Langewoldster vermakelijkheden
Geplaatst op: 11 november 2018 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties
“Ruwheid, woestheid in de vermaken, wordt algemeen voor een gebrek der inwoners der wouden gehouden: hier van zijn ze ook geenszins vrij te pleiten. (…)
Tot het spel zijn, helaas! velen te zeer genegen, en het is inzonderheid den zondag, waar op men, of in het veld of in gemeene huizen, zijn geluk beproeft. (…)
Overal ten platten lande heerscht het gebruik, om soms eens naar de kermis te reizen, en zig daar regt, gelijk mede onderweg te vermaken. De verkooping van vee, gereedschappen en meubelen op een boereplaats geeft daartoe eene andere gelegenheid. Hier zoeken de jongelieden van de beide kunnen elkanderen niet minder dan op kermissen op.
De zaturdag, doch inzonderheid de zondagavond, is de gezette tijd der uitspanningen: men zoekt elkander dan op, of aan de huizen, of geeft elkanderen elders een rendevous. De dienstboden misbruiken hunne vrijheid te lande zeer: de boer kan het niet beletten, schoon zijne knecht nacht op nacht rinkelrooit, gelijk dikwerf gebeurt. Wanneer zal de politie den euvelmoed der dienstboden ten platten lande beteugelen, en voor de jeugd waken? – Dese gezelschappen houden meestal lang aan en worden door brandewijn levendig gehouden, gewoonlijk tot aan den morgen, onder gezang en vrolijkheid, doorgezet.
Men houdt hier veel van papegaaischieten, de kat uit de ton te smijten, eene gans het hoofd af te trekken, ’s winters op schaatsen op den ring te rijden, een soort van toernooispel. Ook begint men bij het dobbelen het kaartspelen te voegen, ’t geen voor weinige jaren nog onbekend was. Waarom heeft men tegen het kaatsen, ’t geen openlijk geschiedde, uitgevaren en de jeugd in de kroegen gedreven?”
Bron: Nicolaus Westendorp, Eerste Leerrede in de Nieuwe Kerk te Sebaldeburen, benevens een Oudheidkundige Verhandeling (Groningen 1809) 141-143.
Wat niet weet, wat niet deert
Geplaatst op: 10 november 2018 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieToen in 1786 in de Groninger synode het voorstel aan de orde kwam om de synodale handelingen te drukken, had de classis De Marne niet alleen de kosten en het gebrek aan noodzaak als redenen om zich daartegen te verklaren. Nee, ook bracht het als argument naar voren dat
“er vele dingen in de synodale acten voorkomen, welke van zulk een aart zijn, dat ze niet gevoeglijk in elks handen diende te wezen, en ’t welk echter niet zou kunnen worden voorgekomen zo de acten gedrukt wierden.”
Commentaar: de meerderheid van de predikanten bestond in De Marne uit patriotten, maar de notie dat democratisering gepaard moest gaan met openbaarheid van (kerk)bestuur, was kennelijk nog niet diep doorgedrongen. De synodale handelingen bevatten natuurlijk ook tal van schandaalverhalen over predikanten die scheve schaatsen reden, de openbaarmaking van dergelijke historiën zouden het ontzag voor het kerkelijk ‘leraarsambt’ zeker niet bevorderen.
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 183 (archief classis De Marne) inv.nr. 5: Handelingen 1769-1816) 10 april 1787.
Loempiaman nu met credo
Geplaatst op: 9 november 2018 Hoort bij: Hoogkerk 8 reacties
(Op de wijkmarkt van Hoogkerk.)
De Lagemeedster parkeerkwestie
Geplaatst op: 8 november 2018 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties
Nog steeds ligt er midden in het land van het afgelegen Lagemeeden een eenzaam kerkhof. Tot diep in de negentiende eeuw stond daar een middeleeuws kerkje op, zo eenvoudig dat het zelfs geen toren had.
Op deze kerkverlaten plek is drukte onbekend. Hoogstens pruttelt er een paar maal per dag een tractor voorbij. En toch is het ooit wel eens anders geweest. Zo heeft zich hier in 1793 een ernstig parkeerconflict voorgedaan.
Op zaterdag 3 augustus dat jaar diende Cornellis Bolt namens twaalf ingezetenen van Hoogemeeden, “behorende ter kerke, welke op de Lagemeden is staande”, een verzoekschrift in bij het gerecht van Vredewold. Als de toestand van de wegen het toeliet, zo schreven Bolt c.s., dan reden ze “ter meerder gemak soo voor hun selvs als vrouwen en kinderen” met hun rijtuigen naar die kerk. En “zedert ondenklijke tijden” hadden ze dan het recht om
“geduirende de predikatie hun wagen en paarden te bergen op het hiem van Gerrit Luitjens, zijnde een pastoriemeyer, het naast aan deselve kerk wonende…”
Het kunnen parkeren bij deze buurman van de kerk, die zijn land van de dominee pachtte, was voor de Hoogemeedsters “van het uiterste belang”, zo zeiden ze,
“doordien er geene herberge daar ter plaatze word bevonden, en ook geen andere gelegenheijdt is om hunne paarden en wagens elders te bergen.”
Hoewel Bolt c.s. meenden dat Gerrit Luitjes absoluut geen nadeel kon ondervinden van dit ”reght”, was Luitjes kort voordien zo onvriendelijk geweest, ze dat recht te ontnemen, en het stallen van hun paarden en wagens op zijn heem te verhinderen. Dit moest, zo meenden de Hogemeedsters, wel voortkomen uit “een misverstandt en verkeerde opvatting”. Ze vertrouwden erop, dat het gerecht Luitjes’ bezwaren gemakkelijk zou kunnen wegnemen. Omdat de Hoogemeedster kerkgangers alleen een rechtszaak wilden beginnen als het echt niet anders kon, verzochten ze de grietman (rechter) om diens bemiddeling. Aan hun acute “ongerijv” moest liefst zo snel mogelijk een eind komen.
De grietman vroeg om de zienswijze van Gerrit Luitjes. Die bleek het volstrekt oneens met die lui van Hoogemeeden. Hij weigerde inhoudelijk op hun verzoekschrift in te gaan, maar was benieuwd naar het bemiddelingsvoorstel van de grietman.
De grietman stelde voor dat de pastoriemeier de Hoogemeedsters weer toestemming zou geven voor het parkeren van hun rijtuigen op zijn erf tijdens godsdienstoefeningen, “mits zij die plaatz met palen en staketten afschutten, opdat hem geen schade of overlast geschiede”. Bovendien zouden ze hem jaarlijks 4 ducatons voor de collectieve parkeervergunning moeten betalen.
Dat bedrag kwam neer op 12 gulden en 12 stuivers, dus 1 gulden en 1 stuiver per jaar voor iedere ondertekenaar van het verzoekschrift, of nog geen halve stuiver per zondag. Maar als er werkelijk sprake van een gewoonterecht was, zoals de Hoogemeedsters aanvankelijk beweerden, dan kregen ze hier toch wel wat te slikken. Zij namen dan ook “geen genoegen” met het voorstel van de grietman, en dat deed Luitjes evenmin, zodat de grietman nog weer eens opnieuw een verzoeningssessie agendeerde, terwijl hij beide partijen aanbeval, “zig hyr op te beraden”.
In die tweede zitting, op 8 oktober, bleek dat de kerkgangers van Hoogemeeden wel een hek om de parkeerplaats op Luitjes’ erf wilden zetten, “maar dat zij er niet toe konden resolveren om daar en boven enig geld te geven”. Luitjes deed net of dit hem hogelijk verbaasde. Hij van zijn kant voelde er niet voor “om een last op sijn gebruikende plaats te halen”.
Hierop deelden die van Hoogemeeden mee dat ze hun verzoekschriftprocedure niet wilden doorzetten. Ze zouden de kosten betalen en kijken of ze hun recht op een andere manier gingen halen.
Noch bij het gerecht van Vredewold, noch bij de Hoge Justitiekamer zijn ze zo’n proces begonnen. De Lagemeedster parkeerkwestie raakte finaal in de vergetelheid, tot nu.
Bronnen:
- Groninger Archieven, Toegang 135 (Gerechten Westerkwartier) inv.nr. 98: rekestboek Vredewold, notities d.d. 3 en 10 augustus 1793; idem inv.nr. 95, rechtdagenprotocol Vredewold, 24 september 1793 (fol 502-503) en 8 oktober 1793 (fol 509-510).
- Over de kerk van Lagemeeden: Jan Oldenhuis, ‘Lagemeeden, een merkwaardige plek voor een kerk’, Stad & Lande 2010-4, p. 41-43.


Ontleend aan http://www.hisgis.nl
De achtste Kostverloren van Groningerland
Geplaatst op: 6 november 2018 Hoort bij: Veldnamen 3 reactiesOp een lijstje vastgoed met veldnamen te Marum en Niebert uit 1803 vind ik net dit item:
“een stuk hooiland te Marum de Kostverloren genaamt”.
Dat is dan de achtste mij bekende Kostverloren van Groningerland . De eerder bekende staan hier.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Tg. 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 98 (rekestboek) notitie d.d. 11 februari 1803.
Al vroeg circus op de Leekster jaarmarkt
Geplaatst op: 5 november 2018 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesVredewold den 27 May 1794.
Bij het E.E. Gerighte sijnde gelesen het request van N. Lion houdende hoe graag wenschte te obtineren om geduirende de markt sijne diverse konsten, bestaande in koordansen en balanceren, in sijne tent te vertonen, alvorens van UE[del] Gestr[enge] gratieuslijk versoeke: ten einde UEd Gestr goedgunstig gelieve te behagen den suppl[ian]t te permitteren de aanstaande markt alhijr te mogen vertonen.
/was geapostill[eerd]/
Het E.E. Gerighte accordeert aan den supplt het versoek om in de aanstaande kermis van sijn konsten te vertonen in een tent, waartoe de plaats door den gerigtswedman zal worden aangewesen, en recommandeert aan den supplt om van sijn inbeuringe de diakonije op de Leek mildelijk mede te delen.
Commentaar: Van Lion, de indiener van het verzoekschrift, vraag ik me af of hij niet iets te maken had, of te identificeren is met Lion Kinsbergen. Volgens advertenties was die vroege circusdirecteur pas in 1796 actief in Amsterdam en kwam hij pas in 1801 voor het eerst in Groningen met zijn troep koorddansers, acrobaten en ruiters, maar hij kan natuurlijk voor die tijd in kleinere provincieplaatsen hebben opgetreden met een beperktere troep..
De jaarmarkt van Leek vond waarschijnlijk een paar dagen na de indiening en inwilliging van Lions verzoekschrift plaats op Hemelvaartsdag, altijd een belangrijke dag voor het Vredewold. Jaarlijks werden op die dag de buurrichters van de dorpen beëdigd op de kerkhoven van Tolbert (voor die van Vredewold-oost), en Nuis (die van Vredewold-west).
Helaas is er geen diaconierekening over 1794 in het kerkarchief van Midwolde en Leek bewaard gebleven. Of Lion inderdaad iets aan de armen afdroeg, en hoeveel dat dan was, blijft dus onbekend.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Tg. 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 98 (rekestboek).
Rondje Niebert – Jonkersvaart
Geplaatst op: 4 november 2018 Hoort bij: Westerkwartier 4 reactiesDoorzonschuur, Oostwold:

Aan de Halbe Wiersmaweg bij Niebert kan je tegen geringe betaling in vijvers vissen op forel, die ze ook wel voor je willen roken:

Schuur aan dezelfde Halbe Wiersmaweg:

Schapen in coulissenlandschap, nog steeds aan die weg bij Niebert:

Hoekje Grouwweg, tussen Niebert en Jonkersvaart:

Jonkersvaart – de voorgevel wilden ze houden, alles erachter mocht wel weg:

Jonkersvaart naar het westen, richting De Wilp:

‘Hut’ onder verkleurend geboomte, Jonkersvaart:

Witte paarden bij populierenlaan en gebraakte grond, Jonkersvaart:

Stoppelveld bij Terheijl:

Op de Onlanden overheerste een rooiige kleur, het was er nog vrij druk trouwens:

Hamersweg, Peizermade:

Hoe het Oldambt ‘t Westerkwartier voorbij streefde
Geplaatst op: 4 november 2018 Hoort bij: Uncategorized 2 reactiesHoera! Want ik heb ze teruggevonden: mijn aan elkaar geplakte kopieën van de grote vellen ruitjespapier met de Groninger belastingopbrengsten in de zeventiende en achttiende eeuw. Begin jaren 80 kreeg ik die cijfers van de heer Tijms op het Nederlands Agronomisch Historisch Instituut (NAHI), destijds aan de Vismarkt. Tijms had ze verzameld voor zijn baas, Meihuizen, die ze maar voor een beperkt deel gebruikte voor de Historie van Groningen (1976), een handboek, waar dat beperkte deel dan ook nog eens vrij klein is afgedrukt (veel historici hielden destijds niet zo van cijfers en grafieken). Maar nu vond ik dan de hele bups terug, met alle aparte rijen voor Westerkwartier, Hunsingo, Fivelingo, het Oldambt en de Stad (Westerwolde viel als Generaliteitsland fiscaal nog onder de Staten-Generaal).
De cijfertjes van Tijms, en dan vooral die van het ‘heerdstedengeld’, kon ik heel goed gebruiken voor de lezing die ik afgelopen woensdag gaf. De globale conclusies die ik eruit trok, had ik nog wel paraat, maar die wil je toch ook graag voor je publiek visualiseren, inzichtelijk maken met beeld. En dat ontbrak eraan, door de affreuze vermissing van de lappen gekopieerd ruitjespapier.
Het ging me vooral om het ‘heerdstedengeld’, een belasting op werkzame haarden in huizen. De opbrengsten van deze heffing geven bij gebrek aan bevolkingscijfers namelijk een mooie indicatie hoe een bevolking zich ontwikkelde: aangezien verreweg de meeste huizen slechts één heerdstede of haard hadden, terwijl het gemiddelde aantal bewoners per huis ongeveer gelijk bleef (4,5 à 5 per huis), duiden groeiende opbrengsten van het heerdstedengeld op vermeerdering van het aantal huizen, en daarmee bevolkingsgroei, terwijl afnemende opbrengsten duiden op demografische krimp.
De cijfertjes van Tijms had ik nodig voor een vergelijking van het Oldambt met het Westerkwartier. Wat betreft die gebieden heb ik de opbrengsten van het heerdstedengeld nu maar meteen ingevoerd. Voor het Oldambt ziet de grafiek er zo uit:

Het gaat om de bovenste, donkerblauwe lijn (A). Helaas zitten er twee gruwelijke verspringingen in, door een tariefsverdubbeling met nog wat kleine verhoginkjes van 1701 op 1702, en het met ingang van 1764 heffen van heerdstedengeld in Veendam e.o., kontreien die tot dan toe genoten van een veenkoloniale vrijstelling. Deze verspringingen zijn echter vrij gemakkelijk weg te poetsen, door vanaf 1764 de meeropbrengst van dat jaar af te trekken van de totaal-opbrengsten (de grijze lijn B) en door vanaf 1702 de (aldus gecorrigeerde) opbrengsten te halveren (lichtblauwe lijn C). Hoewel de resulterende grafiek dan nog enkele overdrijvingen bevat – door de bijkomende wissewasjes van 1702 en de onberekenbare groei van het aantal haarden in Veendam e.o. vanaf 1764 – geeft de deze grafiek (A – donkerblauw en vanaf 1702 C – lichtblauw) dan toch aardig de ontwikkeling in het aantal heerdsteden en daarmee de bevolking weer in het niet-veenkoloniale deel van het Oldambt:

Wat we zien is een ongeëvenaarde bloeiperiode in de jaren 1660, waarna er fors verval optreedt. Het absolute dieptepunt bij de opbrengsten ligt in de jaren 1686 en 1687, toen de Maartensvloed een deel van de Oldambtster huizen wegspoelde. Vanaf dan is er echter een ononderbroken stijgende lijn, die duidt op voortdurende bevolkingsgroei. Aan het eind van de lijn moeten we er overigens wel rekening mee houden dat die opgang wat aangedikt is, doordat ook in Veendam e.o het huizental gegroeid zal zijn.
Voor het Westerkwartier, waar geen sprake was van grote veenkoloniale vrijstellingen, hoefde alleen de verspringing door de tariefsverdubbeling van 1702 te worden gecorrigeerd. Hier ziet de ontwikkeling er zo uit:

De blauwe lijn bestaat uit de geboekte opbrengsten, het grijze vervolg uit de gecorrigeerde. Hier zien we dus eveneens een bloeiperiode in de jaren 1660, met verval erna. In de eerste helft van de achttiende eeuw was er in het Westerkwartier lichte krimp, in de tweede helft stagnatie op hetzelfde niveau.
Voor mijn verhaal was ik vooral benieuwd naar die achttiende eeuw. Door de correcties is het nu mogelijk, het romp-Oldambt en het Westerkwartier te vergelijken:

Wat we zien is een uiteenlopen van het Oldambt (blauw) en het Westerkwartier (bruin) – er ontstaat een kloof tussen de opbrengsten van het heerdstedengeld uit beide regio’s. Aanvankelijk zitten die nog dicht bij elkaar. Duidelijk is dat het Westerkwartier meer last heeft gehad van de eerste grote veepestepidemie in 1714 en volgende jaren; waarschijnlijk komt de dip door kwijtscheldingen. Het dieptepuntje van het Oldambt in 1720 kan ik nog niet verklaren; mogelijk heeft die wat te maken met vrijstellingen vanwege de Kerstvloed, drie jaar eerder. Ook de tweede veepestepidemie hakte er eind jaren 1740 in het Westerkwartier veel meer in dan in het Oldambt.
Van de jaren 1748-1751 zijn er geen cijfers, of heb ik ze niet opgenomen. Voordien werd de inning van het heerdstedengeld uitbesteed (‘verpacht’) tegen grote betalingen ineens, maar tegen die geprivatiseerde fiscaliteit rezen toen grote bezwaren, met als gevolg dat boeren of daartoe aangewezen personen de inning op zich namen, waarbij de totale opbrengsten van die jaren pas in 1751 als lump sum werden ingeboekt. Bij opname in de grafieken zouden deze opbrengsten een enorme piek veroorzaken en daar kan je dus ook niets mee als het je te doen is om een indicatie voor de bevolkingsgroei. Vandaar de weglating.
Vanaf 1751 werd het heerdstedengeld geïnd door collectors, plaatselijke belastingambtenaren, benoemd door GS op voordracht van grondgebruikers (met name boeren). Zoals je aan de grafiek ziet, zijn de opbrengsten dan gelijkmatiger van het ene op het andere jaar, d.w.z. zonder de fluctuaties die kennelijk met de verpachting samenhingen. Eind achttiende eeuw blijkt dat de opbrengsten van het Oldambt in een eeuw tijd met de helft zijn toegenomen, terwijl die van het Westerkwartier in dezelfde periode met een tiende zijn gedaald. Kortom, waar het Oldambt in de achttiende floreerde, had het Westerkwartier te maken met krimp en stagnatie.
Nooit gedoken is altijd mis
Geplaatst op: 2 november 2018 Hoort bij: Dieren, Hoogkerk 5 reactiesMeende eerst dat het visdiefjes waren, maar naderhand leken het me toch andere meeuwen die om een uur of vier, half vijf af en toe bijna biddend zaten te vissen in de tochtsloot langs het Hegepad:

De Lethe als woonoord ouder dan gedacht
Geplaatst op: 27 oktober 2018 Hoort bij: Geschiedenis 3 reactiesDe Lethe, het roemruchte smokkelaarsoord achter Bellingwolde, blijkt als woonoord ouder dan gedacht. Op een lidmatenlijst uit 1692 van de hervormde gemeente Bellingwolde staan immers een weduwe, twee getrouwde stellen en de vrouw van een man die geen lidmaat is. Ervan uitgaande dat de weduwe ook bij het eerste stel ingewoond kan hebben, zullen er minstens drie huisjes in de Lethe hebben gestaan:
In de Liete
1 Alke Jans wed. Zijwert
2 Heije Jans
3 Wijpke zijn h.vrouw
4 Berent Geerts
5 Antje Geerts zijn h.v.
6 Jantje h.v. van Koene Wierts
‘Een voorbeeld van onbehoorlijke wellust’
Geplaatst op: 26 oktober 2018 Hoort bij: Geschiedenis 7 reacties“…dan is Grete weduwe van wilen Hindrick Jansen Schoelapper gecensureert, also sij seeckere scandaleuse actie begaen hadde, hebbe getrout ende voorts bekennet, seeckerenn vremdenn ende boeffachtigen lantloper, sonder advijs van dien onder wiens cure sij stonde, ende niet tegen-staande, dat haer rechtswegen verboden was verdere concubinaat, waermede sij rebellie tegen wereltlijcken overicheijt, begaen, en een exempell van onbehoerlijcke wellusticheijt gegeven hefft. Ende daerenboven is sij mede van wegen haer lelijcke slapericheijt onder het gehoer van Godes H. woort, berispet.”
De weduwe Jansen trok zich dus niets aan van haar familie en een rechterlijk verbod en trouwde een criminele vagebond, wat opgevat werd als een voorbeeld van rebellie en onbehoorlijke wellust. Bovendien viel ze steeds in slaap onder de zondaagse preek in de kerk. Niet gewoon in slaap, maar lelijk in slaap! Mogelijk sliep ze er haar roes uit en snurkte ze.
Bron: Handelingen kerkeraad Aduard, juni 1627,
De Hovenier van des Stadhouders Tuin zijn pligt onder ‘t oog gebragt’
Geplaatst op: 25 oktober 2018 Hoort bij: Stad toen 1 reactie
Gehoort het rapport der Heeren Gecommiteerden tot de zaaken van de Stad en het Hunsingo Quartier dat ingevolge en ter voldoening aan de acte commissoriaal in dato den 29 Januari jongst de Hovenier van des Stadhouders Tuin Haje Jans verstaan hebben over en ter zake dat de tuin niet naar behoren wiert opgepast en onderhouden, met last om zodra dezelve behoorlijk afgezet en in order zal zijn gebragt, zorg te draagen dat daaromtrent geene klagten gehoort worden, ofte dat bij faute van zulks daarin tot zijn leedweezen zal worden voorsien, waaraan gemelde Hovenier belooft heeft stiptelijk te zullen gehoorzaamen.
Waarop gedelibereert zijnde, hebben de Heeren Gedeputeerden de Heeren Gecommitteerden voor hunne genomene moeite bedankt en in het gedane rapport genoegen genomen; zullende hiervan extract aan den Hovenier Haje Jans worden toegezonden, teneinde zig daarnaar stiptelijk te reguleren.
Bron: Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 203 (actenboek GS) notitie d.d. 11 februari 1789. (Bijvangst.)
Anders gezegd: er waren klachten geweest over de hovenier van de Prinsenhof, die de boel zou hebben verslonst. Maar blijkbaar zochten Gedeputeerden niet alleen de schuld bij hem. Ze kondigden een investeringsprogramma aan, om de tuin weer toonbaar te maken. Zodra dat het geval was, wilden ze geen klachten meer horen over de hovenier en anders zou hij er flink spijt van krijgen. De hovenier beloofde inderdaad beterschap, maar hij zou een en ander nog wel zwart op wit toegestuurd krijgen..
Spreeuwen houden het voor gezien
Geplaatst op: 25 oktober 2018 Hoort bij: De actuele wereld, Dieren 1 reactieVanochtend in de Johann Faberlaan. Ze voelen de bui al hangen. Het wordt ze nu echt te koud:

Eindelijk herfst
Geplaatst op: 23 oktober 2018 Hoort bij: autobio, Stad nu 4 reactiesWat er blijft staan na het strippen van de perron-overkapping bij het Groninger Hoofdstation:

Blik richting Emmaviaduct:

Was even voor een afspraak op de Zuiderbegraafplaats aan de Hereweg. Kreeg en passant een Pallas Athene te zien op het graf van een rectorsweduwe. Grappig detail volgens mijn rondleider: op Athena’s schild staat de kop van Medusa:

Slachtoffers van een vergeten treinongeluk in 1940., Allen zaten in een bus die bij zeer dichte mist bij Ranum onder de trein kwam. Het betrof arbeiders in de werkverschaffing op de Slikken bij Westernieland:

Schip op een graf van de familie Star Lichtenvoort, oorspronkelijk houthandelaren en reders in Hoogezand:

Terug op de basis wezen zoeken naar een brief. Die tot mijn spijt niet gevonden. Wel kwam ik deze aanbeveling tegen die B. Cazemier namens het Plaatselijk Bestuur van Leek schreef voor een jonge schoolmeester, vlijtig invaller in Midwolde en sollicitant op de vacante post in Tolbert:

Verder een proclamatie voor de Bataven, ook met een soort van Pallas Athene:

Met de nieuwe regering zou alles beter worden. Ach ja.

Rondje Zevenhuizen – Steenbergen
Geplaatst op: 21 oktober 2018 Hoort bij: Drenthe, Westerkwartier 13 reactiesAalscholverkolonie aan de zuidkant van het Leekstermeer, tussen Roderwolde en Leek. In die bomen wilde vroeger nog wel eens een havik of een buizerd zitten:

In de buurt van Leek:

Op de wallekant van het Leeksterhoofddiep:

Eerste stukje Zevenhuizen:

Op de Oostindische kant van Zevenhuizen:

Nieuwsgierige scharrelvarkens tussen Zevenhuizen en Steenbergen:

In die omgeving een enorm areaal aan mosterd?zaad. De teler zal wel duimen dat de nachtvorst uitblijft:

Een van de ettelijke zilverreigers in de Onlanden:


Recente reacties