Scharenslijper vraagt octrooi
Geplaatst op: 18 juli 2020 Hoort bij: Drenthe vrogger Een reactie plaatsen
Op den requeste van Claas Cool van Meppel, vertonende dat de vreemde schareslijpers hem het meeste werk onttrokken, en hij als een Lantschap ingeseten preferentie behoorde te genieten boven die lantlopers, versogte daarom met een octroij van messen en scheren in de Beiler en Diever dingspillen alleen met uitsluiting van andere te slijpen, begunstigt te mogen worden.
Hebben Heeren Ridderschap en Eigenerfden in dit verzoek gedifficulteert.
Claas Cool (Meppel ca. 1730-1810) vroeg in 1784 dus om een alleenrecht op het slijpen van scharen en messen in het grootste deel van Zuidwest-Drenthe, wat de Drentse heren kortweg van de hand wezen. Zoals gebruikelijk leverden ze er geen motivering bij, zodat je geneigd bent te denken dat ze de vrije scharenslijpersmarkt wilden beschermen, maar wellicht kenden ze Claas zijn situatie ook wat beter. Want wie mocht denken dat Claas door de concurrenten van elders bijna aan de latten hing, heeft het mis. De Meppeler was best in goede doen, getuige de boedelinventaris die opgemaakt werd bij zijn hertrouwen in augustus 1792.
Hij bleek toen een kleine 5000 gulden te hebben geërfd van zijn eigen familie, al stond daar weer 6000 gulden aan schulden tegenover. In elk geval bewoonde hij een eigen huis met hof en bezat hij ook nog een schuur met een hof en zelfs nog een graf in de kerk van Meppel. Echte armoedzaaiers kregen een laatste rustplaats op het kerkhof buiten, en zeker niet binnen een kerk. Niet iedereen sliep ook in een ledikant met behangsel, of beschikte over een porseleinkast – onder andere met chocoladekoppen – en een boekenkast met delen in kwarto, octavo en duodecimo. In zijn huis bevond zich bovendien een winkel met kisten, terwijl hij verder een “kraam na de sluijs” had, waarin onder andere een “keekjes pan” te vinden was. Mogelijk hadden ook de kwartelkooi en de eierzak met zijn nering te maken. In zijn schuur treffen we de “slijperij met sijn toebehoor” aan en verder een overdekte en een boerenwagen, met het bijbehorende wagen- en sjeesgerei. Kortom, de Meppeler had het heel wat beter voor elkaar dan zijn ambulante vakgenoten. De ene scharenslijper was de andere niet en de heren vonden dat ze de rijkere niet hoefden beschermen ten koste van de consument.
—
Bronnen: Drents Archief, Toegang 1 (OSA) inv.nr, 6.16: resoluties Landdag (Staten) van Drenthe, die van 23 maart 1784 (folio 130); en Toegang 102 (Schultengerechten) inv.nr. 151.17: momberprotocol Meppel, folio 252-377.
Een korenmolen op de Matsloot?
Geplaatst op: 16 juli 2020 Hoort bij: Drenthe vrogger 6 reacties
Het huis van Albert Eitens de Weerd/Oosterhof op een schetsje van Theodorus Beckering, ca. 1770. Collectie Groninger Museum. NB, zie windroos: het zuiden boven en het noorden onder.
In 1788 diende Albert Eitens de Weerd uit het kerspel Roderwolde zich aan op de Drentse Landdag. Hij was bakker en vertelde de verzamelde heren en eigenerfden daar, dat het hem veel moeite kostte om aan meel voor zijn brood te komen. De meest nabije korenmolen lag namelijk op anderhalf uur gaans van zijn huis. Als bakker had hij daar “veel nadeel” van en om die reden vroeg hij vergunning voor de bouw van een eigen “koornwindmolen”.
Ridderschap en Eigenerfden maakten, voordat ze een besluit op dit verzoek wilden nemen, dit eerst door “publicatie”, dat wil zeggen zondaagse kerkespraak, bekend in de omliggende kerkdorpen. Alle bezwaarden konden hun belangen inbrengen op de eerstvolgende Landdag.
Albert Eitens de Weerd (1724-1800) was inderdaad bakker, maar ook herbergier, tweepaards boer en koopman (in onder andere jenever en wijn), Een allround ondernemer, zeg maar. Met zijn vrouw en een paar volwassen, ongehuwde zoons en wat knechten woonde hij in het, vanuit Roderwolde gezien, eerste huis aan de Roderwolderdijk. Het hoorde nog net bij het streekje Matsloot in de scalp van Drenthe. Waarschijnlijk omdat hun huis het meest oostelijke van heel het kerspel Roderwolde was, ging Alberts familie zich vanaf medio jaren 1770 Oosterhof(f) noemen. Misschien heette hun huis/herberg ook wel zo. Het is nu de hoeve Eiteweert, waar – en dat is wel een beetje ironisch – tegenwoordig bakmeel wordt verkocht.
Terug naar toen. Destijds, eind achttiende eeuw, had Roderwolde geen korenmolen. Voor hun meel moesten de bewoners hetzij naar Roden, hetzij naar Peize, Voor Albert Eitens de Weerd was de dichtstbijzijnde koren- of roggemolen die van Peize en dààr kwam dan ook het enige bezwaar vandaan, dat een jaar later in de Drentse Landdag werd behandeld.
Dat bezwaar was afkomstig van mevrouw de douairière De Koning van Peize, bewoonster van het adellijk huis, dat aldaar in het dorp stond. Als Albert Eitens de Weerd toestemming kreeg om een korenwindmolen neer te zetten , zo vreesde de adellijke weduwe, dan zou dat een grote concurrent zijn voor de molen van Peize. De Peizer molen behoorde tot de boedel waarvan zij het vruchtgebruik had. Het verlies aan inkomsten zou “ten uitersten hard” voor haar zijn. De Peizer molen had er “ondenkelijke jaaren” gestaan, moest zij het nu werkelijk meemaken dat een andere molen “het grootste gedeelte van ’t gemaal daarvan zoude wegnemen”? Ze verzocht de Landdag om Albert Eitens geen vergunning te geven.
Die vergunning kreeg Albert wel, na enig debat in de Drentse Landdag. Maar kwam zijn molen er ook? Het lijkt erop van niet. Op kaarten uit de periode 1790-1820 valt hij niet te zien. Ook wordt hij niet gevonden in de Database Verdwenen Molens: niet bij Matsloot of Eiteweert en evenmin te Roderwolde zelf.
Terwijl er nog steeds een molen van Peize is – die heeft zelfs het Huis te Peize allang overleefd. Misschien is er nog proces gevoerd, en dat daarom de korenmolen op de Matsloot niet doorging. Maar een begin van dat proces heb ik de eerste tijd na de Landdag niet aangetroffen. De overheid hield het aantal korenmolens liever ook beperkt, in verband met de belasting op het gemaal. Maar misschien koos Albert Eitens de Weerd ook wel zelf eieren voor zijn geld. Vanuit het dorp Roderwolde gingen de mensen waarschijnlijk liever naar de molen in Peize (of Roden), dan om die lange, vaak zompige en dus extra vermoeiende Roderwolderdijk af te moeten gaan. De Matsloot alleen, zo is voorlopig mijn conclusie, was te klein voor een eigen korenmolen.
—
Bronnen:
Drents Archief, Toegang 1 (OSA) inv.nr. 618: resoluties Ridderschap & Eigenerfden van Drenthe 1788-1791, die van 11 maart 1788 en 24 maart 1789. Verder onder andere de heerdstedenregisters van Roderwolde (OSA 868 en 869), de retroacta Burgerlijke Stand en een registratie voor de Burgerwapening uit 1797/1798 (OSA 1383) naast enkele advertenties in de Groninger Courant.
Naschrift 5 augustus:
Kreeg via mail bericht dat de molen van Peize destijds niet in het dorp Peize, maar bij de Molenbrug aan het Peizerdiep stond, aan de overkant van het Tichelwerk in Foxwolde. Dat maakt het des te begrijpelijker dat een molen op de Matsloot onbegonnen werk was.
De pokken op Smilde (1775)
Geplaatst op: 15 juli 2020 Hoort bij: Drenthe vrogger 2 reactiesAls schulte Hendrik Hummel van Hoogersmilde in februari 1775 verslag uitbrengt van de toestand der Smildiger vaart, deelt hij zijn superieur tot besluit van zijn epistel ook nog wat meer persoonlijks mee. Als de weersomstandigheden het toelaten, vertelt hij, gaan hij en zijn vrouw de volgende dag naar hun dochter in Diever. Dan wordt namelijk haar oudste zoon – dus zijn kleinzoon – begraven. De jongen is aan de pokken gestorven. Gelukkig heeft Hummels dochter nog een jongen en een meisje die nauwelijks symptomen vertonen. Hummels andere dochter, die bij hem op de Smilde verblijft, is weer van de ziekte hersteld, “maar heeft ook gehad’. Hummel laat zijn relaas vervolgens naadloos overgaan op een schets van de plaatselijke toestand meer in het algemeen:
“Daer zijn op de Smilde al dood 11 à 12 en ongeveer wel hondert over” (patiënten die de ziekte overleefden, HP). “Onze schoolmeester heeft in de school gehat, in de tagtig en is geweest dat maer 7 à 8 het [niet hadden]. Daer is bij naest geen huis vri…”
Gelukkig was Hummel niet heel erg zakelijk in zijn schrijven, anders hadden we dit epidemiologische rapportje uit het Drenthe van de achttiende eeuw gemist.
—
Bron: brief van H. Hummel, Smilde 9 februari 1775 in ‘r Drents Archief te Assen, Toegang 1 (OSA) inv.nr. 1273: schouwrapporten, bepaaldelijk dat van 16 mei 1775.
Weerzien met Nijeveen
Geplaatst op: 13 juli 2020 Hoort bij: autobio, Drenthe 2 reactiesHet andere reisdoel was de boerderij “op Nijevene” waar ik begin jaren zeventig vakantiewerk deed. Vanaf de Paradijsschut wist ik niet goed welke route de kortste was. Linksom, langs Meppel, of rechtsom, langs een ruilverkavelingsweg. Ik gokte op rechtsom, en maakte een enorme omweg.
Eerst langs de Noksloot en de Nijeveense Stouwe:

Op de Hoofdvaart dobberde een binnenvaarder met een zorgvlag, ‘de Pronckert‘ uit Leeuwarden:

In de Noksloot viel me dit boeketje op:

Zelfportret met wielrenwichie, mais- en bietenveld:

Dorpsgezicht langs mais:

Möppelt in de verte:

Boven me cirkelden twee buizerds en riepen “kieuw, kieuw” naar elkaar:

Toch jammer dat lijsterbessen lang niet zo goed smaken als ze eruitzien:

Dorpsgezicht Nijeveen:

Eindje verderop:

Ik trof de bewoner thuis. Een poosje geleden erfde hij de boerderij van zijn broer, die vroeger bij mijn vader op kantoor werkte. ’s Middags had die broer een antiekhandel en daar hielp ik hem bij zomerdag wat bij. Tegeltjes uit Staphorst versjouwen en zo. Deze barokke vaas is overigens puur nep en komt bij de Tuinland vandaan:

Schuur achter het huis. Destijds lag hier nog gras en deed ik er nog pogingen om pony’s te beleren, wat een fantastische rodeo opleverde, waar ik nu graag een filmpje van had gehad:

Het Drentse veldkeienstraatje, dat ik aan het eind van iedere werkweek aanveegde:

De schuren die ik in de carbolineum zette, terwijl de laatste ooievaars van Nederland een eindje verder op dit erf klepperden en radio Tour de France uit de transistorradio klonk:

Dit sluitwerk werkt niet:

En vot maor weer:

Naar de Paradijssluis
Geplaatst op: 12 juli 2020 Hoort bij: Drenthe 9 reactiesDonald Duck op het fietsstuur van een medepassagier:

Nam zelf mijn fiets niet mee, omdat ik in Meppel bij het station wel een fiets kon huren, dacht ik. Was niet zo, de zaak bleek dicht op zondag en dus ging ik maar lopen. Langs de Wilhelminastraat bijvoorbeeld:

Openlucht-artiest voor schouwburg Ogterop:

Uithangbord in de Hoofdstraat met het wapen van Meppel en een schilderspalet:

Christo’s laatste, onvoltooid gebleven project:
Engeltje, zo te zien van eind zeventiende, begin achttiende eeuw, hoog op een trapgevel in de Hoofdstraat:

Jugendstil-ornament, nog steeds in de Hoofdstraat, die om 10 uur vanochtend ontstellend rustig was:

Kruisstraat met Chinese lampions:

Vanaf het Noordeinde – agro-industrieel complex met Amerikaanse allure:

Op de wal van de Hoofdvaart dit paardensportwagentje, dat langzamerhand overwoekerd raakt:

Voorheen scheepswerf Worst:

Nu met doorzonloods:

Het eerste doel van de reis – de Paradijsschut, waarover ik een verhaal schrijf:

Vlak erbij ligt de Kikkerij, in de achttiende eeuw een herberg, inmiddels een camping aan het water:

De Paradijssluis – volgens de sluiswachter vandaag met een verval van 2 meter:

Dan wil ’t wel broezen:

Drentse herenjacht had Groninger stadsjacht als model
Geplaatst op: 3 juli 2020 Hoort bij: Drenthe vrogger, Het Noorden, Stad toen 2 reactiesNa de aanleg (1769-1771) van de Smildinger- of Landschapsvaart, zoals destijds de Drentse Hoofdvaart nog vaak genoemd werd, wilden de Drentse Landschapsbestuurders voor de periodieke schouw van hun kanaal een eigen herenjacht, en wel naar het model van het Groninger stadsjacht:

Zo zou het er ongeveer uit moeten zien:

Van het Groninger voorbeeld is er maar één afbeelding, en inderdaad vertoont dat enige gelijkenis:

Het Groninger Stadsjacht op een kaart van de Eemsdijken door Henricus Teysinga, 1738. Collectie Groniner Archieven 0817-1112.
Alleen is het schip hier onder zeil op zee, terwijl het in Groningen, zowel als in Drenthe hoofdzakelijk voor de vaart op kanalen bedoeld was. Zo’n binnenjacht mocht dan wel beschikken over zeilen, bij de heersende windrichting (zuidwest) begon je daar met name in de Groninger veenkoloniën maar weinig mee. Dan hadden ze in Drenthe wat meer geluk met die wind: van Assen naar Meppel moest je er weliswaar tegenin, maar van Meppel naar Assen kon je vaak wel zeilen. Echter, mede vanwege de vele bruggen en sluizen zal ook in Drenthe zo’n jacht vaak ‘gejaagd’ zijn door een scheepsjager met zijn paard. Het casco van zo’n binnenjacht leek dan ook vooral op dat van een snikke of trekschuit.
In Drenthe waren de heren nautisch misschien wat minder onderlegd, en ze informeerden eerst maar eens via diverse stromannen wat erbij de bouw kwam kijken:

Opmerkelijk genoeg deden ze dat niet in Groningen, waar ze hun voorbeeld vandaan haalden, of in Friesland (Leeuwarden en Dokkum), waar de stad Groningen zijn stadsjachten betrok. Nee, in weerwil van alle goede naber- en vrundschap, waar zo vaak mooie woorden aan werden gewijd, deden ze dat vooral in Holland. Er kwamen twee bestekken van scheepsbouwers binnen, waarvan er een, dat van Cornelis van der Bijl uit Warmond bij Leiden, ook voorzien was van een kostenplaatje of begroting:.

Deze ‘offerte’ voor het casco namen de Drentse heren graag aan. Met alle opgoed (mast, zeilen, tuigage, vlaggen, meubilair en huisraad) zou hun statenjacht uiteindelijk iets meer dan 800 gulden kosten. Toen hun archivaris later de stukken in een lias bundelde en opborg, vermeldde hij op de rug met enige trots dat het Groninger stadsjacht wel 5000 gulden had gekost:

Met andere woorden: lekker puh, wij Drenten doen het veel goedkoper. Dat was echter niet helemaal de waarheid, zoals Meindert Schroor ons leert. Voor de casco’s van hun nieuwe stadsjachten betaalden Burgemeesteren & Raad van Groningen respectievelijk in 1705 de somma van 400 gulden, in 1725 bijna 1600 gulden en in 1761 een bedrag van 2500 gulden. Gemiddeld dus 1500 gulden. De Drenten waren dus absoluut zuiniger, okee, wel drie keer, maar toch lang niet zoveel als ze lieten voorspiegelen. Kennelijk waren ze bevangen door een Veendammer wind vanuit het noordoosten.
(Wordt vervolgd.)
Bronnen (behalve de gelinkte):
- Drents Archief, Toegang 1 (Oude Staten Archieven) inv.nr. 1286: “Jagt voor de landschap op de Smildingervaart”, stukken m.b.t. de aankoop door Drenthe van een casco voor een herenjacht, 1772/1773.
- Meindert Schroor, ‘Groninger Stadsjachten werden in Friesland gebouwd’, Fryslan 2009-4, pag. 6-10.
Arbeiders bij voorbaat gewaarschuwd
Geplaatst op: 2 juli 2020 Hoort bij: Drenthe vrogger, Geschiedenis Een reactie plaatsen
Zo berucht waren dijkwerkers, polderjongens en kanaalgravers om hun vernielingen en stakingen, dat de heren van Drentse in het voorjaar van 1769 een speciaal artikel aan wijdden in hun bestek voor de Smildiger-, Landschaps- of ook wel Drentse Hoofdvaart. Baldadigheden, ongeregeldheden en ordeverstoringen, de heren moesten er niets van hebben en dreigden bij voorbaat met de strengste straffen.
Zulke bestekken zullen vrij veel bewaard zijn gebleven in archieven van provincies, steden, waterschappen en polderbesturen. Vraag me nu af of dit een standaard-artikel was, of dat de Drentse heren wat banger waren aangelegd dan die van elders.
Drenthe krijgt zijn eerste wegwijzers
Geplaatst op: 1 juli 2020 Hoort bij: Drenthe vrogger Een reactie plaatsenOp de Drentse Landdag van 21 maart 1780 doet Drost Van Heiden het voorstel om ter bevordering van het vreemdelingenverkeer wegwijzers neer te zetten op strategische plekken in de Landschap. Blijkbaar waren die er nog niet, of veel te beperkt aanwezig::
De Heer Drost S.P.A. van Heiden heeft ter vergadering voorgedraegen dat de passage door dese Landschap voor de onkundige uitlanders merkelijk zoude worden gefaciliteert, bijaldien op de vereischte plaetsen an de publique Heeren wegen behoorlijke hand- of wegwijsers wierden geplaa[t]st en onderhouden.
Waarop gedelibereert sijnde, hebben Ridderschap en Eygenerfden den Heer Drost verzogt en geauthoriseert om de nodige ordres te expediëren dat zodanige wegwijsers conform dese propositie ten koste van de Landschap mogen worden gesteld.
Veel toerisme was er nog niet, slechts enkele vreemdelingen waagden zich voor hun genoegen in Drenthe. Omgekeerd gingen Drenten er ook niet veel op uit. Misschien bezocht iemand eens een grote stad als Groningen. Zwolle of Kampen; bij gelegenheid gingen beter gesitueerde Drenten ook wel eens naar Amsterdam, Bentheim, of Kleefsland, maar daar heb je het wel mee gehad. De wegwijzers van Van Heiden Reinestein legden al vroeg de basis voor een veel grootschaliger vreemdelingenverkeer in Drenthe. Dat het regionale ‘parlement’ er meteen het nut van inzag, blijkt uit het feit dat de Landschap de kosten zou betalen.
Aanvulling:
Op de Landdag van maart 1783 bleek dit overigens niet van lange duur. Drost en Gedeputeerden deden daar het voorstel
dat de palen en wegwijsers, onlangs gesteld, inkomstig ten laste van de Carspelen in dien staat, waarin dezelve tegenswoordig zijn, zullen worden onderhouden en de schouwe subject zijn.
Het onderhoud werd dus afgewenteld naar het lokale bestuursniveau. Ridderschap en Eigenerfden, samen de Landdag vormend, stemden weliswaar hiermee in, maar of dit een positief effect op de onderhoudstoestand heeft gehad?
—
Bron: Drents Archief Assen, Toegang 1 (Oude Staten Archieven) inv.nr. 6.15 en 6.16 resoluties Ridderschap & Eigenerfden 21 maart 1780 en 25 maart 1783.
Rondje Ezinge
Geplaatst op: 28 juni 2020 Hoort bij: Westerkwartier 5 reactiesLeegkerk – de nieuwsgierigste van het stel blaarkopjes:

Grazige weiden iets ten noorden van Aduard:

Bij Fransumer Voorwerk in de buurt, deze blackfaced sheeple:

Mooie beesten, toch:

In Ezinge kreeg de voormalige gereformeerde kerk een nieuw dak:

Mijn beide achterneven Freerk en Johannes Nienhuis, toen ze nog leefden en in Feerwerd woonden. op het achtererf van hun boerderij, Onnesweg 18:

Landschap tussen Ezinge en Allersma:

Tarweveld bij Aduarderzijl:

Antumerweg – ieder zijn meug, de een vreet topgras, de ander vreet riet:

Bij Garnwerd, op het nieuwe fietspad richting Winsum aan de binnenkant van de Reitdiepdijk. Ik verbaas me dus over de populariteit in deze periode van ’t skaten, dat veel meer ruimte inneemt dan fietsen, zodat je er op zulke paden heel gemakkelijk mee in andermans cirkel komt:

Wat die bloem hier in haar uppie moet aan de binnenkant van de dijk? Is ze natuurlijk of gaat het om een restante tuinplant?

Landschap bij Hekkum:

Het haventje van Sauwerd, dat ik nog nooit had gezien:

Boerderijdak, Sauwerd:

Melkenstijd bij de Walfridusbrug:

Graffiti op de Walfridusbrug – de molen in de verte, de Wilhelmina van Noorderhogebrug, heeft geen optimale molenbiotoop:

Na de demo tegen onze gezondheid
Geplaatst op: 28 juni 2020 Hoort bij: De actuele wereld, Stad nu 4 reactiesKwam om een uur of half zes langs het Stadspark, waar die demonstratie tegen de anti-coronamaatregelen was geweest. Op de Paterswoldseweg zag ik al een laatste gast. Hij had zichzelf in een Zuid-Afrikaanse vlag gewikkeld. Het werd ook al wat frisser. Op het hek bij de ijscoboer prijkte een karton dat een lied van Pisuisse aanhaalde:

Als je je niet door moordenaars op termijn wil verzuipen in de etter, dan ben je iemand die niet durft te leven. Lekker dan.
Dat durven leven komt trouwens vaak neer op ongebreideld zuipen. Niet voor niets zong Ramses Shaffy dat lied zo graag. Een eindje voorbij de plek waar de demonstratie had plaatsgevonden, trof ik dit tafereel aan. Op de prullenbak staat nota bene een sticker: If it doesn’t fit, neem dien aigen boudel mit. Een boodschap die duidelijk niet werd begrepen:

In het papavermeer
Geplaatst op: 28 juni 2020 Hoort bij: autobio, Drenthe, Uncategorized 1 reactieToen ik vorig weekend de klaprozenvelden bij Huis ter Heide passeerde, moest ik meteen denken aan een boek van Slauerhoff. Het ging om passages tegen het eind van dat boek, wist ik nog. En dat het boek op de lijst stond voor mijn eindexamen. Via een oeuvre-overzicht vond ik de titel. Het bleek te gaan om Het leven op aarde. Dit zijn de citaten die passen bij de situatie daar in Drenthe:
De papavers deinden in de wind, welig warm en rood. Daartussen groeiden alle andere bloemen. De geuren kon ik nog niet onderscheiden, gewend als ik was aan alleen de lucht die over het water en tussen de muren hangt(…)
Ik waadde door de papavers. Eén ging mij tegemoet; in het midden, waar het meer het diepste was, ontmoetten wij elkaar. De hele verdere dag bleven wij gevlijd op de met rode blaadjes bedekte, van zon doorstoofde en zacht naar zaad geurende bodem.
Bij haar liggend op de zachte matten, omgeven door papavers dichtbij in vazen als rode vlokken, in de verte als één meeroppervlak (…)
Een gevoel van berouw en verlatenheid beving mij, dat niet dadelijk weer week toen ik zag waar ik was: in een papavermeer, wijd en diep, onbewoond.
Toch knap dat een schrijver kan zorgen voor teksten die zo lang in iemands memorie beklijven – mijn eindexamen is op enkele jaartjes na een halve eeuw geleden. Ik had toen ik het boek las geen enkele ervaring met drugs, laat staan met opium. Dat aspect van Slauerhoffs tekst herkende ik simpelweg niet, nu wel: het is een gesublimeerde beschrijving van een roes die als metafoor fungeert.
Toen ik lang na de lezing van Slauerhoffs boek zelf eens opium kreeg aangeboden, en het ook uitprobeerde, vond ik het maar een vervelend goedje. Je werd er zo slaperig van. Het is bij die eenmalige ervaring gebleven.
De eerste verlaatsmeesters van de Drentse Hoofdvaart
Geplaatst op: 27 juni 2020 Hoort bij: Drenthe vrogger 2 reactiesBen vrijdagochtend naar het Drents Archief in Assen geweest voor de archivalische nalatenschap van de Administrateur der Vaart en Venen. Ik trof er een buitengemeen rijke administratie aan, met onder andere de kwitanties voor daglonen, uitgekeerd aan bijvoorbeeld de turfgravers en zandschieters die voor de Landschap Drenthe werkten. Ook de verlaatsmeesters die de sluizen in de nieuwe Hoofdvaart bedienden en er woonden in de daarbij gebouwde huisjes – vaak tevens winkels en tapperijen – dienden voor buitengewone of extra werkzaamheden rekeningen in, waarvan er vier hieronder zijn gereproduceerd.

Adam Mennes kwam van de Kiel-Windeweer, waar hij en zijn vrouw Grietje tussen 1750 en 1764 een heel rijtje kinderen kregen. Kiel-Windeweer ligt vlakbij Spijkerboor, waar de landmeter Lambertus Grevelink, de ontwerper van de Drentse Hoofdvaart, destijds nog woonde. Waarschijnlijk heeft die Adam Mennes aangenomen om in 1770 de verlaatsmeester te worden van het benedenste verlaat, naderhand de Paradijsschut geheten. Deze lag vlakbij Meppel, maar nog op Havelter grondgebied. Mennes zal omstreeks 1785 overleden zijn, waarna zijn schoonzoon hem opvolgde.
De nota’s van Mennes in het archief van de Administrateur der Vaart en Venen verschillen steeds qua handschrift. Kennelijk stelde iemand anders steeds de rekeningen op, die Mennes dan vrij onbeholpen ondertekende. Schrijven kon hij dus wel, maar daar is ook alles mee gezegd.
In 1774 werkte Mennes, afgezien van de bediening van het verlaat, nog 22 dagen los voor de Landschap Drenthe. Zijn loon bleek 13 stuivers per dag, waarmee hij vrij hoog in de boom zat, vergeleken bij de agrarische daglonen die ik uit het Havelter momberprotocol optekende.

Berend Doggen kwam van Nijeveen, waar hij in 1742 geboren werd. Hij was de verlaatsmeester van de Boskampschut (iets ten zuiden van de huidige Boskampbrug in Havelte) die ook wel eens het Overcingeverlaat heette, hetzij omdat de Boskamp nog bij Overcinge hoorde, hetzij omdat je het huis van stand nog in de verte kon zien liggen, iets wat nu onmogelijk is door al het aangeplante bos. Ergens in de Franse tijd werd het Boskampschut opgeheven en verwijderd, zodat deze sluis niet meer op de kadasterkaart van 1830 te vinden is.
In 1787 werkte Doggen aan verschillende bruggen en schutten elders langs de Hoofdvaart. Anders dan bij zijn collega Adam Mennes van het benedenste verlaat, was Doggens handschrift van rekening op rekening wel uniform. Zijn dagloon was nog hoger dan dat van Adam Mennes, namelijk 16 stuivers.

Jochem Ysebrants, ook wel Jochem Bakker. De huidige Haveltersluis had in de jaren 1770 twee namen: de Pastoorssluis en de Bakkerssluis. Die eerste naam dankte ze aan de vergraven Pastoriegrond of Papenweide op deze locatie. De tweede naam kwam in de wereld dankzij verlaatsmeester Jochem Ysebrants, naar zijn andere beroep ook wel Jochem Bakker geheten. Hij kwam van De Blesse en was ook wat betreft zijn bakkerij een eerste in een lange reeks: op de locatie van het verlaatshuis heeft ruim 200 jaar (tevens) een bakkerij gezeten, wijlen mijn klasgenoot Geert Bergman was de laatste uit de lange reeks uitbaters.
In 1777 declareerde Jochem Isebrants drie dagen werk voor een totaalbedrag van een rijksdaalder, wat neerkomt op bijna 17 stuivers per dag. Dat was iets meer dan zijn collegae van de twee lager gelegen sluizen.

Lucas Schenkel was de eerste verlaatsmeester van de nog steeds bestaande Uffeltersluis. Hij kwam van Hoogezand, waar hij 1737 geboren werd en in 1767 trouwde. Vermoedelijk kwam ook hij in het kielzorg van landmeter en kanaalontwerper Lambertus Grevelink. Schenkels vrouw kwam uit Nieuwolda, waar Grevelink ook weer connecties had.
Overigens had je in mijn tijd (jaren 60 en begin jaren 70) twee café’s Schenkel in Uffelte. Het ene, aan de Rijksweg (westkant vaart), had een groot bord bij de weg staan: “Het vanouds bekende café Schenkel!” Meen dat dit wel enigszins bezijden de waarheid was. Het allereerste café Schenkel zal namelijk gehuisvest zijn geweest in de verlaatsmeesterswoning die weliswaar eveneens aan de westkant van het kanaal stond, maar veel dichterbij de tweede Uffelterbrug. Het zogenaamd vanouds bekende café is nu ter ziele, al hangt er nog wel een bierspiegel op een aanbouw. Het nog steeds bestaande brugcafé was voor de coronatijd al gesloten, volgens welingelichte kringen definitief.
Lukas Schenkel werkte in 1774 achttien dagen los voor de Landschap, en declareerde daarvoor 9 gulden, maakt 10 stuivers per dag, veel minder dan zijn drie collegae stroomafwaarts naar Meppel.
Dikke dogge
Geplaatst op: 27 juni 2020 Hoort bij: Drenthe, Kunsten 8 reactiesAasje oet station van Hazzen kommen, stait doar een haile dikke hond op wacht. Ain richtige helhond! Nont zwoait nait vrundlik mit steert zoas ome Loeks zien peerd veur ’t station van Grunnen dat döt. Hai het ook aignlieks niks op mit Grunnegers, ken’k joe vertellen:

Mie luit e doodmakkelk pazzeren omdat ik mit mien paspoort ’n jeugd op Drenthe antonen kon. Moar wees woarschaauwd: gewoonlieks luit e gain enkelde Grunneger deur. Zölfs gain lutje potje of beudel! Votdoalik as e doar de lucht van ien neuze krigt, springt e der bovenop en den is ’t hap, sloek, vot, inains deur zien monsterachtige moele. Den binje haailendaal verzwonnen veurdat je ’t waiten! En gainaine dei wait woar je bleven bin’n. Aldertreurigst ist, ook veur de femilie!

‘k Zol der moar baange veur wezen, hè?! Ik heb joe woarschaauwd en woarschaauwd mins telt veur tweie. Laiver Blojan den Dojan. Pas op hur, woart joe veur dei hond!


Recente reacties