim 24.000 paren duiven, elk paar goed voor 6 à 8 jongen per jaar. Deze duiven waren vooral bestemd voor de consumptie en vormden een aardig inkomstenspostje.

De eigenaars waren destijds voor het gros grote boeren, naast een handjevol jonkers en predikanten. Dat kwam zo’n beetje neer op de groepen die hier vanouds grootschalig duiven mochten houden, want in de Ommelanden van voor 1795 was dat voorbehouden aan eigenaars van edele heerden, dus eigenerfden en jonkers.

Bij de grotere boerderijen zijn er echter nauwelijks duivenslagpoorten bewaard gebleven. Er staat nog een bij Vinckersum in Schildwolde, een van baksteen uit 1659. Mogelijk bevindenzich ook nog duivenpoorten bij boerderijen in Ulrum, Hornhuizen, Uithuizen en Nieuwolda. Bij borgen zijn ze meestal gelijk met de borg verdwenen, maar  bij de Nienoord (Leek) en Verhildersum (Leens) staan ze er nog, als het goed is. Bij de Fraeylemaborg (Slochteren) heb je bovendien nog een onbewoonde til.

Een exemplaar van de heerd ‘Op de Borg’ onder Wirdum, in 1779 al genoemd, ging na een boerderijbrand in 1932 naar het Openluchtmuseum in Arnhem, maar is in de oorlog verloren gegaan. In 1947 verrees er al een replica, die echter weer spoorloos verdween toen er in 1970 een nieuwe toegangspartij kwam.


Bron: Tonko Ufkes, ‘Duivenslagpoorten bij boerderijen’, Stad & Lande 12-2 (2003) 14-20.


Nat rondje Eiteweert – Leegkerk

Hoekje Langmadijk Peizermade:

Kerkweg tussen Oostwolmerdraai en Den Horn:

Bij Den Horn aan de Weersterweg. Met Californisch kenteken, dus geïmporteerd, denk je dan. Maar waarom zou iemand zo’n barrel willen importeren?

Kippen bij de kaasboerderij, Nieuwbrug:

Verregende stier op voorheen Speelwerd:

Boerderij Leegkerk:

Deze sloten bij Leegkerk, nu tot de nok gevuld, stonden van de zomer nog praktisch droog:

Ondergelopen land bij het Kliefdiep, Hoogkerk. Als hoog, door storm nog eens opgestuwd buitenwater het spuien belemmert, komt er allicht nog veel meer water op het land te staan: