Het bizarre einde van freule Van Dorth
Geplaatst op: 29 januari 2020 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties
Verbazingwekkend dat er nog nooit een speelfilm is gemaakt over het schandelijke leven van de Freule van Dorth. Alleen al de manier waarop ze aan haar eind kwam, zou de Hollandse Fellini’s moeten inspireren.
Ze was de enige persoon, die tijdens de Bataafse Republiek om politieke reden haar leven verloor. Een militaire rechtbank veroordeelde haar tijdens de Engels-Russische inval van najaar 1799 ter dood omdat ze al te nadrukkelijk een beginnend orangistisch oproer in de Achterhoek had aangemoedigd.
Op 22 november dat jaar was haar executie. Ze werd op een kar gezet en naar de joodse begraafplaats van Winterswijk gereden, waar al een kuil klaarlag met een doodkist ernaast.
Helaas, het executiepeloton bestond uit amateurs. Ze bleken niet in staat om goed te mikken op de geblinddoekte freule. Ze werd wel hier en daar geraakt, maar niet op vitale plekken. Bloedend lag ze in het zand, maar haar bewegingen hield men voor stuiptrekkingen. Een paar soldaten liepen naar haar toe, pakten haar op en gooiden haar in de kist. Nog voordat men die had kunnen sluiten, strekte ze haar ene hand ten hemel uit, alsof ze haar beklag deed en om wraak riep.
Een soldaat gaf haar het genadeschot in de kist. Sommigen wisten achteraf te vertellen dat haar japon in de fik vloog. Soldaten liepen af en aan met slootwater in hun steken om het vuur te blussen. Het leek of het niet uit wilde gaan.
Naschrift 31 januari 2020:
Onder de titel ‘Bist verheurd’ kreeg ik van bevriende zijnde het bericht, dat er een theatervoorstelling komt over het leven van de freule. >>>
Een familielid in kamp Amersfoort
Geplaatst op: 28 januari 2020 Hoort bij: Familie 2 reacties
Aangetroffen in de Arolsen Archives, deze stamkaart van de kontroleur Pieter Harm Perton, geboren 7 februari 1915 te Finsterwolde. Net als ik was hij van de Finsterwoldiger familietak die afstamt van Elzo Perton en Geeske Boog.
Pieter was getrouwd, had een kind en woonde in een huis aan de Hoorntjesweg in Winschoten dat er nu nog steeds staat, met uitzicht op het plantsoen. Wat de reden voor zijn arrestatie was, maakt de kaart niet duidelijk. Bij Grund staat “Ins Reich, Zwangsarb.eins“. Dat zal iets met dwangarbeid geweest zijn en slaat dus op de straf in plaats van het vergrijp. Op 8 juli 1944 werd hij in Kamp Amersfoort binnengebracht, een maand later, vlak na Bijltjesdag, kwam hij vrij en ging hij terug naar zijn Heimatsort.
Nadien ontbreekt voorlopig ieder spoor. Zijn huis werd in 1960 door andere mensen bewoond.
Rondje Roderwolde – Lagemeeden
Geplaatst op: 26 januari 2020 Hoort bij: Drenthe, Onlanden, Westerkwartier 7 reactiesUitloper Stadspark naar Peizermade:

Distelrozet langs de Onlanderdijk:

Slenk bij de Onlanderdijk:

Hooiweg, Roderwolde – het goede voorbeeld?

Lijnenspel bij de Zuidwending:

Kerkstraat Hoogkerk – eerbied voor de rijpere mens is er niet meer bij, tegenwoordig:

Hoe Pieter Koerts en zijn vrouw naar Amerika emigreerden
Geplaatst op: 23 januari 2020 Hoort bij: Familie 4 reacties
De bekende Delfzijlster emigrant Pieter Albert Koerts was een aangetrouwde oom van mijn grootvader Albert Vondeling. Pieters vrouw Trijntje Vondeling en mijn overgrootvader Hindrik Vondeling waren zus en broer.
Pieter was van jongs af aan schilder. In 1903, toen hij 23 was, begon hij voor zichzelf in Delfzijl en trouwde Trijntje Vondeling, de dochter van een dagloner en een vroedvrouw uit Termunten. Trijntje was een jaar jonger dan hij.
Elk jaar kwam er een kind, maar zakelijk ging het slecht. Najaar 1906 raakte Pieter Koerts failliet en besloten hij en zijn vrouw definitief om naar Amerika te emigreren. Trijntjes oudere zus zat al een hele tijd met haar gezin in Kalamazoo, Michigan, waar wel meer Groningers terechtkwamen. Dat werd ook het reisdoel van de familie Koerts.
Pieter vertrok zelf als eerste. Op 7 november 1906 kwam hij in New York aan. Trijntje bleef eerst met haar beide kinderen achter voor de afwikkeling van het faillissement: de boeldag van de huisraad en de veiling van hun woonhuis, eind dat jaar. Na aftrek van de schulden resteerden van de opbrengst nog een stel beddegoed, een stel vrouwen- en wat kinderkleren, een mandje aardappels, een beetje zuurkool en wat weckflessen snijbonen.
Trijntje had nog een wandklok in haar handbagage. Zij en de kinderen arriveerden medio januari 1907 in New York, waar Pieter en zij plannen maakten voor de doorreis, maar verschil van mening kregen.
Pieter wilde eigenlijk door naar de westkust. In april 1906 was San Francisco getroffen door een zware aardbeving, en hij dacht dat er flink te verdienen viel voor schilders en glaszetters. Trijntje echter, verzette zich hevig tegen dat plan. Ze wilde niet wonen op een plaats waar elk moment een volgende aardbeving kon toeslaan. En zo bleef het gezin Koerts hangen in Kalamazoo.
Waar Pieter nu wel een succes van zijn schildersbedrijf maakte. De selfmade zakenman ging er als oerconservatieve republikein de politiek in, en bekleedde tot 1951 meerdere gemeentelijke functies. Een paar jaar later voor het eerst weer op bezoek in Nederland, stierf hij onverwacht in een Amsterdams hotel, nog voor hij Delfzijl had kunnen weerzien. Ter nagedachtenis aan hem, besloot zijn zoon Delfzijl een schip te schenken, dat als jeugdherberg dienen zou.
—
Bron: Rinze Mast, ‘De bark ‘P.A. Koerts’ in Delfzijl’, Stad & Lande: cultuurhistorisch tijdschrift voor Groningen, jrg. 13 (2004) nr. 3, pag. 7-13.
Reclame langs de weg in Hoogkerk
Geplaatst op: 21 januari 2020 Hoort bij: Hoogkerk Een reactie plaatsen
Neon van Bolt visbakkerij. Reconstructie: Hanneke Perton.
Heb ooit eens alle reclamevergunningen van de gemeente Hoogkerk van 1957 tot en met 1968 doorgenomen. In totaal ging het om 54 stuks. Tot 1962, het jaar van de loongolf, ging het om gemiddeld 2 per jaar, daarna om 6 per jaar. Dat de mensen meer te besteden hadden, vertaalde zich dus op lokaal niveau in een verdrievoudiging van de reclame (borden, neons, fietsenrekken, automaten) die er langs de weg te zien was.
De ruimtelijke spreiding:
| Hoendiep | 17 |
| Zuiderweg | 15 |
| Middenweg | 4 |
| Julianaweg | 4 |
| Reddingiusweg | 3 |
| Kerkstraat | 2 |
| Verbindingstraat | 2 |
| Nijverheidsplein | 1 |
| Fabriekslaan | 1 |
| Peizerweg | 1 |
| Adres onbekend | 4 |
Er viel dus nog wat meer reclame te zien aan het Hoendiep, dan aan de Zuiderweg. Maar op de Zuiderweg zat die veel dichter bij elkaar. Buiten deze verkeersaders stelde het allemaal weinig voor.
Voor tabaksreclame werd het vaakst een vergunning aangevraagd (8x), daarna kwamen de kruideniers en supermarkten (6x). Ook voor alcohol (5x), verf (5x), spaarbanken (5x) en auto’s en autobanden (4 x) vroeg men wat vaker reclamevergunningen aan, dan voor andere zaken.
Aan de hand van de ontwerpjes in de dossiers zou je een stukje van het straatbeeld kunnen reconstrueren. Vaak zijn die ontwerpjes nog zwartwit, waarbij de kleuren wel worden aangegeven. Bovenstaande lichtbak was van de visbedrijf Bolt, dat volgens het Handelsregister van 1965 tot 1975 heeft bestaan.
—
Bron: Groninger Archieven, Toegang 1248 (archief gemeente Hoogkerk) inv.nrs. 1703 en 1704.
Schoenmakerij was geen vetpot
Geplaatst op: 20 januari 2020 Hoort bij: Familie 2 reacties
Volgens een algemeen Nederlands adresboek voor beroepen en bedrijven uit 1918, waren er dat jaar tien schoenmakers actief in Finsterwolde (inclusief de buurtschappen, Ekamp, Ganzedijk, Hongerige Wolf en Finsterwolderhamrik). Mijn overgrootvader Geert Perton had dus nogal wat concurrenten.
In 1914 telde Finsterwolde 2918 inwoners, terwijl het er in 1919 bijna tweehonderd meer waren: 3103. Het inwonertal voor 1918 is dan veilig te schatten op ruim 3000. Tien schoenmakers op die bevolking maakt dat er 1 per 300 inwoners was. Laat het gemiddelde huishouden 4 of 5 personen hebben geteld, dan ‘verzorgde’ de gemiddelde schoenmaker 60 à 75 huishoudens. Dat kan nooit een vetpot geweest zijn. Voordat het algemene stemrecht er was, betaalde mijn overgrootvader ook zo weinig belasting, dat hij niet mocht stemmen.

Rondje Peize – Roden
Geplaatst op: 19 januari 2020 Hoort bij: Drenthe 3 reactiesDe Stad in de verte vanaf de Weringsedijk:

Achterstewold, Peize:

De Weehorst, Roden:

Onlanden, vanaf de Roderwolderdijk:

Hoogkerk is een stadswijk
Geplaatst op: 19 januari 2020 Hoort bij: Hoogkerk 5 reacties
Sinds de verbouwing, een maand of wat geleden, heeft de AH te Hoogkerk dit hybride ‘dorps- en stadsgezicht’ op een wat duurzamere en duurdere boodschappentas staan, waarvan de voorstelling tevens in het groot te aanschouwen is bij zijn koffiehoek.
Centraal staat de AH zelf, met de nieuwe ingang en wat vrolijk lachend groente en fruit. Links de brug van Hoogkerk, maar dat is het dan ook, qua couleur locale.
Links is het peerd van ome Loeks bij het stad-Groninger Hoofdstation weggeplukt, terwijl rechtsachter de eveneens stedelijke Martinitoren staat met, als ik me niet vergis, de Burger Hoofdwacht die sinds de bevrijding al weg is. Ook de DAF, het blauwe autootje rechts, ziet men thans niet meer zo vaak.
Het gekke is: ik heb nog geen ouwe Hoogkerker horen protesteren tegen dit amalgaam. Het afgedwongen samengaan van Hoogkerk met Stad (1969) wilde anders nog wel eens pijnpunt zijn waar je niet op moest drukken. De brede acceptatie van het tafereel op de boodschappentas van de Hoogkerker AH toont aan, dat de rouwperiode eindelijk voorbij is. Hoogkerk heeft zich met de situatie verzoend. Hoogkerk is een volwassen stadswijk geworden.
Ommetje Lagemeeden
Geplaatst op: 18 januari 2020 Hoort bij: Westerkwartier Een reactie plaatsenLeegkerk:

Schip met zure appels bij Den Horn:

Lagemeeden:

Westpoort:

‘t Kortstondige huwelijk van Klaas Hovinga en Berendina Kluithuis
Geplaatst op: 17 januari 2020 Hoort bij: Uncategorized 2 reactiesOp 6 wintermaand 1809 deed Klaas Sybolts, woonachtig te Oostwolderhamrik, zijn beklag bij rechter A.J. de Sitter van het Oldambt. Tot zijn “grievende leedwezen”, zo vertelde Klaas, had zijn vrouw, Berendina Derks, veertien dagen eerder hun woning verlaten, onder medeneming van “alle zijne goederen”. Ze was ingetrokken bij haar moeder in Nieuwolda.
Berendina liep weg terwijl hij er niet was. Hij had ook niets gemerkt van haar plan om de benen te nemen. Hij kon dus absoluut niet weten wat het motief voor haar “kwaadwillige verlating” was en kreeg die reden tot dan toe ook niet van haar te horen, terwijl ze zich evenmin liet bepraten “om weer bij hem als vrou te gaan leven”.
Hij wilde zijn uiterste best doen om haar weer terug te krijgen. Vandaar dat hij zich wendde tot het gerecht met het verzoek om hem en zijn vrouw te horen, waarbij hij hoopte dat De Sitter ze kon bewegen tot inschikkelijkheid.
Een week later, op 12 december, stond de verzochte hoorzitting op de rol. Berendina liet zich niet zien. De rechter verordonneerde haar de volgende keer wel te komen, anders dreigde hij met een strafmaatregel.
Op de 19e was ze er inderdaad. Ze verklaarde dat ze
“indien zij wel behandeld [werd], zeer genegen [zou] zijn met haar man weder te cohabiteren” (samenwonen).
Terwijl haar man verklaarde
“van geen onaangenaamheden van zijn kant te weten en met zijn vrouw in der minne te willen leven”.
Rechter De Sitter vermaande het paar nog even extra om dat te doen. Ook deden Klaas en Berendina er in zijn ogen goed aan om “verder verwijdering voor te komen”.
Het liep anders. Maar eerst iets meer over man en vrouw en beider achtergronden.
Klaas Sijbolts (Hovinga) van Oostwold en Berendina Derks (Kluithuis) van Nieuwolda waren nog maar een half jaar getrouwd, toen zij er vandoor ging. Bij het huwelijk, op 4 mei 1809 te Nieuwolda, was hij 30 en zij 37. Zij was dus de oudste van het stel. Daarnaast was er een verschil in stand. Klaas Hovinga behoorde tot de Oldambtster boerenelite. Zijn ene broer was maire (burgemeester) van Noordbroek en zijn andere broer adjunct-maire van Midwolda. De laatste woonde net als Klaas en een derde broer in de Oostwolderpolder, terwijl hun twee zusters waren getrouwd met landbouwers uit Midwolda.
Daarentegen kwam Berendina Kluithuis uit een middelstandsmilieu. Haar vader, gestorven in 1802, was winkelier geweest. Na zijn dood had Berendina haar moeder geholpen. Veel hadden ze niet geërfd, maar 1900 gulden. Berendina had dus financieel veel minder in te brengen bij hun huwelijk, dan Klaas. Ze trouwden dan ook op huwelijkse voorwaarden, zodat zij niet aan het geld van de Hovinga’s komen kon, als Klaas doodging.
Er kwamen geen kinderen. Wel hommeles, die, zoals we hebben gezien, eerst bijgelegd werd.
Twee maanden na die lieve vrede, op 6 sprokkelmaand (februari) 1810, was het echter opnieuw raak. Dit keer was het de beurt aan Berendina om haar beklag te doen bij het gerecht. Ze bevond zich “in de hoogste onaangename omst[and]igheden”, zei ze. Al “zedert het ingaan van haar huwelijk” had haar man haar voortdurend “zeer onheusch” en “met vergaande kleinachting” behandeld,
“in zoo verre zelfs dat hij haar belet heeft eenige schikking in de huishouding hetzij over het bereiden der spijzen, hetzij over andere zaken te hebben”.
Dit, gevoegd bij “de ijslijkste dreiging van dadelijke mishandeling” waren op 21 november de redenen geweest voor haar “wanhopig besluit” om naar haar moeder te vluchten. De rest van die historie kende de rechter, door diens tussenkomst was ze ertoe overgehaald,
“in hoop van betere bejegening zich weer ter inwoning bij haren man te begeven…”
Helaas zag ze zich in die hoop “grotelijks” bedrogen. Sinds hij haar weer terug had in huis, kwam Klaas er openlijk voor uit
“dat hij alle de beschikking in de huishouding, meer aan den meid dan aan zijn vrouw wil toevertrouwd hebben, daar hij wijders dagelijks in zeer honende bewoordingen dreigde de rem[onstran]te te slaan en eindelijk zich in zoo verre heeft vergeten dat hij op zekeren avond toen de rem[onstran]te reeds te bed lag, met een ijslijk getier in de kamer is gekomen en haar niet alleen uit het bed, maar ook uit de kamer heeft gejaagd, zoodat de rem[onstran]te genoodzaakt geworden is, om andermaal zich met de vlucht te redden en een schuilplaats bij hare buren te zoeken, vanwaar zij, na den nacht gepasseerd te hebben, wederom, om verdere ruïneuse handelingen te ontwijken, naar haren moeder is gegaan…”
De bron van de onenigheid was dus haar rol in huis. Klaas wilde dat Berendina het huishoudelijk werk en dan vooral het koken aan de grootmeid zou overlaten, terwijl Berendina van huis uit gewend was om de handen uit de mouwen te steken. Ze wilde iets te doen hebben en niet een soort van ornament in zijn leven zijn. Tegen haar argumenten kon hij niet op, en het vasthouden aan zijn eigen gelijk ontaardde in geweld.
Voor Berendina hoefde het niet meer. Zoals haar ervaringen bewezen, had haar man geen genegenheid meer voor haar. Ze had geen hoop meer op herstel van de “goede harmonie”. Er bleef haar nog maar één stap over: een verzoek om een scheiding van tafel, bed en inwoning. Bovendien verzocht ze rechter De Sitter om de scheiding van hun beider goederen te regelen.
De Sitter deed, zoals te doen gebruikelijk in dit soort gevallen, toch nog enige “tentamina concordia”. Maar tevergeefs. Hij zag er het nutteloze gauw van in, stond de gevraagde scheiding toe, en startte de procedure om te komen tot de “separatio bonorum”.
Al met al waren Klaas Hovinga en Berendina Kluithuis nog geen jaar getrouwd geweest. Op 30 november 1810 vond eindelijk de opdeling van hun goederen plaats. Klaas kreeg de gehele boedel met alle lusten en lasten die daarbij hoorden, en Berendina ontving 1300 gulden. Daar kon ze naar haar stand misschien drie of vier jaar van leven. Waarschijnlijk is ze weer gaan inwonen bij haar moeder in Nieuwolda.
Klaas Sibolts Hovinga overleefde de scheiding vier jaar. Hij overleed begin september 1814 te Nieuwolda, waar hij kennelijk heen verhuisd was. Berendina Derks Kluithuis zou nog ruim drie decennia leven. Opmerkelijk is, dat ze in 1846 stierf als “renteniersche”. Haar successiememorie noemt als baten een paar huizen en diverse waardepapieren. In totaal bedroegen die baten ƒ 10.296, terwijl daar aan lasten slechts ƒ 736 tegenover stond. Getuige het surplus van ƒ 9560,- had ze goed geboerd sinds haar scheiding. Of zou ze dan toch nog wat hebben geërfd van de Hovinga’s?
—
Voornaamste bron, buiten Alle Groningers en het huwelijkscontract: Groninger Archieven Tg. 731 (rechterlijke archieven beide Oldambten) inv.nr. 6978 op de aangegeven data.
Naschrift: Aike van der Ploeg wees er op Twitter op, dat Berendina bij de opgang van de kerk in Nieuwolda woonde. Ook ten tijde van het eerster kadaster, ca. 1830, was ze al rententier
Heldenslag
Geplaatst op: 16 januari 2020 Hoort bij: Kunsten, Stad nu 1 reactieGroningen heeft eindelijk een heldenstandbeeld. Niet zo’n miezerig borstbeeldje als van Rabenhaupt, Guyot of majoor Thomson, nee, een larger than live hero, die van zins lijkt het gele steenhuis te bestormen:

De naam van onze held is nog onbekend. Het Centrum voor Beeldende Kunst (zeg maar de kunstuitleen) heeft hem op een sokkel neergezet als vaandeldrager voor Eurosonic/Noorderslag:

Van voren vind ik hem een beetje eng:

Op een steenworp afstand maakt het verhuisde en omgedoopte Stripmuseum goede sier met een andere held – Spiderman:

Dat wordt nog dikke knokkerij, jongens.
Kostverloren nummer 9
Geplaatst op: 14 januari 2020 Hoort bij: Veldnamen Een reactie plaatsen
Tot nu toe vond ik acht Kostverlorens in Groningerland. Onlangs diende zich de negende aan.
In 1809 tekenen enkele landgebruikers (boeren) onder Nieuwolda namelijk bezwaar aan tegen het voornemen van een dijkrechter en enkele volmachten van het kerspel Midwolda, om de Kostverloren, waarlangs land onder Midwolda afwaterde, te laten verbreden en verdiepen. De boeren van Nieuwolda zijn helemaal niet gekend in dit plan, terwijl hun land langs de Kostverloren ligt en de opslag van vrijgekomen grond op dat land moet plaatsvinden. Bovendien vrezen ze dat de diepswallen vanwege hun nogal steile nieuwe glooiing weldra zullen instorten, en dat de Kostverloren dan ten koste van hun land opnieuw moet worden verbreed om meer solide wallen te krijgen. Ze zijn bang voor “enorme schaden” en nemen daar geen genoegen mee.
Intussen was de aanbesteding al geweest en het graafwerk al begonnen. De Nieuwoldiger boeren wilden alsnog worden gehoord, maar liefst met een minnelijke schikking als uitkomst. Al een dag na indiening van hun verzoek, belegde drost De Sitter een hoorzitting voor beide partijen, waarna het graafwerk gewoon conform bestek door mocht gaan. Alleen werd de bodem van de Kostverloren minder breed, zodat de wallen minder steil hoefden worden dan voorzien. Ook kregen de klagers hun gerechtskosten vergoed.
Over de Kostverloren wordt nog gezegd dat deze langs een “klijve” (overlaat, schot dat de waterstand maximeert) afwaterde op het Kattendiep, een bochtig kanaal ten oosten van het dorp Nieuwolda. Daarmee is de locatie van de Kostverloren vrij eenvoudig te bepalen. Op een gemeentekaart uit 1862 zien we inderdaad “het nieuwe Kostverlorenkanaal” staan, parallel aan en iets ten westen van de Kerkelaan door de polders tusen Midwolda en Nieuwolda. Dit nieuwe diep verving echter een ouder Kostverloren. Getuige de kaart van Beckering uit 1781 liep dat eerdere diep waarschijnlijk eveneens parallel aan de Kerkelaan, maar dan juist aan de oostkant ervan. Tachtig jaar later is daar geen spoor meer van over.
Hoe dan ook lag de Kostverloren binnen de bedijking van 1701 en moet dus nadien gegraven zijn voor de afwatering van lager land onder Midwolda. Kennelijk werd die afwatering in de oudste vorm beschouwd als een mislukte investering, vandaar de naam Kostverloren, die hier dan dateert uit de eerste helft van de achttiende eeuw.
—
Bron: Groninger Archieven, Toegang 731 (Gerechtelijke archieven van beide Oldambten) inv.nr. 6978: rekestboek, 18 en 19 Herfstmaand 1809.
Weduwe wil hertrouwen binnen de verboden tijd
Geplaatst op: 8 januari 2020 Hoort bij: Geschiedenis 7 reactiesOp 5 juli 1785 maakte Grietje Jans, de weduwe van Jan Folkerts, woonachtig bij Enumatil, haar opwachting in het rechthuis van Leek met een door haarzelf getekend en dus zonder de hulp van een advocaat opgesteld verzoekschrift.
Driekwart jaar eerder, zo vertelde ze de rechter, trof haar het ongeluk dat ze haar man door de dood had verloren. Vanaf die dag ondervond ze
“het merkelijk gemis van een hoofd des huisgezins vooral in de behering van een omslagtige boererij”.
Het viel haar dus tegen, het bedrijf helemaal in haar uppie te moeten runnen. Maar er gloorde hoop. Ze had namelijk een huwelijksaanzoek gekregen van de wedman Willem Cornellis,
“en welke partij zij niet ongenegen was, om des te eerder een goed toeversigt over haare zaken te erlangen…’’.
Grietje wilde binnenkort dus graag ja zeggen op Willems aanzoek. Alleen werd ze daarvoor teruggehouden “op het eerste aanschouw” van artikel 13, boek III Ommelander Landrecht. Deze wetsregel bepaalde dat een vrouw een vol jaar moest wachten na de dood van haar man, “eer sy sick met eenen anderen man wederom eerlicks al moghen versellen”, dus voordat ze opnieuw mocht trouwen:

Als een vrouw zich hier niet aan hield, dan verloor ze alle bezittingen die ze aan haar vorige huwelijk te danken had.
Grietje Jans meende echter dat “de reden van deze” niet op haar van toepassing was en had daarom een ”certificaat” bij zich van een vroedvrouw, die blijkbaar had onderzocht of Grietje zwanger was en daarmee de verboden (rouw)tijd had geschonden. En dat bleek niet het geval. Daarom verzocht Grietje het gerecht om toestemming voor het voorgenomen huwelijk, hoewel dat binnen een jaar na de dood van haar vorige man was. Bovendien wilde ze graag verschoond blijven van de landrechtelijke sanctie.
De rechter willigde haar verzoek in.
—
Bron: Groninger Archieven, Toegang 735 (Gerechten Westerkwartier) inv.nr. 98: rekestboek Vredewold, notitie d.d. 5 juli 1785 (folio 133, 134).
Naschrift 10 januari 2020 –
Edwin Groot merkte op Twitter op:
“De regel is denk terug te voeren op het feit dat kinderen die tijdens huwelijk worden geboren geacht worden kinderen te zijn van de echtelieden. Als moeder nou een jaar wacht na het overlijden van vader weet je zeker dat de kinderen die dan nog worden geboren niet van de vader zijn.”
Dry January
Geplaatst op: 6 januari 2020 Hoort bij: autobio, De actuele wereld Een reactie plaatsen
Op Twitter zag ik al mensen beweren dat ze die drooggelegde januari heel best door konden komen met de door hun liefdevol gefotografeerde flessen dry gin, dry sherry en dry Martini.
Mezelf qua drank: vorig jaar heb ik in totaal 4 pilsjes gedronken.
Ik drink dus tegenwoordig heel matig, maar ben een vrij zware drinker geweest. Tussen 1985 en 2005 dronk ik zo’n beetje elke avond drie halve liters Grolsch of een fles witte wijn, wat ik dan vaak nog even in de kroeg om de hoek ging afblussen.
Op den duur konden mijn maag en darmen daar niet meer tegen: de boel liep veel te vlug door, zeg maar. Ik moest kiezen voor mijn gezondheid, daarom ben ik zo matig geworden. Mijn abstinentie is afgedwongen en zeker niet iets om me op voor te laten staan.
Op een personeelsfeestje of bij een redactie-etentje sta ik mezelf nog wel eens een biertje toe, verder niet. Voor geheelonthouders koester ik heimelijk een soort van bewondering.
Bliksemafleiders en brandcontracten in Groningerland
Geplaatst op: 4 januari 2020 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties
Rond 1820, zo verhaalt Botke in zijn prachtige boek Boer en Heer, zag men nergens in Nederland meer bliksemafleiders dan in de provincie Groningen, waar een menigte boerenplaatsen erdoor beschermd werd. Dit was vooral zo in Hunsingo en de Marne. Onder aanvoering van ds. Uilkens van Eenrum implementeerden verlichte geesten hier massaal de uitvinding van Benjamin Franklin.
Bij orthodox-bevindelijke hervormden echter, zag je geen bliksemafleiders op het dak. Zij zagen blikseminslag als een straf van God: “God deed het onweer verwekken, opdat het ons tot straf zou verstrekken”. Het voorkomen van die welverdiende straf met een bliksemafleider gold als een inbreuk op Gods almacht. Orthodox-bevindelijken keurden het gebruik van bliksemafleiders daarom af. Het vele gebruik van bliksemafleiders in Groningerland en dan met name Hunsingo en De Marne, wees er dus ook op, dat die orthodox-bevindelijke opvattingen daar hadden afgedaan, tenminste: onder de eigenaars en beklemde meiers van boerderijen.
Voor de orthodox-bevindelijke mens bestond de zin van het leven uit het dienen van God. Van het nastreven van geluk is geen sprake in hun catechismus. Menselijk geluk wordt pas iets nastrevenswaardigs met de Verlichting. Denk maar aan het “Life, Liberty and the pursuit of Happiness”, uit de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 1776. Waarschijnlijk werd geluk daarin overigens vooral begrepen als voorspoed en welvaart. In die zin komt het ook terug in een rekest van een aantal vooraanstaande boeren uit Beerta, in 1802. Zij vonden het “de eerste plicht van de leden der burgerlijke Maatschappij”, om
alles wat in hun vermogen is bij te dragen, waardoor het belang, het nut, de voorspoed en de beveiliging der Maatschappij kan en moet worden bevordert.
Geluk is ook te bevorderen door het voorkomen van het tegenovergestelde, dus ongeluk. In dat opzicht zijn er nog twee innovaties die, net als de bliksemafleiders, als een soort van lakmoesproef voor het veldwinnen van de Verlichting kunnen dienen. Dat zijn de variolatie of of inenting tegen de pokken en de oprichting van brandcontracten of onderlinge brandverzekeringen. De inenting heb ik hier al eens kort behandeld, bij de brandcontracten sta ik nu stil, uitgaande van de vraag hoe deze innovatie ingang vond, en dan vooral in sociaal opzicht: wie waren de early adopters en wie volgden hun voorbeeld?
Brandcontracten
Net als tegen tegen vaccinatie waren orthodox-bevindelijke gereformeerden gekant tegen brandverzekeringen. Ook die vormden immers een inbreuk op de voorzienigheid Gods, maakten Gods straffen tot een illusie, en waren daarmee uit den boze. Bij verzekeringen gaat het net als bij vaccinatie om de toekomst, en die ligt in Gods hand en alleen daarop mag je vertrouwen.
Dat deze opvatting in de achttiende eeuw steeds minder effect had, blijkt uit de opkomst van de brandverzekeringen. Volgens Slechte waren verzekeringsmaatschappijen voor 1720 überhaupt nog onbekend in Nederland, maar werden er dat jaar vier actief die onder meer tegen brandschade verzekerden. In 1727 kwam er bovendien een collectieve brandverzekering voor Zaanse oliemolens tot stand. Na 1770 trad er een lichte versnellling op, met tien brandverzekeringsmaatschappijen tussen dat jaar en 1800. Na 1800 zou het verschijnsel pas echt een grote vlucht gaan nemen en schoten vooral de lokale, onderlinge brandverzekeringsmaatschappijtjes als paddestoelen uit de grond.
Molens
Kijken we naar de provincie Groningen, dan blijkt dat hier de ontwikkelingen op enige afstand werden gevolgd. De allereerste brandverzekeringen hier, waren louter bestemd voor molens, niet alleen zeer kostbare stukken onroerend goed, maar ook zeer ontvlambare. De eerste twee brandcontracten voor molens werden opgericht in 1743: een in de Stad, de andere in de Ommelanden. Die van de Stad dateert uit februari dat jaar en verzekerde vooral houtzaag- en oliemolens in de Stad en haar directe omgeving. Hun maximaal verzekerde waarde bedroeg 4500 gulden en de ondergrens zat op 1000 gulden voor een molen die minstens 2000 gulden waard moest zijn. De premie bedroeg per jaar een half procent van de verzekerde waarde. De kas werd beheerd door vier bestuurders, die Jan Gerrits Beerta, een oliemulder van het Winschoterdiep op de Stadstafel, tot hun volmacht en boekhouder kozen.
Het andere brandcontract voor molens werd drie maanden later te Mensingeweer opgericht en richtte zich louter op pelmolens in De Marne en Hunsingo. Bij aanvang werden er elf pelmolenaars lid. Bij hun brandcontract werd er geen fonds gevormd, maar verplichtte elk van de leden zich maximaal 1000 gulden uit te keren aan een gedupeerde van brand uit hun midden. Het contract besteedt ook aandacht aan brandpreventie: de molens moesten in een goede staat verkeren en er diende permanent bluswater aanwezig te zijn in de molen. Een tweekoppig bestuur ging jaarlijks de molens langs voor hertaxatie en controle op de brandpreventie.
Opmerkelijk is, dat in het conservatieve Oldambt pas veel later een brandcontract voor molens tot stand kwam. Dat gebeurde in 1781 en de eerste boekhouder was de molenaar Gerardus Molema uit Midwolda. In 1800 maakte dit brandcontract, naar het zich laat aanzien, een doorstart onder leiding van enkele veenkoloniale molenaars.
Boerderijen en andere huizen
De eerste onderlinge brandverzekering voor boerderijen in Stad en Lande kwam er in 1794. Daarna ging het snel, zoals dit lijstje laat zien:
- 1794: Winsum
- 1795: Leens, Uithuizen, Wehe den Hoorn, Middelstum, Zeerijp.
- 1796: Usquert
- 1798: Aduard, Uithuizermeeden
- 1801: Eenrum, Grijpskerk
- 1802: Oosterwijtwerd
- 1802: Beerta
- 1802: Midwolda, Zeerijp
- 1803: Ezinge, Houwerzijl
- 1805: Siddeburen
- 1811: Ten Boer
Net als bij de brandcontracten voor molens, is hier sprake van een faseverschil tussen het voorlijke westen van de provincie, met name De Marne en Hunsingo, en het wat latere oosten, met name Fivelingo en het Oldambt. Ik zie hier een verband met de publieke opinie, die in het oosten destijds veel conservatiever was.
Wijde omgeving
Al deze brandcontracten bedienden een wijdere omgeving dan de vestigingsplaats alleen. Ze hadden dus een regiofunctie, hoewel de meeste leden vaak wel in de vestigingsplaats woonden. Dat van Winsum verzekerde opstallen in het Halfambt, dat van Uithuizen had noordelijk Hunsingo als zijn ressort, dat van Leens was er voor De Marne, dat van Ezinge voor Middag-Humsterland, dat van Beerta voor het oosten van het Oldambt en dat van Siddeburen voor Duurswold of de Woldstreek.
Voortrekkers, bestuurders, ledendemocratie
Van de ‘Sociëteit van Onderlinge Bijstand in geval van Brand’ in Winsum was Geert Reinders de oprichter. Deze bekende boer, die ook inenting tegen de veeziekte propageerde, kwam na de Bataafse Revolutie in het Ommelander bestuur. Hij was nota bene de zoon van een molenaar en werkte zelf in zijn jonge jaren ook op een molen. Wellicht dat hij daarom het fenomeen brandverzekering al wat langer kende. Reinders was patriot en ook in Eenrum schijnt een patriot de voortrekker te zijn geweest, namelijk de bekende landbouwhervormer ds. Uilkens.
Naast Reinders traden er in Winsum twee Huismannen, net als hij landbouwers, als directeuren op. De eerste dertig jaar was de schoolmeester Berend Swaagman hun secretaris-boekhouder. Die zal het meeste werk hebben gedaan. Prominent waren ook de eerste bestuurders in bijvoorbeeld Midwolda. Het betrof de dorpsdokter en enkele grote boeren. In Beerta ging om de grootste boeren van dat dorp, Nieuw-Beerta, Oostwold en Finsterwolde. Net als overal elders werden de volmachten er met meerderheid van stemmen door de leden gekozen. De leden beslechtten ook eventuele kwesties op democratische wijze. Dat gebeurde op een rekendag of jaarvergadering, die altijd in het voorjaar plaatsvond.
Werkzaamheden, methodiek
De brandcontracten konden op punten sterk verschillen. Hoe verder de tijd voortschreed, hoe gedetailleerder hun reglementen werden. Toch valt er voor deze periode ook nog wel iets algemeens over te zeggen. Zo taxeerden de bestuurders van de brandcontracten praktisch overal de woningen en schuren naar hun actuele waarde. Jaarlijks gingen ze bovendien de leden langs voor eventuele herziening van die waarde. De premie bedroeg alom een half procent van de taxatiewaarde, terwijl bij brand de hele taxatiewaarde werd uitgekeerd. Stond er na brand nog iets bruikbaars overeind, dan werd dat getaxeerd door timmerlieden, om tot een raming van de schade te komen. Omdat er niet zo heel vaak brand was, hadden de brandcontracten nogal eens flink wat geld in kas, dat dan werd belegd in hypothecaire leningen aan leden. Zodoende had zo’n verzekering ook een bankfunctie, lang voordat er banken waren op het platteland.
Aantallen leden
Van een handvol brandcontracten zijn de aanvankelijke aantallen leden bekend:
| Winsum (1794) | 43 |
| Uithuizen (1795) | 54 |
| Leens (1795) | 77 |
| Ezinge (1805) | 78 |
| Siddeburen (1803) | 124 |
In de loop van de tijd wordt dit aanvankelijke ledenbestand dus steeds hoger, mogelijk een teken dat er steeds minder sprake was van schroom. Hoewel er ook iets anders gespeeld kan hebben, waarover straks meer.
Gemiddelde taxatiewaardes
In Winsum en omgeving werden de 43 boerderijen in 1794 getaxeerd op gemiddeld een kleine 1500 gulden. Een jaar later bedroeg die gemiddelde taxatiewaarde in Leens iets meer dan 1200 gulden, terwijl dat in Ezinge anno 1803 1300 gulden was. In de Ommelanden kon je dus voor 1200 tot 1500 gulden een gemiddelde boerderij kopen.
Sociaal
Inderdaad kenden de brandcontracten voornamelijk of zelfs uitsluitend boeren als lid. Toch ging het doorgaans maar om een beperkt deel van de boeren in een bepaalde omgeving. In Winsum bijvoorbeeld, bestond er een relatief grote animo in Bellingeweer, terwijl er uit Obergum nauwelijks leden waren.
In Beerta sloot het contract huizen van minder dan 600 gulden waarde zelfs uit. Kleine middenstanders en arbeiders konden daarmee hun huizen nog niet verzekeren tegen brand. In Siddeburen gebeurde dat juist met de dure en licht ontvlambare windmolens. Opmerkelijk is dat het brandcontract voor die omgeving verder alle huizen toeliet, ook de goedkopere. Wellicht is dat ook de reden voor het grote aantal leden bij aanvang. Toch woog het aantal feitelijke leden hier in de vestigingsplaats bij lange na niet op tegen het totale aantal huishoudens.
Op drie ledenlijsten vinden we de taxatiewaardes van de verzekerde opstallen. Deze heb ik samengevat in het bijgaande staatje:
| Taxatiewaarde | Tot 500 | 500 tot 1000 | 1000 tot 2000 | 2000 of hoger |
| Leens 1795 (77) | 3 % | 19 % | 70 % | 8 % |
| Uithzn, 1795 (54) | 0 % | 15 % | 56 % | 29 % |
| Siddb. 1805 (124) | 17 % | 21 % | 47 % | 15 % |
- Bij de categorie tot 500 gulden zitten de arbeiderswoningen en kleine middenstandswoningen, eventueel als twee-onder-één kappers.
- In de tweede, wat duurdere categorie, zitten onder andere winkelhuizen van koop- en ambachtslui.
- Grotere bedrijven zitten net als de gemiddelde boerderijen in categorie III
- Terwijl de grotere boerderijen net als de brouwerijen in de duurste groep zitten.
Wat met name opvalt is dat in Leens en Uithuizen niet of nauwelijks huizen uit het goedkoopste marktsegment in het brandcontract opgenomen zijn. In Siddeburen, met dat grote aantal leden bij aanvang, gaat het al om 17 % van het bestand. De onderlinge brandverzekering van dat dorp markeert de externe democratisering of verdere openstelling die na 1800 moet hebben plaatsgevonden bij de brandcontracten. Als er in de tweede helft van de negentiende eeuw in de krant verslag wordt gedaan van een brand in een arbeiderswoning, blijkt zo’n woning immers meestal verzekerd.
—
Dit is een deel van mijn lezing op de Dag van de Groninger Geschiedenis in oktober 2017. De tekst heb ik iets bijgesteld.

Recente reacties