Debitum conjugale
Geplaatst op: 19 december 2018 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesGrietje Riemts uit Zuidhorn was vijf weken getrouwd met Jan Jurjens, maar of alles koek en ei was in deze wittebroodsweken, mag je betwijfelen. Op 27 mei 1810 vertelde Grietje bij de drost van het Westerkwartier dat ze
thans wel wenschte dezen echt wederom te hebben verbroken om redenen dat gem[elde] haren man buiten staat is het debitum conjugale te vervullen…
De man kon dus niet aan zijn huwelijkse plichten voldoen, daarom wilde ze van hem af. Ze zou hierover “de volledigste opening” geven in een hoorzitting, die wat haar betreft het doel had ”den band des huwelijks” tussen haar en Jan Jurjens te verbreken.
De drost vroeg Jan om zijn kijk op de zaak. In de hoorzitting lichtte Jan die visie toe en beloofde hij dat hij
zich door de stads physicus betreklijk zijne lighamelijke gesteltenis, om behoorlijke conjugale ommegang bij een vrouw te kunnen hebben en zijn manlijk vermogen daartoe, zal doen onderzoeken.
Hij moest na het onderzoek een attest van de stadsdokter overleggen aan de drost, die dan een nieuwe sessie zou beleggen.
Grietje echter, had geen geduld. Ze diende nog dezelfde dag een nieuw verzoekschrift in. Er zou wel eens veel tijd kunnen verstrijken voordat het beloofde doktersattest er lag, zo voerde ze aan, en al die tijd duurde de inwoning en gemeenschap van goederen voort. Ze was bang voor “aanhoudende oneenigheden” en vroeg daarom, hangende het uiteindelijke besluit over een scheiding van tafel en bed, alvast om een verdeling van de gezamenlijke spullen van Jan en haar. Dit stond de drost toe.
Noch het doktersattest, noch de scheidingsuitspraak heb ik kunnen vinden. Maar misschien dat Trijntje haar belangrijkste doel al bereikt had?
—
RHC Groninger Archieven Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 728: rekesten, die van 27 bloeimaand 1810.
Een ongenode kostganger te Opende
Geplaatst op: 17 december 2018 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesIn de winter van 1810 stond Jurrien Alles binnen bij de drost van het Westerkwartier. Anderhalf jaar eerder, zo vertelde hij daar, had hij een boerenplaatsje in Opende gehuurd van de erven Jan Jans Heller. Een van die erfgenamen, Luitjen Jans Heller, stond zo’n tien weken geleden opeens voor zijn deur. Deze vroeg of hij zijn kabinet en nog wat andere meubels bij Jurrien mocht stallen, omdat hij er even mee omhoog zat. Ook wilde hij graag even komen logeren bij Jurrien. Het was maar voor een paar dagen.
Sindsdien had Jurrien deze Luitjen Heller menigmaal verzocht om weer weg te gaan, maar steeds tevergeefs. Heller bleef zitten waar hij zat, en dat was bij Jurrien in huis. Dan weer had hij de uitvlucht dat hij voor zijn aandeel het plaatsje niet met de andere erven meeverhuurde – iets wat aantoonbaar onjuist was – dan weer beweerde hij dat hij bij Jurrien als boerenknecht werkte.
Jurrien had wedman Hartsema al eens gevraagd met hem mee te gaan naar zijn huis, om te kijken of die Heller kon overhalen te vertrekken, en Jurrien “in het geruste posses van het verhuurd plaatsje te laten”. Ook dit had geen enkel effect. Heller weigerde op te krassen.
Jurrien gaf bij de drost aan dat hij het niet al te breed had – hij “was het zijne ten hoogsten nodig”. Aan de inwoning van Heller had hij niets en wilde hij niets hebben ook. Hij had een vrouw, twee kinderen en de derde was een dezer dagen op komst. Van Heller had hij nog geen duit gekregen voor de kost en inwoning. Hij was
ten hoogsten verlegen met dit sujet waarvan bovendien niet de beste renomé gaat.
Hij verzocht de drost beleefd om een eind te maken aan zijn probleem.
En dat deed de drost. Hij gaf de wedman van Opende opdracht om de persoon van Luitjen Jans Heller uit de behuizing van Jurrien Alles te “delogeren” – tenzij Heller binnen drie maal 24 uur kon aantonen, dat hij het recht had om daar bij in te wonen.
Het ziet er niet naar uit, dat Heller hierin slaagde.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 728, rekest 31 Louwmaand (januari) 1810.
Zwarte Piet en de Kijkcijfertjes (2)
Geplaatst op: 16 december 2018 Hoort bij: Webdinkies 5 reacties
Herhaling van onderzoekje, dat ik in 2015 al eens verrichtte. Betreft bezoekstats over de laatste vier jaar van dit Zwarte Pietblogje. Het statistische beeld is niet wezenlijk anders.
April lijkt me dan de beste maand voor het voeren van de Zwarte Pietdiscussie. 🙂
Geschut schaap blijkt dure kostganger in Grootegast
Geplaatst op: 15 december 2018 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties
Simon Andreas Krausz (1770-1825), Liggend schaap. Collectie Rijksmuseum.
Hindrik Alberts woonde, waarschijnlijk als herbergier, in het voormalige rechthuis van Grootegast. Maar ook al zetelde daar al jaren niet meer het gerecht met al zijn lucratieve aanloop, er zat nog wel steeds een schutstal bij, waar mensen loslopend vee konden heenbrengen, dat de eigenaar er dan kon ophalen tegen betaling van het voergeld en wellicht een kleine boete. Doorgaans zullen die eigenaren zich snel genoeg hebben aangediend voor hun vermiste levende have, maar begin 1808 had Hindrik Alberts een probleem, en wel met met een schaap. Hij begaf zich op weg naar de drost in Zuidhorn, en vertelde deze hoogste gezagsdrager van het Westerkwartier dat
zedert een geruime tijd door Wolter Sipkes, mede te Grotegast woonachtig, bij hem een schaap in schutting is gebragt, zonder dat tot hiertoe de eigenaar is bekend, of dienaangaande eenige order is gesteld…
Aan de tijd van kost- en inwoning zat kennelijk geen limiet:
daar nu het verschuldigde voergeld reeds verre de waarde van opgemeld schaap overtreft.
Bij eventuele verkoop van het schaap kreeg Hindrik dus een deel van zijn geld niet terug, en aangezien het niet van hem gevergd kon worden
het nadeel hieruit resulteerende te moeten dragen, zo is deszelvs submis verzoek dat gem[elde] Wolter Sipkes mag worden gelast het verschuldigde voergeld aan rem[on]s[tran]t te voldoen en teffens dezelve dienaangaande voor het vervolg securiteit te geeven.
De waard wilde dus eindelijk boter bij de vis en alleen nog dat schaap in zijn schutstal houden als Wolter (zich) borg zou stellen voor de kosten in de toekomst.
De drost krabde zich eens achter de oren en belegde een hoorzitting voor een week later. Bij die gelegenheid erkende Wolter Sipkes,
dat hij het schaap op order der boerrigters aldaar in de schutstal heeft gebragt.
Mocht Wolter menen dat hij zich zo vrij kon pleiten van de kosten, dan bedroog hij zichzelf. De drost beslechtte het geschil in dier voege dat Wolter inderdaad het voergeld van het schaap aan Hindrik moest voldoen. Hij zou dan de beschikking krijgen over het schaap en moest daar verder maar de boerrichters van Grootegast over aanspreken.
Ik denk dat Wolter tegen de boerrichters gezegd heeft dat ze zulke schapen in het vervolg zelf maar naar de schutstal moesten brengen.
—
Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 727: rekesten, die van 20 en 28 januari 1808; idem inv.nr. 415: commissieboek, 28 januari 1808.
Bushalte Hoogkerk
Geplaatst op: 15 december 2018 Hoort bij: Hoogkerk 2 reacties
Bushalte tegenover Woonzorgcentrum de Gabriël en de dokterspost Ruskenborg, Zuiderweg Hoogkerk, hedenochtend. “Laat die bejaarden en patiënten maar lekker inde gure oostenwind staan”, moet de vervelio hebben gedacht, die dit aanrichtte.
“Poincten van order voor de secretarie dezer Jurisdictie”
Geplaatst op: 12 december 2018 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Johannes Tavenraat,, Secretaris van Westerlo, 1841. Potloodtekening. Collectie Rijksmuseum.
Op 10 Hooimaand 1810 stuurde de Landdrost van het Departement Stad en Lande van Groningen het nieuwe huishoudelijk reglement voor de secretarie van het Westerkwartier op naar Zuidhorn, de hoofdplaats van deze jurisdictie. Daar liet de rechter het op 1 Oogstmaand door en voor de klerken afschrijven. Ook kwam het nieuwe reglement in de secretarie te hangen, misschien wel in een mooi lijstje. Hier volgen de artikelen van dat dat reglement:
Art. 1
De secretarie moet alle dagen behalven op zon- en feestdagen, des voordemiddags van 9 tot 12 uuren, en ‘s nademiddags van twee tot vier uuren open zijn en gehouden worden, gedurende welke tijd de klerk of klerken aldaar moeten praesent blijven, zowel tot verrigtingen van het secretariewerk, als om de ingezetenen, welke acces mogten begeren tot de publieke prothocollen of andere zaken hun betreffende, aldaar hebben te verrigten, behoorlijk te gerijven. Welke secretarie tijd egter verlengt wordt indien bij extra-ordinaire bezigheden zulks door den regter of secretaris nodig mogt worden geoordeelt.Art. 2
Alle het secretariewerk moet so veel mogelijk op de hierboven bepaalde tijd en uuren op het locaal van de secretarie zelven worden verrigt, kunnende ter expeditie daarvan buiten de gesworen klerk of klerken geen ander persoon worden gebruikt zonder expres consent van den regter.Art. 3
De klerken ter secretarie bemoeyen zich gedurende de secretarietijd met geen ander hoegenaamde zaken, dan alleen met het secretariewerk, daar niet onder begrepen het werk betreklijk de introductie der nieuwe belastingen, hetwelk afzonderlijk en buiten de secretarietijd moet worden geëxpedieert.Art. 4
Als de secretaris niet in de hoofdplaats praesent is, zullen de klerken zig niet buiten de hoofdplaats mogen absenteren zonder expresse permissie van den regter.Art. 5
Tot de bedieninge ter secretarie word gebruikt een der gerigtsbedienden op de hoofdplaats, welke de secretarie ieder morgen te halv negen, en ‘s nademiddags te halv twee uuren zal ontsluiten, en gedurende de winter zorgt, dat des smorgens te negen uuren aldaar het vuur brand, en voorts de boodschappen ter secretarie in de hoofdplaats vallende, waerneemt.Art. 6
Alle originele concepten voor het Gerigte beleden, en waarvan de belijïngen door den regter zijn vertekent, moeten in een behoorlijk order, en voorzien van een nauwkeurig register op de secretarie der jurisdictie worden bewaart, opdat men ingevalle er in het afschrijven, of registratie der alzo beledene instrumenten enig abuis mogte zijn begaan, daartoe in allen gevallen kan recurreren.Art. 7
Alle kopijen en verdere ter secretarie in train gebragte belijïngen, sententën en andere instrumenten worden eer en bevorens dezelve ter vertekeninge aan het Geregte worden voorgelegt ter secretarie nauwkeurig nagesien en gecollationeert, blijvende den nalatigheid hierin ter verantwoordinge van de secretarie.
—
Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 735 (archief gerechten Westerkwartier) inv.nr. 729: publicaties, notificaties etc..
Vrouw komt uit tuchthuis, man wil scheiding
Geplaatst op: 10 december 2018 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenHij noemde zichzelf Knels Jans en “huisman”, oftewel boer, te Grootegast. Maar als Cornelis Jans de Vries staat hij later ook wel te boek als arbeider. Alleen al die familienaam laat zien dat hij van Friese komaf was, net als zijn vrouw, maar in het Westerkwartier was (en is) dat natuurlijk niet zo opmerkelijk. Wel bijzonder was dat die vrouw, Janke Alberts,
door haar slegte daden bij het E.E. Gerichte van Friesland publiek is gegeesseld en in het Tuchthuis is geconfineert en gebannen…
Jankes gevangenisstraf zat er de 25ste februari 1807 op en Knellis maakte daarom ruim op tijd, op 14 januari, zijn opwachting bij de drost van het Westerkwartier. Hij voorvoelde en had ook gehoord dat zijn vrouw weer bij hem in Grootegast wilde komen wonen, maar dat zag hij helemaal niet zitten vanwege haar delicten “en meer andere, blijkens attestatie van nabuuren”. Hij kon niet meer “met haar als man verkeeren”, zo had hij besloten. Daarom verzocht hij de drost om een scheiding van tafel en bed, met overleg over de bijkomende regelingen.
Op 20 januari motiveerde Knellis zijn verzoek nogmaals. Het werd hem ingegeven doordat hij
vreesde dat zijne vrouw, die zeer boosaardig was, weder tot hem sou komen, en [hij] niet gaarne wenschte met zulk een weder te cohabiteren.
De drost stelde zijn beschikking op het rekest echter uit tot de vrouw werkelijk uit Leeuwarden terug zou zijn gekomen, zodat ook zij haar zegje kon doen. Op 26 maart bleek dat Janke niet aan de oproep gehoor had gegeven. Vandaar dat de drost Knellis de verzochte “separatie ad thorum et mensam” toestond. Voorlopig stelde het gerecht de boer ook in het bezit van de gezamenlijke boedel van hem en zijn vrouw, op voorwaarde dat deze zou gaan zorgen voor hun kind. Als Janke het netjes vroeg, moest Knellis haar wel meteen haar “lijves toebehooren” meegeven.
—
Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (jurisdictie Westerkwartier) inv.nr. 726: rekestboek, 14 januari en 26 maart 1807; idem inv.nr. 766: commissieboek, 20 januari 1807.
Friezen willen oude Groninger dijk afslichten
Geplaatst op: 8 december 2018 Hoort bij: Geschiedenis, Westerkwartier 3 reacties
Bron: http://www.hisgis.nl
Medio juli 1806 leverden enkele Friese boeren uit de streek voorbij grensrivier de Lauwers een rekest in bij de drost van het Westerkwartier:
Geven met verschuldigde eerbied te kennen de ondergetekende landgebruikeren woonende onder den dorpe Buirum in Buirummerland,
hoe dat de Oude Dijk als tot eenen weg verstrekkende, loopende van de oostzijde van Visvliet naar Pieterzijl, van daar na de Hooge Dam en Leegte, weegens de smalte derzelver bij sommige tijden volstrekt niet bruikbaar [is] om met een rijtuig te passeeren en vooral in tijde wanneer de slooden bijlangs dezelve gegraaven of opgehaakt zijn, met de eene zijde de rijdtuigen meenigmaalen over en door de hoekselpollen moeten passeeren, en alzo in het uiterste gevaar om alle ogenblikken een ongeluk te zullen krijgen.
En daar nu deeze dijk of weg op eene zeer gemakkelijke wijze zoude kunnen worden verbeeterd, in dier voegen, dat dezelve zoverre wierde afgesligt dat de rijdtuigen malkanderen kunnen passeeren – gelijk reeds door het wijs besluit van Uw[el]E[del]gest[renge] met die van Nyzijl na Commerzijl deezen jaare is geschied – zoude deeze verbeetering niet voor ons alleen, maar zelfs in ’t algemeen voort alle die dezelve moeten passeeren van de grootste nuttigheid zijn –
De Oude Dijk tussen Visvliet en Pieterzijl waar het hier om gaat, heet tegenwoordig Pieterzijlsterweg, alleen is het tracé daarvan (deels) rechtgetrokken. Het vervolg voorbij Pieterzijl is de Brugstraat. De Leegte, op de grens met Friesland, bevindt zich halverwege Pieterzijl en Warfstermolen, terwijl de Hoge Dam daar de Lauwers afsloot.
Deze Oude Dijk was waarschijnlijk nog van een model, dat voor 1717 gangbaar was: vrij steil oplopend en relatief smal van onder en van boven. Vooral als de sloten aan weerszijden werden schoongemaakt en er uitgehaalde pollen waterplanten en slijk op het ongeplaveide karrespoor lagen, zorgde dat voor gevaarlijke hobbels op de weg. Vandaar dat de Friezen voor een bredere, beter begaanbare en minder gevaarlijke weg een stuk van de kruin van de dijk wilden afhalen. Of beter gezegd: laten afhalen, want Groningers moesten het werk doen! Hun verzoek kwam er namelijk op neer dat de eigenaars of gebruikers van de Oude Dijk – te weten Bote Teekes, Itte Jans,en Romke Klaassens, alle wonend onder Pieterzijl –
mogen worden gelast om de voornoemde dijk in dier voegen te verbeeteren dat dezelve op een behoorlijke wijze met rijdtuigen kan worden gebruikt ofwel in dier voegen als Uwe Wijsheid het zal goedvinden om te behooren.
Van de in totaal 13 ondertekenaren kwamen de eerste 3 uit Burummerland, waar het verzoekschrift ook geconcipieerd was, terwijl het zich laat aanzien dat de andere 10 uit Munnekezijl afkomstig waren.
De drost liet eerst de situatie onderzoeken, waarna hij een hoorzitting zou uitschrijven. Een verslag daarvan heb ik echter (nog) niet kunnen vinden. Misschien is de procedure bij de drost ook niet vervolgd, omdat de Oude Dijk niet direct onder diens competentie viel. De bewuste dijk stond immers onder toezicht van het Dijk- en Buurrecht van Visvliet en Pieterzijl. Of de bestuurders daarvan oren naar het plan hadden, is onzeker. Inderdaad was de al even steile dijk tussen Niezijl en Kommerzijl in 1806 afgetopt om de bovenkant breder en beter begaanbaar te maken voor rijtuigen, en dat na een soortgelijk verzoekschrift aan de drost van het Westerkwartier, maar daar kunnen weer andere omstandigheden hebben bestaan dan in Pieterzijl. Het is dus niet gezegd dat het voorbeeld werd gevolgd. Overigens waren volgens het kadaster van ca. 1830 (waarop ‘t bovenstaand kaartje is gebaseerd) hele repen op de flanken van deze dijk in gebruik als tuin, maar ook dat zegt nog niets, lijkt me, over een eventuele afslichting vanwege het rekest in 1806.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (jurisdictie Westerkwartier) inv.nr. 726: rekestboek, 17 juli 1806.
Hoe Trijntje Soldaats haar zoon verloor
Geplaatst op: 6 december 2018 Hoort bij: Geschiedenis 5 reacties
Tot halverwege de negentiende eeuw werden mensen op het Groninger platteland nog bij voorkeur aangeduid met patroniemen, achternamen afgeleid van hun vaders voornamen. Voor ons hebben die namen het nadeel dat ze niet zo onderscheidend zijn: ze lijken allemaal op elkaar. Vandaar ook, dat het even duurde voordat ik de naam van Trijntje Alberts herkende. Maar ze kwam uit Ezinge en kort geleden had ik daar in de Torenstraat nog een plaquette gefotografeerd, die haar herdenkt. Daardoor viel, denk ik, het kwartje alsnog: het rekest dat ik ’s middags zonder herkenning gezien had, bleek ’s avonds van Trijntje Soldaats, de bekende sprookjesvertelster. En uit haar biografie werd ook duidelijk, dat dit verzoekschrift nog nooit eerder opgemerkt was.
Voor wie Trijntje Soldaats niet kent: als huisnaaister en oppaster vertelde ze tussen 1800 en 1804 sprookjes aan een paar buurtkinderen, waarvan er een die verhalen uitschreef in een schriftje dat zijn nazaten zo bijzonder vonden, dat ze het van generatie op generatie bewaarden. In 1928 gaf de folkloriste mevrouw Huizenga-Onnekes de sprookjes uit in een fraai verzorgd boek, met houtsneden van Johan Dijkstra en gedrukt door H.N. Werkman.
Trijntje Soldaats (1749-1814), die zo ruim een eeuw na na haar dood alsnog bekendheid verwierf, was geboren en getogen in Ezinge als dochter van een kuiper. Haar moeder kwam van een boerderij in het naburige Feerwerd. Volgens Jurjen van der Kooi, die haar sprookjes onderzocht, moet ze die hier in de omgeving hebben opgedaan. Hij noemde ze “echte Groninger sprookjes”. Ze kwamen dus niet uit Hessen, zoals ook wel eens is beweerd.
Uit Hessen was de man afkomstig met wie Trijntje in 1787 in de stad Groningen trouwde: de tien jaar jongere Andreas/Andries Cramer, ook wel Kremer, Greulingen, Kreuling en Krieling geheten. Vanwege deze soldaat – hij was in ’s Lands dienst – kreeg Trijntje haar bijnaam. Vlak na de doop van hun oudste dochter, begin 1788, verhuisde het paar naar Hessen, waar het weldra nog twee kinderen kreeg: een meisje en een jongen. De laatste, Gerhard, geboren circa 1790, staat hierna centraal.
In 1793 overleed Trijntjes man en keerde zij met de kinderen terug naar haar geboorteplaats Ezinge. Ze zou er in 1798 nog eens trouwen, nu met een twintig jaar jongere boerenzoon uit Fransum, Wybe Wybrands. Bij het opmaken van hun huwelijkscontract traden twee diakenen van de hervormde gemeente Ezinge op als getuigen, vrijwel zeker een teken dat Trijntje door hen bedeeld werd en dat zij deze mannen dus ook om toestemming voor haar huwelijk had moeten vragen.
Dan nu Trijntjes rekest. Op 1 februari 1806 werd Trijntjes ongeveer vijftien jaar oude zoon Gerhard Andries Krieling ter aarde besteld op het kerkhof van Ezinge. Vier dagen later maakte Trijntje met een advocaat, mr. Nauta Muntingh, haar opwachting bij de drost van het Westerkwartier met dit verzoekschrift, dat ze met een kruisje tekende, omdat ze het schrijven blijkbaar niet machtig was:
Geevt eerbiedig te kennen Trijntje Alberts, hoe dezelve met wijlen haar eheman Andries Krielinge twee nog minderjarige kinderen heeft verwekt, waarvan het eene, genaamd Gerardus, bij Jan Jans op Den Ham als knegt diende, en het zelve haar op donderdag den 23 jan[ua]ry l.l. in een aller ongelukkigste omstandigheid is te huis gebragt. Bij welke geleegenheid men haar verhaalde dat Gerardus stroo op de balk draagende, was komen te vallen, en dat Jan Jans zijn zoon had bevoolen, nadat het reeds drie daagen geleeden was, om hem op een paard na zijn ouders huis te brengen. Dan de zoon van Jan Jans zoude (in plaats van hem bij zijne ouders te brengen), hem bij Suttum van het paard hebben afgezet, waarop hij door menschen digt bij Suttum woonende is in huis geborgen, die daarvan aan mij kennis gaaven, en waarop (zonder eenige tijding van de boer Jan Jans nog iemand zijnentweegen te hebben ontvangen) Duurt Alberts te Suttum mij hem met een waagen te huis heeft gebragt, hebbende dat alles ten gevolge gehad, dat hij op de daaraanvolgende maandag is overleeden.
Met andere woorden, Trijntjes zoon diende als knecht bij een boer Jan Jans in Den Ham, zo’n 6 kilometer ten zuiden van Ezinge. Gewoonlijk verdiende zo’n jonge boerenknecht kost en inwoning met een paar gulden en wat kleding of schoeisel toe; dat zal ook hier het geval zijn geweest. Die paar gulden zullen dan, zoals te doen gebruikelijk, naar zijn moeder zijn gegaan. Gerhard droeg, waarschijnlijk via een ladder, stro naar een berging of zolder op de balken in Jan Jans zijn schuur. Bij dit karwei was hij naar beneden gestort. In zulke gevallen namen mensen niet vaak een dokter in de arm en dat deed ook nu de boer niet. Na het drie dagen te hebben aangezien, gaf hij zijn zoon opdracht om de patiënt op een paard naar in Ezinge te brengen, Gerhards moeder moest hem dan maar verder verzorgen. Het kan zijn dat de boerenzoon de tocht te lang vond duren, maar misschien leed Trijntjes zoon ook wel teveel pijn, zo rijdend op dat paard. In elk geval werd hij er bij Suttum, een gehucht halverwege Den Ham en Ezinge, al afgezet door de boerenzoon. Daar werd hij opgevangen door mensen die Trijntje bericht gaven. Je kunt je voorstellen dat Trijntje, die van de boer nog helemaal niets over het geval had gehoord, zich wezenloos schrok. Ze zal meteen naar Suttum zijn gegaan, waar ze een Duurt Alberts – geen familie – vroeg haar zoon op een wagen naar haar huis te brengen, en daar overleed de jongen na enkele dagen.
Maar wat beoogde Trijntje met dit verzoekschrift? Ze bracht het geval ter kennis van het gerecht, zei ze, omdat ze graag wilde dat de drost het zou laten onderzoeken:
De rem[on]s[tran]te vermeende zulks aan het E.E. Gerichte bekend te moete maaken, en verzoekt zeer submis, dat het E.E. Gerichte hierop (gratis) na behooren informatiën gelieve in te winnen of anders in deezen te doen, zoals zal vermeenen te behooren.
Zat er een luchtje aan de valpartij? Was haar zoon van de ladder of de balk afgeduwd? Hoe dan ook, uit de kantbeschikking blijkt dat de drost er meer van wilde weten. Hij ontbood voor de volgende ochtend, om precies te zijn donderdag 6 februari om 11 uur, de Ezinger heelmeester Melle Sikkes Rijtema, die kennelijk de jongen nog voor diens dood had onderzocht, wat dus in het huisje van Trijntje gebeurd moet zijn.
Op Rijtema’s verslag belegde de drost bovendien nog een zitting voor donderdag 13 februari, om zowel Trijntje te horen als Duurt Alberts, de boer uit Suttum die haar zoon naar huis had gebracht. Beiden vertelden daar nog eens hetzelfde verhaal, met wat meer bijzonderheden :
verklaarden dat des rem[onstran]tes overledene zoon op donderdag 23 januarii l.l. door den zoon van Jan Jans met het paard was gebragt tot Suttum en aldaar neergezet bij het schut van een vrouw Geeske genaamd. Dat dezelve met vele moeite in het huisje van laatstgenoemde gekomen zijnde, deze vrouw daarvan had kennis gegeven aan de rem[onstran]te, die terstond den 2den comparant Duurt Alberts had verzogt om haar zoon met de ley te huis te brengen, gelijk denzelve zulks dan ook gedaan had. Dat zij voorts geen gejammer van haar zoon gehoord hadde, maar dat dezelve niet bij zijn verstand had geschenen te zijn. Verzoekende voorts het verdiende loon en klederen van het huis van Jan Jans te mogen afhalen,…
De jongen was dus niet naar Trijntjes huis gebracht met een wagen, maar met een “leij” of lai (ook wel loijke of bodde geheten), een soort van paardenslee met een bak erop die destijds heel vaak op kleiwegen werd gebruikt. Thuis gekomen, gaf Gerardus geen kik. Hij leek alleen niet goed bij zijn hoofd en had mogelijk een zware schedelbasisfractuur, waaraan het ruwe vervoer beslist geen goed zal hebben gedaan. Van verdachte omstandigheden was nu geen sprake meer. Het enige wat Trijntje nog wilde, waren de kleren en het loon van haar jongen. Blijkbaar durfde ze zonder rugdekking van de drost niet naar de boer op Den Ham, om die op te halen.
Hoewel de drost nogmaals een zitting agendeerde, waar hij Jan Jans en diens zoon mede zou horen, heeft die zitting nooit plaatsgevonden. Waarschijnlijk kreeg Trijntje inderdaad de kleren en het loon van haar zoon, waarbij de Hamster boer mogelijk wat meer over de toedracht zal hebben verteld. Voor Trijntje hoefde daarna die nieuwe zitting niet meer zo. Ze had al geld genoeg uitgegeven aan advocaat en gerecht en haar zoon kreeg ze er niet mee terug.
—
Bronnen:
- RHC Groninger Archieven Tg. 735 (Gerechten Westerkwartier) inv.nr. 725: rekestboek, notities van woensdag 5 en donderdag 6 februari 1806; en idem inv.nr. 766: commissieboek, notitie van donderdag 13 februari 1806.
- Wija Friso & Jurjen van der Kooi, Trijntje Soldaats en de Torenstraat (Bedum 2001) met name p. 61-80 en 97.
Storm blaast huis om
Geplaatst op: 4 december 2018 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesHet verzoekschrift:
Geevt eerbiedig te kennen Pieter Jacobs, woonagtig te Lutkegast, hoe de onderget[ekende] is beswaard met een armoedig huisgezin van vrouw en drie onweerbare kinderen, zijn eigen woning heeft gehouden, dan daar gem[elde] woning in de laadste stormwinden bijna geheel is geremoveerd, zoo was zijn eerbiedig verzoek, teneinde UW[el]Ed[ele] aan hem gelieve te verleenen een acte om de jurisdictie te mogen rondgaan om de goede ingezetenen te verzoeken om een aalmoes tot opbouw van zijn bijna omgevallen woning.
/get[ekend/
Pieter Jacobs
De apostille (kantbeschikking) van de drost:
Wordt een den remonst[rant] de vrijheid gegeven om in de gewezenen jurisdictie van Westerdeel Langewold voor de tijd van agt daagen ten verzogten einde te moogen rondgaan.
Kortom: Pieter Jacobs en zijn gezin hadden het absoluut niet breed, maar Pieter had nog wel zijn eigen huis weten te behouden. Toen kwam er die storm en viel dat huis om, nou ja: bijna om. Reden voor Pieter een crowdfundingsactie te beginnen met een bedelbrief, gevraagd en gekregen van het bevoegd gezag. Hij mocht ruim een week aalmoezen vragen, maar alleen in de omgeving van Lutjegast en niet in heel het Westerkwartier, zoals eerst in zijn bedoeling lag.
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (rechterlijke archieven Westerkwartier) inv.nr. 725: rekest 13 maart 1806.
“Een groene laan, dienende tot een lijkweg”
Geplaatst op: 2 december 2018 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk 4 reacties
Op “Pinxter dingsdag” 1805 kwam Jakob Geerts Vroom (55), een kleine boer en arbeider die aan de Zuidwending onder Leegkerk woonde, tot een vervelende ontdekking: zijn buurtgenoot en collega Jacob Sekema, woonachtig aan het Aduarderdiep onder Hoogkerk, had met hulp van diens zoon dampalen uitgegraven die stonden ter weerszijden en aan het begin van een “groene laan”, waarop Vroom gewoonlijk vee liet weiden. De Sekema’s smeten de dampalen (denkelijk met het hek dat ertussen zat) neer op de bewuste laan. Vroom vreesde dat zijn vee op andermans grond zou raken en vervolgens in de schutstal zou belanden (waarvoor hij dan schutgeld zou moeten betalen). Hij stond dus voor een dilemma: of geen vee meer weiden op de laan, of
zijn onvergehaalde vrediging wederom op te maken, in welken gevalle de rem[on]st[rant] onderrigt is geworden dat daarinne faitlijk zoude worden verhinderd…
Fijne buren, die Sekema’s! Om “verdere onaangenaamheden” te voorkomen, stapte Vroom naar de drost van het Westerkwartier, met het verzoek om het geschil te beslechten. De drost besloot eerst Sekema om diens mening te vragen en intussen moest de toestand blijven zoals die was. Naderhand kwam er inderdaad een hoorzitting. Helaas is het verslag daarvan niet bewaard, het blijft dus gissen wat Sekema’s motief was voor het verwijderen van Vrooms dampalen.
Waarschijnlijk claimde Sekema zelf het weiderecht, maar het zou ook nog kunnen dat hij het weiden van vee op de groene laan ontoelaatbaar achtte. Volgens Vroom diende de laan, die van zijn huis aan de Zuidwending naar het Aduarderdiep liep, immers tevens
tot een lijkweg voor eenige boeren onder Hoogkerk in cas hun de passagie langs de trekweg word belet
Wilde Sekema voorkomen dat kistdragers uitgleden over koeievlaaien? Dan was hij rijkelijk laat. Want Vroom voerde aan dat de groee laan door zijn
voorzaat en vader Geert Vroom zedert onheugelijke tijden onverhinderd is beweid tot aan het wagenpad van de wed[uw]e van Duurt Jacobs, alwaar hij een schut op de laan had gezet om zijn vee op te schutten
Die afschutting was dus weg. Met de verschillende aanwijzingen is de kwestieuze groene laan en lijkweg nu eenvoudig terug te vinden – deze is oranje gemarkeerd op het volgende kaartje:

Bron: http://www.hisgis.nl
Als lijkweg zal de laan heus niet zo vaak gebruikt zijn, want alleen bewoners van het Zuidwendinger gebied ten noorden van Hoendiep en trekweg zullen er gebruik van hebben gemaakt. Het ging dan hooguit om vier huizen, waaronder herberg de Pannekoek. Als de trekweg in de buurt van Vierverlaten om wat voor reden dan ook onbegaanbaar was, zette men in deze streek de doodskist op een boot, voer bij de Pannekoek rechtsaf de Zuidwending op tot de groene laan, waarna men via die laan, de weg langs het Aduarderdiep, de Nieuwbrug, de Legeweg bij Leegkerk en de Kerkweg naar het kerkhof bij de kerk van Hoogkerk ging.
Ten tijde van het eerste kadaster, ca. 1830, woonden Jakob Geerts Vrooms dochter en schoonzoon nog op de hoek aan de Zuidwending en de groene laan. De laan hoorde toen echter bij de boerderij aan de noordkant ervan, bij het Aduarderdiep. Deze heerd, nu van de paardenfokker Sipkens, was toen in handen van de wed. Duurt Jacobs Diepinga. Volgens het rekest uit 1805 had haar man een hek op de laan staan, waarschijnlijk halverwege, bij de knik.
Wat betreft het particuliere karakter van de laan lijkt er een discrepantie met de topografische kaarten, waarop de laan nog heel lang aangegeven staat als een (semi-)publieke weg. Ze bestaat nog steeds, zij het dat de sporen nu gevuld zijn met steenslag. Aan de kant van het Aduarderdiep komt ze uit naast de Kasperhoeve. Waar Vroom aan de Zuidwending woonde, stond tot een jaar of tien terug nog een boerderij, die nu echter gesloopt is. Net als ten tijde van Vroom staan er hekken op de laan. Binnenkort maar eens nagaan, wie nu de eigenaar is.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (rechterlijke archieven Westerkwartier) inv.nr. 725: rekesten van 20 juni en 3 juli 1805.

“Niet zonder gevaar, bij storm en duister nagten” – de overzet bij het Washuis en het voetpad dat er heenliep
Geplaatst op: 1 december 2018 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk 7 reacties
Ruwe situatieschets door Theodorus Beckeringh, ca. 1760. Door het midden loopt het Aduarderdiep. Het Washuis en zijn overzet heb ik rood omcirkeld en de belangrijkste toponiemen rood onderstreept. Collectie Groninger Archieven 2849-11 (uitsnede).
Voor 1843 bestonden de Friesestraatweg en de Nieuwklap nog niet en lag er dus ook nog geen brug over het lange stuk Aduarderdiep tussen de Nieuwbrug (bij Leegkerk) en de Steentil (ten noordoosten van Aduard). Bovendien waren de wagenwegen die over de Nieuwbrug en de Steentil liepen, beide een flink eind om en extra tijdrovend voor mensen die zich geen (huur)rijtuig kon veroorloven. Ook bestond het Van Starkenborghkanaal nog niet – wilde je met een schip, dan was de omweg tussen de Stad en Aduard via Hoendiep (langs Hoogkerk en Vierverlaten), Aduarderdiep en De Lindt nog veel langer en tijdrovender dan de route te voet langs een van beide wagenwegen. Vandaar dat er voor voetgangers met enige haast of uit de omgeving zelf nog een ‘overvaart’ of ‘overzet’ bestond, zeg maar een veerdienst, die nabij het Washuis de voetpaden op beide oevers van het Aduarderdiep met elkaar verbond.
Eind november 1804 diende de ‘overzetter’ of veerman op deze locatie een verzoekschrift in bij de drost van het Westerkwartier, waaruit blijkt dat bepaalde passagiers die hij ook sociaal duidt, nogal eens ontevreden waren èn veeleisend: voor het overzetgeld of veerloon moest er soms buitengewoon veel moeite worden gedaan:
Geeft de ondergetekende als overzetter bij het zogenaamde Waskhuis onder Leegkerk met verschuldigde eerbied te kennen, dat hij menigmaal in de onaangenaam omstandigheden zich bevind, om veel smaadreden te moeten horen, en wel bijzonder van dienstboden die zich laten overzetten en menigmaal weigeren het gewone overzettersgeld te betalen, dat is bij de herfst en nat het (sic) zon[sondergang] vier en bij de zomer twe duiten, waarlijk tog een gering loon na de moeite en kosting, daar rem[on]st[rant] in de noodzakelijkheid is, een bekwaam persoon daarop te moeten houden, die altijd bij der hand moet zijn en daarenboven het onderhoud van het schip, en ook niet zonder gevaar bij storm en duister nagten, en menigmalen gebeurd het dat de overzetter eenige uuren moet opblijven te wagten na lui, en bijzonder na dienstboden die na Aduard en elders gaan en laat uitblijven, hetwelk ook geen kleine last is, om welk en meer andere redenen rem[on]st[rant] zich tot U Ed[ele] wend met submis verzoek om een gerechtelijke acte te verlenen waarop rem[on]st[rant] zich bij de onwilligen konde beroepen, waarin het overzettersgeld word bepaald, als in january, february, november en december benevens het gehele jaar door na zonsondergang van ieder persoon 4 duiten, en de overige tijd van het jaar 2 duiten.
Q.F. / get[ekend] /
Kornelis Jacobs
Kortom: het beledigen van mensen, werkzaam in het openbaar vervoer, was destijds ook al aan de orde. Volgens de eigenaar van het veer – die voor de bediening ervan naar eigen zeggen speciaal een knecht in loondienst had, maar die toch ook zelf nog wel eens gevaren zal hebben – maakten vooral dienstboden zich hier schuldig aan. Dat zal ook een belangrijke categorie passagiers geweest zijn. Sommigen weigerden de 2 of 4 duiten veerloon (resp. bij zomerdag en daglicht en bij winterdag en duister), maar dergelijke bedragjes waren voor zulke klanten waarschijnlijk ook redelijk veel geld. In elk geval vroeg Kornelis Jacobs van de drost een soort verklaring, waarin deze namens de overheid genoemde veertarieven voor rechtmatig zou erkennen. Opmerkelijk is nog dat Cornelis deze tarieven “gering” achtte, terwijl hij toch niet om hun verhoging vroeg. Dat zat er blijkbaar niet in. Helaas is niet bekend of de drost Cornelis’ verzoek ook inwilligde, want de klacht werd naderhand behandeld in een commissie of hoorzitting, waarvan het verslag, naar het zich laat aanzien, niet bewaard bleef.
Dit laatste geldt ook voor een verzoek van eind 1803, waarbij tien boeren uit de omgeving aandacht vroegen voor de povere onderhoudstoestand van het voetpad dat vanaf het oosten naar de overzet bij het Washuis liep. Ze brachten ter kennis van de drost:
Hoe dat sedert lange en thans tegenswoordig het voetpad, vonders en ommetreden van het zogenaamde Zomerpad, behorende onder Leegkerk en Dorquert, lopende van het Oude Waschhuis tot de Slaperstil en soo vervolgens tot aan de Reidijk, in een slegte toestand is, en bijna geheel onbruikbaar is gevonden, de vonders slegt en geheel sonder rikken, de ommetreden sommigen geheel vervallen, een pad dat meer als vijftig jaeren tot een publicq voetpad is gebruikt, en thans nog door de passagiers van onderscheiden caspelen hetselve, en veelen twee maal ’s weekelijks gebruiken moeten, en het welke bijna niet als met gevaar van ongeluk te houden, veroorzaakt door boven gemelde verwaarloozing…
Om die redenen vroegen deze boeren de drost in diens rol van opperschouwer van het Westerkwartier dit voetpad en zijn bijbehoren te inspecteren en een en ander
in een goede order te laten brengen en te doen herstellen tot geryf van passagiers en ingezetenen welke dat voetpad onvermijdelijk moeten gebruiken.
Aardig is, dat het rekest de ouderdom van het pad noemt – de boeren stellen immers dat het al ruim een halve eeuw publiek pad was. Waarschijnlijk ging hun herinnering niet verder terug en was het als zodanig nog veel ouder – de overzet bij het Washuis bestond in elk geval al in de jaren 1720. Dat veel mensen uit de verschillende dorpsgebieden het voetpad twee maal per week gebruikten, zal ermee samenhangen dat deze het op dinsdagen en vrijdagen als route naar en vanaf de markt in de Stad gebruikten. Maar het volgen van deze route was zo langzamerhand een hachelijke onderneming geworden, getuige de staat van de vonders (plankbruggetjes) en ommetreden (platformpjes naast damhekken waardoor je daar gemakkelijk langs kon glippen). De vonders hadden zelfs helemaal geen “rikken” (leuningen) meer, terwijl sommige ommetreden totaal vervallen waren.
Volgens het rekest liep het pad van het (Oude) Washuis naar de Slaperstil en daarna tot aan de Reitdiepsdijk (en de Hoogeweg). Met dat laatste stuk zal de tegenwoordige Zijlvesterweg tussen Slaperstil en Dorkwerd bedoeld zijn. Het eerste stuk liep over een wal langs een tochtsloot die overtollig water van Hoog- en Leegkerk loosde op het Aduarderdiep. In het onderstaande kaartje is het tracé van dit pad met beide vervolgen weergegeven:

De overzet van het Washuis en de voetpaden die er vanuit het oosten en westen heen liepen. Bron: http://www.hisgis.nl .
Bronnen:
- RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (rechterlijke archieven Westerkwartier) inv.nr. 724: rekesten van 28 november 1804 en 14 december 1803.
- Over de middeleeuwse oorsprong van het Washuis, waarschijnlijk een uithof van het klooster Aduard: Jan van den Broek, Een Stad apart, pag. 261.

De huisplaats van het Washuis, gezien vanaf de Nieuwklap.

De huisplaats van het Washuis, gezien vanaf de overkant van het Aduarderdiep.
Rodermarkt zorgde voor filevorming tot in Enumatil
Geplaatst op: 29 november 2018 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
Enumatil, de positie van het smidshuis of de smederij waar de botsing plaatsvond. Bron: http://www.hisgis.nl
Dat het rond 1800 na een Zuidlaardermarktdag “onbegrijpelijk druk” was tussen Zuidlaren en de stad Groningen, kan de lezer hier vinden. Maar dat er destijds na een Rodermarkt zelfs filevorming van rijtuigen tot in Enumatil optrad, was me tot nu toe ontgaan. Kennelijk vormde de brug over het Hoendiep daar een bottleneck – dat blijkt althans tussen de regels door uit het verhaal dat Jacob Schuiringa begin 1804 deed bij de drost van het Westerkwartier.
Deze Garnwerder boer had ruim drie maanden eerder, op 27 september 1803 zijn “horensche wagen” (een licht rijtuig) meegegeven aan zijn knechten, meid en dochter, die ermee naar de Rodermarkt reden. Ze zullen er wel heengegaan zijn via Oostum, Aduard, Hoogemeeden, Den Horn, Enumatil, Pasop, Midwolde en Leek, een afstand van zo’n 25 kilometer. Op de terugweg via dezelfde route, maar dan andersom, kwamen ze echter in een file terecht:
…in de weeromreis gekomen aan Enumatil, en de weg aldaar geheel gestopt zijnde door de veelvuldige rijtuigen welke daar tegenswoordig waren, zodat zijn knegten met de wagen moesten blijven staan tegen het huis van de smit wonende op Ematil, dewijl het onmogelijk was door de veelheid der rijtuigen welke hier stil stonden om verder te komen, is Harm Jacobs, woonagtig op de Hogemeeden, met een boerewagen van agteren aan komen rijden en niet langer die geschiktheid willende gebruiken om te wagten totdat de voorste rijtuigen opschikten, is hij met zijn boerewagen neffens de onze gereden en tegens ons horensche wagentje met een force erin gejaagt dat het stel benevens de dusselboom en meer aan onzen wagen is gebroken en dus onbruikbaar geworden…
Waarschijnlijk was Schuiringa intussen voor het regelen van de schade wel even langsgeweest bij zijn collega Jacobs, maar had die geen sjoege gegeven. Daarom stapte Schuiringa naar de drost, met het verzoek Jacobs te dwingen om de herstelkosten van het wagentje te voldoen. Schuiringa benadrukte daarbij nog eens, dat het niet aan zijn mensen lag,
daar het voor zijn volk onmogelijk was om verder te rijden door de verstoptheid der rijtuigen.
De drost agendeerde een hoorcommissie, maar of en hoe Jacobs zich daar verweerde is helaas onbekend, omdat er geen commissieboek over deze periode in het rechterlijk archief zit. Desalniettemin: er stond in 1804 een file voor de brug in Enumatil. Stel je eens voor.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (archief gerechten Westerkwartier) inv.nr. 724: rekesten aan de drost, die van woensdag 11 januari 1804.
Warffumer bloklichters
Geplaatst op: 27 november 2018 Hoort bij: Taal 2 reacties
Offerblok Warffum, interbellum. Collectie Groninger Archieven 2138-5646.
Werd er na het vorige logje op geattendeerd dat ‘bloklichters’ de schimp- en spotnaam voor inwoners van Warffum was. Dat wist ik nog niet. De tipgever verwees naar de Volksverhalenbank van het Meertensinstituut, die de term enerzijds terecht definieert als “dieven die het offerblok leeghalen”, terwijl de Warffumers die naam anderzijds te danken zouden hebben
aan het feit dat ze het offerblok, met daarin de offergiften, altijd zouden leeghalen.
Dit laatste nu, vind ik minder gelukkig verwoord. Sowieso wordt een offerblok periodiek volkomen legaal leeggehaald. Met de term zouden dan ook buitengewoon ordentelijke diakenen kunnen worden aangeduid. Dat moet maar niet. Het ging in beginsel uiteraard om manspersonen uit Warffum, ooit opgepakt nadat ze zich wederrechtelijk de inhoud van het een of andere armblok toeëigenden, daarmee een smet werpend op het blazoen van de brave Warffumers in het algemeen, die dat voortaan bij onmin of plagerij voortdurend ingepeperd kregen.
Was benieuwd naar de oudste melding. Die blijkt (voorlopig) te staan in het Woordenboek der Groningsche Volkstaal van Molema (1887) – bij het lemma ‘molboon’ noemt Molema ook andere schimp-, spot- en bijnamen, onder andere dus die voor de Warffumers: bloklichters.
In elk geval hadden de Warffumer onverlaten die hun dorpsgenoten – naar het schijnt voor eeuwig – dit koopje geleverd hebben, het niet voorzien op hun eigen armblok. Voor het forceren van zo’n zwaar met ijzer beslagen, hardhouten kluis kon je maar het beste een hele scherpe beitel meenemen. Na een succesvolle bewerking met een dergelijk stuk gereedschap was een blok voorgoed onbruikbaar. Uit de administratie van de Warffumer diaconie blijkt echter, dat het armblok in de kerk van Warffum voortdurend in gebruik is geweest van de achttiende eeuw tot na 1900.
Als inderdaad een historisch feit tot de bijnaam heeft geleid, dan hadden de oorspronkelijke Warffumer bloklichters het dus voorzien op een armblok ergens in de omgeving. En dat zette kwaad bloed. Vandaar de schimpnaam, die later verzachtte tot een spot- en bijnaam.
Blok, paal en kist – de kwetsbare kluizen voor het armengeld
Geplaatst op: 26 november 2018 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Offerblok Zandeweer. Foto collectie Rijksuniversiteit Groningen.
1. Het offerblok van Nieuwolda gekraakt
Uit het oudste diaconieboek (1752-1799) van de hervormde gemeente Nieuwolda blijkt, dat de diakenen daar alle collecte-opbrengsten aanvankelijk steeds stortten in een blok, een zware houten kluis met veel robuust ijzerbeslag. Dit blok leegden ze zo’n beetje om de dertig, veertig dagen, waarna ze de inhoud uittelden en inboekten.
Dan staat er op 7 december 1754 deze ontvangstpost in hun administratie:
Hebben de dieven nog in het block laten 2-3-1
(twee guldens, drie stuivers en een duit). Het kraken van het blok in de kerk vormde nogal een strop voor de armen, omdat de laatste lichting ervan op 20 november plaatsvond – het gros van het collectegeld van de laatste weken was dus foetsie: naar schatting enkele tientallen guldens.
Voor de kraak werd overigens niemand opgepakt. Vanaf dat moment zijn de collecte-opbrengsten wèl veel beter in de diaconierekening gespecificeerd. Achteraf een zegen voor de historicus van geefgedrag.
2. Een vingervlugge diaken in Sebaldeburen
De hervormde gemeente Sebaldeburen was in zomer van 1777 vacant, toen er een buitengewone vergadering van de kerkeraad werd belegd, waarbij ook de beide toezichthoudende naberpredikanten aanschoven: ds. Holst van Niekerk en ds. Braams van Lutjegast. Van de beide ouderlingen kregen deze te horen dat er ongenoegen in de gemeente Sebaldeburen heerste wegens het “vermissen” van enig diaconiegeld, waarna beide diakenen kort aan het woord kwamen en de ene, Jannes Berends, een uitgeschreven aanklacht tegen zijn collega Eije Fokkes inleverde. De laatste kreeg deze voorgelezen door de voorzitter van de vergadering, ds. Holst. Het stuk zonder interpunctie, waar de streektaal prachtig doorheen schemert, doet heel mooi de gang van zaken bij een dorpsdiaconie uit de doeken wat betreft het opbergen van collecte-opbrengsten. In de kerk van Sebaldeburen gebeurde dat in een paal, een wat langere en slankere uitvoering van het offerblok.
De aanklager, Jannes Berends, was in het vroege voorjaar langdurig ziek geweest, maar hij wist zich in mei, bij zijn eerste kerkgang na zijn herstel, nog heel goed te herinneren dat de heer Fruytier, die een buitenplaats op Kuzemer bewoonde, altijd grote giften deed in het zakje dat tijdens de diensten onder de kerkgangers rondging. Fruytier was ook nu weer bij de dienst aanwezig. Dus vroeg de nieuwsgierige Jannes na afloop aan zijn collega-diaken Eije Fokkes: : “Wat het mijnheer in de buil gieven?” Waarop Eije antwoordde: “Daar is en sestehalf en een goede schelling in” (samen 11,5 stuivers) . Naast de schoolmeester waren beide ouderlingen bij dit gesprekje aanwezig. De ene ouderling had nog gezegd: “Dan wort al minder” en de ander beaamde dat. Kennelijk deed de heer Fruytier voorheen grotere munten in het zakje en waren de ouderlingen daarvan op de hoogte.
De volgende zondag zag Jannes Berends louter duiten, kopergeld, uit de buil voorbij komen. En dus vroeg hij zijn collega opnieuw wat meneer Fruytier in de buil had gedaan. Waarop Eije een ontwijkend antwoord gaf: “Daar is niet van komen”. Zodoende vatte Jannes een verdenking op:
Doe [k]reeg ik ander gedagten – dat het niet goet was, want mij dogte: “Mijnher sal wel meer geeven als duiten, want voor mijn siekte noit minder als guldens”. Daarop dogte ik: “Dat wark is niet goed; ik sal daar om denken als mijnheer weer komt”.
De derde zondag na Jannes’ ziekte preekte ds. Brandts van Nuis & Niebert. Ook nu kwam de heer Fruytier weer in de kerk en Jannes besloot heel goed op te letten:
en doe d preedekant toe het hoktie uit ging, krijg Eije de buil en smeet het gelt in de bekken en ik paste op [hoe] het ging en Eije taste met sijn linkerhant in de bekken, kreeg er gelt uit en schud het gelt in sijn rechterhant en ik sag de gulden klaar in sijn linkerhant sitten en ik kreeg de bekken in mijn linkerhant en wij deden de duiten in de paal en ik oogde op de gulden. Doe wij de leste duitten in de paal deeden, heeft Eije met sijn linkerant daar de gulden in was, soo even in de voorbroek weest, en terstont was de hant open en de gulden was er uit.
Jannes kreeg het er warm van:
Ik seide: “Eije wat het de heer in de buil gee[ven]?”
Daar op het Eije segt: “Dat weet ik niet goet”.
Ik see: “Eije het was ja en gulden”.
Eije: “Ne”.
Segt Eije daarop: “Ik loof dat het en gladde sestehalf was”.
Ik see: “Wel een gulden, Eije”.
“Wast een gulden? Dat ken ook wel weesen”, seide Eie.
“Wel een gul[den]”, seide ik: “Hem (= ik heb hem) soo klaar sien als dag”.
Doe is Eije foei worden en ging weg.
Jannes overwoog nog om het hele geval te verzwijgen, maar verwierp die optie: “Dat is ook niet goed” (daar schoot de diaconie immers ook niets mee op). Daarom besloot hij Fruytier zelf te vragen, “wat hij in de buil geeven het”. Hij ging naar Fruytiers “plaatse”, maar Fruytier bleek niet thuis. Op 7 juni ging Jannes naar Groningen, maar trof meneer daar evenmin in diens stadshuis. Uiteindelijk trof hij Fruytier bij Hinderk Arents Pomp (waarschijnlijk een herbergier) op de Kuzemer. Fruytier sprak hem daar zelf aan:
“Jannes Beerents, ik heb hoort je hadden an mijn huis weest. Had je mij wat te seggen?”
Ik seide: “Ja mijnheer”.
Mijnheer seide: “Kon wij dat hier doen of moet wij allee[n sijn]?”
Ik seide: “Alleen mijnheer”.
Doe ben wij alleen gaan. Doe seide ik: “Mijnheer moet het niet kwalijk neemen, ik wol mijnheer zelf vragen wat mijnheer in de buil geeven heeft doe Brants daar preekt het”.
Doe seide mijnheer: “Jannes Beerents, dat seit men soo niet.”
Zoals ik hier al eens uit de doeken heb gedaan, werd nieuwsgierigheid naar (en indiscretie over) de grootte van giften bij kerkelijke collecten ongepast gevonden. Dat wist Jannes natuurlijk ook wel, maar nood brak wet:
Ik seide: “Mijnheer, dat denk ik wel, maar daar scheelt wat an”.
“Wat s[cheelt] er an?”, seide mijnheer: “Dat moet gij mij seggen”.
Jannes deed hem het hele verhaal:
Doe seide mijnheer: “Ik heb noit mijnder geeven als guldens.
Daarmee werd Jannes’ verdenking er alleen maar sterker op. Die zondag zou er avondmaal zijn, waarna de paal zou worden geleegd. Jannes liet tegen Fruytier doorschemeren dat hij vooraf getuigen, dus de ouderlingen, wilde inlichten. Dat ried de heer Fruytier hem af. Die vond het beter dat hij eerst zijn vingervlugge collega onder vier ogen zou vragen om de missende guldens terecht te brengen “eer dat daar meer praat van komt”. Ook moest Jannes Eije Fokkes vragen “of hij wel met ije na mijnheer toe doost” (of hij wel met hem naar Fruytier durfde gaan).
Het lijkt er sterk op dat Jannes deze raad in de wind sloeg. Op zondag 21 juni vroeg hij de ene ouderling, Harm Luitjens, “om met ons de paal te ligten”. Aan zilvergeld kwam er toen slechts 8 gulden en een stuiver tevoorschijn, en dat terwijl de laatste lichting van de paal op 5 februari plaatsvond en er intussen “twee olde doden op het hof komen” en twee avondmaalsvieringen waren geweest. Afgaande op de gebruikelijke bekkenopbrengsten bij zulke begrafenissen en de avondmalen had er veel meer zilvergeld in de paal moeten zijn, temeer daar er ook nog 4 sestehalven na twee trouwerijen en even zoveel doopplechtigheden in het open bekken op het koor waren gelegd.
Op zich had Jannes Berends een sterke zaak, maar in de buitengewone kerkeraad van 17 juli, waarmee dit verhaal begon, ontkende Eije Fokkes bij hoog en bij laag,
eisende bewijs, dat hij enige penningen de diakonie ontvreemd hadde.
Een bekentenis gold destijds als het hoogste bewijs. Ook de buurpredikanten en ouderlingen vonden dat Jannes’ aanklacht voldoende grond ontbeerde. Tot zich een nader “blijk zou aandienen”, schorsten ze de beide diakenen als lidmaat, “wegens onderling groot verschil”. En omdat dit kennelijk bij geen van beiden goed viel, werd uiteindelijk besloten dat er zo snel mogelijk een verkiezing voor twee nieuwe diakenen zou komen. Die verkiezing vond zelfs al binnen een week plaats.
De naberpredikanten en ouderlingen kozen hiermee als tijdelijke kerkeraad voor de weg van de minste weerstand en lieten zodoende vooral de klokkeluider Jannes Berends in de kou staan. Nader bewijs had er natuurlijk kunnen komen met een verklaring van meneer Fruytier, maar mogelijk was die gepikeerd omdat Jannes Berends zijn raad in de wind sloeg. Jannes had zo bezien zijn ontslag aan zichzelf te danken. In elk geval kwam Eije Fokkes met de schrik vrij: getuige het rechtdagenprotocol van Westerdeel-Langewold is er geen vervolging tegen hem ingesteld. Zoals zo vaak: kleine dieven hangt men op, de grote laat men lopen.
3. Baljuw doet blok, paal en kist in de ban
De drost van het Westerkwartier heette nog niet zo lang baljuw, toen hem vervelend nieuws bereikte. De diakenen van Grootegast kwamen klagen
dat de armenpaal in de kerke aldaar was bestolen.
Op woensdag 5 oktober 1808 was dat. De baljuw zette de fiscaal aan het werk – die moest informatie gaan inwinnen. Niet dat die ergens toe leidde: de dader bleef uit zicht. Maar omdat “de daaglijksche ondervinding” hem leerde “dat de kerken niet langer kunnen worden beschouwd als veilige bewaarplaatsen voor de diaconiepenningen” besloot de baljuw tot een preventieve maatregel:
dat van nu voortaan de diaconiepenningen niet zullen mogen worden gelaten in kerken of aldaar in eenig blok, paal of kist worden opgesloten en bewaard, maar dat dezelve penningen bij iedere collecte terstond zullen moeten worden aangeteld, en de sum daarvan behoorlijk aangetekend, en dat voorts deze penningen door de boekhoudende diacon in bewaring zullen moeten worden overgenomen, wordende de respective boekhoudende diakens verantwoordelijk gesteld voor alle diaconiepenningen welke na insinuatie dezes uit een blok, paal of kist, in de kerk geplaatst, zullen worden vermist.
Deze oekaze ging schriftelijk naar alle diaconieën van het Westerkwartier. Ik heb het niet onderzocht, maar vermoed dat er daarna nog heel weinig blokken, palen en kisten in gebruik zijn geweest voor het bewaren van collectegeld. De diefstal van de armepenningen zou voor de boekhoudend diakenen immers neerkomen op “hun eigene schade”.

Recente reacties