Dansfeest

Zag deze lopen aan de overkant bij de A-kerk:

Ze maken reclame voor een dansfeest dat hippie en disco op één hoop veegt:

Ook de Bee Gees gaan daar binnenkort in de herhaling, merkte ik.


Mest en vuilnis in de pastoriegracht

De pastorie of weem van Oldehove stond midden in de dorpskern, tegenover het koor van de kerk en was omgeven door een behoorlijk ruime gracht, die nu geheel verdwenen is. Bron van het plaatje: http://www.hisgis.nl

Op de gedane anklagte van de predicant van Oldehove, te kennen gevende dat enige menschen zig veroorloven om misbulten en velerhande vuijlnissen in de pastorijgragt te werpen, soo wordt voornoemde predicant geauthoriseert om publiek in de kerk te doen kundigen, dat een iegelijk word gewaarschuwd zig in het toekomstige zorgvuldig te onthouden enige vuylnissen in voornoemde gragt te werpen, of enige misbulten zodanig aan de kant te plaatsen dat deselve daarin vallen, sullende tegens diegenen, welke zig tegens deze waarschuwing daaraan schuldig maken, sodanig worden geprocedeert als ter handhaving der goede order bevonden sal worden te behoren.

Commentaar: Het is uit deze tekst, die in oktober 1807 voorgelezen werd in de kerk van Oldehove, op zich niet duidelijk of mest en vuil met opzet of per ongeluk in de gracht om de Oldehoofster weem belandden. Dat de predikant na een eventueel minnelijk aanspreken van zijn buren niet de civielrechtelijke, maar een bestuursrechtelijke weg koos, doet echter merkwaardig aan, zo’n tien jaar na de scheiding van kerk en staat. Ik denk dat hij in onmin met die buren verkeerde. Dat waren geen arbeiders, zoals ik in eerste instantie dacht: een kwarteeuw jaar later, ten tijde van het kadaster, woonden er bijna uitsluitend middenstanders om de pastorie heen en dat zal in 1807 niet anders geweest zijn.

De naam van de predikant wordt niet genoemd, maar het bleek Ajolt Jan Muntinghe te zijn. Hij was in 1762 te Wedde geboren als zoon van de drost van Westerwolde. Eind 1786, na de afzetting van zijn voorganger Kuitert wegens overspel, trad Ajolt Jan Muntinghe aan als predikant van Oldehove. Hij was patriot en in 1797 Representant van het Volk der Ommelanden. In de zeer verlichte classis Westerkwartier, die destijds allerlei bepalingen voor de leerzuiverheid afschafte, gold hij tezelfdertijd als een van de beleidsbepalers. Zijn zwager Albert Willem Hoeth was tussen 1798 en 1801 lid en president van het Uitvoerend Bewind, zeg maar het kabinet van de Bataafse Republiek geweest en ten tijde van dit akkefietje procureur-generaal, de hoogste aanklager van de provincie. Mogelijk heeft die zijn zwager nog juridisch van advies gediend.

De predikant van Oldehove was dus niet zomaar een predikant. Ik denk dat zijn opvattingen weerstand opriepen en dat hij daarom koos voor de bestuursrechtelijke weg via de drost van het Westerkwartier. Nauwelijks een half jaar na zijn waarschuwing vanaf de kansel uit naam van de drost, overleed ds. Muntinghe, zo’n 45 jaar oud.

Bron van de kondiging: RHC Groninger Archieven Tg. 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 729: publicaties, notificaties etc. 1803-1811, notitie d.d. woensdag 7 oktober 1807.


Ugh, squaw


Gezien aan de Kleine Steentilstraat. De maker.


Nieuwe drost zit venters, muzikanten, scharenslijpers en rarekiekvertoners dwars

Als in 1803 alle kleine jurisdicties van het Westerkwartier zijn opgegaan in één grote rechtbank die zich vestigt in het rechthuis van Zuidhorn, heeft de nieuwe drost het meteen gemunt op rondzwervend volk. Zo zet hij een zware boete of het geven van nachtlogies aan nachtbidders en stelt hij paal en perk aan de bewegingsvrijheid van ambulante kooplui, muzikanten en andere kunstenmakers. In alle dorpen van de streek wordt dit nieuwe restrictieve beleid afgekondigd::

Naardien het aan den Drost dezer jurisdictie is voorgekomen dat zig onderscheiden vreemde personen veroorloven om zonder eenig daartoe bekomen consent hetzij met koopmanschappen, hetzij als scheerslijpers, speelmannen of met kijkkasten en soortgelijke zaken in de jurisdictie rond te zwerven, en de goede order en policie het tegenswoordog volstrekt vorderen, dat aan zijde van de administratie der justitie dienaangaande een waakzaam oog werde gehouden, zo is het dat door dezen aan elk en een iegelijk word verboden het zij met enige hoe genaamde koopmanschappen, hetzij als scheerslijpers, speelmannen of met kijkkasten of iets diergelijks in de jurisdictie van het Westerquartier rond te lopen zonder daartoe van mij vooraf te hebben bekomen behoorlijk consent, wordende de wedlieden en roderoeden in de onderscheiden vorige jurisdictiën gelast om naukeurig op diergelijke omlopende personen agt te geven en van dezelve te vragen vertoning van de acte van verkregen consent en voorts om zodane hunner, welke van zodane acte niet zijn voorzien te gelasten om terstond met hunne koopmanschappen of ander bedrijf de jurisdictie te moeten verlaten met magt op dezelve gerechtsbedienden om die geene, welke zig tegens deze order mogten verzetten, bij provisie met de goederen, welke zij bij zich mogten hebben, in civiele bewaring over te brengen in het gewoone rechthuis dezer jurisdictie. Opdat vervolgens tegens dezelve zodanig werde geprocedeert als ter handhaving der goede order zal worden bevonden te behoren.
Afgegeven tot Zuidhorn den 14 july 1803.
Was get[ekend] A.P. Driessen

Bron: RHC Groninger Archieven Tg. 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 729: publicaties, notificaties etc. 1803-1811.


Zilverreiger bij het Hegepad


Deze was niet zo schuw, vanochtend. Hij maakte een rondje door het water en liet vooral zijn rug zien, wat ik bar weinig voorkomend vond, maar hij vloog niet weg.


De Enumatilster nachtwacht

Op 10 april 1788 dienden Derk Aljes en Alje Jacobs een verzoekschrift in bij de grietman van Vredewold. Ze deden dat mede namens vijftien andere ingezetenen van Enumatil.

Het zat de Enumatilsters dwars dat ze eerst de roderoede (veldwachter) en daarna tot twee maal toe de wedman aan de deur hadden gehad. Namens het gerecht van Vredewold brachten beide functionarissen het bevel van de grietman over “om des nagts te moeten waken”. Bij de laatste aanzegging bleek er zelfs een boete van twee schellingen (of elf stuivers) op weigering te zijn gezet, een boete die de wedman mocht innen “bij dadelijke pandhalinge”, dus door inbeslagneming van een stuk huisraad dat bij een eventuele veiling die boete zou kunnen opbrengen.

De Enumatilsters verzekerden de grietman dat ze niets liever deden dan rust en veiligheid bevorderen en schade voorkomen:

“waarom in vorige jaeren meermalen des winters tot voorkoming van diefstallen en huisbraken ook ider in hun tour des nagts de wagt gehouden hebben, en nu ook onlangs sonder eenige aarseling ieder eenmaal gewaakt hebben…”

Maar tegen nog langer wachtlopen maakten ze nu toch wel bezwaar,

“daar men te regte zeggen kan, dat geduirende dit winter geen diefstallen – ten minsten soo verre kenlijk – sijn gepleegd of plaats hebben gehadt en er bovendien geene redenen van aanbelang, waarom men met de waking soude dienen aan te houden, kunnen worden bijgebragt.”

De Enumatilster weerzin werd nog versterkt, doordat er slechts op de wens van één enkele ingezetene, ene Willem Wolthuis, een verandering was aangebracht in “de wijze van waking”, namelijk

“dat in plaats van tot drie uiren des morgens tot aan vijv uiren zoude moeten wagt gehouden worden, alles tot groot nadeel van de inwoonderen aldaar, waarvan selvs een gedeelte uit arbeideren, die reeds om drie en vier uiren na hun werk moeten, bestaat.”

Die werklui zouden dan dus, als zij aan de beurt waren, nog tot vijf uur ’s morgens moeten waken, terwijl ze al een uur, of twee, eerder naar hun werk moesten Vandaar het Enumatilster verzoek aan de grietman, om te mogen ophouden met de nachtwakerij.

De grietman schreef een hoorzitting uit om de Enumatilsters nog eens persoonlijk te horen, maar daarover staat helaas niets geregistreerd in de gerechtelijke protocollen van het Vredewold. Het lijkt erop dat die zitting nooit heeft plaatsgevonden.

Toen de klacht bij het gerecht behandeld werd, was het agrarische seizoen wellicht ook al te ver op gang gekomen om je nog druk te maken over de nachtwacht. Dieven uit nooddruft konden na de winter eindelijk aan het werk, en hoefden niet meer te stelen, en zelfs al zouden ze dat nog willen, dan waren ze door de steeds langere dagen veel te moe om er nog bij donker op uit te gaan voor activiteiten die het daglicht niet konden verdragen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (archief gerecht Vredewold) inv.nr. 98: rekestboek Vredewold, notitie d.d. 10 april 1788.


Rondje Leekstermeer

Bij de Bruilweering, uiteind Stadspark:

Bij Sandebuur stond een heel stel vogelaars bij auto’s te koekeloeren. In de verte ging boven de Stobbevenne steeds een drom ganzen op de wieken:

Dit paard vond het ook wel een interessant schouwspel:

Tussen Leutingewolde en het Leekstermeer opnieuw een enorm aantal ganzen:

Bij de Meerweg onder Nietap (ooit de Hooilandscheweg, leerde ik vandaag). De boom was uitvalsbasis voor een stel roodborstjes:

Oprijlaan in het  buurtschapje Emmerik:

Gezicht op de Stad vanaf het Lettelberterdiep:

Koe, grazend bij wilg, Lettelbert (waar trouwens een vrouw bezig was met het maaien van haar gazon)::


Rondje Lagemeeden – Leegkerk

De Roderwolderdijk parallel aan de A7, Hoogkerk:

Oude slotenschoner bij de Zuidwendinger molen:

De Lagemeedener dividivi’s:

Herfstblad op de slootkant:

Paarden bij Nieuwbrug:

Eindje verderop redelijk veel reigers in het land -onder andere deze witte:

Rode blaarkoppen grazend bij Leegkerk:

Kerk Leegkerk:

(Foto’s van gistermiddag, tegen de avond.)


De terechtstelling van Okke Kluun, zoals gezien door een ooggetuige

Van de ophanging van Okke Kluun op 12 april 1838, de laatste openbare voltrekking van de doodstraf in Groningen, blijkt een ooggetuigeverslag te staan in de herinneringen van de Scheemder predikant U.P. Goudschaal (pag. 59-60):

Eenmaal heb ik op de groote markt de voltrekking der doodstraf van iemand mede bijgewoond, die te Uithuizen, naar mij voorstaat, om ƒ 28 eene vrouw had vermoord. ’s Middags te 12 uur zou de levensdraad van dien misdadiger op de groote markt door de koord worden afgesneden. Ik huiverde er tegen, om zulk een akelig schouwspel te zien, maar door een onverklaarbare zucht naar ’t vreemde, buitengewone en akelige gedreven, ging ik toch. De groote markt was opgevuld met menschen, en achter de vensters en op de stoepen der huizen verdrong men elkander. Daar kwam men op een wagen met den delinquent aan, die bij het zien van ’t schavot een raauwen gil gaf. Weldra had hij het beklommen, en werd zijn vonnis voorgelezen aan ’t volk, dat er niets van verstond, en dat alle gedachten had bij dien ongelukkige, wiens levensdraad zoo zou worden afgesneden. Ziet! met den beul, die die taak zal verrigten, beklimt hij de roode, en tamelijk hooge ladder. De strop wordt hem om den hals gedaan, met een ruk wordt hij er afgestooten, daar zweeft hij tusschen hemel en aarde, en hangt zoo na eenige struiptrekkingen als lijk tot des namiddags 3 uur toe.

Naderhand zeiden de Groningers, als iemand geluk had gehad: “Doar bist beter oafkomen as Okke Kluun.”


Retour Zuidhorn

Groeten uit Leegkerk:

Leegkerk – populierenlaantje met vervallen schuur:

Bij de Nieuwbrug, best roze zo’n neus::

Ook enigszins roze -boerderij bij Den Horn:

Het huisje bij de spoorwegovergang tussen Den Horn en Zuidhorn is nog niet verplaatst:

Iets te laat van wal gestoken, er daalde een enorme mistwolk over de omgeving neer:

Nog een ander gezicht vanaf de Zuiderweg bij Zuidhorn:

Zuiderweg, wat dichterbij Enumatil:


Het Spoorwegspel en de Vaart der Volkeren

Leuk zo’n Spoorwegspel. Het dateert uit 1866, toen Groningen voor het eerst per trein bereikbaar werd. Niet vanaf het zuiden, zoals je wellicht geneigd bent te denken, maar vanaf Leeuwarden. Daar werd het spel ook uitgegeven, en dat is te merken aan de tekeningetjes, die vooral Friese objecten in beeld brengen.

We maken de reis in omgekeerde richting. Station Groningen stelde destijds nog bar weinig voor:

Nee dan Zuidhorn, het station daar had toch al wat meer allure:

Maar of het plaatje in dit geval de situatie weergeeft? De trein denderde voort en kwam voorbij het weinig realistisch weergegeven Stroobos:

En in de verte wilde je daar vanuit het raam ook nog wel eens een trekschuit op het Hoendiep zien dobberen:

In dit Spoorwegspel was het zaak om met je pion van die plek  weg te blijven, want

“eene trekschuit of diligence bereikende, gaat men terug en laat zijne beurt voorbijgaan om de trein te zien passeeren.”


Krantenlegger met desideratum

Het papier was al zo oud, dat het zo goed als geen stem meer had. Daarom wilde het graag dat er etiketten zouden worden gedrukt voor alle krantenleggers van zijn leeftijd in het archief. Die wens kwam er gefluisterd uit, maar de man van de restauratie-afdeling kon uiteindelijk nog redelijk goed verstaan wat het papier wilde. Hij ging er natuurlijk ook al zo lang mee om. “Dan heb je aan een half woord genoeg, weet je.” Hij vond dat het papier hélemaal gelijk had en ook omdat het papier ’t verzoek zo netjes bracht, gaf de restauratieman er meteen gehoor aan. Die stickers kwamen er.


Walburgprent

Walburgkerk Groningen, anonieme tekening, ca. 1718. Collectie Utrechts Archief.

Trof hedenmiddag in de beeldbank van het Utrechts Archief deze charmante tekening van de Groninger Sint Walburgkerk aan. Eerst denk je: “Ha leuk, een uniek ding!”, maar dan kijk je in de Beeldbank Groningen en zie je alras dat er toch meer afbeeldingen van dat gebouw zijn dan gedacht.  Bovendien was de Walburgkerk in 1718 al bijna een eeuw “niet meer in weesen”, zoals het onderschrift zegt,

Waarschijnlijk is de tekening gemaakt naar een ets uit 1711. Dat was dus om te oefenen. Ze staat ook op de achterzijde van een tekening van kasteel Ruwiel, terwijl de verzamelaarsmap waar het gezamenlijk vel papier zich in bevindt, Utrechtse kastelen als thema heeft. Het later gemaakte kasteel was dus belangrijker dan het Walburgprobeersel. Het handschrift onder de tekening doet me overigens denken aan dat op de prenten van Andries Schoemaker, iemand die ook graag monumentale gebouwen naar oudere prenten tekende.

De Walburgkerk op het Groninger Martinikerkhof – in de ronde kern van een karolingisch-ottoons model en kort na 1100 gebouwd – was in de vroege middeleeuwen de kapel van de bisschop van Utrecht in Groningen. De Martinikerk is altijd de parochiekerk geweest.


Schiere stee, dat Aikema

Aikema, Grijpskerk. Collectie RHC Groninger Archieven 818-6564 (opgepept).

Dat moet best een schiere stee geweest zijn, dat Aikema, daar achter Grijpskerk aan de lange bomenlaan door de grazige weiden naar Munnekezijl.

.Zonde dat zoiets weg is en je vraagt je dan af hoe er een eind aan kwam. Het borgenboek van Formsma c.s biedt in zo’n geval uitkomst. Op deze borg woonde de familie Clant van Aikema, om te beginnen Jan Remmert. Toen deze Clant en zijn vrouw in 1655 en 1656 overleden, lieten ze een peuterdochtertje na, dat werd opgevoed door opoe. In 1667, op haar dertiende, zou deze rijke erfgename worden geschaakt door haar neef Lucas, die haar op zijn witte paard meenam naar Oost-Friesland en haar daar trouwde. De jongelui gingen op Aikema wonen, werden weldra vrome lidmaten van de hervormde kerk, en kregen maar liefst achttien kinderen.

Zes daarvan leefden nog in 1706, toen dit vruchtbare stel uit de tijd gekomen was. Eerst kreeg hun oudste zoon de borg. Hij stierf er als vrijgezel, in 1722.  Daarna nam de tweede zoon het spul over, maar die ging vier jaar later al dood, ook als vrijgezel.  En zo kwam Aikema in handen van de derde broer, die – Aikema slaakte een zucht van verlichting – wèl getrouwd was en kinderen had en wiens oudste zoon Lucas in 1736 Aikema erfde.

Deze Lucas Jan Clant kreeg in 1748 een mooie functie als generaliteitsrekenmeester, maar bleef na dat ambtsjaar in het verre Den Haag rondhangen. Daar was weliswaar veel meer te beleven dan in Grijpskerk, maar ging het ook goed mis met hem. Door bepaalde “misvattingen in sijn begrip en oordeel” kon hij niet eens meer voor zichzelf en zijn bezittingen zorgen en bevond hij zich in een “beklaagelijke toestant”, althans volgens de familie, die hem in 1752 onder curatèle liet stellen. Waarschijnlijk om de schulden te delgen, verkochten de bewindvoerders weldra de borg en de landerijen. Lucas Jan ging niet eens naar een ‘Verbeterhuis’, want hij stierf in 1760 te Groningen, aan de Spilsluizen.

De koper van Aikema, die wel meer borgen kocht, probeerde het voorname huis meermalen te verhuren. Veel onderhoud zal er vanaf 1748 niet gepleegd zijn en dus ging dat moeilijk. Daarom viel in 1768 het doek. Aikema werd op afbraak geveild voor 1000 gulden. Het geboomte bracht nog meer op.

Helaas hebben Formsma c.s. het verhaal over Aikema niet overdadig geannoteerd en ik heb zo’n gevoel dat er in Den Haag nog een aardige schandaalhistorie in rechterlijke archieven ligt. Die moet ik dan misschien een andere keer maar eens gaan uitzoeken. Al mag iemand anders het ook doen.

 


Sint Maarten in Nietap

(In een topgeveltje aan de J.P. Santeeweg.)