Tamelijk hagiografisch, maar tevens erg mooi

Lied over de man die vaak bij Harm Boukje logeerde:


Opkomst en ondergang van Dikke Trui

Op de Dag van de Groninger Geschiedenis werd gister een beeld opgeroepen van het eerste vrouwencafé in Groningen, zoals dat tussen 1979 en 1982 bestond. In die periode veranderde de doelgroep nogal, net als het muziekaanbod. Hier mijn verhaal voor de programmakrant.

De Dikke Trui, het allereerste vrouwencafé van de stad Groningen, had regelmatig last van ongewenst mannenbezoek. Zo trok een man in oktober 1979 een mes en beroofde vier bezoeksters omdat hij geen pilsje kreeg. Twee maanden later herhaalde zich dit, waarbij dezelfde dader opnieuw honderden guldens buitmaakte. Begin ’80 pleegde een andere man bovendien vernielingen in het café. De vrouwen hielden hem vast, maar hij ontkwam dwars door het raam. In oktober ‘80 stopte de politie nog zo’n bezoek. “De agressie van mannen is in de afgelopen jaren nauwelijks veranderd, aldus een Trui-medewerkster in mei ’81: “Als het volle maan is, dan lijkt het weer toe te nemen”.

Het vrouwencafé was juist opgericht, omdat vrouwen niet rustig in een café konden zitten zonder mannelijke opdringerigheid. Weliswaar bestond er vanaf 1975 een Vrouwenhuis in Groningen, maar dat was meer sociaal-politiek gericht en bood geen ruimte voor ontspanning en cultuur. Daarom hielden twaalf vrouwen – vooral babyboomers, werkzaam in onderwijs en kunst – in augustus ’77 een brainstormweekend op Schiermonnikoog, waar de naam ‘Vrouwen van Trui’ ontstond.

Na enige mislukte pogingen om een café te beginnen, leek de animo weg, tot zich in augustus ‘78 een andere initiatiefgroep aandiende met een plan voor een vrouwenboekhandel. Beide groepen besloten samen te gaan werken aan een vrouwencultuurcentrum. Hun stichting ‘Vrouwen van Trui’ kreeg weldra statuten met als drieledige doelstelling:

  1. Een ontmoetingsplaats bieden voor alle vrouwen;
  2. Het bevorderen van de emancipatie van de vrouw;
  3. Het bevorderen van vrouwencultuur.

Leestafel met vrouwenbladen
Zowel het vrouwencafé als de -boekhandel ging, vooruitlopend op dat veel bredere cultuurcentrum, ‘De Dikke Trui’ heten. Het was echter de boekhandel die als eerste een pand kreeg: begin maart 1979 opende deze aan de Visserstraat. Bijna drie maanden later, op 28 mei, ging het café los in het pand Oude Ebbingestraat 82, dat al eerder verbouwd was door de eigenaar, de Hengelosche Bierbrouwerij (Stella Artois), tevens leverancier van het bier. De Vrouwen van Trui pachtten dit pand, dat boven een expositieruimte en crèche kreeg, terwijl de benedenverdieping ingericht werd met een bar, dansvloer, zithoek, flipperkast en leestafel met vrouwenbladen.

Vrijwilligers, uiteindelijk zo’n 150, runden café Dikke Trui. Er waren werkgroepen voor alle voorkomende klussen en iedereen kreeg evenveel zeggenschap in de medewerkersraad die het laatste woord had. Alleen in zeer urgente gevallen kon een kleine coördinatiecommissie iets besluiten, maar dat gebeurde zelden.

Zoals gezegd vormde het café een opstap naar een breed vrouwencultuurcentrum en dat was in de feestweek na de stampvolle opening al goed te merken met optredens van clowns, een vrouwenband en een huisvrouwenorkest. Ook later waren de activiteiten in De Dikke Trui deels sociaal-cultureel van aard, met kindermiddagen, klaverjasavonden en open podia. Terwijl er aanvankelijk nog stijldansavonden plaatsvonden, werden dat in ’80 en ’81 echter swingavonden met onder andere new wavemuziek.

Een ander publiek
De expositieruimte boven was geen lang leven beschoren. Binnen een jaar na de opening verhuisde de beeldende kunst naar boekhandel Trui, die wel mannen toeliet. Van het café waren vooral de literaire activiteiten spraakmakend. Zo traden in ’80 en ’81 bekende feministische auteurs als Hannes Meinkema, Andreas Burnier en Elly de Waard op in De Dikke Trui, met een gehoor van zo’n 150 vrouwen. Voor grootschalig theater was de ruimte ongeschikt, maar er waren wel kleine projecten, bijvoorbeeld over “de lusten en lasten van het vrouwenlijf”. Bovendien vertoonde Trui regelmatig “roldoorbrekende” films. De ontwikkeling die het vrouwencafé doormaakte, is echter het best af te lezen aan de muziekoptredens. Aanvankelijk vallen nog klassieke ensembles en koren met strijdliederen op, terwijl in ’80- en ’81 meidenformaties als Vendetta, The Real Insects en The Bitch Band in het oog lopen met hun semi-punk en new wave.

Met het muziekaanbod veranderde ook het publiek van Dikke Trui. Volgens de statuten moest ze een ontmoetingsplaats zijn “voor alle vrouwen”, maar de praktijk week hier gaandeweg van af. In ‘80, ’81 hielden ettelijke vrouwen van het eerste uur het café voor gezien. De babyboomsters maakten zogezegd plaats voor een wat jongere, ‘verloren generatie’. Voor de buitenwacht ging het om “lesbische, geëmancipeerde wijven” en “mannenhaatsters”, iets wat Dikke Trui zelf in de pers ontkende, maar toch ook intern als verwijt klonk. Sommige medewerksters stoorden zich aan de vaste, anarcho-feministische kern die andere vrouwen zou afstoten – deze werd deze ook wel “de New Wave groep” genoemd, met als kenmerken: “kort, geverfd haar, alles zwart, grote oorbellen, grote bek en last but not least, new wave muziek”.

Bij het bovendrijven van deze bezoekstersgroep, kwamen er ook klachten over verruwde omgangsvormen. Bovendien zou Trui minder vrouwen trekken. Aan de omzet was dat echter niet merkbaar. Dat het café per 1 januari 1982 dichtging, lag dan ook niet aan het veranderende publiek, maar aan de brouwer.

Vier fusten per week
Volgens het pachtcontract uit mei ’79 moest Dikke Trui jaarlijks 100 hectoliter bier moest afnemen, zo’n 4 standaardfusten per week. Een een geringere bierafname gold als ontbindende voorwaarde. Alleen dronken de bezoeksters van Trui veel liever wijn en sterkedrank dan bier. Nadat de Keuringsdienst van Waren al eens teveel schimmels in een monster tapbier aantrof, constateerde de brouwerij in maart ‘81 dat Dikke Trui in een jaar tijd slechts 62 hectoliter bier afnam:

U zult begrijpen dat wij thans gerechtigd zijn de huur op te zeggen, hetgeen wij hierbij doen en wel met onmiddellijke ingang.

Dikke Trui wist haar bestaan nog wel te rekken, maar bouwde haar activiteiten af en zocht onderwijl naar een andere locatie. Die bleek nog niet gevonden toen op 1 januari ’82 zo’n 200 vrouwen het afscheidsfeest bijwoonden. In april maakte de harde kern een doorstart in het gekraakte Oude Politiebureau, in een nieuw vrouwencafé: ‘De Del’.

Na het vertrek van Dikke Trui werd het pand weer een gewoon café. De nu mannelijke klandizie trapte in het Nieuwsblad nog even na en hekelde de buitensluiting van mannen. “Dit was vroeger een feministisch café, zo’n enge club”, lichtte er een toe: “Maar als je ziet wat er boven op de wc geschreven staat, dan kunnen ze er toch niet zonder.”

Bronnen: dit artikel is vooral gebaseerd op Nieuwsblad-artikelen en archiefstukken van De Dikke Trui, vooral inv.nr. 142: correspondentie.


Geschiedenisdag in teken van zij/hij

Een vroeg rondje over de informatiemarkt – zij en hij en de deconstructie van een archiefdoos:

Nee, deze lijken toch niet op elkaar:

Stand historische vereniging Hoogezand – programmaboekje van de grote tentoonstelling aldaar in ’35:

Stand historische vereniging Loppersum. Bij een verbouwing wegens aardbevingsschade kwam dit stuk karton achter een plafond vandaan. Het was daar op 22 maart ’39 verstopt door de maker van het plafond, de timmerman J. Hagenouw uit  Zeerijp. Deze gelovige en politiek meelevende man spreekt van “het jaar van ellende”:

Duitschland wil de heele wereld veroveren. Het is nog geen oorlog, maar het zal er wel op aangaan. Hopende dat God ons zal bewaren, in Hem is nog ons enigste vertrouwen.”

Volgt de datum. En als een pardoes PS: “Het weer is ook slecht”:

De illegaliteit was ook weer aanwezig:

Zij en hij in een genealogisch onderonsje:

Hé, een breiwerkje in de Dikke Trui Lounge:

In die Lounge (de archiefkantine) was het de hele dag lekker druk – Sanne Meijer van het Verhaal van Groningen interviewde de oprichtsters van Dikke Trui, indertijd (1979) het eerste en meest roemruchte vrouwencafé van de Stad:

Zij en hij gaven de Grote Markt een ander aanzien:

Glunderende archivaris:

Zo’n stempelmolen had mijn vader ook, alleen was die van hem een paar maten kleiner:

Zij (rechts) won de publieksprijs en hij ernaast de hoofdprijs van de scriptiewedstrijd:

Ook de Groninger Geschiedeniskwizz en de Verkiezing van de Grootste Groninger werden gewonnen door vrouwen, dus qua competities klopte alles met het thema.


Groeten uit de Witlattensteeg

Rond 1700 was dat de Lattensteeg, waaraan hoven (siertuinen) lagen. Dankzij een witbeurt ca 1730 kwam de naam Witlattensteeg in zwang. Waarschijnlijk ging het vanaf toen dus om een steeg tussen erfafscheidingen van witte latten die de hofeigenaren gezamenlijk hadden aangeschaft. In de twintigste eeuw werd dat met een wat netter gevonden naam, maar even intrigerend, de Witlattenstraat.


Fietstunnel Peizerwold nadert oplevering

Op het oog ligt er een prima wegdek in de nieuwe fietstunnel bij het tolhuis van Peizerwold. Toch staan er nog allemaal hekken omheen en de conclusie is dan al gauw dat dat komt doordat het schilderwerk nog niet af is:

De ondergrond is wel zo’n beetje aangebracht, maar er komen nog diverse figuren op. Deze Hooglander staat er al:

Net als deze vrouwen waarvan de ene lijkt te vliegeren, als ze niet aan tai chi doet:

En deze hooibalen moeten wellicht nog wat geler:

De kunstenaar bleek druk aan het werk in het westelijke deel, dat naast het tolhuis uitkomt:

Even een vlekje weghalend:

Op dit gedeelte staat een kip van het soort zoals de tolhuisbewoners ook hebben:

Alles dichtbij de hand – volgens hem ging de tunnel in november open, ik meen op de zesde:

Weer bij de Groningerweg om over te steken, bleek het inmiddels razend druk op de weg, met files vanuit beide richtingen. Bij de oversteek verzamelden zich dan ook behoorlijk wat fietsers. Een oudere man wilde het erop wagen en kon nog net aan zijn arm worden tegengehouden. Kortom: deze tunnel voorziet in een grote behoefte.


Rondje Peize – Eelde – Haren

Slenk in de Onlanden, gezien vanaf de brug in de Groningerweg naar Peize:

Huppelpaaltjes, Achterstewold:

Rustend blaarkopkalf:

Hooglanders in het laagland:

Bij het Eelderdiep tussen Peize en Eelde:

Een foeragerende zilverreiger tussen de koeien:

Bij Winde, pony met vlechtjes en in zebrapak:

Winde, open stal:

Insect met lange antennes op stuw in het Eelderdiep:

Hoornsedijk – het huisje staat er nog:

Paterswoldsemeer:

Stadspark – ballonopstijging:


Onze slakken lusten George Washington rauw

Ik heb het net nog even gecheckt of het toch niet het ontwerp was, maar het is echt zo. Dit affiche heeft er iets meer dan een week gehangen, maar de slakken in mijn biotoop hebben het al deerlijk toegetakeld. Anders doen ze dat nooit hoor! Blijkbaar heeft de plakfirma extra lekkere lijm gebruikt, of zou het de herfst zijn, die het plaksel beter verteerbaar maakte?

Hoe dan ook, we konden het de slakken niet vragen. ’s Nachts slaan ze toe, de rakkers, maar overdag zijn ze, afgezien van ons achterpad zo’n vijftien meter verderop, in geen velden of wegen te bekennen.


Groeten uit Leegkerk


Onlander rondje

Langmadijk Peizermade (1):

Langmadijk Peizermade (2):

Dood hout in de Gouwe:

Onlanderdijk:

Zweefvlieg op gele bloem:

Slenk:

Weiland bij Roderwolde:

Monument voor het Stobbenven:

Buitjes boven Roderwolde:

Het weggetje naar Sandebuur:

Trekkers weer doelmatig gebruikt:

De lucht achter De Poffert:


Kaart van Meertens toont sterke dominantie van Oude Mei in Groningerland

Het Meertensinstituut vestigde vandaag per tweet de aandacht op een hele aardige kaart, die aangeeft op welke dag de boerenknechts – en ik neem an ook de boerenmeiden – in een bepaalde omgeving doorgaans in dienst traden. De kaart is gemaakt door P.J. Meertens himself. Onduidelijk is wanneer en hoe de kaart tot stand kwam, maar dat zal in de jaren 1950 zijn geweest, op basis van een enquète onder lokale zegslieden. Hier volgt het Groninger deel van die kaart:

De grijsgroenige rondjes staan niet bij de legenda en horen waarschijnlijk bij de kaart als onderlegger waarop de kaartmaker de data heeft ingekleurd.  In een overgrote meerderheid van de gevallen maakte hij er open oranje rondjes van – deze staan voor de Oude Mei (12 mei) als ingangsdatum voor agrarische dienstverbanden. Dat was in de achttiende eeuw hier in Groningen ook al de belangrijkste dienstwissel- en verhuisdatum. Voor 1701 speelde 1 mei nog die rol, maar dankzij een kalenderwisseling van 1700 op 1701, die het nieuwe jaar meteen met elf dagen inkortte, veranderde dat dus in 12 mei of Oude Mei.

Toch bleef hier en daar ook nog 1 mei in zwang, getuige de dichte oranje rondjes. Dat was bijvoorbeeld in of bij Leek zo, in alle dorpen van het Gorecht, sommige oude veenkoloniën als Kropswolde, de Kiel, Boven-Wildervank en Nieuwe Pekela en in de dorpen van Westerwolde. De praktijk sloot hier nauw aan bij die in het naburige Drenthe, waar 1 mei ondanks de kalenderwisseling – die ook daar werd doorgevoerd – altijd de zeer dominante ingangsdatum bleef.

Je zou kunnen spreken van een verschil in behoudendheid. Mogelijk ging het om een politieke keuze per provincie of regio, maar deze lijkt samen te hangen met het verschil tussen zand en klei. Op de klei veranderde boerenpersoneel zelden op 1 mei en vrijwel uitsluitend op Oude Mei van werkkring. Op de klei hielden boeren na de kalenderwisseling in de vroege achttiende eeuw vast aan vol jaar dienstverband, terwijl dat op het zand kennelijk minder uitmaakte. Mogelijk hangt dit weer samen met loon in natura tegenover loon in geld. Op de klei betaalden boeren hun inwonende personeel vaker een surplusloon in geld bovenop kost en inwoning, terwijl de beloning op het armelijker zand vaker beperkt bleef tot kost- en inwoning alleen.

De weinige blauwe markeringen vormen de tegenhangers in het najaar van de oranje rondjes. Blijkbaar werd er in sommige plaatsen van Noord-Groningen meer in de herfst van werkgever gewisseld en wel op 12 november (Olde Adrillen), terwijl Muntendam (?) uniek was in zijn vasthouden aan 1 november (Allerheiligen).

Uniek is ook het beeld in Westerwolde, omdat daar naast 1 mei Pasen nog gold als datum om het boeltje te pakken en te verkassen. De rode liggende ruiten waarmee Meertens de paasvariant aangaf, zien we op zijn kaart verder alleen terug in het Drentse Roswinkel, in Noord-Twenthe (omgeving Ootmarssum), het noorden van de Veluwe (omgeving Nijkerk) en algeheel Limburg.

Veelal gaat het om grensstreken, maar door de Twentse en Limburgse voorbeelden doet Pasen als ingangsdatum voor dienstverbanden me ook wat katholiek en middeleeuws aan: met Pasen vond de belangrijkste mis van het jaar plaats, met ook veel eerste communies. Je zou kunnen vermoeden dat het qua datum ambulante Paasfeest ergens in de vroegmoderne tijd is ingewisseld voor het gefixeerde 1 mei, een datum die door de kalenderwisseling van 1701 dus meestal veranderde in de Oude Mei. Zo bezien geeft de kaart  niet alleen ruimtelijk inzicht, maar ook aanwijzingen voor ontwikkelingen op langere termijn.

 


Memoires van een boekhandelaar

Twintig jaar geleden sprak ik voor de UK met de scheidende boekhandelaar Ton (eigenlijk Tammo) Rodermond, destijds 76. Ik vond de tekst van het interview net terug tussen wat oude bestanden. Het geeft vooral een aardig beeld van de boekhandel in de jaren vijftig, toen Rodermond lezingen organiseerde met bestsellerauteurs als de reddingbootkapitein Klaas Toxopeus.

“Er kwam een jongen die ik niet kende in mijn zaak. Hij vroeg: “Kan ik hier mijn boeken op rekening kopen?” “Ja natuur­lijk”, zei ik, “maar dan moet je je wel even legiti­me­ren”. Hij keek me aan, zo van: Ken je mij niet dan? Op zijn rijbe­wijs bleek Koninklijke Hoogheid te staan en de rekenin­gen moest ik naar zijn moeder in Apel­doorn sturen. Naderhand werd ik opgebeld door haar privésecreta­ris, die zei dat Hare Konink­lijke Hoog­heid prin­ses Margriet de wens te kennen had gegeven dat ik mijn reke­ningen anders opstellen zou. “Boeken geleverd aan uw zoon”, schre­ven wij altijd. Maar zij vond dat het moest zijn: “Studie­boeken gele­verd aan Zijne Hoogheid”.

Heel wat klanten heeft Ton Roder­mond (76) in zijn leven gezien. Maar Bernhard zal een van de opmerke­lijk­e blij­ven voor de boekhandelaar op de hoek van de Kijk in het Jat- en de Broerstraat. Ook als Roder­mond, de oudste prakti­se­ren­de boek­hande­laar in de stad, per 1 augustus op­houdt. Want dan verla­ten hij en zijn vrouw het pand dat hij zijn hele leven bewoon­de, en waar hij, aan het begin van de oor­log, bij zijn vader in de zaak kwam, een zaak die zijn vader in ’16 stichtte en die de zoon in ‘64 overna­m.

Oorspronkelijk bestond de winkel uit een boekhan­del en een kunstzaal. Want pa Rodermond deed ook in schilde­rijen. Zelfs Londense veilingen ging hij af. Vooral werk van Otto Eerelman, een Groninger beroemdheid, verkocht hij veel. De boekhandel was toen nog een alge­mene en richtte zich absoluut niet op de univer­si­teit. “Maar in de crisistijd waren er nog niet die gigan­tische stu­dentenaan­tal­len”, verklaart Roder­mond, “en er was sprake van dat de uni­versi­teit zou wor­den opgehe­ven”.

Tot die crisistijd kwam een uitgever nog in hoogst eigen per­soon naar de boekwinkels met zijn aanbiedingen en jaarre­kenin­gen. “Hij logeer­de in Hotel de Doelen”, vertelt Roder­mond, “en kwam dan hier met zijn hoge hoed op en zei: ik krijg zoveel duzend gulden. En mijn vader controleerde de nota, haalde zijn portefeuil­le uit de brand­kast en betaalde handje contant­je. Later is die jaarreke­ning een kwar­taalreke­ning gewor­den. Tegen­woordig is het een maand­re­kening en gaat alles via giro of bank.”

In Rodermonds eigen periode stuurden de uitgevers meestal verte­genwoor­digers. Zelf was hij ook vertegen­woordiger, in en vlak na de oorlog. Voor uitgevers als Else­vier en Sijt­hoff bereisde hij plaatsen als Coe­vorden en Stadskanaal met pros­pectussen en dummies. “We vertegenwoordigden op een gegeven moment veel te veel uitge­vers” zegt hij, “een stuk of zes­tien. Dan kwam je ergens met een koffer en nog een koffer en nog een. Dus die boek­han­de­laar sloeg de schrik om het hart. Zo van: wat ga ik nou alle­maal kopen?”

In de jaren vijftig beleefde Rodermond zijn finest hour. De populaire kapitein Toxopeus, van red­dingboot de Insulin­de te Oostma­horn, meeslepend verteller, ook in boeken over zijn reddingswerk, signeer­de bij Rodermond het kassuc­ces Woest Water. Met om hem heen allerlei attributen van het reddingswe­zen, die Rodermond organi­seerde: “Er kwam een echte ouwe zeebonk in de winkel, die zei: “Ik ben de voorzit­ter van de Konink­lijke Noord en Zuid­hol­lands­che Red­dingmaat­schap­pij. U heeft mij een brief geschre­ven dat u materi­aal van ons wilde lenen. Maar ik wilde eerst eens eventjes zien wat voor een zaak we mee te maken hebben, want u begrijpt dat de Konink­lijke enzovoorts niet aan ieder­een zomaar dergelijke dingen uit­leent.”

Rodermond pakt een plakboek en toont zijn souvenirs aan de lezing van Willy Corsari die hij op touw zette. Huize Maas was uitverkocht, met een overwegend vrou­welijk publiek. De spreek­beurt legde geen windeie­ren, want alle kaartjes en verkochte romans brach­ten maar liefst ƒ 105,69 in het laadje, terwijl aan zaal­huur, affi­ches en verma­kelijk­heids­be­lasting slechts ƒ 48,50 werd uitgege­ven.

Tot in de vroege jaren zestig opereerde nog een aantal lees­cir­cels vanuit de boekhandel, clubjes van zo’n twaalf mensen die collectief boeken inkochten. De boekhandel kaftte deze en deed er lijstjes bij, waarop de leden konden zien hoelang ze de boeken moch­ten houden. Nadat zo’n lijstje afge­werkt was, kwam de lectuur weer terug, om te worden ver­loot onder de leden. Rodermond: “Ze kochten die boeken voor een gemid­delde prijs en kregen er ook nog één cadeau. Maar dat hebben we er op een gegeven moment uitge­gooid, want het was ont­zettend veel werk.”

Die arbeid verrichtte zijn vrouw vooral: “Zonder haar had ik het niet zo ver had ge­bracht”. Terwijl hij zich nog meer met de administratie ging bezig­houden, stond zij altijd in de winkel. Rodermond: “Ze is een geweldige verkoop­ster. Als ze iemand die er geen ver­stand van had een boek meegaf, was dat altijd goed. Ook met mensen die met ieder­een ruzie maakten, kon zij uitste­kend overweg. Met W.F. Hermans voerde ze hele ge­sprek­ken. Die kwam wel eens binnen met de vraag: nou, hoe is het met de verkoop van mijn boeken?”

Omdat de markt voor het algemene boek inzakte, schakelde Rodermond vanaf 1974 schoorvoetend en in 1980 definitief over op de verkoop van studieboeken, met name voor bedrijfs­kun­de, economie, rech­ten, geschiedenis en IO (internationale organisaties). Door de locatie bleek het een gouden greep: “We trokken twee studenten aan en die hadden er niet veel geloof in toen ze al die boeken in het magazijn zagen liggen, maar na veer­tien dagen was dat leeg.”

“Het studentenpubliek was directer”, constateert de boekhan­delaar monter. “Je hebt niet meer van ja, ik wil even rond­kijken want mijn broer is morgen jarig en ik wil hem een boek geven maar ik weet eigenlijk niet wat ik geven mot. Studenten hebben tegenwoordig een studiegids en daar staat in wat ze nodig hebben, klaar.”

Snel­lere han­del. Nou ja, snel? Boekhandel Rodermond was de enige in de stad, die studenten nog op reke­ning leve­rde. Van zo’n twee­dui­zend veref­fenden de ouders stee­vast de rekening. Wel­licht dat Roder­mond daarom dat wapen­schild van Vindi­cat kreeg, toen het corps de band met de burgerij wilde ver­stevigen?

Pontificaal hing het stuk heraldiek in de etalage. Net als de auto-boeken werkend als een rode lap op een stier bij figuren die ’s nachts passeerden. Zo’n dertien maal gingen er ramen aan digge­len. On­langs kregen die hun tweede setje houten luiken. “Je zult je mis­schien afvra­gen hoe het komt dat ik het zolang heb volge­hou­den, oppert Roder­mond. “Maar de zaak was mijn hobby.”


Aanbevolen logementen, anno 1816

Het qua tekst gemoderniseerde uithangbord van logement De Zwaan in Workum. Collectie Museum Warkumserfskip.nl – Foto: Henk Gorter.

In juni 1816 maakte de boerenzoon Fiebo Jurjens Oosthoff (1794-1852) uit Beerta een rondreis door Nederland, waarvan hij korte aantekeningen bijhield, die hij een paar weken later in het net overschreef. Achterin diens reisbeschrijving staat een lijst van de logementen, “die ik een ieder die ons dit wil nadoen gerust als goed durf recommanderen”. Hier volgt deze lijst

Stad of plaats Naam logement Kastelein
Doccum Wapen van Groningen Beer
Sneek Wapen van Sneek R. Rimkes
Bolsward Wijnberg
Workum De Zwaan
Amsterdam Kofschip Wed. H. Feith
Weesp Rode Leeuw
Bij Utrecht Wapen van Amsterdam
Beverwijk De Zon
Haarlem De Zwaan
Den Haag Hof van Hanau Hagedoorn
Dordrecht De Gouden Stoel
Nijmegen De Zalm
Dieren De Kroon
Zutphen Wapen van Overijssel
Deventer Maastricht
Zwolle Wapen van Overijssel
Meppel Rode Hart Wed. Bontekoe
Zuidlaren Gouden Leeuw
Groningen Gouden Zwaan Nienhuis

Het lijkt erop dat Oosthoff vooral namen van herbergiers noteerde, als er een Groninger connectie was. Dit geldt in elk geval voor de weduwe Bontekoe in Meppel, wier overleden echtgenoot de zoon was van een moesker buiten de Groninger Oosterpoort. Maar ook de namen Feith (Amsterdam) en Hagedoorn (Den Haag) doen min of meer Gronings aan.

Tot besluit van zijn lijst gaf Oosthoff nog zijn mening over sommige logementen. Het Wapen van Sneek te Sneek was “een der uitmuntendste, die wij hebben aangetroffen”. Het Kofschip te Amsterdam noemt hij “juist geen heeren logement”. In Beverwijk liet de herbergier van De Zon zich teveel betalen, terwijl de logeeradressen te Nijmegen, Zutphen en Deventer juist “zeer goedkoop” uitvielen.

Met dank aan Otto Knottnerus.


Verkeer in Hoogkerk veranderde sterk in een paar jaar tijd

J. Bulthuis, Tolhuis Hoogkerk, 1772 (uitsnede), Linksvoor het Hoendiep, rechtsvoor de trek- of rode weg en het bruggetje over het hier beginnende Kliefdiep, Daarachter het tolhuis met uithangbord en het tolhek. Linksachter de kerk van Hoogkerk in het westen. Collectie Groninger Archieven 1173-99-102.

Bij de bocht in de rode weg langs het Hoendiep stond het tolhuis van Hoogkerk en de boer Barteld Harms Staal pachtte die tol voor 820 gulden per jaar. Na zijn dood ging zijn weduwe Marieke Bierling daarmee door. Telkens kon ze aan haar verplichtingen voldoen en betaalde de tolpacht keurig op tijd aan de provincie, die van het geld de bepuinde trekweg langs het Hoendiep onderhield. Maar in 1802 en 1803 merkte Marieke dat de tolgelden die ze ontving aanmerkelijk terugliepen. Ze noemde tegen de heren van de provincie drie oorzaken voor die teleurstelling. Ten eerste werd de terugloop in haar inkomsten

veroorzaakt door de sterke en aanhoudende droogte, welke in die beide jaaren plaats gehad heeft, waardoor de trekpaden zeer weinig zijn gebruikt geworden

Het staat er niet bij, maar door die droogte gingen veel voetgangers aan de overkant van het Hoendiep lopen, waar de dijk in normale jaren veel minder goed begaanbaar was dan de trekweg.

Ten tweede was het zo, aldus Marieke

dat den zogenaamde Drentsche Laan, bevorens bijna geheel onbruikbaar, door het verbeteren en geheel in order brengen van dezelve tot eene bruikbaare weg is gemaakt en vandaar thans tot eene gewoone passagie naar zommige plaatzen in het Landschap Drenthe gelegen, welke voor dezen door Hoogkerk plaats had, wort gebruikt.

Marieke doelde hier op wat nu de Peizerweg heet, in de achttiende eeuw nog praktisch onbegaanbaar en min of meer doodlopend bij het Porrenhuis. Mensen die naar Noord-Drentse plaatsen als Roderwolde, Roden en Peizxe wilden, gingen daarom langs het Hoendiep en dus langs het tolhuis, en verder via Vierverlaten en de Roderwolderdijk. Sinds die Drentsche Laan opgeknapt was, verloor ze dus de klandizie van die mensen. Niet alleen als tolbetalers, maar ook als verteerders, want zowat in elk tolhuis kon je ook iets drinken.

Ten derde speelde het Marieke parten dat er noordelijk van Hoogkerk, waarschijnlijk op de plek van de vroegere Woldtil, een nieuwe brug over het Kliefdiep was gelegd,

welke voor het tegenwoordige de gewoone passage is, daar dezelve bevorens niet anders gebrukt wierde als door diegeene, welke aldaar zeer kundig was,

Voordat die nieuwe (klap)brug er kwam, gingen alle andere mensen nog langs het Hoendiep, waar ze Marieke tol betaalden. Nu was dat dus niet meer zo en maakten velen een omweg langs de Legeweg.

Om alle drie deze redenen wilde Marieke graag kwijtschelding van tolpacht. De heren verwezen haar wat vaag door naar de plek waar ze moest zijn en of ze die kwijtschelding kreeg, zal ik een andere keer eens nagaan. Intussen laat haar verzoekschrift echter goed zien, hoe grondig destijds in een paar jaar tijd de verkeersstromen in Hoogkerk en omgeving veranderden. Als oostwestroute kreeg de rode weg langs het Hoendiep concurrentie van de Legeweg en de Drentsche Laan, naar het zich laat aanzien zeer ten koste van de tolpachtster.


Model en uitvoering

Zag dit modelletje neergepend in een deel met handgeschreven ordonnanties van de stad Groningen:

De stadsdrukker, Hans Sas, heeft er een nette omslag naar gemaakt:

Bronnen: Groninger Archieven 2100-12.2 en 740-234.


Kerkhofruzie om een uitvaartcollecte

Het kerkhof van Oostwold, september 2019.

Op 14 juli 1803 werd op het kerkhof van Oostwold (Westerkwartier) een inwoner van dat dorp begraven, die als manslidmaat tot de “mennoniten” of doopsgezinde gemeente van Den Horn e.o. had behoord. Voor de begrafenis namen de diakenen (armvoogden) van die gemeente hun kerkbekken mee naar Oostwold, om er “liefde giften” voor hun armen mee in te kunnen zamelen. Toen ze dat bekken echter opstelden op het kerkhof van Oostwold, wilden de gereformeerde diakenen uit dat dorp dat niet hebben. Ze beweerden dat alleen zij op dat kerkhof mochten collecteren en dat de opbrengsten van deze collectes ook louter voor de gereformeerde diaconie van Oostwold waren bestemd. De discussie met hun doopsgezinde ambtgenoten van Den Horn liep zelfs zo hoog op dat de gereformeerde diakenen het doopsgezinde bekken omver gooiden en hun eigen bekken daarvoor in de plaats zetten. Ook eigenden ze zich de collecte-opbrengst toe en namen ze die mee naar huis, terwijl de doopsgezinde diakenen van Den Horn e.o. meenden er recht op te hebben.

Die diakenen – Reinder Derks op Hogemeeden en Derk Ekkes van de Enumatil – namen het niet en maakten er werk van. Binnen een week dienden ze zich aan bij de drost van het Westerkwartier met een rekest, waaraan het bovenstaand relaas ontleend is. Op wat voor rechtsgrond het “eigenherige” gedrag van de Oostwoldigers gebaseerd was, wisten ze niet, maar er was hun veel aan gelegen dat ze de begraafcollecten niet kwijtraakten als inkomstenbron. Bij elke “lijkstatie” afzonderlijk kwam er misschien “geen grote som” uit het bekken, maar door de tijd heen en met al die sommetjes bij elkaar opgeteld ging het toch om een bedrag van belang. Daarom verzochten ze de drost om beide partijen te horen en dan een besluit te nemen. De drost echter, brandde zijn handen liever niet aan dit probleem en stuurde de klagers door naar een hogere instantie: het Departementaal Bestuur van Stad en Lande van Groningen, de bovenbazen van onze provincie.

Even Iets over de achtergrond: doopsgezinden hadden, afgezien van Amsterdam, nergens eigen kerkhoven en ze werden dus begraven op de kerkhoven rond de oude dorps- en stadskerken, welke godshuizen vrijwel uitsluitend in handen waren van de gereformeerde (= hervormde) gemeenten. Tot de scheiding van kerk en staat in 1796 was de gereformeerde kerk nog de bevoorrechte kerk geweest. Alleen zij mocht prominent zichtbaar zijn in de openbare omgeving, alleen zij mocht klokken laten luiden en alleen zij mocht voor de armen laten collecteren op kerkhoven, om drie van haar privileges te noemen. De scheiding van kerk en staat maakte een eind aan dergelijke voorrechten. Bij de ruzie van 14 juli 1803 op het Oostwolder kerkhof, leek het er echter sterk op, dat de gereformeerde diakenen van Oostwold in elk geval aan één van genoemde voorrechten vast wilden blijven houden.

Eind september kwam het rekest van de diakenen der doopsgezinde gemeente Den Horn e.o. in vrijwel ongewijzigde vorm onder ogen van het Departementaal Bestuur, dat het liet beoordelen door een onderzoeks- en adviescommissie. Deze moest ook die van Oostwold horen om dan een rapport over de zaak op te maken. Op 17 november rondde deze commissie haar onderzoek af. Het was haar gebleken dat het er in Oostwold inderdaad zo aan was toegegaan als de doopsgezinde diakenen van Den Horn hadden verteld. De gereformeerde diakenen namen het gecollecteerde geld mee, maar hadden dit wel apart gehouden, hangende een uitspraak in de kwestie. De feiten zo vastgesteld zijnde, ging het commissierapport in op het recht dat beide partijen meenden te hebben op het collecteren bij doopsgezinde begrafenissen op het Oostwolder kerkhof. De doopsgezinden fundeerden hun claim op “de tegenwoordige order van zaken”, met andere woorden de gelijkberechtiging van alle religies, hier toegepast op begrafeniscollecten: als de gereformeerden uitvaartcollectes mochten houden, dan mochten de minderheden dat ook. Tegenover deze zienswijze, fundeerden de gereformeerde diakenen van Oostwold de hunne “op het aloud gebruik niet alleen, maar ook vooral op hun eigendom van de kerk en het kerkhof zonder dat daarin door de wet verandering gemaakt zij”.

De commissie haalt in haar rapport vervolgens een stukje bestuursrechtelijke jurisprudentie aan. In Surhuisterveen, even over de provinciegrens met Friesland, had zich in 1799 namelijk een soortgelijke kwestie voorgedaan. Deze had zelfs geleid tot een decreet van het Vertegenwoordigend Lichaam. Dit parlement van de Bataafse Republiek gaf de doopsgezinde diakenen van Surhuisterveen in principe het recht om te collecteren bij begrafenissen van doopsgezinden op het dorpskerkhof, zij het dat ze hun bekken daar niet mochten opstellen “buiten consent van de eigenaars” van dat kerkhof, die in zo’n geval ook zelf met een schotel mochten collecteren. Het was de commissie van het Departementaal Bestuur gebleken dat het kerkhof te Oostwold , net als dat van Surhuisterveen, het eigendom was van de lokale gereformeerde gemeente – het nationale decreet was dus ook toepasbaar op de situatie in Oostwold. Daarom adviseerde de commissie het Departementaal Bestuur om de diakenen van de doopsgezinde gemeente Den Horn het recht te verlenen om te collecteren bij teraardebestellingen van de eigen leden op het kerkhof van Oostwold. Voor zulke collectes moesten de doopsgezinden echter wel om toestemming vragen aan de gereformeerde gemeente Oostwold, terwijl die van haar kant het recht hield om ook bij zo’n begrafenis te mogen collecteren. Bij het aanleidende geval, de uitvaart van juli, had de doopsgezinde gemeente Den Horn geen toestemming van gereformeerd Oostwold gevraagd, zodat zij geen recht had op de collecteopbrengst. De gereformeerde gemeente Oostwold mocht die dus houden.

Nog op de dag dat de commissie het rapport vaststelde, ging dat naar het Departementaal Bestuur, dat het diezelfde dag ongewijzigd goedkeurde en overnam. De partijen in Den Horn en Oostwold kregen een afschrift.

De doopsgezinde diakonie Den Horn e.o. moest dus voortaan eerst de gereformeerde diakonie Oostwold om toestemming vragen voor een collecte, als een van haar leden op het kerkhof van Oostwold werd begraven. Je zou zeggen dat gereformeerd Oostwold die toestemming kon weigeren, maar dan toch niet met goed fatsoen. Als zoiets gebeurde, konden de doopsgezinden natuurlijk altijd nog hun bekken buiten de kerkhofpoort opstellen. Als de gereformeerden toch hun toestemming gaven en een eigen bekken naast het doopsgezinde bekken zetten, zullen de meeste volgers bij een doopsgezinde uitvaart ook vast wel geweten hebben in welk bekken ze hun geld moesten deponeren. Zo loste het probleem zich in de praktijk wel op. En niet alleen in Oostwold, maar ook elders, want reken maar dat het oordeel van het Departementaal Bestuur ook voor andere Groninger plaatsen gold.

Toch blijft er iets knagen. Het Departementaal Bestuur zette immers geen vraagteken bij het exclusieve eigendomsrecht van de gereformeerde gemeente Oostwold op het kerkhof aldaar, integendeel, dat recht nam het voetstoot aan. Maar in de Middeleeuwen (en later ook nog) werden kerkhoven door de gezamenlijke kerspelluiden (of dorpelingen) aangelegd. Die waren toen nog allemaal katholiek, wat met de Hervorming, rond 1600, veranderde. Daarna lagen de gereformeerden en de minderheden weliswaar gebroederlijk naast elkaar op de kerkhoven, maar mochten alleen de gereformeerden collecteren voor de armen. Hun recht om dat te mogen doen, hing echter samen met de plicht om ook te zorgen voor niet-gereformeerde armen die in hun directe omgeving niet bij een minderheidsdiaconie konden aankloppen, dus de mensen die in het naar religie verkavelde armenzorgsysteem tussen wal en schip dreigden te vallen. Het eigendom van het kerkhof had daar op zich niets mee te maken. Terwijl in 1797 de gereformeerde gemeenten nog eens werden verplicht tot het betalen van schadevergoeding aan minderheden wegens de usurpatie van de kerkgebouwen twee eeuwen eerder, was dat niet, of niet expliciet, voor de kerkhoven gebeurd. Het eigendomsrecht daarop zou dus, even goed als dat op de kerken, mede kunnen toekomen aan de erfgenamen van de aanleggers, dus alle dorpsgenoten samen, inclusief de minderheden, die er volgens het gelijkheidsprincipe dan ook gelijkelijk voor hun armenkassen zouden mogen collecteren .

Doordat zowel het besluit van het Vertegenwoordigend Lichaam in 1799 inzake Surhuisterveen, als dat van het Groninger provinciebestuur vier jaar later inzake Oostwold, deze historische dimensie negeerde, kwamen beide besluiten neer op een machtsspreuk ten gunste van de religieuze meerderheid. Deze besluiten boden wel recht, maar geen billijkheid. Dat een onbewezen en op de keper beschouwd controversieel eigendomsrecht van de gereformeerden prevaleerde op de gelijkheid of gelijke behandeling van alle gezindten, is er zo’n voorbeeld van dat er voor het oog dan wel een eind aan de privileges van de gereformeerde kerk werd gemaakt, maar dat de praktijk in dit opzicht aanzienlijk weerbarstiger was. Pas met de komst van gemeentelijke begraafplaatsen, later in de negentiende eeuw, kwam er wat dit betreft een eind aan het gemaakte verschil.

Bronnen – alles in de Groninger Archieven:

  • Toegang 735 (Gerechten Westerkwartier) inv.nr. 724: rekesten, dat van 20 juli 1803;
  • Toegang 3 (Gewestelijke Besturen) inv.nr. 399, rekest aan Departementaal Bestuur van 29 september 1803; inv.nr. 409: rapporten op rekesten, fo. 194 vso – 196 vso – dat van 17 november 1803; idem inv.nr. 246: besluiten Tweede Departement, dat van 17 november 1803; idem inv.nr. 199: resoluties Departementaal Bestuur, die van 17 november 1803 nr. 13

NB: een enigszins bijgestelde versie van dit verhaal verscheen in Stad & Lande 2022 nr/. 1