Meineed, en de straf erop

Ommelander landrecht (1601), boek VII, art 47:

Van een Meneed te sweeren
Sweerd jiemand een meneed, ende daervoor rechtlijck word verwonne, die sal verbeurt hebben zijn twee vorderste vingeren van sijn rechterhand. Ende de vingeren mach hij vryen met een manne-gelt, een rigter dubbelt. Dan wie de vingeren in der manieren niet lossen can, dien salmen zijn recht doen sonder genade. Ende alle degene die eenmaal eenen valschen Eed heeft gedaen, die sal stedes onteeret blijven ende niet weerdigh wesen eenigh recht te bedienen ofte voor recht eenigh tuygenisse te doen.

Interpretatief vertaald: Wordt bewezen dat iemand meineed heeft gepleegd, dan heeft die persoon de twee voorste vingers van zijn rechterhand verbeurd. Deze straf kan hij ontgaan door zijn vingers met een flinke som geld ‘vrij te kopen’. Wie dat geld niet opbrengen kan, ondergaat zonder pardon die straf. Iemand die eenmaal veroordeeld is wegens meineed, blijft levenslang infaam, inhabiel en eerloos, mag nooit weer een eed zweren, kan dus geen enkel ambt bedienen en mag ook niet als getuige optreden in wat voor zaak dan ook.


Naar de bollen bij de Ennemaborg

Dit is MIDWOLDA, ziet daar gintzen staat de kerk,
En hier de hofstee van den raadsheerlyken HORA,
O cierlyk bloemhof daar de Goddelyke flora!
Godts wysheit meine ik, uit een rei van bloemen straaldt,
O aardsche regenboog, die met meer kleuren praaldt!
Als ’s hemels boog; hoe brandt de gloeyende ranonkel
By Persische Yrias, elk krokus een karbonkel
Vertoont als peers en blauw en wit en helder geel,
Wyl purperen narcis hier sluimerd op zyn steel;
De schoone tulpen ook hun vlammig hooft ontluiken
Terwyl de geurge roos op haare scherpe struiken
Te pronk staat. Ziet hier lis dat ’s hemels booge afmaalt,
Ook bloem van eenen dag ver uit Peru gehaaldt;
Den schoonen hyacinth, en geurige filetten,
En witte lelyen, gezicht en reuk hier wetten,
De bloeme van damast, de roode martagom,
Annemos en fiool, de wondre passiblom,
Den Raadsheer met haar kleur en zoeten reuk verblyden,
Zyn oogen feest aandoen, en ’s Heeren handt belyden;
Ja d’alderkleinste bloem in zynen ryken hof,
Op haare blaadtjes voerdt des grooten Scheppers lof.

Bronnen: Het poeem komt uit Quintyn Pabus, Lof der Stadt Groningen (1741) 14; de tekening van Ennema (1772, door mij bewerkt) uit de collectie van RHC Groninger Archieven: 818-9953.


Een dure haas in Hoogkerk

Op 18 april 1804 kreeg de drost van het Westerkwartier van de fiscaal of aanklager te horen, wat die aan de weet was gekomen over Hindrik Jans te Hoogkerk, “wegens het schieten van een haas aldaar”.

De drost gaf de fiscaal toestemming om deze Hindrik Jans èn de watermulder Albert Katoen te dagvaarden voor de volgende rechtdag, zodat beiden hierover nader aan de tand konden worden gevoeld.

Een week later bleken Hindrik Jans en Albert Katoen inderdaad aanwezig. Geconfronteerd met de bevindingen van de fiscaal, bekende de eerste “alsnog” op zondag 8 april een haas te hebben geschoten in het dorpsgebied van Hoogkerk. De drost veroordeelde hem tot drie boetes, op basis van evenzoveel bepalingen in het jachtreglement, namelijk: ƒ 25,- voor het jagen zonder jachtakte of -vergunning; ƒ 50,- voor het jagen in gesloten tijd (1 januari tot 22 september); en nogmaals ƒ 25,- voor het jagen op een zon- of feestdag. Al met al dus maar liefst 100 gulden, waar de verbeurdverklaring van het jachtgeweer nog bij kwam.

Van dat bedrag kon een arbeider acht maanden leven. Een boer had het wellicht nog wel in huis, maar bij een arbeider was dat vrijwel uitgesloten. Hoe dan ook, Hindrik verklaarde het bedrag “praesentelijk” niet te hebben en kreeg daarom veertien dagen uitstel van betaling.

Wat betreft de tweede verdachte, Albert Katoen – hij werd ervan beschuldigd dat hij de gestroopte haas bij hem thuis had laten “praepareren en consumeren”. De watermulder hoefde  geen boete te betalen, maar kreeg van de drost de zeer ernstige aanbeveling om zich voortaan “zorgvuldig te onthouden van zulke ongeregeldheden”.

Hindrik Jans viel niet nader te identificeren, er woonden wel vier van die naam in Hoogkerk. Watermulders daarentegen, waren er maar twee – een op de Zuidermolen de andere op de Noordermolen (of Oude Held). Albert Katoen bediende waarschijnlijk de laatste. De dure haas werd dan waarschijnlijk geschoten in het gebied bij het Klijfdiep tussen de Kerkweg en het Aduarderdiep, waar ook nu nog veel hazen rondlopen..

Bronnen:
RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 610: criminalia, die van 18 en 25 april 1804.

Publicatie van het Departementaal Bestuur van Stad en Landen van Groningen, houdende het provisioneel reglement op de jagt en visscherye in gemelde departement. Gearresteerd den 31 augustus 1803, art. 17, 28, 31.


De reglementering van de vossenjacht in Groningen en Friesland

Jean Bernard – Dode vos, hangend aan zijn poten, 1815. Collectie Rijksmuseum.

Naar aanleiding van de vossenjacht die in januari 1805 werd gehouden in de woudstreek van het Westerkwartier, heb ik eens gekeken of het provinciale jachtreglement iets zei over zulke jachten. De nieuwste versie daarvan dateerde destijds van 31 augustus 1803 en bevat er inderdaad een paar bepalingen over.

Ten eerste mocht iedereen met een jachtakte “ten allen tyde” op vossenjacht gaan. Er gold dus geen gesloten tijd zoals bij regulier jachtwild: de vos was het hele jaar bejaagbaar en werd impliciet gezien als een plaag. Zelfs was het zo dat in mandelige jachtvelden alle jagers op vossenjacht mochten, terwijl voor het gewone jachtwild gold, dat het ene jaar de ene jager en het andere jaar de andere mocht jagen, terwijl ze nooit tegelijk aan bod konden komen. De vos was dus onbeperkt vogelvrij. Wel moesten jagers die individueel of samen op stap gingen om vossen te schieten dat vooraf melden aan het gerecht ter plaatse, waaronder we wat betreft het Westerkwartier de wedman van een voormalige rechtstoel moeten verstaan.

Een melding bij een wedman was vrij laagdrempelig. Diens toestemming was zelfs niet vereist. De wedman moest er alleen van afweten.

Naast de kleinschalige jacht op vossen, was er echter sprake van

generale vossejachten van het ene district in het andere (…) door de gerechtigde tot de jagt in zodanige districten…

Deze algemene, dus grootschalige jachtpartijen over een ruim gebied dat meerdere (vroegere) jurisdicties besloeg, doen haast denken aan de collectieve wolvenjachten zoals die ooit werden gehouden. Dit soort vossenjachten werd in Groningerland wat strenger gereglementeer: er was “consent van het gerichte” voor nodig, wat in het Westerkwartier neerkwam op toestemming van de drost. Het zal duidelijk zijn dat er bij de vossenjacht in de wijde omgeving van Grootegast in 1805 sprake was van een dergelijke, grootschalige jacht.

Ik heb het Friese jachtreglement, dat van twee weken eerder dateerde, nog even naast het Groningse gelegd. Globaal ket het dezelfde bepalingen als het Groningse op het punt van de vossenjacht. Maar het is wat uitgebreider. Zo noemt het ten eerste een sanctie voor mensen zonder jachtakte, die toch “met schietgeweer” op vossen jagen. Om te beginnen gaat het om een boete van 25 gulden, die bij onvermogen tot betaling wordt omgezet in drie maanden tuchthuis.

In Friesland werd vossenstropers dus expliciet de wacht aangezegd, wat in Groningerland niet gebeurde. Uit dat benadrukken van het voorrecht, verbonden aan een jachtakte, mogen we echter niet concluderen dat vossen in Friesland minder voorkwamen of als een geringer probleem werden gezien dan in Groningerland. Integendeel. Daarop wijst de premieregeling voor Friesland, terwijl die in Groningen niet bestond. Gevangen of gedode exemplaren deden in Friesland:

Volwassen moervos ƒ 3,00
Volwassen rekel ƒ 2,50
Jonge moervos ƒ 2,00
Jonge rekel ƒ 1,50

De scheiding tussen oud en jong legde het Friese reglement bij 1 november:

Voor oude vossen zullen worden gerekend alle die na Allerheiligendag gevangen worden en voor jonge alle onvolwassenen welke voor dien dag gevangen zijn.

Kortom, het Friese jachtreglement maakte meer werk van de vossenjacht, en kende een premieregeling die in Groningen ontbrak. Daarmee zullen vossen in Friesland als een grotere last zijn ervaren dan in Groningerland. In elk geval was het voor slimme jagers mogelijk in Friesland premies te vangen voor vossen die ze in Groningerland hadden geschoten.

Bronnen:
Publicatie van het Departementaal Bestuur van Stad en Landen van Groningen, houdende het provisioneel reglement op de jagt en visscherye in gemelde departement. Gearresteerd den 31 augustus 1803, art. 35-36.

Publicatie betreklijk het reglement, op de jagt en visscherijen in Friesland, gearresteerd den 17 Augustus 1803, art. 58-63.


Lof der visbanken

C.A. Last, De Visbanken bij de Hoge der A, ca 1850-1860. Detail uit litho. Collectie RHC Groninger Archieven 1536-3869.

Het gaat niet goed met de vishandel in Groningen. Menige kraam is gesloten en nu heeft ook de laatste gespecialiseerde viswinkel in het stadscentrum het loodje gelegd.

Nee, dan de achttiende eeuw. Toen onze stadsdichter het niet beneden zijn stand achtte om de lof te bezingen van de lokale visbanken: een overdekte markt speciaal voor vis op de driehoek grond bij de Vissersbrug. Op welke locatie de Zoutkamper vissers ook hun korven op de kade brachten, waar ze door een speciale veilingmeester, de visschrijver, werden afgeslagen en verkocht aan de visverkopers, naar ik meen meest vrouwen:

Nu ben ik aan Ter A, daar schepen vol van visschen,
Zoo levendig uit zee versieren onze disschen,
Den vetten kabeljauw, en schelvis vol van kuit
En lever, schreeuwt men hier met grove kelen uit
Ziet daar een gansche rij eens roepen als aan ’t hollen:
Wie wil er tarbot, tonge of levendige schollen,
Wie nieuwen haring, die van allerhande vis
De kroon spant, wijl ze uit zee eerst aangekoomen is…

Volgens mij ziet het dichterlijke lijstje vissen er wel wat anders uit dan het lijstje met meest gegeten vissoorten van vandaag de dag, te weten haring, zalm, tonijn en kabeljauw. De schelvis is nu een kwetsbare soort die allengs minder in de vorm van lekkerbekjes wordt gegeten en de platvissen zijn helemaal uit het populairste marktsegment verdwenen. Bij de Wichter, een onlangs helaas verdwenen viskraam in Hoogkerk, kon je ze bijvoorbeeld niet meer krijgen. Platvis is nu meer iets om in een restaurant te eten – scholletjes, best lekker hoor, maar niet uit de eigen keuken.

Bron van het citaat: Quintyn Pabus, Lof der Stadt Groningen (1741) 43-44.


Absentie bij wegonderhoud kon je duur komen te staan

De Kerkweg in Hoogkerk, van de Legeweg (noord) tot de Trekweg langs het Hoendiep (zuid), ca. 1830. Bron: http://www.hisgis.nl

Met de stadsstraten, trekpaden en postwegen lag het anders, maar tot diep in de negentiende eeuw was het leeuwendeel van de overige wegen nog in collectief onderhoud van aanpalende grondeigenaren en/of aanwonenden. Dit gold bijvoorbeeld ook voor de Kerkweg in Hoogkerk, zoals blijkt uit een tweetal gerechtsakten van de jurisdictie Westerkwartier uit de zomer van 1807.

Destijds was net de Kerkweg tussen het Hoendiep en de Legeweg gerepareerd. Er bleef echter iemand in gebreke. Deze persoon liet zelf verstek gaan bij het maken van de weg en stuurde er ook geen knecht heen. En dus legden de regelaars van het collectieve wegonderhoud hem een boete op, waarbij ze de drost vroegen om rugdekking. En die kregen ze:

Ter instantie van Rientje Klaassens en Hendrik Harms als volmagten over de weg loopende van de Leegeweg naar de trekweg te Hoogkerk, wordt aan dezelven een acte tot insinuatie aan Pieter van der Molen onder Hoogkerk om te voldoen ƒ 1-4-0 breuke met de kosten daarenboven, geaccordeert, ter oorzake bij het laatst gemeenschappelijk maken van gemelde weg is absent gebleven, en niemant zijnentwege heeft gesonden.

Met een gulden en vier stuivers (het bedrag van de boete) kon je wel drie man een dag aan het werk hebben. Maar hoewel er nu ook nog eens rechtskosten overheen kwamen, betaalde Van der Molen nog steeds niet. Veertien dagen later bleek de verstrekte akte van insinuatie zelfs “begroeyd”. En daarom gaf de drost toen een akte van pandhaling aan de volmachten. Ze mochten iets ter waarde van hun boete uit Van der Molens huis weghalen. Van der Molen kon de inbeslagname van dat onderpand gerechtelijk aanvechten, maar we horen verder niets meer over de zaak, zodat hij te langen leste wijselijk zal hebben betaald.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 412: civiele zaken 17 juni en 1 juli 1807.


Rondje Enumatil

Tussen de Poffert en Oostwoldemerdraai:

Smienten in het land een eind verder:

Enumatil, de Dijkstreek bij het Hoendiep, tegenover de Zuiderweg naar Zuidhorn. Wat ze hier met dat ‘Kiek ien de Pot’ bedoelen? Ooit, medio zeventiende eeuw, heette een object aan het Aduarderdiep onder Hoogkerk ook zo::

Groot-Boskamp, boerderij aan de Zuiderweg vlakbij het fietspad terug naar Den Horn:


Een relletje op Hankema

Hermanus Numan, De Hankemaborg te Zuidhorn, ca. 1800. Collectie Groninger Museum.

Hij was helemaal over de rooie, de heer Bindervoet, schoonzoon van wijlen baron Maurits Clant, de laatste jonker van de Hankemaborg in Zuidhorn. Nog dezelfde ochtend stiefelde hij naar het rechthuis ter plaatse om bij de drost van het Westerkwartier zijn beklag te doen:

Dat deze morgen, terwijl hij nog te bed had gelegen, aan sijn huis was gekomen ene Lammert Aries, vader van een kleine meid welke bij hem van may 1806 tot may 1807 was besteed. Dat deselve Lammert opgemelde meid terugeischende, verscheidene brutaliteiten tegens hem hadde gepleegd welke hij sig in zijn eigen huis had moeten laten welgevallen, sodat hij ook deselve meid met de vader had moeten laten gaan. Vermenende evenswel, dat hij aan diergelijke ongeregeldheden niet diende te worden blootgesteld…

De drost liet meteen Lammert Aries erbij roepen, die zich tegenover hem op “enen evenmin voeglijken, en brutale wijze” gedroeg. Daarop besloot de drost

Dat Lammert Aries terstond zijn dogter wederom sal moeten besorgen in haren vorigen dienst, waartoe deselve wordt gelast mits dezen.

Eventueel kon Lammert Aries de zaak nog voor het gerecht aanhangig maken. Tegelijkertijd gaf de drost zijn fiscaal (aanklager) opdracht om het gedrag van Aries in de Hankemaborg te onderzoeken.

De volgende dag, dinsdag 16 december 1806, gaf wedman Homan van Zuid- en Noordhorn de drost bericht, dat Lammert Aries weliswaar zijn dochter had teruggebracht naar de Hankemaborg,

dog ook deselve eijgenherig wederom vandaar had medegenomen buiten bewilliging van dezelven Heer Bendervoet en er aldus niet is voldaan aan de gerigtsorder op gisteren afgegeven.

Kennelijk ging het terugbrengen gepaard met ruzie met Bindervoet. Aries kreeg ditmaal bevel zijn dochter nog dezelfde ochtend “in haar vorige huis” terug te brengen,

voorbehoudens zijn regt om zo hij mogt vermenen redenen te hebben dat zijn dogter haar dienst binnentijds sou moeten verlaten.

Die redenen diende hij dan bij de drost in te dienen. Wedman Homan moest om 12 uur ’s middags controleren of de kleine meid weer op Hankema was teruggebracht. Zo niet, dan dreigde ogenblikkelijk een straf voor haar vader.

Aries schijnt aan het gerechtelijk bevel te hebben voldaan, want verder horen we helemaal niets meer over de zaak.

Over het algemeen had inwonend personeel heel weinig rechten. In aanmerking genomen dat ouders hun kinderen absoluut niet zo gauw aan een dienst onttrokken – ook al omdat het door die kinderen verdiende geld naar het eigen huishouden ging – moet er wel iets heel bijzonders aan de hand zijn geweest. Zou het te gewaagd zijn te veronderstellen dat de heer Bindervoet zijn handen niet thuis had kunnen houden? In dat geval bond de drost de kat op het spek.

De vader van het meisje, Lammert Aries/Arijs, een arbeider, koos een paar jaar later later de familienaam Huising/Huizing. Bij deze zaak ging het hoogstwaarschijnlijk om diens dochter Anje, destijds twaalf jaar oud.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 412: civiele zaken, 15 en 16 december 1806.


Verloting scheuvels

Het gedane verzoek van Jan Aljes op Den Ham teneinde het gerequireerde gerigtsconsent te erlangen om op vrijdag den 27 december aanstaande aldaar enige paren scheuvels te laten verloten, is aan dezelve geaccordeerd.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 411 (civiele zaken) fol. 453: rekest en apostille van woensdag 11 december 1805.


Een vossejacht bij Grootegast

Roelant Savery – Vossejacht in een bos, ca. 1630. Collectie Rijksmuseum.

Op het verzoek van

…Wybe en Pieter Willems Hazenberg te Grotegast adidem, om in de Woudstreek van dit Quartier een en andermaal de vossejagt te mogen exerceren, is aan dezelve geaccordeerd, en dezelve vossejagt op den 11 dezer bepaald, zullende de koddebeier hierbij assisteren.

Bron: Groninger Archieven 735 (rechterlijk archief Westerkwartier) inv.nr. 411 (civiele zaken) vrijdag 4 januari 1805.

Met de woudstreek van het Westerkwartier werd het zuidelijke deel van deze landstreek bedoeld, met name het gedeelte tegen de Friese grens aan. De koddebeier was de jachtopzichter.

Het is de eerste keer dat ik een dergelijk verzoekschrift zie. Misschien was er een vossenplaag? Aanvankelijk dacht ik dat deze jacht hier dan vast niet zou lijken op de nu bekende vossenjacht met jagers op paarden en met een meute honden, maar in de databank van het Rijksmuseum komen de meeste Nederlandse plaatjes daar toch wel op neer, zij het dan zonder de rooie jasjes en ruiterhelmen van tegenwoordig.
.
Vooraf dacht ik ook dat er geen rekesten in het civiele protocol van het Westerkwarttier zouden voorkomen omdat er een aparte registratie voor was. Maar dat bleek eveneens een vergissing.


Droeg de kerk van Sappemeer oorspronkelijk een soort van siepel?

De Sapmeerster koepelkerk in 1681, detail uit een tekening in het Caartboek van Sappemeer, dat hier gescand op de website van de Groninger Archieven staat (scan 12).

Voor de opgang naar het kerkhof staat nog een poort. Het kerkhof zelf is omgeven door een dubbele gracht. Maar wat het meest opvalt, is de bekroning van het kerkdak. Het lijkt wel of er een siepel of bus op een smalle voet midden op dat dak staat. Tegenwoordig is dat een torentje of dakruiter die rechtstandig en zonder enigerlei poespas de lucht insteekt – zie deze foto, gemaakt op Monumentendag 2018:

Ik moet zeggen dat ik de oorspronkelijke vorm wel wat aardiger vind.


Onlander luchtje scheppen

Hoek Langmadijk-Hamersweg, Peizermade:v

Blaarkop-osjes – volgens een man de er bij kwam staan is het geen winterhard veeras:

Bij de Onlandsedijk, even voor zonsondergang:

Terug, bij de Gouwe:


Een uitstervingsproces in de krant

Korhoen, man en vrouw. Collectie British Museum.

In 1856 maakten geregistreerde jagers nog 70 korhoenders buit in Groningerland. Bekend zijn ook de streken waar deze vogels enkele decennia eerder, in 1828, voornamelijk rondscharrelden: Westerwolde, het Gorecht en Zuidelijk Westerkwartier, kortom gebieden met nog redelijk veel hoogveen en heide. Waren dit nou ook de regio’s die later nog als korhoenderbiotoop in krantenberichten voorkomen en hoe verliep dan hier het uitstervingsproces?

De laatste meldingen door in Groningen verschijnende kranten van een gelijktijdige aanwezigheid van korhoenders in Groningerland zijn de volgende:

Maand en jaar Lokatie Hoeveelheid
Oktober 1891 Bellingwolde 3 (geschoten).
September 1897 Onstwedde 1 (geschoten);
September 1901 Westerwolde “Menigvuldiger dan ooit” (voorbeschouwing jacht).
September 1907 Onstwedde 1 (geschoten).
Augustus 1912 Westerwolde “Korhoenders treft men ook genoeg aan. Koppels van 5 tot 10 zijn geene zeldzaamheid” (voorbeschouwing jacht).

De vogels kwamen in Groningen dus het laatst voor in Westerwolde en dan vooral het zuiden van die streek. Opmerkelijk is dat hun aanwezigheid daar als ruim werd voorgesteld, ook nog nadat het laatste bericht over een geschoten exemplaar in de krant had gestaan. Mogelijk was dit wishfull thinking of propaganda om jagers naar de regio te lokken. Tegelijkertijd werd immers een jachtmotief verschaft met de bewering dat korhoenders schadelijk wild vormden, wat met name gebeurde door de Nederlandsche Heidemaatschappij, uit zorg voor haar jonge dennenaanplant.

De jachtdruk, of hoe noem je zoiets, kan in Groningerland ook wel eens hoger geweest zijn dan in Drenthe en Friesland, waar nog decennialang berichtjes vandaan bleven komen over geschoten korhoenders. Daar werden ook veel langer nog grotere aantallen gesignaleerd en geschoten, terwijl het korhoen bovendien vaak wordt genoemd in advertenties voor de verpachting van Drentse jachtvelden. Hoewel er in 1895 en 1897 al berichten over een voortdurende afname van het aantal exemplaren uit Drenthe kwamen, valt op dat ze even later, in 1898 nij de Gouwe in de Pezermade, vlak over de zuidgrens van Groningen nog “in troepen” te vinden zijn. In 1908 schoot een jager uit Helpman er in elk geval nog 10 bij Peize. Maar in 1923 bleken ze definitief verdwenen ten zuiden van de Onlandschedijk, achter het Stadspark op het grondgebied van Eelderwolde.

De grootste killer was echter niet de jacht, hoewel er meteen bij gezegd moet worden dat die zeker tot het uitsterven van het korhoen heeft bijgedragen. De belangrijkste oorzaak van die uitsterving was de ontginning van hoogveen en heide tot landbouwgrond, die vooral mogelijk werd gemaakt door de komst van de kunstmest. Na de Eerste Wereldoorlog intensiveerde het ontginningsproces, mede door de inzet van werkverschaffing. Zo herinnerde de voorzitter van de landbouwvereniging Marum in 1925 zich de omgeving van Trimunt vroeger als “het dorado der korhoenders”, welke streek in een kwart eeuw tijd met zuinigheid en vlijt was omgezet in productief cultuurland.

De biotoop van het dier verdween dus, in Groningerland voorop. Slechts een incidentele natuurliefhebber betreurde de gang van zaken. In de lekkerbek vond hij een medestander:

Bij de poeliers zijn bijna geen patrijzen te krijgen en er worden exorbitante prijzen betaald. Daarmede gaat de patrijs denzelfden weg op van het korhoen, dat in de meeste provincies door voortgaande ontginning en cultiveering bijna niet meer te vinden is. Dit stuk oerwild met zijn merkwaardige levenswijze, is slechts weinigen meer bekend en begint tot de zeldzaamheden der Nederlandsche jachtvelden te behooren (1927),

Dat ondanks het snel veldwinnende besef van zeldzaamheid en schaarste de jacht gewoon doorging, mede dankzij gastronomie en geldzucht, dat is pas het echte schandaal.


Jachtstatistiek 1856

Uit het jaarverslag van de provincie Groningen over 1856:

De staat van het jagtveld was over het algemeen voordeelig. In evenredigheid van de laatste jaren neemt het wild toe.
In het jaar 1856 zijn in deze provincie afgegeven 258 groote en 9 kleine jagtacten (…). Het getal schadelijke dieren , waarvoor premiën zijn uitgereikt, is als volgt: 86 vossen, 10 marters, 105 bunsings, 332 wezels, 156 valken, 1 havik en 2 wouwen; de som der premiën bedroeg ƒ 252.80.

Volgens de zoo naauwkeurig mogelijk ingewonnen berigten mag men het er voor houden, dat in dit jaar op wettige wijze zijn bemagtigd: 8000 hazen, 14.800 patrijzen, 70 korhoenders, 125 houtsnippen, 1200 eenden, 500 watersnippen.

In de kooijen zijn ongeveer gevangen 4000 eenden, 2000 talings, 3500 smienten, 1000 pijlstaarten; met slagnetten 1000 ganzen, 250 eenden, 450 smienten, 300 kemphanen.

Bron: Groninger Courant 12 juli 1857 (pag. 2).


Een korhoen bij Kropswolde

Vond weer een historische melding van het korhoen in een Gronings hoogveengebied. Waar Quintyn Pabus in zijn lofdicht op de stad Groningen (1741) in de stadsjurisdicties rondreist, doet hij ook even de streek ten noordoosten van het Zuidlaardermeer aan, waar zijn speciale aandacht uitgaat naar de jacht:

’k zie daar te Kropswoldt de buitenplaats van veer
Des Borgemeesters Van Iddekinge, ‘k hoor blaazen
’t Zijn jaagers die patrijs en korhoen en ook haazen
Gevangen hebben voor dien braaven borger heer
Ziet daar, zij leggen ze aan zijn voet eerbiedig neer.

De jacht op korhoenders en patrijzen was sinds september 1725 per plakkaat verboden in de stadsjurisdicties en Westerwolde. De jagers die de heer Tobias Jan van Iddekinge de beschreven eer aandeden, waren dus fors in overtreding. Burgemeester van Iddekinge was bovendien om het jaar president van het Groninger Hof van Justitie. Uit hoofde van zijn beide functies zou hij zulke kerels eigenlijk moeten laten arresteren en ze dan aan het jachtgericht overleveren. Maar als het zijn eigen jagers waren, dan deed hij dit natuurlijk niet.


Bronnen, naast Pabus’ Lof: Jan de Bruijn, Plakkaten van Stad & Lande, nr. 1460 en Duco Kuikens Lijst van Gezagsdragers (Groninger Archieven 1700-16).