Rondje Briltil
Geplaatst op: 5 april 2020 Hoort bij: Westerkwartier 1 reactieBij het Hornpad op een slootwal, Den Horn:

Langs de Zuiderweg, Zuidhorn:

Op dezelfde plek:

Kerkhof Jellemaweg Zuidhorn:

Briltil:

Achtererf op ’t Faan:

Feest in Enumatil:

Lammeren bij het Hoendiep:

Royale waarschuwing
Geplaatst op: 4 april 2020 Hoort bij: Uncategorized 9 reactiesHad dit bordje niet eerder opgemerkt,. Het staat bij het pad langs het Wolddiep, in Enumantil.


Rondje Yde
Geplaatst op: 31 maart 2020 Hoort bij: Drenthe, Uncategorized 3 reactiesDrentsedijk naar Peize:

Peizerhorst:

Speenkruid in een slootje:

Ponyveulen bij het vliegveld:

Bolhuisgat:

Duinstraat, richting De Punt:

Hooglanders bij de boerderij van Natuurmonumenten, westkant Eelde:

Hiervan cirkelden er twee boven de Roderwolderdijk in de Onlanden:

De achternaam Zonderbroek
Geplaatst op: 29 maart 2020 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties
Louis Léopold Boilly (1761-1845), Sans-culotte.
In het Lutherse doopboek van Nieuwe Pekela staat een paar maal de familienaam Zonderbroek genoteerd (1793, 1796). De vader was beide gevallen ene Fridrich Fridrichs Zonderbroek, getrouwd met een Geertje Harms. Een lang leven was diens achternaam niet beschoren – ze heeft de naamsaanneming van 1811 niet overleefd, althans niet in Groningen; wel was er nog een enkele naamdraagster die in 1857 genoemd wordt in het overlijdensregister van Haarlem.
Bij de naam Zonderbroek kan men zich van alles voorstellen, maar als je het mij vraagt, is het waarschijnlijk niet toevallig dat ze in het jaar 1793 opdook. De Franse Revolutie was behoorlijk aan het radicaliseren en de sansculotten kwamen in Parijs aan de macht: nijvere koop- en ambachtslieden die anders de de elite geen luxe kniebroeken (of culottes) meer droegen, maar eenvoudige werkmansbroeken met lange pijpen. Fridrich moet de revolutie via de krant hebben gevolgd en koos partij. Naar de sansculotten noemde hij zich Zonderbroek.
Een slang aan de Peizerweg
Geplaatst op: 28 maart 2020 Hoort bij: Kunsten, Stad nu Een reactie plaatsen
Dat wil zeggen: graffiti op een loods die te vinden is op het Suikerfabrieksterrein, maar die alleen zichtbaar vanaf de Peizerweg.
Medicijnenafhaalautomaat
Geplaatst op: 28 maart 2020 Hoort bij: Kunsten, Stad nu, Uncategorized 1 reactieAl een tijdje hangen bij een apotheek aan het Hoendiep twee automaten met stripachtige tekeningetjes, die me in het voorbijgaan zeer intrigeerden. De automaten blijken te dienen voor het 24/7 kunnen afhalen van medicijnen zonder dat je binnen bij de apotheekbalie hoeft te zijn – het gaat dan bijvoorbeeld om anticonceptiepillen. De prachtige tekeningetjes, van niemand minder dan Joost Swarte, leggen uit hoe het globaal werkt:
Rondje Roderwolde
Geplaatst op: 27 maart 2020 Hoort bij: Drenthe, Onlanden 3 reactiesHier en daar staan er honderden van deze langs het fietspad naar Roderwolde:

Hooiweg, Roderwolde – bijna alle bomen dragen gele stippen:

Het roggeland werd bemest:

De blaffende, maar kwispelende waakhond van de Waalborg:

De Waalborg zelf, nog onbelommerd:

Ollerwetse koeienmestbult – het ruikt er heerlijk, straks zien we hier weer zwaluwen:

Het wegje naar het noorden:

Matsloot – ook (de) bomen bij het gemaaltje moeten eraan geloven:

Een teken des tijds
Geplaatst op: 26 maart 2020 Hoort bij: Uncategorized 2 reactiesBij de Paalkoepel aan de Meerweg, zuidkant Paterswoldsemeer:

‘De grootste boer van Nederland’
Geplaatst op: 25 maart 2020 Hoort bij: Familie, Geschiedenis, Stad toen 3 reacties
Onder de kop ‘De grootste boer van Nederland’ wijdde het familieblad Revue in 1963 een artikel aan de uitgebreide bezittingen van de stad Groningen in Oost-Groningen, waarbij het de Groninger burgemeester Jan Tuin in verschillende agrarische situaties liet poseren als hereboer.
Gek genoeg bevat het stuk geen interview met of citaten van Tuin. Het is ook geen reportage, zoals het zich eerst voordoet. Het behelst qua tekst vooral een feitenrelaas van voorlichtende aard, waarvan ik vermoed dat Jan Tuin de informatie zelf aan de Revue verschafte. Het blad hoefde dan een en ander alleen wat smeuiïger op te schrijven, wat overigens tamelijk goed gelukt is.
De stad Groningen had destijds nog twee grote boerderijen die ze nog zelf exploiteerde, een bij de Dollard en de ander bij Ter Apel, samen 1200 hectare groot. Twee andere boerderijen, beide in de Ruigezandster polder, samen 400 hectare groot, werden periodiek verpacht. Dan had de Stad sinds de vervening nog 10.000 hectare in Oost-Groningen in bloot eigendom, maar ook 80 kilometer kanaal, 40 kilometer weg, 19 sluizen, 50 bruggen, 40 vonders en 47 woningen die haar in tegenstelling tot de boerderijen bij de Dollard en Ter Apel alleen maar geld kostten.
De boerderijen bij Ter Apel en de Dollard leverden de Stad jaarlijks nog een mooi sommetje op. Als burgemeester was Jan Tuin eindverantwoordelijk voor de exploitatie.
Dat de Revue hem portretteerde als “de grootste boer van Nederland”, zal vele Groningers die week hebben doen glimlachen. Ze droegen hun burgemeester op handen en vereenzelvigden zich bijna met hem. Dat kwam doordat Tuin van zeer eenvoudige komaf was. Hij stamde uit een landarbeidersfamilie in Finsterwolde – heel wat anders dan een boer! Zijn vader Harm, een anarchistische dagloner en geheelonthouder, verkocht vanuit ‘t huis aan de Klinkerweg socialistische en anarchistische lectuur en dankte daaraan de bijnaam ‘Harm Boukje’.
Als onderwijzer in Finsterwolde, Winschoten Oude Pekela, was zoon Jan Tuin regionaal actief voor de SDAP en maakte via de Groninger Staten carrière in de politiek: burgemeester van Hoogezand (1937), gedeputeerde en kamerlid voor de PvdA (1946) en burgemeester van de stad Groningen (1951). Jan Tuin was hier de eerste sociaaldemocraat in deze functie. Vanwege zijn komaf en politieke kleur bestond er aanvankelijk wel wat weerstand tegen hem, maar hij overwon die door zich van meet af aan onpartijdig op te stellen. In het college van B&W nam hij de zware wederopbouwportefeuille op zich, met woningbouw, stadsuitbreiding en verkeerszaken. Onder zijn verantwoordelijkheid kwamen o.a. het nieuwe (inmiddels weer gesloopte) stadhuis op de Grote Markt, het hoofdbureau van politie aan de Rademarkt en zwembad de Papiermolen tot stand.
Bij zijn pensionering in 1965 waren links en rechts het erover eens, dat ze ‘een echte burgervader’ kwijtraakten, die steeds boven de partijen stond en gewaakt had voor handhaving van een goede sfeer. De bestuurlijke spil van de Groninger wederopbouw kreeg een geweldig afscheid met o.a. een défilé van duizenden Groningers en hun organisaties op de Grote Markt.
Jan Tuin, een neef van mijn grootvader – de gezinnen woonden naast elkaar in Finsterwolde – was tevens de ontwerper van de Groninger vlag zoals die nu nog steeds in gebruik is. De toegang tot zijn archief staat sinds vannacht online.
—
Bron: Groninger Archieven, Toegang 3043 , archief Jan Tuin (1919 – 1972), met name inv.nr. 29: Revue, Nederlands familieblad, 7 september 1963, met op pag. 8-10 ‘De grootste boer van Nederland’.
De Groninger pepernotenkwestie
Geplaatst op: 23 maart 2020 Hoort bij: Stad toen 2 reacties
Op 18 februari 1640 liet het Groninger stadsbestuur een plakkaat in de stad ophangen, dat de oprichting van het koekenbakkersgilde bekend maakte. Voortaan was het voor mensen die geen lid van dit gilde waren, verboden om
“eenige koeken ofte pepernoten te backen, vercopen ofte te kope holden, voor ende aleer sij de gilde gewonnen ende voldaen sullen hebben…”
Dat de leden van het nieuwe gilde het alleenrecht verwierven op het bakken en verkopen van koek, sprak vanzelf. Maar dit privilege of monopolie gold ook voor pepernoten, die, naar het zich laat aanzien, hier voor het eerst in een Nederlands geschrift zijn genoemd.
De uitsluiting zat de wegge- of broodbakkers niet lekker, zoals jaren later bleek, bij een juridisch steekspel om de afbakening tussen hun gilde en dat van de koekenbakkers. In 1640 konden de koekenbakkers nog lid zijn van beide gilden, maar daar wilden de broodbakkers in 1658 vanaf. Volgens het laat-middeleeuwse Stadboek mocht een burger namelijk maar één enkel ambacht uitoefenen en dus van één enkel gilde lid zijn. De koekenbakkers van hun kant, beriepen zich echter op hun oprichtingsakten, besluiten en jurisprudentie uit de tussenliggende jaren, waarbij ze tevens mochten broodbakken, als ze tenminste ook lid waren van het broodbakkersgilde, een regeling waarmee de broodbakkers nota bene zelf hadden ingestemd, zodat die daar nou niet over moesten gaan miepen.
Dat vonden Burgemeesteren en Raad ook, want die gaven de koekenbakkers gelijk met hun vonnis,
“dat de tegenwoordige gildebroeders, haar kinderen en nakomelingen, alsook hun knechten die al te boek bekend staan, in hun voor dezen bekomen recht van beide gilden te mogen winnen en uitoefenen, zullen mogen voortgaan, zonder meer.”
De broodbakkers lieten het er niet bij zitten. In 1660 haalden ze alle achttien gewone gilden over, om een gezamenlijk verzoekschrift bij het stadsbestuur in te dienen, dat vroeg om het dubbellidmaatschap van gilden te verbieden. Het uitoefenen van twee neringen door één persoon zou namelijk sterk toenemen, in weerwil van het Stadboek en diverse jurisprudentie. Burgemeesteren en Raad willigden dit collectieve verzoek inderdaad in, maar maakten daarbij een uitzondering voor de brood- en de koekenbakkers, die zich moesten blijven houden aan de uitspraak uit 1658, al behielden de heren zich wel het recht voor om daar ooit nog eens verandering in te brengen.
Al na een week, begin februari 1660, tekenden de broodbakkers op één onderdeel beroep aan tegen deze uitspraak, namelijk op het punt van de pepernoten, die, zoals we hebben gezien, sinds 1640 louter en alleen door de koekenbakkers mochten worden gemaakt en verkocht.
De broodbakkers betoogden daarbij dat ze het op één na oudste gilde van de Stad vormden. Hoewel ze “van oudsheer” het recht op het bakken van pepernoten hadden gehad, was ze dat vanaf 1640 tot hun “merkelijke schade” verboden door de koekenbakkers. Knarsetandend moesten ze sindsdien aanzien,
“dat de gansche stadt door op hoeken van de straten, in de poorten, corps de guarde, herbergen, op bruggen ende selfs naast de bakkershuisen pepernoten worden verkoft van lieden die men niet en weet waar se van heergekomen zijn (venters HP), dat ook van dezelve naar gelegenheyt van tijdt dikwijls bij nagte op gastmalen en anders niet alleene pepernooten, maar ook krakelingen en koekjes werden verkogt…”
Het broodbakkersgilde, zo zeiden zijn bestuurders verder, was een groot gilde dat nog voortdurend groeide. Er leefden vele gezinnen van de broodbakkersnering. Ook de stadsarmen profiteerden er behoorlijk van mee. Met klem, maar ook “zeer deemoediglijk” verzochten ze het stadsbestuur om herziening van het stedelijke pepernotenbeleid, vooral ook omdat hun gilde in 1640 niet was gehoord bij de oprichting van het koekenbakkersgilde. Ze wilden dus graag weer zelf die uiterst populaire bakseltjes kunnen produceren.
Ditmaal gaven Burgemeesteren en Raad toe: voortaan mochten ook de broodbakkers pepernoten bakken. De koekenbakkers appelleerden nog wel tegen deze uitspraak, maar tevergeefs, ze waren hun monopolie kwijt: in april 1660 liet het stadsbestuur het bij de nieuwe regeling. Naderhand werden in de gilderol der broodbakkers ook triomfantelijk en met ere de namen van de gildebestuurders opgetekend, die het pepernotenmonopolie van de koekenbakkers hadden gebroken.
Bronnen:
- Plakkaat Burgemeesteren en Raad (B&R) 18 februari 1640, in afschrift in Groninger Archieven, Toegang (Tg.) 1325 (gilden) inv.nr. 99;
- GrA, Tg. 1534 (Volle Gericht) inv.nr. 127: rechtdagnotitie 13 mei 1658;
- Resolutie B&R 28 januari 1660;
- Rekest aan en apostille van B&R 4 februari 1660 (afschrift in Tg. 1325 (gilden) inv.nr. 1;
- Resolutie B&R 14 april 1660.
Koekassortiment
Geplaatst op: 22 maart 2020 Hoort bij: Stad toen 2 reactiesIn 1738 sprak het Groninger koekenbakkersgilde af, dat dit voortaan het assortiment zou zijn:

Ik verklap geen nieuws, als ik zeg dat de Groninger koek eigenlijk een Deventer koek was. Anno 1738 kenden de Groninger koekenbakkers zelfs helemaal nog geen Groninger koek. Reken maar dat ze die hadden genoemd, als die bestaan had. Zelfs het oudste recept van de Groninger koek, uit 1766, was er een van Deventer koek.
Die koek was er in verschillende zwaartes van een half tot ruim anderhalve pond (of 15 tot 52 lood). Je kon hem ook in een kruidkoekvariant kopen, die wat duurder was. Verder hadden de koekenbakkers ‘hylikmakers‘ (honingkoeken, ook wel vertaald als heilig- of huwelijksmakers) met of zonder sukade, naast fijne koek, eveneens met dat spul, eventueel in een streepkoekvariant voor de jeugd.
Als een koekenbakker zich niet aan het assortiment, de gewicht- of de prijszetting hield, dan verbeurde hij een gulden boete, oftewel de waarde van maar liefst acht stuks pondskoeken, een oven vol. Je begrijpt dat hij dat wel uit zijn hoofd liet. Alleen voor oude, verbrande en beschadigde koek maakte het gilde graag een uitzondering, zij het dat het de gildebroeders wel op het hart bond te streven naar een “gaaf en vris” product.
Bronnen:
- Groninger Archieven, Toegang 1325 (gilden) inv.nr. 107 achterin.
- Martin Hillenga, Wadapatja (Groningen 2019) 145.
Rondje Leutingewolde
Geplaatst op: 21 maart 2020 Hoort bij: Drenthe 5 reactiesOnlanderdijk:

Bij Sandebuur – in de verte een paasbult die dit jaar niet in rook zal opgaan::

Stoppelakker:

Even voorbij Sandebuur – Meeuwen achter een trekker:

Slootberm bij Foxwolde:

Verzadigde sporen van een mestinjector:

Weg tussen Foxwolde en Roden:

Leutingewolde – kruiwagens met suikerbietenpulp?

Dorpsgezicht Leutingewolde:

Schapen bij Lettelbert:

Een onverwachte excursie
Geplaatst op: 14 maart 2020 Hoort bij: Familie 6 reacties
Mijn overgrootouders met kinderen en aanhang bij hun veertigjarig huwelijk in 1935 op ‘Vondelings ree’ in Zuidhorn.
Uit de bevolkingsregisters van Zuidhorn, zoals de Groninger Archieven een poosje geleden online hebben gezet, kon ik niet gewaar worden wanneer mijn overgrootouders in Zuidhorn kwamen wonen. Bij hun huwelijk, in 1895, waren beiden daar al gevestigd, maar hoe lang dat al zo was, gaven die registers niet prijs. Dus toen ik toch voor een ander verhaal in het archief van de voormalige gemeente Zuidhorn moest zijn, heb ik dat meteen maar even in de bevolkingsregisters daar nagezocht. Bij de gemeente liggen weer andere, moet u weten.
Bij het register van de volkstelling 1890 was het meteen al raak. Op nummer 47 tref ik de schoenmakersknecht Hindrik Vondeling (23) aan, woonachtig op het adres A 294 aan de Nieuwstraat. Hij had zich op 4 juni 1886, dus op zijn negentiende, vanuit Termunten, waar hij mogelijk ook al bij een schoenmaker in de leer was, in Zuidhorn gevestigd.
Mijn overgrootmoeder Grietje van der Velde, in 1872 geboren in Marum als dochter van een ongehuwde moeder, woonde sinds 5 juni 1890 als dienstbode op A 295 aan de Friesestraatweg. Haar adres en de A 294 van Hindrik zullen buurhuizen geweest zijn, al moet ik de Friesestraatweg en de Nieuwstraat dan nog wel bij elkaar weten te passen. Is de Friesestraatweg in de kom van het dorp misschien hernoemd tot Hoofdstraat? Zo ja, dan is de kans groot dat mijn overgrootvader en -moeder elkaar bij de buren hebben leren kennen.
Verrassend was vooral Grietjes vorige woonplaats anno 1890: de Haarlemmermeer. Daar kan ze niet zo lang hebben gewoond, want volgens het bevolkingsregister van Marum vertrok ze begin mei 1885, op haar dertiende, uit deze geboorteplaats van haar naar Achtkarspelen. Maar hoe kwam ze in vredesnaam van daaruit in de Haarlemmermeer terecht en wat deed ze daar? Binnenkort dus eerst maar eens in Drachten kijken.
Overigens verhuisde ze eind 1893 vanuit Zuidhorn naar Grijpskerk, waar ze slechts een half jaar als dienstmeid woonde, om (voor haar verloving?) weer terug te keren naar Zuidhorn. In tien jaar tijd woonde ze dus op vijf verschillende plekken, wellicht niet heel uitzonderlijk voor een dienstbode, maar nogmaals: hoe kwam ze in dat verre Haarlemmermeer terecht?
Intrigerend – intrigerend!
Rondje Roderwolde – Peize
Geplaatst op: 7 maart 2020 Hoort bij: Drenthe 11 reactiesHamersweg, Peizermade een zweem van lichtgroen kondigt bladvorming aan:

Provisorische ontwatering:

Wilg aan de Onlandsedijk:

Varkentje bij Roderwolde:

Hij deed heel aanminnig:

Bij de Waalborg:

Achterstewold Peize:

Daar staat sinds medio januari een nieuw plaatsnaambord, dat doet denken aan een Stad-Groninger spreekwoord: “As wiend komt van Paais, is regen an de raais”:

Gevalletje godslastering (1)
Geplaatst op: 6 maart 2020 Hoort bij: De actuele wereld, Stad toen 1 reactie
Gister viel weer eens op de buis te zien, hoe in Pakistan de wet op de godslastering wordt toegepast. In navolging van het éclatante succes aldaar willen onze eigen fundamentalistische christenen dit vermeende delict nu ook in Nederland weer strafbaar gaan stellen.
Zouden ze weten hoe het er in oudvaderlandse tijden aan toeging, als justitie lucht kreeg van een blasfemist? Ziehier ter voorlichting een vonnis uit Groningen, 1681:
Alsoo uijt genomene informatiën ende daer op gevolghde eijgen bekentenissen den rechte genoechsaem gebleecken is, hoe dat Peter Bartels, oudt ontrent de 40 jaren, geboortigh van Groningen, voor eenige tijdt sigh heeft onderstaen in een seecker herberge, ter presentie van meerder andere personen, verscheijden affschuwelijcke reuckeleuse ende Godts-lasterlijcke reedenen uijt te storten, seggende hy wilde liever in Duivels naeme drincken als in Godts offte Godts zeegens naeme, oock dat de duivel eerlijck en heerlijck was, waer in, alsoo hij sich tegens den Alderhooghsten Majesteijt Godts schrickelijck heefft gesondight ende eene Christene Magistraet ten hooghsten beleedight, ende daerom sich voor den heemelschen en wereltlijcken Richter aen de swaerste straffen heefft schuldigh gemaeckt;
Soo ist, dat d’ h. heeren Borgemesteren ende Raadt ten reguarde van de verloopene tijdt, denselven Peter Bartels als nu hebben gecondemneert, gelijck sij hem condemneren bij desen, om voor het Gerichte met opene deuren een honorabile publiq amende te doen, ende op sijn knijen de sententie angehort hebbende, Godt ende de Justitie om vergifnis te bidden; welckes gedaen sijnde hij wederom door de schulte en sijn dienaers nae de poorte sal worden gebraght, ende aldaar verblijven ter tijdt hij de misen van Justitie sal hebben voldaen.
Actum Groninge den 26. Martij 1681
Kortom, de Groninger Peter Bartels (40) had in een herberg zitten opsnijen dat hij liever in naam van de duivel dan in die van God of diens zegen wilde drinken, omdat er volgens hem niets op de duivel viel aan te merken. Daarmee had hij verschrikkelijk gezondigd , wat een christelijke magistraat niet over zijn kant kon laten gaan (omdat God anders die magistraat en/of het land zou weten te vinden). Daarom veroordeelde het Groninger stadsbestuur Bartels om God en justitie publiekelijk, bij open raadhuisdeuren en op zijn blote knietjes te smeken om vergeving. Dat gedaan zijnde, zou hij (als stadsburger) opnieuw op de (Poele- of A-) poort worden opgesloten, tot hij de daar gemaakte verblijfskosten en de gerechtskosten zou hebben betaald.
Al met al valt dit nog zeer mee, vergeleken bij de in Pakistan gangbare praktijken. Terwijl de voorgangers van de SGP destijds toch aan de macht waren in Groningen. Overigens sloofden ook die zich niet uit: in bijna twee eeuwen tijd waren er slechts twee stad-Groninger vonnissen wegens blasfemie, waarvan dit er eentje was. Pakistan heeft wat dit betreft dus nog ruim drie eeuwen in te halen.
—
Bron: Groninger Archieven, Tg. 1534 (archief Volle Gericht stad Groningen) inv.nr. 974: sententies.

Recente reacties