Graffiti Van Iddekingeweg
Geplaatst op: 4 december 2019 Hoort bij: Kunsten 2 reactiesVoor mij nieuwe graffiti onder het Van Iddekinge-viaduct.
SF-monster:

Schildpad met spuitbussenschild:

Hond met kluif:

Disney-geïnspireerd:

Die van het meisje is blijven staan.
Aan de Kippenburgweg
Geplaatst op: 3 december 2019 Hoort bij: Drenthe vrogger 7 reacties
Foto, in 1975 bij Uffelte gemaakt met een Praktica. Meen dat het aan de Kippenburgweg was, in elk geval de kant van Ansen op.
Je had toen nog boertjes met een handvol koeien, die ze met de hand molken. Dat gebeurt hier ook, tegen de avond. De koeien zijn aan het karkas van een ouderwetse boerenwagen gebonden, de boer zit verscholen achter het ensemble zijn werk te doen.
Op de voorgrond een paar melkbussen en watervaten. Een van de melkbussen blinkt als nieuw, op het andere staat een teems ongerechtigheden uit de melk te zeven. De boer vervoert een en ander per kar achter zijn fiets van en naar zijn huis.
—
Heb vandaag een nieuwe diascanner gekocht, ben een beetje lukraak begonnen met ’t scannen van oud materiaal. Dit plaatje vind ik nog steeds wel een aardige, ook al is hij wat donker.
Rondje Eiteweert – Leegkerk
Geplaatst op: 1 december 2019 Hoort bij: Drenthe, Hoogkerk 6 reactiesLangs het zuidelijke deel van de Zuiderweg in Hoogkerk is één boom uit een rij omgezaagd. Alle bomen zijn kaal, alleen de stomp van die ene draagt blad:

Groningerweg Peizermade – in een rijtuigie:

IJs op sloot bij de Langmadijk:

Zicht op de suikerfabriek vanaf de Legeweg onder Leegkerk:

De aanvoer op de Weddermarkt
Geplaatst op: 26 november 2019 Hoort bij: Geschiedenis 3 reactiesBen ooit eens een avond aan het stoeien geweest met de aantallen paarden en koeien die werden aangevoerd op de Wedder najaarsmarkt. Meen dat ik de cijfers uit krantenverslagjes haalde, ze leverden in elk geval dit grafiekje op dat ik jarenlang kwijt was maar zoëven weer terugvond:

In blauw de aantallen paarden als absolute getallen (staafjes) en omgezet in voortschrijdende vijfjaarlijkse gemiddelden (doorlopende lijn). In rood de aantallen koeien in beide varianten.
In één oogopslag is zo te zien dat de aloude Weddermarkt qua levende have vooral een paardenmarkt was: de aanvoer van paarden bleek altijd veel groter dan die van koeien, met uitzondering van enkele jaren in de Eerste Wereldoorlog.
Voor die oorlog kwamen er gemiddeld zo’n 300 paarden ter najaarsmarkt, dat daalde aanzienlijk in de jaren van die oorlog, en wat langzamer maar nog steeds gestaag in het Interbellum tot er in de Tweede Wereldoorlog zo goed als niets van overbleef.
Voor de Eerste Wereldoorlog bedroeg de aanvoer van koeien zo’n 150 per Weddernajaarsmarkt. Maar ook dat aantal kachelde zienderogen achteruit in de jaren tussen beide oorlogen.
De gloriejaren van de Weddermarkt als paarden- en veemarkt waren na de Eerste Wereldoorlog voorgoed voorbij.
‘Fog everywhere’
Geplaatst op: 20 november 2019 Hoort bij: Kunsten 1 reactie
Fog everywhere. Fog up the river, where it flows among green aits and meadows; fog down the river, where it rolls defiled among the tiers of shipping and the waterside pollutions of a great (and dirty) city. Fog on the Essex marshes, fog on the Kentish heights. Fog creeping into the cabooses of collier-brigs; fog lying out on the yards, and hovering in the rigging of great ships; fog drooping on the gunwales of barges and small boats. Fog in the eyes and throats of ancient Greenwich pensioners, wheezing by the firesides of their wards; fog in the stem and bowl of the afternoon pipe of the wrathful skipper, down in his close cabin; fog cruelly pinching the toes and fingers of his shivering little aprentice boy on deck. Chance people on the bridges peeping over the parapets into a nether sky of fog, with fog all round them, as if they were up in a balloon, and hanging in the misty clouds.
—
Charles Dickens, Bleak House, chapter 1.
Voorgelezen met beeld dat het woord onvoldoende recht doet.
“Beveiligd door Bandit”
Geplaatst op: 17 november 2019 Hoort bij: Hoogkerk Een reactie plaatsen
Gezien bij de ingang van vernieuwde AH in ons dörp: sticker, dienende ter afschrikking van plofkrakend canaille dat het op de geldautomaat heeft voorzien. Zodra dit gespuis bij nacht en ontij binnenvalt, slaat er een apparaat aan dat ze effectief de dampen aandoet. Op het tekeningetje rent boevemans nog de deur uit, maar gezien ettelijke productvoorlichtingsfilmpjes is het maar zeer de vraag of hij überhaupt nog de weg naar buiten weet te vinden.
Veel van die filmpjes zijn drie jaar oud en dus is het product niet nieuw, maar ik zag het plakplaatje vandaag voor het eerst en dat is wat hier telt.
Opmerkelijk overigens, dat de firma zich Bandit noemt. Met boeven vangt men boeven, heet het. Een variatie daarop is: Bandit beveiligt u tegen bandieten.
Rondje Lettelbert – Enumatil
Geplaatst op: 17 november 2019 Hoort bij: Westerkwartier 1 reactieWal en sloot, Roderwolderdijk Hoogkerk:

Zilverreiger bij de Hooiweg tussen Roderwolde en Matsloot:

Ze gaan de bomen bij het gemaaltje daar rooien, getuige de gele stippen op de stammen:

Beuk bij het viaduct over de A7, Lettebert:

Kat met jong op zonnig stukje boswal, noordkant A7 bij het Lettelberterdiepje:

Koeienpaadje bij de Zuiderweg tussen Enumatil en Zuidhorn:

De skyline van Enumatil vanaf het Hornpad:

Blaarkop in Leegkerk:

Sint-Maartensganzen
Geplaatst op: 11 november 2019 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Leonardus Schweickhardt, Wensbrief met een boer en zijn ganzen (uitsnede),1815. Rijksmuseum.
Tamme ganzen werden vooral om hun vlees gehouden en in het najaar geslacht. Vrij bekend waren de Sint-Maartensganzen: langdurig vetgemeste jonge dieren die in Oost-Nederlandse contreien op Sint-Maartensdag (11 november) op het menu stonden. Elders in Nederland, zoals in Friesland, at men gans vooral met kerstmis, zodat men daar wel sprak van kerstganzen.
Het aantal Groninger meldingen van Sint-Maartenganzen is vrij beperkt, maar dat komt wellicht ook doordat het houden, vetmesten en consumeren van ganzen vooral een particuliere aangelegenheid was, waarmee de overheid zich weinig bemoeide. De oudste Groninger melding van een “sunt Meertens gans” die ik vond, dateert in elk geval pas van zaterdag 10 november 1590. Deze is te vinden in het Diarium van de Groninger stadssecretaris Egbert Alting, daar waar hij schrijft over een inval door staatse soldaten bij Delfzijl en Appingedam die roet in dit lekkere eten gooide. [1].
Niet alleen daar bij de Eems, maar ook in de stad Groningen verorberde men graag een Sint-Maartensgans. In een stedelijke ordonnantie uit 1631 is er sprake van herbergiers die met Sint Maarten hun gasten maaltijden met als hoofdgerecht een Sint-Maartensgans voorzetten,
“streckende tot groote schaede van de gemelte tappers ende onnutte verleinge van spise ende dranck”.[2]
Die verleiding en schade golden vooral het zieleheil. Met name orthodoxe godgeleerden en predikanten fulmineerden tegen de Sint-Maartensganzen omdat die naar een katholieke heilige verwezen, terwijl het eten nogal eens met drankmisbruik gepaard ging. Zo schreef Martinus Schoock, later hoogleraar in Groningen, in zijn Deventer tijd een traktaatje tegen het eten van Sint-Maartensgans door zijn studenten/[3].
Sint-Maartensganzen zullen het meest bij mensen thuis zijn genuttigd. De toenmalige Groninger horeca zag er de commerciële mogelijkheden van in, zoals nu ook de kerstmaaltijd in restaurants eigenlijk afgeleid is van het kerstmaal thuis. Hoe dan ook, het stadsbestuur verbood de tappers voortaan nog het bereiden van Sint-Maartensganzen op straffe van een pond groot of 6 gulden, zowel voor hemzelf als elk van zijn gasten. Zo’n boete vertegenwoordigde destijds ruim een weekloon voor een geschoold arbeider. Overigens was het geld half voor de stad en half voor het tappersgilde dat kennelijk op de naleving toe moest zien. [4].
Een volgende melding van Sint-Maartensganzen komt van Hemmo Dijkema, een landhuishoudkundige uit de buurt van Baflo, en slaat op diens jeugdjaren in de eerste decennia van de negentiende eeuw. Op de “meedens” (lage hooi- en weilanden) van Hunzingo en Fivelingo werden toen volgens Dijkema vele ganzen gehouden, die een “niet onbelangrijk aandeel bijdroegen” aan de inkomsten van de doorgaans wat kleinere boeren daar. Ook in het Westerkwartier, Duurswold en Westerwolde werden ganzen “in groote hoeveelheid aangefokt en maakten er een belangrijk artikel uit van de landelijke inkomsten”. Volgens Dijkema dreef men de ganzen (in het najaar) naar de Stad en elders. In een noot kondigde hij aan dat hij hier nog op terug wilde komen in verband met “den zogenoemden St. Maartensgans”, maar aan het uitvoeren van dat nobele voornemen kwam hij helaas niet toe. [5].
Een soortgelijke herinnering als Dijkema, maar dan uit de jaren 1840-1850, had de later in Friesland wonende , maar in de stad Groningen geboren en getogen advocaat J. Pelinck Stratingh. Over de Sint-Maartensganzen schrijft hij:
“Ik herinner mij nog flauw, dat een groote troep ganzen door Gruno’s veste werd gedreven, denkelijk naar eene ganzenmarkt te Zwolle, zooveel ganzen waren er toen…” [6]
Kennelijk waren er later veel minder ganzen in Groningerland. Wat aansluit bij een waarneming van ene J.W.v.R. in een editie van het katholieke dagblad De Tijd van november 1898. Hoewel deze constateerde dat Sint-Maarten nergens nog zo gevierd werd als in Groningerland, bleef het “hoofdnummer van het program”, namelijk het eten van een gebraden gans, hier toen achterwege “omdat de ganzen niet meer in ieders bereik vliegen”. [7] Anders gezegd: ze waren voor menigeen te duur geworden, denkelijk door een veel geringer aanbod.
Een oude, vrij algemene gewoonte
Het aanrichten van een feestmaal met een vette, gebraden gans op Sint-Maartensdag was beslist niet typisch Gronings – zoals gezegd was de gewoonte wijdverbreid, ook in het nabije buitenland, vooral Westfalen. Medio negentiende eeuw was het gebruik in Nederland op zijn retour, maar dat vooral in de steden – op het platteland van met name Overijssel en Gelderland leefde deze traditie nog volop. Daar ook had je de laatste grote ganzenmarkt, die van Deventer. [8] Verder waren er zulke markten in Coevorden, Oldenzaal, Zwolle en Utrecht, ooit allemaal sterkten van het wereldbisdom Utrecht waarvan de schutspatroon Sint-Maarten was.
De oudste melding van een Sint-Maartensgans dateert uit de twaalfde eeuw. Hoewel er in volksoverleveringen allerlei verbanden werden gelegd tussen de heilige en de gans, zijn die volgens kerkelijke levensbeschrijvingen van Sint-Maarten op weinig gestoeld. Het gebruik hangt veeleer samen met de kerkelijke kalender en een verandering daarin. Oorspronkelijk waren er meerdere vastenperiodes in het kerkelijke jaar, waaronder een van 40 dagen voor Pasen, welke nog steeds bestaat en die op de dag na vastenavond of carnaval begint, en een ander van 40 dagen voor Kerstmis die de dag na Sint-Maarten begon. Net als vastenavond was Sint-Maartensdag dus een uitgelezen moment om nog eens flink uit te pakken met eten en drinken, voordat men aan het vasten begon. Toen in de dertiende eeuw de vastenperiode voor kerst werd afgeschaft, bleef de gewoonte voortbestaan om op Sint-Maartensdag nog eens lekker een gans te verorberen. [9].
Volgens een dialectstukje uit Westfalen waarvan de Groningse vertaling in 1842 in de Groninger Volksalmanak stond, werd zo’n Sint-Maartensgans urenlang boven een vuur aan een spit gedraaid en dan opgediend met gestoofde appels met krenten, pannekoekjes van tarwemeel, gepofte tamme kastanjes en gebakken eieren. Vooral de bruin-gebraden ganzehuid gold als delicatesse. [10] Nadat de gans soldaat gemaakt was, kwam er nog een staaltje bijgeloof aan te pas en onderzocht men de kleur van het borstbeen: was deze geel of doorschijnend wit? In het laatste geval kwam er een strenge winter aan, met veel sneeuw en ijs. [11]
Noten:
[1] W.J. Formsma (ed.), Diarium van Egbert Alting, 1553-1594 (’s Gravenhage 1964) 807.
[2] Groninger Archieven (GrA)A Tg. 2100 (stadsbestuur voor de reductie) inv.nr. 12-2: ordonnanties en plakkaten, tot 1640 uitgevaardigd door het stadsbestuur, en dan die van 21 maart 1631.
[3] L.J.F. Janssen, ‘Over den oorsprong der St. Maartensganzen’ in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1850, 171-181, aldaar 173.
[4] Zie noot 2.
[5] H. Dijkema, Proeve van eene geschiedenis der landhuishouding en beschaving in de provincie Groningen, deel II (Groningen 1851) 399, 402.
[6] J. Pelinck Stratingh, ‘De ganzen van Klein Altenburg’, Leeuwarder Courant 1 januari 1900.
[7] J.W.v.R., ‘Brieven uit Groningen IX’, De Tijd 23 november 1898, rubriek Binnenland.
[8] L.J.F. Janssen, ‘Over den oorsprong der St. Maartensganzen’ in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1850, 171-181.
[9] L.J.F. Janssen, ‘Over den oorsprong der St. Maartensganzen’ in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1850, 171-181; zie ook Joës a Leydis, ‘De St-Maartensgans’, De Tijd 6 november 1898.
[10] C.F. Westphal (vert.), ‘De Sunt Meertens-Gans; of hoe de Pastoor van Grasheim van zien gans en cijperwien ofkwam’, Groninger Volksalmanak 1842, 165-166; zie ook Jan ter Gouw, De Volksvermaken (Haarlem 1871) 250-251.
[11] Joës a Leydis, ‘De St-Maartensgans’, De Tijd 6 november 1898.
Bij de ingang van de Appie
Geplaatst op: 10 november 2019 Hoort bij: autobio, Hoogkerk 6 reactiesIk kom aanzeilen op mijn fietsie, maar er staat een gezinnetje op de fietsparkeerplekken naast de ingang van de AH. Een kleine vrouw is bezig met het in- en opladen van de boodschappen en haar kind, haar forse man staat met zijn fiets breeduit op het complete rijtje parkeerplekken, zijn licht gebogen rug naar me toe. Ik besluit om maar even te wachten. Het duurt langer dan gedacht. Eindelijk keert de man zich om: “Wil je hier je fiets neerzetten soms?” Het klinkt nors, onvriendelijk. Ik hou mijn antwoord maar zo kort mogelijk: “Ja”. Licht agressief klinkt het nu: “Nou dat had je toch ook wel even kunnen zeggen niet?” Eindelijk haalt hij zijn fiets weg en kan ik de mijne neerzetten. Hij en zijn gezinnetje stappen op en rijden richting brug weg. Ietwat verbouwereerd staar ik ze na. Meneer kijkt nog even om.
Rondje Lettelbert – Leek – Leutingewolde
Geplaatst op: 10 november 2019 Hoort bij: Drenthe, Westerkwartier 8 reactiesRund bij de boerderij van het Groninger Landschap, Lettelbert bij de A7:

NIVON-camping bij het Lettelberterdiep:

Nienoord, Leek:

Bord met sluistarieven op de tentoonstelling over Leekster schippers in Museum Nienoord:

Leutingewolde:

Leutingwolde nabij ‘Sweers Anwende’:

Leutingewolde bij de Kring:

Foxwolde:
In een Reiderwolderpoldersloot
Geplaatst op: 9 november 2019 Hoort bij: Ommelanden 2 reactiesBen hiervoor nog even teruggereden op die lange polderweg. Wilde even weten wat er precies op dat bord stond:

“Alleen toegankelijk voor leden HOG. Verboden voor auto’s.”
HOG = Harley Owners Group? Zit er zoiets hier in de buurt? Er zit wel een motorclub bij Finsterwolde. Is het bord misschien van een voorganger?
Mijn pietenopinie
Geplaatst op: 9 november 2019 Hoort bij: De actuele wereld 10 reactiesMijn antwoord op het EenVandaag opiniepanel over zwarte piet:
Kleur zwart van de piet moet weg, omdat die op te vatten is als beledigend en discriminerend.
Hoewel de kleur oorspronkelijk van zwartmakers komt, dat wil zeggen blanken die zich bij overvallen en oproeren voor de onherkenbaarheid zwart maakten met roet uit een geblust haardvuur, is de zwarte piet rond 1860 metgezel geworden van sinterklaas om een splitsing te krijgen tussen diens rollen als goedheilig- en boeman. Toevallig was dat net in de tijd dat slavernij afgeschaft werd. Hoewel zwarte piet qua ontstaan dus geen racisme impliceert, is het onbegrip voor het fenomeen volkomen begrijpelijk. Een traditie willen doorzetten die mensen dermate tegen de borst stuit en verdriet doet is bijzonder onverstandig, temeer daar het kinderen, de beoogde gelovigen, zelf absoluut niet uitmaakt of de goedheiligman vergezeld gaat van een zwarte dan wel een roetveegpiet.
Scheemda – Midwolda – Finsterwolde – Termunten
Geplaatst op: 8 november 2019 Hoort bij: Ommelanden 9 reactiesArriva verwachtte blijkbaar een stormloop op Oost-Groningen, want bij spoor 3-B stonden maar liefst vier treinstellen klaar. Op de eerste drie hing echter een teleurstellend bericht: “Niet instappen”. Helemaal bij de voorste aangekomen, hing er niet zo’n bericht maar bleek de trein gewoon ontoegankelijk. Tot de bestuurder eraan kwam, die me terug verwees naar het allerachterste treinstel – de voorste drie gingen leeg op weg:

Herfst tussen Scheemda en Midwolda:

Welkom in Midwolda:

Beuk in de slingertuin van museumboerderij Hermans Dijkstra:

Vredesduiven in gekleurd glad (Jugendstil):

Nog meer Jugendstil – kapstok met pauwen die lijken op de pauwen in de Groninger Brugstraat:

Stoelklokje:

In de weckflessenkelder – plakjes wortel, hele peren, mootjes wortel:

Verzameling bakstenen met pootafdrukken van honden, katten en reeën:

De boerin Eppie Poppes ten Have (1797-1839), pastel achter glas door – hoogstwaarschijnlijk – Theodorus Bohres:

Die voorste, dat is een Fongers:

Door de Reiderwolderpolder naar Woldendorp – oude wadpriel door het verder kaarsrecht opgedeelde polderland – op de paal in de verte zit een torenvalk maar dat ontdekte ik thuis pas:

Heb geruime tijd staan wachten tot dit hert zou opduiken, maar het beest had vandaag geen zin:

Dikke klaai:

Arbeidershuisje in Woldendorp – met twee annexe opstallen te koop voor 2,5 ton:

Op de veranda van Landman in Termunten zes verrukkelijke tongetjes gegeten. De kater van de buren lustte ook wel een stukje maar kreeg niets en keek me daarom heel gemeen aan:

“De wegen waren door de wolven seer onveylig”
Geplaatst op: 7 november 2019 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesVond een aardig pamfletje uit Sneek over de harde winter van 1740, met een opsomming van allerlei krantenberichtjes uit geheel Europa. Zo bevat het een curieuze passage over wolven en beren, opdringerig geworden door hun honger:
“Het wilt gedierte dat nog overgebleven was, was als rasende van honger. In Sweden moesten de passagiers als caravanen reysen met dubbelt geweer, de landluyden omringden hunne huysen en stallen met palissaden om dit gedierte af te keeren, dat (insonderheyt de wolven en beeren) soo vrymoedig waren dat zy de menschen en het vee uyt hunne huysen en stallen haalden. Omtrent het Bosch de Ville, een myl van Keulen, overvielen de wolven eenige schoolkinderen en verscheurden het jongste, alsmede een pastoor die het den volgende dag bestierf. In Poolen vielen de wolven en beeren by meenigte op de huysen aan, soo dat men sig daar opsloot; uyt Temeswar (Roemenië HP) schreef men dat een wolf 22 menschen ten deelen gedoot ten deelen doodelyk gekwest had. De wegen by Cleef waren door de wolven seer onveylig en den 5 maart bragt een hond een afgeknaagt menschenbeen in die stad. Den 1 maart ging een veltpredikant van Stokholm eenen vrient op het land besoeken, dog wiert, schoon hy schietgeweer by sig had, van de wolven verslonden. Omtrent het Harts gebergte deden zy groote schaden. Men segt ook dat sig even buyten Amsterdam een wolf heeft laten sien, die sig met hoenders en honden vergnoegde.”
—
Bron: Aanteekeningen van den buytengewoonen harden winter des jaars 1740: waar in de aanmerkensweerdigste voorvallen en geschiedenissen worden verhaalt, die in geheel Europa zijn gebeurd (Sneek 1740).
Roderoede blijkt bekkensnijder
Geplaatst op: 7 november 2019 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk, Westerkwartier Een reactie plaatsenIn de nacht van 7 op 8 mei 1745 ging Roelof Pieters vreselijk tekeer op de “publike Heereweg tusschen de Hogemeeden en Aduard”. Met vier andere mannen liep hij van een boeldag op de Hogemeeden terug naar Aduard, zijn woonplaats. Eerst gaf hij zijn eerste metgezel
“op een agterbaxe en onverhoedse wijze twee sneeden in het aangesight, de eene boven het oog, de ander even boven het kinnebakken”.
Vervolgens achterhaalde hij nummer twee, die op de vlucht was geslagen en diende hem een snee boven het oog en een kerf over de kin toe. Terwijl hij meteen daarop nummer drie een haal met zijn mes over de hand gaf.
Roelof Pieters moet een sterke kerel geweest zijn, als hij drie man zonder noemenswaardige tegenstand zo kon beschadigen. Op boeldagen werd nogal eens flink gedronken, maar bij dronkenschap gaat het vaak om blind geweld, en hier lijkt juist sprake van enige precisie, een bijna rituele strafoefening die bestond uit het letterlijk toedienen van gezichtsverlies.
In dit verband doet het ter zake dat Roelof Pieters de roderoede of veldwachter van Aduard was. Zijn baas, de redger, vond dit alles niet te billijken, maar “saken van de uiterste consequentie”, een roderoede des te minder passend “als sijnde in dienst van het gerigte”. Hier moest een voorbeeld worden gesteld. Toch wilde de redger ook niet al te hard zijn. Hij ontsloeg Roelof Pieters als roderoede van de jurisdictie Aduard en verbande hem voor zes jaar uit de provincie. Mocht Pieters die ban breken, dan dreigde een lijfstraf.
Onder de rechtstoel van Aduard vielen destijds ook Hoogkerk, Leegkerk en Dorkwerd. De roderoede van die onderhorige dorpen, Menne Derks uit Leegkerk, was eveneens bij de bloedige voettocht aanwezig geweest, maar had geen vinger voor de slachtoffers uitgestoken. Niet alleen had hij “geen de minste devoiren aangewend” om de bekkensnijderij door zijn Aduarder collega te beletten, ook liet hij na het gerecht erover in te lichten. Daarmee had hij zich schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, en dat rekende de redger hem zwaar aan, zij het ook nu weer met enige coulance. Menne Derks moest bij wijze van boetedoening zijn ambt een half jaar lang gratis vervullen, terwijl zijn traktement voor die periode naar de diaconieën van Hoogkerk en Leegkerk ging, elk voor de helft. Als Derks in dat halve jaar zijn werk nog eens niet naar behoren deed, kreeg ook hij ontslag.
Roderoeden kwamen vaak voort uit de arbeidersstand en ze hadden het dus absoluut niet breed. Hoe zo iemand en zijn gezin moesten leven, als hij zijn werk gratis moest doen, vertelde de redger er niet bij. Dat kwam dan waarschijnlijk neer op bedelen, maar dat was verboden en illegaal – een roderoede had immers als eerste taak het weren van bedelaars uit zijn ressort.
—
Bron: Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 178: beide vonnissen van 8 juli 1745.

Recente reacties