Kindermoord in Aduard

Op 6 juni 1716 verdringen de inwoners van Aduard zich voor een pas aangeslagen plakkaat op het rechthuis. Het is een verzoek van Evert Joost Lewe, de dorpsheer, om inlichtingen te geven in een zaak die al enige weken speelt: op zondag 24 mei was er in het lokale Binnendiep bij de schipperstrap een dood kind gevonden, drijvend in het water,

dat seer apparentelijk op een moorddadige wise is van het leven gebraght.

Het plaatselijk gerecht deed al het mogelijke om dader of daderes van deze “onmenselijke gruweldaet” op te sporen, maar tot dan toe vergeefs. Daarom loofde jonker Lewe, die nog in eigen persoon recht sprak, een beloning uit van 50 gulden voor degene die hem de inlichting zou verschaffen welke zou leiden tot de aanhouding van de dader of daderes. De naam van de tipgever kon desgewenst geheim blijven. In zijn tekst speelde Lewe sterk in op het geweten van eventuele getuigen. Volgens hem had het vrij rondlopen van de dader ook algemene gevolgen,

geconsidereert dat dit ontsielde kint bij den Groten God als om wrake roept, en dat diergelike infame en onmenselike misdaden ongestraft blivende, de sonde op het lant blijvt, en dat in een tijt daer Gods hant sigh so merkelijk in toorn en grimmigheijt over ons gehele lant uitbreidet…

Anders gezegd: het onbestraft rondlopen van de dader lokte de wrake Gods uit, bijvoorbeeld in de vorm van brand, een (vee)ziekte, overstroming of wat voor rampspoed dan ook.

Dat is enigszins verrassend , want bij de bevindelijke partij die het altijd al zo bekeek was de staatsgezinde jonker Lewe absoluut niet geliefd. Terwijl hij zich toch in bevindelijk-gereformeerde termen uitte in het plakkaat. Staatsgezindheid hoefde blijkbaar nog niet te betekenen dat iemand de (proto-)Verlichting omarmde – een combinatie van staatsgezinde, anti-orangistische en een min of meer bevindelijke geloofsopvatting was blijkbaar ook nog mogelijk.

Of deed Lewe maar alsof, en uitte hij zich in dergelijke termen omdat hij zijn pappenheimers zo het beste mee kon krijgen?

Bron: Groninger Archieven, Toegang 735 (Rechterlijke Archieven Westerkwartier) inv.nr. 178.


Peerdjes op torens

Net als de peerdjes in de achtergevels van Groninger boerderijen zijn de peerdjes als windvanen allemaal verschillend en daarmee waarschijnlijk het fabrikaat van lokale smeden:

Trof deze aan in de beeldbank van de RCE. Het betreft een vrij recente calque van een Monumentenzorgtekenaar. Te zien zijn op de bovenste rij de windvanen van de hervormde kerken in Scheemda en Noordhorn, op de tweede rij die van de toren in Beerta en de Martinitoren in Stad, op de derde rij die van de Fraeylemaborg en de Winschoter kerktoren, op de vierde rij die van de toren in Finsterwolde en Openluchtmuseum ’t Hoogeland in Warffum en helemaal onderaan die van de Bellingwolder toren.


Ooievaars bij Lagemeeden

Ze hadden al zo’n anderhalf, twee maanden op weg moeten zijn. Maar vanmiddag zag ik een groep van acht ooievaars fourageren bij de Nutweg in Lagemeeden:


Van het vee trokken ze zich weinig aan:

En nu maar voor ze hopen op een zachte winter.


De teloorgang van de karnemelksepap

Mijmerend over de ijzeren hond van onze melkboer, medio jaren 60, moest ik denken aan diens karige assortiment. Het bestond natuurlijk uit melk en karnemelk, maar daarnaast had hij een beperkt aantal (na)gerechten zoals karnemelkse pap, bloempap, yoghurt en vanille- en chocoladevla. Meer smaken waren er niet.

Van de yoghurt meende ik dat die destijds nieuw was, maar dat blijkt een misverstand: de yoghurt – die voor oergezond doorging – werd al in 1907 geïntroduceerd op de Nederlandse markt, zij het dat ze destijds alleen maar werd verkocht in speciaalzaken.

Nee, dan de karnemelkspap. Ooit vormde die, althans in het noorden. een hoofd- of bijgerecht bij zowat alle maaltijden, ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds, iets wat naar verluidt nimmer verveelde. In de twintigste eeuw echter, raakte het goedje behoorlijk uit de gratie, zoals blijkt uit een kleine query in Delpher-kranten die verschenen tussen 1900 en 1990:

Om zowel karnemelkse pap (met spatie) als karnemelksepap (zonder spatie) te vangen, heb ik gewerkt met het zoekwoord karnemelks*. Verder laat de grafiek niet de absolute aantallen zien dat die zoekterm in de Delpherkranten voorkomt, maar de aantallen als promillage van alle krantenartikelen van dat jaar in Delpher. Om de al te grote fluctuaties wat weg te werken en de ontwikkeling wat beter in beeld te krijgen heb ik er nog een vijfjaarlijks gemiddelde (in rood) overheen gegooid.

Er manifesteert zich dan tijdens de jaren 30 al een achteruitgang in de relatieve frequenties die zich in de oorlogsjaren versneld voortzet. Karnemelksepap werd beduidend minder genoemd en gegeten. Mogelijk werden de grondstoffen (geweekte en gepelde gort + karnemelk) toen even voor iets anders gebruikt. De bevrijding bracht de glorieuze rentree van de karnemelkse pap, maar men was ook snel weer zat van het zurige goedje, met als gevolg een nieuw dieptepunt in de jaren 50. Rond 1960 was er nog een kleine opleving waaraan onze melkboer met zijn ijzeren hond heeft bijgedragen. Daarna leidt het product in de krantenkolommen en ongetwijfeld ook in de werkelijkheid een kwijnend bestaan.


In Delpher kan je de rage van het speldje heel goed pinnen

Bron


Jonker Wyfferinge met zijn wapen in het graf gelegd

Het familiewapen Wyffringe bevindt zich nog op een rouwbord in de kerk van Baflo. De adelaar zal van de stad komen, de posthoorns duiden misschien op een postmeesterschap van een voorzaat.

Rtv Drenthe kreeg van de week de vraag voorgelegd om eens uit te spitten of er werkelijk waar een kasteel in Bonnen bij Gieten had gestaan. Uit het bericht op haar website blijkt in ieder geval dat de verslaggever rotsvast in die burcht is blijven geloven. Curieus, want in werkelijkheid was het kasteel een buitenhuisje met drie kamers, althans volgens het standaardwerk Huizen van stand (Assen 1989).

Zeker woonden er voorname personages in het Huis te Bonnen, maar dat maakte dat huis nog niet tot een kasteel. Het was ook niet zo oud, uit 1605 komt pas de eerste melding. Destijds bouwde men al geen verdedigbare kastelen meer, omdat je er toch al niets meer aan had tegen geschut. Bestaande kastelen werden vaak ook wel omgebouwd tot buitenhuizen. Het buitenhuisje te Bonnen werd in genoemd jaar waarschijnlijk nieuw gebouwd door de Groninger burgemeester Johan Wifferinck, die er ’s zomers met zijn familie verblijf zal hebben gehouden. Want dat was zo de gewoonte onder stadsregenten: ’s winters woonden die in de Stad en ’s zomers verbleven die op het platteland, een vrij ideale constellatie, moet ik zeggen.

Aan de adellijke familie Wifferinck, in de stad Groningen zelf ook wel Wyfferinck of Wijfferinge geheten (om de meest voorkomende spellingsvarianten te noemen), zit nog een aardig verhaal vast. In de mannelijke lijn stierf zij namelijk begin oktober 1678 uit met jonker Johan Wijfferingh, denkelijk de kleinzoon van de naamgenoot uit 1605. Johan juniors erfgenamen kwamen toen bij het stadsbestuur met een uitermate bijzonder verzoek. Ze waren namelijk voornemens

bij de begraeffnisse van het doode lichaem van gesiede juncheer derselver wapen voor het lijck te laeten draegen, ende vermits hij de laeste mannelijcke oor van dat geslaghte is, het gedachte waepen in het graft t’ doen leggen.

Ze wilden hiervoor graag toestemming van het stadsbestuur en dat willigde het verzoek in. De laatste jonker Wijfferingh werd dus met zijn familiewapen en al begraven.

Aan Redmer Alma, die beschikt over een grote kennis van de heraldiek, vroeg ik of dit nu een gewoonte was bij het uitsterven van adellijke families en of hij het vaker was tegengekomen. Een echt oude traditie bleek het niet:

Het was inderdaad een vast gebruik, in elk geval vanaf de zeventiende eeuw. Doorgaans wordt het wapen boven het graf gebroken en dan erin gelegd. Heel veel laatsten van een geslacht zijn er natuurlijk niet, maar je zou verwachten dat ergens wel een graf bewaard is waar de stukjes van een (waarschijnlijk houten) wapenschildje te vinden zijn.

In één opzicht was het Groninger geval uniek, aldus Alma:

Dat er speciaal toestemming aan de stad werd gevraagd, ken ik niet van andere voorbeelden.


Populierenkap aan de Peizerweg

Werkelijk het enige wat de Peizerweg nog een draaglijk aanzien verschafte, moest blijkbaar nodig worden opgeruimd. Zo’n mooie populierenlaan zullen we hier dus van onze levensdagen niet meer aanschouwen. Dat we voor de operatie moesten omrijden was nog het minste leed:

Takken over het pad:

Van gestripte stammen:

Lopende bandwerk, dat eindigt met het in stukken zagen van de stammen, waarna de kale troosteloosheid van bedrijfsgebouwen in het onbarmhartige daglicht treedt:

Weg schaduw op de zomeravond, weg windvang bij winterdag.


Hoe de Tolberter Tocht weer open raakte

Soms kom je in oude stukken waterlopen tegen die allang niet meer bestaan, weggepoetst als ze zijn door verlanding, ontginning, ruilverkaveling en grootschalige woning- en utiliteitsbouw. Neem de waterlopen die Haro Casper, baron van In en Kniphuizen en Heer van Nienoord, noemt in het verzoekschrift, dat hij hartje zomer 1809 inleverde bij de drost van het Westerkwartier. In dat rekest klaagt de baron

hoe dat vooral in den winter ten uitersten word geïncommodeerd door het water uit de Veensloot in het zuidelijkste gedeelte van de Tolberter Togt, welk water van daar overloopt over het Nienoordsche Veld in het Nienoordsche Molenkanaal, waardoor nadeel aan de wallen van hetzelve kanaal wordt toegebragt, welke overloop van water word veroorzaakt doordien het meer noordelijk gedeelte van opgem[el]de Tocht niet in de vereischte staat word gehouden…

De Tolberter Tocht loopt van zuid naar noord door bijna het gehele kaartbeeld, Halverwege passeert ze de Vredewoldster zandrug, met daarop de hoofdweg Tolbert-Midwolde (rode lijn). In het zuidelijke brongebied of “Bovenland” lagen het Nienoordse Veld (paarse bolletjes) en het Molenkanaal, bezittingen van Nienoord die zeer te lijden hadden onder de slechte afwatering naar het noorden. Onderlegger: http://www.hisgis.nl

Die Tolberter Tocht, een “gegraven waterloop ter ontlasting van hemelwater van venen en landen”, vormde al sinds de vroege Middeleeuwen, toen de ontginning van het Vredewold begon, de vrijwel kaarsrechte kerspelgrens tussen Tolbert en Midwolde, tevens de grens van twee verkavelingssystemen. De tochtsloot liep (zie kaart) vanaf onontgonnen Nienoordse venen even ten noorden van de Wolveschans, tussen Tolbert en Midwolde door en langs De Traan naar het Wolddiep, dat op zijn beurt weer naar het Hoendiep bij Enumatil stroomde. De Tolberter Tocht diende primair voor de afwatering van het Tolberter Veld ten zuiden van Tolbert, waar een of twee Veensloten erop afwaterden. De heer van Nienoord bezat hier nog een complex onontgonnen hoogveen, dat afwaterde op zijn eigen Molenkanaal. Blijkbaar werkte de afwatering langs de Veensloten en de Tolberter Tocht niet meer goed, waardoor ’s winters al bij een betrekkelijk geringe regenval zich hier overtollig water over het (heide)veld een weg baande naar het Molenkanaal, dat dan schade aan zijn wallen opliep.

De Heer van Nienoord zag de periodieke winterse overstromingen met lede ogen aan en wilde er graag vanaf. Vandaar dat hij de drost verzocht om een lastgeving aan de Tolberter dorpsvolmachten of “boerrichters” die het toezicht op die Tolberter Tocht hadden – wat betreft Nienoord maakten ze hun afwatering meteen weer in orde. De drost echter, verzocht de volmachten eerst om hun visie op de zaak te geven. Nadat die besproken was, hielden de drost en de volmachten in het najaar een schouw van de Tocht. Daarbij bleek in het meest noordelijke deel van de Tocht, “doorgaans genaamd de Blinksloot” – dat door Nienoord nog als bottleneck was aangewezen, totaal niets aan de hand. Er zat volop water in dat onbelemmerd zijn weg vond naar het Hoendiep en de Kommerzijl.

Zuidelijker, met name daar waar de Tocht de aanmerkelijk hogere zandrug met de hoofdweg Tolbert-Midwolde passeerde, stond de bodem van de Tocht echter “geheel droog”. Ook bleek

dat al verder op onderscheidene plaatsen dwars door dezelve droge togt van de eene wal na de andere waren geplaatst vlaken of schuttingen van rijswerk, dienende om het vee te beletten om dezen togt te gebruiken tot ene passage van het ene land naar het andere; dat daarenboven nevens meergemelte togt op onderscheidene plaatsen zoo nauw was gegraven, dat uit hoofde van deszelfs diepte de wallen nauwelijks konden worden gehouden, daardoor in deselve waren ingesakt, terwijl op andere plaatsen de wallen van deselve togt zo nauw met bomen en ruigte waren beplant, dat men niet in staat was om dezelve behoorlijk te kunnen graven, of de uitgegravene aarde te kunnen bergen.

Op het droogstaande middenstuk van haar tracé bleek de Tolberter Tocht dus gecompartimenteerd met afrasteringen van natuurlijk materiaal die moesten voorkomen dat vee aan de zwerf raakte. Op andere plaatsen was de Tocht zo smal en diep, dat haar wallen waren ingestort, terwijl de tochtsloot nog weer elders dichtgegroeid was met bomen en struweel. Ongetwijfeld was hier zeer lang geen adequaat onderhoud geweest, misschien wel enige tientallen jaren niet.

Ten zuiden van de zandrug en vlak bij de Veensloot (of Veensloten?) lag het aanzienlijk lagere terrein waarover de Heer van Nienoord klaagde. Hier stonden de Tolberter Tocht en de Veensloot (Veensloten?) weer vol water. Dat kon er niet weg naar het noorden door genoemde “beletselen” op het middenstuk van de Tocht. Vooral aan de voet van de zandrug bleek de Tocht zeer nauw en slecht onderhouden. Een en ander is ook wel enigszins begrijpelijk: op het hoge middenstuk moest de Tocht immers het diepst ingegraven worden en was het onderhoud bijgevolg het duurst.

De Tolberter Tocht was de enige schouwbare afwatering van Tolbert. Iedere ingezetene die er belang bij had, kon “onwedersprekelijk” eisen dat de Tocht aan dat doel voldeed en dus in een goede staat van onderhoud werd gehouden. De drost gaf daarom de Tolberter volmachten bevel om in het vervolg te voorkomen dat iemand nog eens een “rijswerk of schutting” dwars in de Tocht zou zetten, als “strekkende notoir, vooral als enige ruigte met water afstroomt, van deselve tocht te stoppen en de vrije loop van het water te beletten”. Wel mocht iedereen “bijlangs de togt zijn wal bevredigen naar zijn rade” – aan de Tocht parallelle afrastering was dus wèl toegestaan.

Daarnaast moest op het problematische middenstuk van de Tocht en dan vooral aan de zuidkant van de zandrug de slootbodem zoveel mogelijk worden opgeschoond en verdiept, zodat “de bovenste of meest zuidelijk gelegen landen” niet meer zouden overstromen. Bomen en houtgewas die de afwatering hinderden moesten worden weggehaald door de eigenaars van de tochtslootwallen. Als zo’n eigenaar weigerde, moesten de volmachten dit melden bij de drost, die de aangeklaagde dan een proces zou aandoen. Als de volmachten er geen werk van maakten, of anderszins in gebreke bleven, kregen ze zelf de boetes die ze de nalatigen hadden moeten opleggen. Mogelijk is hier impliciet sprake van nog een andere oorzaak van de overstromingen: de laksheid, jaren en jaren aaneen, van de Tolberter volmachten.

Er zou ook overigens ook nog wel eens een derde oorzaak geweest kunnen zijn, een oorzaak die men destijds echter niet onderkende. Mogelijk was het Tolberter en Nienoordse Veld in kwestie allang begruppeld en voorzien van sloten, waardoor het veen oxydeerde en het maaiveld ter plaatse daalde. Is dat inderdaad gebeurd, dan moet dat de afwatering mede hebben bemoeilijkt. Uiteindelijk heeft men hier ook de handdoek in de ring gegooid, want de Tolberter Tocht ten zuiden van de zandrug verloor weldra haar functie nadat men hier in de negentiende eeuw de afwatering anders ging regelen.

BRONNEN:

  • Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr.727: rekestboek. 26 hooimaand (juli) 1809 met op zich ongedateerde apostille (van 9 oogstmaand 1809); idem inv.nr. 729: protocol van notificaties en publicaties door de drost van het Westerkwartier, die van donderdag 16 Slagtmaand 1809.
  • Groninger Archieven Tg. 2137, inv.nr. 40-2: Kaart van de Leek, de Nienoort, Tolberter Togt &c. door Pieter Buwama Aardenburg, gedateerd op 1790-1805, maar mogelijk iets later gemaakt en dan samenhangend met (een vervolg op) de hier weergegeven verzoekschriftprocedure.

Tevens verschenen in: Historisch Leek. – 34 (2020), nr: 2, p. 22-27 


Merc for the Boegies

Vanmiddag, ergens in Friesland:

Meh!


Ordre op het getal der ganssen in den Oldambte

Dick de Bray, Ganzen, 1662. Collectie Rijksmuseum.

Boeren willen vandaag de dag nog wel eens klagen over de troepen wilde ganzen die neerstrijken op land met kort eiwitrijk gras. Naast gras doen die ganzen zich wel tegoed aan jong wintergraan en andere gewassen. Een beetje gans vreet zo’n halve tot een hele kilo per dag en bij een troep van enkele honderden ganzen loopt dat dus behoorlijk in de papieren.

Maar ook hun mest moet je niet uitvlakken. Een gans produceert om de vier minuten een keutel en nog afgezien van de ongewenste gevolgen voor de bodem, zoals een ongelijke vruchtbaarheid, wil je dat spul niet in het voer van je beesten. Geen wonder dat er allerlei middelen worden ingezet om grazende ganzen van het land te weren. Ook hebben boeren met “faunaschade”, aangericht door ganzen, recht op een vergoeding.

Klachten over ganzenschade zijn echter niet nieuw. Getuige een resolutie door het Groninger stadsbestuur van 13 maart 1685 hadden “ingesetenen en intresseerden van Nieuwolda, Oostwold, Scheembder Hamrick en Wagenborgen” een poosje eerder geklaagd over

het groot getal van ganssen, denwelcke van verscheiden particuliere huislieden te lande worden gehouden waerdoor het gewas wierde afgegeten en de landen bedorven en onbequaem gemaeckt om vrughten te konnen draegen.

Ook destijds al vraten ganzen dus het gras op en maakten ze akkers met hun uitwerpselen onvruchtbaar. Het is alsof we de boeren van nu horen, met dit verschil dat de ganzen van toen tàmme ganzen waren en géén wilde. Destijds werden die ganzen ook gehouden door “huislieden”, een term waarmee gewoonlijk boeren werden aangeduid, streekgenoten dus van de klagers en net als deze woonachtig in de kerspelen op de rand van het Oud-Nieuwland, de Dollardpolder die twintig jaar eerder, in 1665, was ingedijkt.

Het stadsbestuur, dat de baas was over het Oldambt en er de drost als zetbaas aanstelde, besloot op advies van een commissie die de klagers aanhoorde, paal en perk te stellen aan het aantal ganzen bij de Dollarddijk. Niemand mocht hier nog ganzen houden, tenzij

hij sestien deimbten landt in eigendom, possessie of gebruick was hebbende en dat die geene dewelcke alsoo begoedt waeren of meerder deimbten landts in eigendom hadden, possideerden of gebruickten, niet meer als een oude gent en twee geusen souden mogen houden en geobligeert sijn deselve te korten of te knuijven en op sijn eigen landen te weiden en waeren.

Met andere woorden: er kwam een verbod op het houden van ganzen voor landeigenaars en beklemde meiers die minder dan 16 deimt (7,2 ha) grond in bezit of gebruik hadden. Zelfs de meeste koop- en ambachtslui of ‘burgers’ hadden niet zoveel grond tot hun beschikking – het ging dus uitsluitend om boeren en misschien enkele brouwers en predikanten. Maar ook zo iemand mocht slechts een beperkt aantal volwassen ganzen houden, namelijk 1 mannelijke (gent) en 2 vrouwelijke (geusen). Deze moesten dan wel gekortwiekt worden en ook op het eigen of gehuurde land blijven van hun bezitter, die er ook op moest blijven letten.

Voor ganzen die het eigen territorium verlieten, gold bij voorbaat de doodstraf, want iedere landeigenaar of –gebruiker kreeg toestemming

…om de vreemde ganssen, soo hij op sijn landt quam vinden weiden, vrijelijck te mogen dootslaen, sonder de minste breucke, en dat de eigenaers van sodane ganssen daerenboven geholden souden sijn, om tot taxatie van d’Heer Drost de schade van gem[elde] ganssen veroorsaeckt te vergoeden en te betalen… 

De ganzendoder hoefde dus geen boete of schadevergoeding te betalen. Het was juist de eigenaar van zulke ganzen die schadevergoeding moest betalen aan iemand die ze op zijn land aangetroffen had.

Het stadsbestuur maakte er aardig wat werk van om deze “Ordre op het getal der ganssen in den Oldambte” bekend te maken, Het gaf de streekbewoners opdracht

om sigh hiernae strictelijck te reguleren, sullende desen tot dien eijnde van de predighstoel in voorschr[even] carspelen worden afgekundight, en geaffigeert.

Het reglementje werd dus op strategische plekken aangeplakt in de vorm van plakkaten en bovendien werd het afgekondigd vanaf de kansels in de kerken van Nieuwolda, Oostwold, Nieuw-Scheemda en Wagenborgen.

Helaas heb ik niet meer over deze maatregelen kunnen vinden. Ook weet ik niet of ze hebben geholpen. Je zou denken van wel, want het verbod is niet nog eens afgekondigd, zoals zo vaak gebeurde met allerlei verboden.

Wat sowieso opvalt is dat het reglementje vlak voor het voorjaar werd vastgesteld en afgekondigd. Zo aan het eind van de winterperiode zijn ganzen zeker niet vet, en al helemaal niet als het flink heeft gevroren en/of gesneeuwd. Waarschijnlijk zijn de vogels dan juist extra hongerig.


‘Kip, kap kogel, Sinte-Maartens vogel’ – een beschrijving van de Groningse Sint-Maartensviering uit 1898

Nergens is van de feestviering op Sint-Martinusdag (11 november) zooveel overgebleven als in de provincie Groningen. Weliswaar moet een hoofdnummer van het program, het eten van een gebraden gans, achterwege blijven omdat de ganzen niet meer in ieders bereik vliegen, maar overigens wordt het feest met vollen luister herdacht. (…)

Op straat is het voornamelijk feest voor de kinderen. Allen zijn des avonds gewapend met een lampion, in de wandeling een Sinte Martinus genoemd. De kinderen der burgerij gaan bij vrienden en bloedverwanten, die der armen huis aan huis. En terwijl de bonte rij van lampions een schilderachtig effect maken en iets warms geven aan den guren, somberen herfstavond, klinkt het uit de kelen der kleinen:

Sinte Martinus bisschop, patroon van stad en lande,
Dat wij hier met lichtjs loopen, is voor ons geen schande.
Hier woont de rijke man, die ons wel wat geven kan.
Veel zal hij geven, lang zal hij leven,
Zalig zal hij sterven, den hemel zal hij erven.
God zal hem loonen met honderdduizend kronen.
Met honderdduizend lichtjes aan, daar komt Sint-Martinus weer aan.
Geef ons maar een appel of een peer, dan komen we ’t hele jaar niet meer.

De lezer zal wel begrijpen dat het liedje, dat ik zoo nauwkeurig mogelijk heb weergegeven, in den mond der kleinen niet altijd tot zijn vollen recht komt. Heel vaak hoort men: “Zalig zal hij leven en lang zal hij sterven” en andere afwijkingen.

Het “Kip,. Kap, kogel, Sinte-Maartens vogel” hoort men, als ik wel ben ingelicht, nog in enkele dorpen van de provincie, maar het lopen met luchtjes is zeer algemeen. Zoo las ik in de Nieuwe Groninger Ct het volgend berichtje uit Pieterburen , een dorpje in het noorden onzer provincie:

“Eén gebruik handhaaft zich hier echter met succes, en wel het loopen met lichtjes op St-Maartensavond. Van alle gezindten komen de kinderen in grooten getale opzetten, of liever (…): van alle rangen en standen. Aristocraatjes en democraatjes heffen broederlijk en zusterlijk in alle grondtonen het “Alse-Sunte Meerten, de koeien dragen steerten” aan, sommige dreumesjes, die pas kunnen loopen, onder moeders geleide. Reeds dagen te voren worden sigarenkistjes, mangelwortels, kalebassen enz. opgevraagd, uitgesneden en beplakt met allerlei graden van kunstvaardigheid. Pas begint het te donkeren, of bij de omliggende boerderijen neemt de feestelijke tocht een aanvang, om later in het dorp zelf voortgezet te worden en zoo de rechtse dorpsstraat een alleraardigst aanzien te geven.

Een 170-tal bewogen zich op straat. Appels en peren, anders ook wel de “gave” van den “rieken man”, zijn schaarsch, ofschoon de boomen bij verscheiden twee maal gebloeid hebben, tot zelfs in november.”

Naschrift: opvallend is een verschil tussen stad en land in deze beschrijving. In de stad gaan de kinderen van de gezeten burgerij slechts bij familie en goede kennissen langs, terwijl de armen huis aan huis afgaan; op het platteland daarentegen gaan de kinderen van alle rangen en standen gezamenlijk op pad.

Bron: De Tijd 23 november 1898, Binnenland, Brieven uit Groningen IX.


Rondje Schilligeham

Leegkerk:

Bij de ingang tot het erf van de boerderij Gravenburg – hun moeder zat achter mij in het weiland te jagen, ze wachtten haar op. Ik denk dat deze kittens een week of vijf, zes oud zijn:

Schutting met koeien bij Oostum:

Dijkcoupure bij Schaphalsterzijl:

Mosterdzaad bij Schouwen (het Groningse, zonder Duiveland):

Rijenteelt maakt micro-reliëf zichtbaar:

Arbeiderswoningen en de gewezen boerderij van Guikema aan de Onnesweg in Feerwerd:

Watermolen in de buurt van Steentil:


Smidsdiploma


De handgeschreven invulteksten op dit smidsdiploma zijn aanzienlijk verbleekt en nauwelijks meer leesbaar, maar het werd op 4 augustus 1956 uitgereikt aan een Jacob Hofstee, dan bijna 30 jaar oud en geboren te Uithuizermeeden.

Linksonder een soldeerbout en rechtsonder een aanbeeld, met een hamer en oplaaiend vuur. De stijl doet jaren 30 aan. Wellicht had de vakopleiding nog een stapeltje vooroorlogse diploma’s liggen.

Het drukwerkje tikte ik op de kop bij de veiling van Boekito’s schilderijen, begin deze maand in het Poortershoes, het buurthuis van de Oosterpoort waar Boekito vlakbij woonde en ook redelijk vaak kwam. Hij heeft in maart een hersenbloeding gehad en kan nauwelijks meer praten. Zijn huis is ontruimd en bijna al zijn boeken zijn naar de stort gegaan: een drama voor de boekenverzamelaar.

Voor zover ik zag, werd er op zijn schilderijenveiling redelijk wat verkocht, meest romantische werken. Was wel een komisch gezicht in de buurt, om jongelui met zulk werk door de straten te zien lopen. Boekito zelf zag ik niet bij de veiling, op de deur van het buurthuis hing een briefje dat die pas ’s middags zou komen.

 


“Houten handen, waar te setten” – de oudste resolutie van het stadsbestuur over handpalen

Bij het doornemen van notities die ik een kwarteeuw geleden maakte, vond ik haar terug: de resolutie waarin het Groninger stadsbestuur voor het eerst hand- of strijkpalen noemt. Ze dateert van zaterdag 15 januari 1653 en stelde een commissie in

omme ordre te stellen, dat tot minste schade en beste mesnage van de Stat, bij het roode bruckjen achter de berckmeulen een houten handt wierde gestelt, alwaar een jegelijcke schuitevaerder ofte ander schipper s[i]nen seijl sal hebben te strijcken

Dat rode bruggetje lag buiten Kleinpoortje over het Schuiten- of Winschoterdiep. Kennelijk had deze voorganger van de huidige Bonte Brug al eens averij opgelopen omdat een zeilend schip ermee in aanvaring kwam. Vandaar dat er een handpaal met het gebod ‘strijk’ achter de toen nog bestaande barkmolen kwam, op ruim 150 meter afstand van de brug.

Ook bij het verlaat van Martenshoek en bij de “scheidbrugge” in Sappemeer kwam er zo’n handpaal te staan. Deze maakten verder deel uit van een heel pakket van maatregelen, dat ook de bruggen van Foxhol en het zandpad en de vonders van Sappemeer betrof.

Zie verder.


Graffiti op het hoekje van de Westerhaven