De blekers en hun honden
Geplaatst op: 20 oktober 2018 Hoort bij: Oosterpoort, Stad toen Een reactie plaatsen
In de achttiende eeuw bevonden zich enige bleekvelden onmiddellijk buiten de Oosterpoort oostzijde langs de stadsgracht, daar waar nu nog het Cultuurcentrum staat. De exploitanten van deze bleekvelden, de blekers, wasten en droogden linnengoed voor beter gesitueerden. Hun nering was onzeker door de zesjarige pachttermijnen, door perioden van gebrek aan klandizie en door overstromingen vanuit de stadsgracht en het Winschoterdiep. Meer hierover een andere keer. Nu eerst iets over nog een ander probleem waarmee de blekers kampten en het wapen dat ze tegen dat probleem plachten in te zetten.
Dat probleem vormden de vele diefstallen waarvan blekers het slachtoffer werden. Daarbij moeten we bedenken dat de primaire levensbehoeften toentertijd veel duurder waren dan tegenwoordig. Dat gold zeker voor linnengoed, allemaal nog handwerk, een product van spinnen, weven en naaien. Dat linnengoed lag bovendien voor het grijpen op de relatief open, hooguit met heggen afgeschermde bleekvelden. Eventueel pakte men een stok om het spul over een heg naar zich toe te halen.
Blekers buiten de Oosterpoort en het Kleinpoortje werden o.a. op die manier meermalen het slachtoffer en zelden werd er een dader gepakt. Het was zelfs zo dat een bleker moest uitkijken om niet zelf van diefstal beschuldigd te worden. Dat overkwam Derk Bos, bleker buiten de Oosterpoort, die in 1747 door een klant ervan werd beticht dat hij vier hemden, tien neteldoekse doeken en 24 stukken kleingoed had ingepikt. De kwestie werd uiteindelijk geschikt, maar kan onmogelijk in Bos’ kouwe kleren zijn gaan zitten. Het was een dieptepunt in zijn carrière, zeg maar.
De gelegenheid maakte ook toen al de dief en de stadsoverheid zag erop toe dat men niet al te gemakkelijk gelegenheid gaf: linnen dat al te dicht bij de weg over een heg hing, werd onverbiddelijk in beslag genomen. Van hun kant deden de blekers er ook alles aan om diefstal te voorkomen. Zo vroegen de gezamenlijke blekers van de stad Groningen in 1795 om gespaard te mogen blijven voor inkwartiering van Franse troepen omdat ze toezicht moesten houden op de spullen, die hen waren toevertrouwd.
Mocht hiermee de schijn gewekt zijn dat ze dat toezicht louter in hoogst eigen persoon uitoefenden, dan is een rechtzetting op haar plaats. Want de blekers stonden bekend om hun grote, bijtgrage honden. Zo vroegen de Groninger blekers in 1638 aan het stadsbestuur of ze hun honden overdag los mochten laten. Dat mocht niet, ze moesten deze aan de ketting leggen “tot voorkoming van onheilen”, en anders kregen ze een boete.
In 1641 hielden enige blekers zich niet aan deze regel. Hun honden veroorzaakten een dermate grote schade op een hof (siertuin) dat het stadsbestuur bepaalde dat de slachtoffers in het vervolg zulke honden desnoods mochten doodslaan of vergiftigen. Maar ondanks zulke maatregelen waren er in de achttiende eeuw nog regelmatig klachten over blekershonden. Zo pakten deze in 1753 een vrouw, beten ze in hetzelfde jaar een twaalftal schapen dood en in 1772 een 40 à 50 stuks pluimvee. Tussen die wanbedrijven door, in 1764, was er nog een geval waarbij een bleker iemand met zijn honden bedreigde.
Toen in 1807 hier ter stede de hondenbelasting werd ingevoerd – twee gulden per hond per jaar in twee termijnen – waren de gezamenlijke blekers uit de stad, waaronder Sicke Thies Sickens van buiten de Oosterpoort, er ook als de kippen bij om vrijstelling te verzoeken. Ze konden weliswaar begrip opbrengen voor het argument van het stadsbestuur dat honden in de regel een soort van weelde vormden en dat alleen de meer gegoeden honden bezaten, maar ze zagen zichzelf als een duidelijke uitzondering op deze regel. Want, zo voerden ze aan, zonder hun honden bestond er een “zeker gevaar van dieverij”,
“daar men toch gemakkelijk kan vooruitzien, dat wanneer zij deeze trouwe wachters verwijderden de door een groot aantal ingezetenen aan hun vertrouwde goederen zeer schielijk een prooi van den roofgierigen dief zouden worden”.
Ja, het was onmogelijk die honden weg te doen zonder tegelijkertijd gedag tegen de kostwinning te zeggen, want vervanging van de honden door mensen zou de bleektarieven dermate doen stijgen dat de bleekmarkt zou inzakken.
Helaas voor de blekers kregen ze nul op hun rekest. De tweede termijn van de hondenbelasting, die van januari 1808, leverde overigens 504 gulden op, waaruit we mogen opmaken dat er hier in Groningen slechts 504 geregistreerde honden waren, inderdaad een luxe.
Nu was de blekersnering zeker geen vetpot. De blekers hadden het niet breed – als ondernemers met een gering bedrijfskapitaal behoorden ze tot de kleine middenstand. Hun weinig beduidende positie op de maatschappelijke ladder roept nog de vraag op hoe de blekers het voor elkaar kregen om hun grote, geduchte honden van voedsel te voorzien.
Welnu, ook daarover is wel iets bekend. In 1754 was er een rechtzaakje over de grote hoeveelheden “gedarmte en andere vuijligheijdt van slagters komende”, die Jan Remmerts, bleker buiten het Klein Poortje, voor zijn hondehok placht te deponeren, waardoor zijn buurman, de scheepstimmerman en hellingbaas Anthonie Jans van Bergen en diens knechten
“dagelijks seer veel ongemak moesten ondervinden, insonderheijdt wanneer de windt west is, soo dat van stank daar door gecauseert niet konnen alsdaar verblijven”.
Anthonie Jans wilde dat Jan Remmerts het spul zou verwijderen, mede omdat Remmerts het vroeger altijd op het andere eind van zijn bleek had gelegd. Remmerts echter, voelde daar weinig voor. Hij moest immers, zo zei hij, jaarlijks “groote lasten en swaerigheden” voor zijn stadsgrond betalen en bovendien was hij verplicht om zijn zeven (!) honden aan de ketting te laten liggen, zodat hij wel gedwongen was om ze juist op die plek te voederen. Anthonie’s bewering als zou het slachtafval eerder elders hebben gelegen, waren wat Jan Remmerts betreft maar “blote segswoorden” – Remmerts kon anders ook wel over Anthonie’s “secreet” (plee) gaan klagen, “waar uit ook niet als stank komt”, maar ging daar “uit genegentheijdt” liever aan voorbij.
Na ter plaatse poolshoogte te hebben genomen stelden de Heren van de Kluft, de scheidsrechters in dit soort burenruzies, de bleker min of meer in het gelijk, dat wil zeggen hij mocht zijn honden op dezelfde plek blijven voeren, al diende hij bij de aanvoer wel enige matiging te betrachten: zou Remmerts bij uitzondering nog eens “dusdane voedsel (…) komen opmennen en ansleepen”, dan zou het stadsbestuur op een klacht van Anthonie andere maatregelen nemen…
Bleef het bij kleine hoeveelheden slachtafval dan was dat dus tot daar aan toe. Maar het kon nog erger. Vijftien jaar eerder, in juni 1739, kwam er bij het stadsbestuur een klacht binnen van de buren buiten de A-poort, van inhoud dat de weduwe Albert Alberts, de aldaar woonachtige bleekster, haar honden voedde door ze kadavers van o.a. paarden voor te zetten, “waar door dusdanig somwijlen de lugt is geïnfecteert dat er bijna geen mensch kan duiren”. Het stadsbestuur verbood vervolgens aan àlle blekers, dus niet alleen die van buiten de A-poort, om nog langer kadavers op hun bleken neer te leggen. De kadavers die er op dat moment al lagen moesten ze direct begraven; lieten ze dit na dan kregen ze een boete van twaalf gulden.
Ondanks die lang niet malse boete – ongeveer een maand loon voor een gewone arbeider – was dit niet de laatste klacht over kadavers op een bleek. Zo kregen de vroede vaderen van onze stad in juni 1795 (alweer vlak voor de hondsdagen!) de melding dat er op een van beide bleken buiten de Oosterpoort en het Kleine Poortje een plaats was aangelegd waar de Fransen hun zieke paarden mochten laten afmaken. Het stonk er soms zo erg, dat de werklui op de bovengenoemde scheepswerf, dan van de weduwe Van Bergen, het niet konden uithouden.
Hoe schoon het linnen ook werd door toedoen van de blekers, helemaal fris rook het in hun omgeving niet altijd.
–
Verhaal, eerder verschenen in De Oosterpoorter van 199? en nu ontdaan van Ventura-tags en opnieuw geredigeerd.
Spoorvernieuwing westkant Stad
Geplaatst op: 20 oktober 2018 Hoort bij: Hoogkerk, Stad nu 6 reactiesOp het Hoofdstation in Stad maakt men van de gelegenheid gebruik om de overkapping van de meest westelijke perrons, nabij het Emmaviaduct, te vernieuwen:

Blik vanaf de spoorwegovergang Peizerweg richting Emmaviaduct: één grote zandbak:

In Hoogkerk zijn ze dan al een stukje verder. Blik op de bouwplaats aldaar voor de lokale verdubbeling van het spoor Groningen-Leeuwarden. De rode kraan staat bij de spoorwegovergang Zuiderweg die nu een paar weken buiten gebruik is:

Je kunt al goed zien waar het tweede, parallelle lijntje aftakt van het hoofdspoor:

Er nu even recht boven. Tussen de kraan en de grijze bult links zal station Hoogkerk gedacht zijn:

Met enig geduld kan je er vast wel aardige filmpjes maken, vooral ook volgende week aan het eind van de middag, als het vanwege de wintertijd een uur vroeger donker is en al die groene mannetjes onder bouwlampen (en in de regen) moeten werken:

De blik wat zuidelijker. De appartementen in die foeilelijke flat worden straks een stuk duurder:

De spoorverdubbeling zorgt voor extra lichaamsbeweging. Normaal is het voor mij 2 kilometer fietsen naar de Appie in Hoogkerk City, nu 4 (via Bangeweer en Johan van Zwedenviaduct). Hopelijk hebben ze het karwei af in de toegezegde tijd:

Rondje Peest
Geplaatst op: 14 oktober 2018 Hoort bij: Drenthe 7 reactiesDoorzonvogelvoederhuisje met hoogbejaarde kraakspin zonder thuishulp, Peize:

De bekende schuur van Winde:

Voorbij Winde:

Bietenbult, Paasveen tussen Bunne en Donderen:

Dichterbij gehaald:

Tussen Donderen en Norg linksaf, de kasseienstrook naar Peest:

Voorheen heideveld bij Peest:

Berken op deze plek:

Fietspad naar Peest:

Koe op binnenveldje bij dat pad:

Stoppelveld bij Peest (1):

Stoppelveld bij Peest (2):

Fietspad van Peest naar Norg – Amerikaanse eiken:

Bordje aan de noordkant van Norg. Mind you: langs het fietspad, niet langs de autoweg:

Fouragerende ooievaar bij het Grote Diep tussen Roderesch en Roden:

Foxwolde:

Dag van de Groninger Geschiedenis 2018
Geplaatst op: 14 oktober 2018 Hoort bij: De actuele wereld 3 reactiesChevrolet vrachtwagentje van het Veenkoloniaal Museum op het parkeerdeck:

Valt niet mee, zo’n bom van Berend optillen. Is 40 kilo zwaar:

Openingspraatje door Hans Goedkoop, die gehoord het applaus nog eens mag weerkomen:

Authentieke witkar:

In de kraam van het Streekhistorisch Centrum Stadskanaal deze verbeelding door Geert Schreuder van een botsing tussen rooie oproerkraaiers en het bevoegd gezag:

Model van een molen:

Bij de Erfgoedpartners een kistviool:

Mensen die in historische kledij reclame maakten voor de voorstelling Rondom Piccardt:

Digitale graffitimuur voor de wat jongere bezoekers:

Moment suprème bij uitreiking scriptieprijs:

Aanwijzing van Heveskes op de kaart van Beckeringh:

De geschiedenisquiz met Robin Hoodje af Robin Hoodje op:

Rondje Sandebuur – Lettelbert
Geplaatst op: 10 oktober 2018 Hoort bij: Drenthe, Westerkwartier 5 reactiesPeizerdiep bij Eiteweert:

Hooi harken op dijk bij Sandebuur:

Vraag me af hoe lang dit rijtje scheve populieren er nog staat (Sandebuur):

Door grazige weiden:

Noordkant Sandebuur:

Samenscholende blaarkoppen:

Verkleurend braamblad:

De weg door Foxwolde:

Foxwolde, schuur en landschap:

Ook daar – koeien treuzelend op weg naar de melkstal:

Opgehokte schapen naast het trainingsveld voor bordercollies, Nienoord:

Lettelbert – dit aparte slag schapen met getordeerde hoorns is de laatste tijd in opkomst:

Varkenslandje, Eelderwolde
Geplaatst op: 10 oktober 2018 Hoort bij: Dieren, Drenthe 3 reactiesHet omsloten stukje land, bij de Groningerweg even voorbij de brug rechts, leek nog niet zo lang geleden gemaaid. Het lag er bezaaid met dikke vlokken hooi. Er liep een kleine kudde varkens in rond, die met hun snuiten onder de vlokken hooi wroetten en zich daarbij door niets en niemand lieten afleiden. Ook door mij niet. Kennelijk waren ze belangstelling wel gewend en was hun voedsel, of dat wat ze onder het hooi dachten te vinden, oneindig veel interessanter. Ik vroeg me bijna af of er misschien truffels zaten. De varkens intussen, waren van een soort dat je ziet op schilderijen van Pieter Breughel en Jeroen Bosch:




Mozaïek Helperbrink
Geplaatst op: 9 oktober 2018 Hoort bij: Kunsten 3 reactiesZo heel vaak kom ik niet langs de Helperbrink. Bij de ingang van de Coendershof viel me deze op:

Het betreft een landschap van de keramiste Maggi Giles, in 1970 gemaakt in het kader van de procentsregeling:

Oorspronkelijk zat het binnen, daar moet ik het ook hebben gezien toen eerst mijn moeder en daarna een buurtgenote er verpleegd werden. Een jaar of wat geleden is het overgebracht naar buiten, waar de vogeltjes fluiten. Logische keus, want er zitten veel vogelachtige vormen in:

Als je nu zegt: “Het heeft iets Cobra-achtigs”, dan kan dat kloppen, want Giles werkte samen met Karel Appel, van wie ze ook een monumentaal ontwerp voor het Congresgebouw in Den Haag uitvoerde. Ze werkte toen nog voor aardewerkfabriek ‘Porceleyne Fles’ in Delft, die eveneens de tegels voor dit mozaïek van haarzelf produceerde:

Pictogrammenbillboard
Geplaatst op: 8 oktober 2018 Hoort bij: De actuele wereld, Kunsten 4 reactiesZag vanmiddag langs de Verlengde Lodewijkstraat een billboard met dezelfde soort pictogrammen als laatst in Oost-Groningen. Dit keer was het billboard echter portrait (rechtopstaand) in plaats van landscape (liggend):

Nog steeds niemand die weet wat dit beduiden zal? Of zou het reclame voor de posterplakker zelf zijn?
Het antwoord (met dank aan A.IJ. van den Berg via Twitter en T. Hulshoff alhier:
Het buitenreclamebedrijf Exterion wil tonen hoe trots het op Nederland is. Vandaar de pictogrammen met iconen of dingen die typisch Nederlands zijn. Je kunt ook zelf een icoon aan ze voorstellen of de posters bij ze bestellen. Zie hun website, waarop elk icoon een korte verklaring krijgt.
Eindelijk de kerk van Niekerk gezien
Geplaatst op: 7 oktober 2018 Hoort bij: Westerkwartier 2 reactiesIk was er nog nooit geweest, in de kerk van Niekerk, Oldekerk en ’t Faan. De deur was altijd dicht en er hangt geen bordje met een sleuteladres. Maar zaterdagmiddag zag je overal gemeentevlaggen in die omgeving, en leek er ook bij de kerk iets feestelijks te doen. Althans, in het belendende gemeentegebouwtje De Zaaier zat redelijk wat volk getuige de geparkeerde fietsen, een vriendelijke vrouw kwam er net naar buiten lopen en wilde de kerkdeur wel even voor me opendoen. Dit was het beeld voordat zij het licht ontstak:

De ruimte opzij duidt erop, dat het ooit een kruiskerk moet zijn geweest. In die ruimte staan herenbanken met houtsnijwerk, maar zonder wapens, of zouden die zijn zwartgemaakt?:

Het zicht, vanaf die banken, op de tegenover gelegen preekstoel:

Eenvoudig avondmaalsgerei:

Op de kansel, uit 1705, vier panelen met de evangelisten. Lucas met zijn os:

En een opgestoken vingertje:

De os, nog niet zo oud maar vrij dociel:

De voorzijde van de kansel:

Doodskop en zandloper als reminders van onze sterfelijkheid:

De kansel van opzij, met twee andere apostelen:

Bij de kansel hangt dit bordje, ik denk dat het hoorde bij een bank voor ambtsdragers (ouderlingen en diakenen). Als die gissing klopt, dan gingen die van Niekerk en die van Oldekerk niet door één deur:

Tegen de achterwand, bij de uitgang, dit collectebusje voor de verwarming van de kerk:

Hersenloze zuiplap bevuilt bermen Zuiderweg
Geplaatst op: 7 oktober 2018 Hoort bij: De actuele wereld, Westerkwartier 9 reactiesDe Zuiderweg bij Zuidhorn, daar kom ik heel graag langs:

De majestueuze populieren raakten in de droogteperiode al een flink deel van hun blad kwijt, maar hun hoogte blijft indrukwekkend:

Helaas zijn er ook mensen die er een vuilnisbelt van maken. Gistermiddag lagen op regelmatige afstand van elkaar – zo’n 50 à 100 meter – minstens zeven losjes dichtgeknoopte plastic zakken met bierblikjes:

Ze lagen allemaal precies langs de kant van de weg en waren er dus niet neergegooid, maar neergelegd, in een opzettelijk patroon:

Soms lag er nog een blikje naast, dat kennelijk gedurende deze operatie werd opgedronken:

De bierblikjeslegger meed duidelijk de bewoonde gedeelten van de Zuiderweg. De meest zuidelijke puutjes (boven) bevatten ook de meeste blikjes, richting Zuidhorn ging de hersenloze slont zuiniger om met zijn waar:

Zijn (nachtelijke) bestemming zal Zuidhorn geweest zijn. In enkele zakken deed hij ook sigarettendoosjes van een merk dat volgens mij niet zoveel gerookt wordt (L&M):

Ook in dit geval geldt: dna-sporen en vingerafdrukken zeker stellen, die komen in de toekomst vast nog wel eens van pas:

Langewolder herfstrondje
Geplaatst op: 6 oktober 2018 Hoort bij: Westerkwartier 9 reactiesAduarderdiepsterweg, Leegkerk – hij kan er niet bij:

Aduarderdiepsterweg, Leegkerk – blaarkopstiertje achter tralies:

Weersterweg tussen Nieuwbrug en Den Horn – alerte Groninger hengst:

Landschap tussen Den Horn en Lagemeeden:

De gewezen doopsgezinde kerk van Den Horn, waar mijn overgrootmoeder af en toe kerkte:

Kaardebollen langs het Hornpad, helaas zonder putters:

Landschap bij het Hornpad:

Slotenschoonmaakmachine:

Op het kerkhof aan de Jellemaweg in Zuidhorn:

Vliegende hond, Hoofdstraat Zuidhorn:

Blad van Amerikaanse eik, Boltslaan Zuidhorn:

Goudes aan de Gast, Zuidhorn:

’t Faan – roodgrimd koetje in boomgaard:

Mocht even in de kerk van Niekerk kijken (morgen meer):

Prachtige boom op ’t Faan bij Bijma in de buurt:

Uitstalling van pompoenen en kalebassen langs de weg van ’t Faan naar de Dijkstreek:

Waar de joden woonden in Groningerland
Geplaatst op: 5 oktober 2018 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
De volkstelling van 1809 geeft voor het eerst een kwantitatief beeld van de aanhang der verschillende religies in Nederland. Zo kan je aan de hand van de uitkomsten mooi zien, waar in absolute of relatieve zin veel joden gevestigd waren. Zij kwamen pas vanaf 1740 in wat ruimer getale Groningerland binnen, dat in genoemd volkstellingsjaar 1847 joodse inwoners telde, zo’n 1,3 % van de totale bevolking.
De in absolute aantallen grootste joodse gemeenschappen waren anno 1809 in deze provincie:
| Groningen | 516 |
| Oude Pekela | 190 |
| Veendam | 163 |
| Winschoten | 150 |
| Appingedam | 106 |
Het ging dus om de enige twee steden, met drie Oost-Groninger centrumplaatsen.
Maar een absoluut aantal hoeft nog niets te zeggen over het aandeel in de bevolking als geheel. Zoals gezegd maakten de joden in 1809 een 1,3 % van de Groninger bevolking uit. Op het bovenstaande kaartje zijn aangestipt de plaatsen waar hun aandeel groter was dan dat provinciale percentage. Zo komen nog wat kleinere handelsplaatsen in beeld, zoals Leek en Delfzijl. Verder drie vestingen aan de grens (Nieuweschans, Oudeschans, Bourtange), nog een stuk of wat oude veenkolonies (Hoogezand, Sappemeer, Wildervank), een centrale as in het Oldambt (Midwolda, Nieuwolda) en een wat willekeurig lijkende verzameling plaatsen in de Ommelanden (Eenrum, Ezinge, Godlinze, Kloosterburen, Leegkerk, Middelstum en Sauwerd).
Soms ging het om kleine plaatsen, waar slechts enkele huishoudens het percentage behoorlijk omhoog konden krikken: de 20 joden van Leegkerk maakten op een totaal van 168 inwoners bijna 12 % uit; de 27 joden van Bourtange, met zijn in totaal 291 inwoners, zorgen voor een percentage van 9,8.
Bij de grotere plaatsen echter, zijn de percentages wel van betekenis. In dit opzicht vallen Groningen en Appingedam helemaal niet op – deze lopen in de pas met het provinciale percentage. Maar Winschoten telt 150 joden op een bevolking van 2332 zielen. Daarmee zit het op ruim 6 %, op korte afstand gevolgd door Oude Pekela met bijna 6 %. Dat Winschoten later verhoudingsgewijs de op een na grootste joodse bevolkingsgroep van Nederland zou herbergen, dat het de bijnaam Sodom zou krijgen en in zijn stadsdialect veel jiddisch idioom zou opnemen, tekende zich in 1809 al enigszins af.
Maar het opvallendst aan het kaartje zijn de lege vlekken, oftewel de streken waar joden zich relatief weinig hadden gevestigd. Het ging om het Westerkwartier (uitgezonderd Leek), Westerwolde (uitgezonderd Bourtange) en het Duurswold. Dit waren regio’s met kleinere boeren en een schralere economie. Daar was veel minder emplooi voor joodse slachters en kooplui.
Spoorverdubbeling
Geplaatst op: 5 oktober 2018 Hoort bij: De actuele wereld, Hoogkerk 3 reactiesGezien vanaf het viaduct in de Johan van Zwedenlaan, Hoogkerk. De tweede helft van deze maand gaat de spoorwegovergang Zuiderweg twee weken dicht voor alle verkeer. De Albert Heyn bij de suikerfabriek is dan alleen via een grote omweg bereikbaar. Bij de Poiesz-supermarkt in Hoogkerk-Zuid zitten ze al te juichen.








Recente reacties