Mazelen in Groningen
Geplaatst op: 23 augustus 2018 Hoort bij: Stad toen 4 reacties“Ofschoon wij over het algemeen kunnen zeggen, dat de mazelen hier gewoonlijk niet kwaadaardig zijn en er in evenredigheid van het groot aantal aangetasten zeer weinig plegen te bezwijken, zoo kunnen wij dit toch niet van alle getuigen. Immers in 1816 werd deze ziekte hier door bijkomende typheuse ongesteldheid zoo kwaadaardig, dat van 2000 lijders 140 overleden. In 1821 werd het aantal mazelenlijders of op 3500 of op 4000 geschat en het aantal daaraan overledenen op 150.”
Dat aantal lijders van 1821 op de gehele bevolking betekende dat zo’n 10 % van de mensen aan de ziekte leed. Zo’n 4 à 5 % van de lijders ging eraan onderdoor. De epidemie van vijf jaar eerder trof de helft minder lijders, maar was met een sterfte van 7 % van de lijders veel dodelijker.
“1862. Ook nu in het eerste gedeelte van het jaar bleven de mazelen zich vertoonen en wel in een weinig grooter getal. De [geneeskundige] commissie maakte de regering opmerkzaam op de besmettelijkheid dezer ziekte, die niet in het politie reglement als zoodanig was opgenomen, zoodat de kinderen uit huizen, waar mazelen waren, ter school kwamen en aldus de ziekte telkens overbragten, waartegen dan ook nu maatregelen werden voorgeschreven en aangewend.”
Bron: Geschiedkundige aanteekeningen over de epidemiën, welke van het jaar 1806 tot 1866 te Groningen geheerscht hebben… (Groningen 1869) resp. pag. 123 en 36.
Buxusmot nu ook in Hoogkerk
Geplaatst op: 22 augustus 2018 Hoort bij: Dieren, Hoogkerk 5 reacties
Dit vlindertje had ik nog niet eerder gezien. Het blijkt de buxusmot. Een invasieve soort – een jaar of twaalf kwamen de eerste over uit Korea om zich vol te vreten aan de buxushaagjes, die nu zo in de mode zijn in tuinen.
Volgens een nieuwsbericht van de Vlinderstichting kwam hij vorig jaar ten noorden van de IJssel nog niet zoveel voor. Sporadisch in Overijssel, Drenthe en Friesland, alleen wat meer in Oost-Groningen. Ten westen van de stad Groningen echter nauwelijks. Dat lijkt nu te veranderen.
Het beestje heeft geen natuurlijke vijanden. Men hoopt nu dat kauwen, kraaien en mezen het als voedsel gaan zien. Ik weet niet, buxus is giftig, de rupsen van de vlinder zullen immuun zijn voor dat gif, maar dat geldt toch niet voor de jongen van genoemde vogels die dat gif via de rupsen binnenkrijgen. Als al die jongen doodgaan, overleven op den duur alleen de kauwen, kraaien en mezen die vies van buxusmotten zijn. Hoe zou dat eigenlijk in Korea zijn gegaan?
Bijen zetten aanval in op jonge ooievaars
Geplaatst op: 21 augustus 2018 Hoort bij: Dieren Een reactie plaatsen“In een ooievaarsnest te Borger zijn zondag vier bijna volwassen jonge ooievaars zóo hevig door bijen aangevallen, dat er levensgevaar bestaat. De oude ooievaars hadden eenige visch als buit voor hunne jongen aangevoerd, en men denkt dat de kwalijk riekende lucht van die visch de woede van de dichtbijstaande bijen heeft opgewekt. Pogingen worden aangewend om de ooievaars in het leven te behouden.”
Aldus het Nieuwsblad van het Noorden op 20 juli 1904, op basis van een iets uitgebreider bericht in de Drentsche en Asser van een dag eerder. Allerlei kranten in den lande brachten dit nieuwtje. Merkwaardig genoeg had juist de Drentsche en Asser geen follow up. Misschien uit schaamte de zaak wat al te dramatisch te hebben voorgesteld, want uiteindelijk viel de schade voor de jonge ooievaars nogal mee. Net als weer tal van andere kranten berichtte het Nieuwsblad van slechts een paar dagen later:
“De ooievaars te Borger die door bijen gestoken werden, zijn, na zorgvuldige verpleging alle weggefladderd.”
Bijenslachting over de landsgrens
Geplaatst op: 20 augustus 2018 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen‘BOERTANGE, 22 Sept. Een slachting op reusachtige schaal heeft hier gisteren aan de overzijde der grens plaats gehad. De heer Eskamp van Papenburg, die niet minder dan 40.000 pond honig a 46 ½ ct. per kilo aankocht van den bijenhoudersbond ‘Vooruitgang’ welke hare leden in het Oldambt en Westerwolde telt, ontvangt thans die ontzaglijke hoeveelheid te Neu Rhede. Daartoe moeten evenwel de nijvere koninkrijken levend worden ingevoerd, want alleen in zoodanigen toestand kan de honig van ons land in Duitschland worden toegelaten. Alle wagens beladen met korven levende bijen worden gedood, de honig uitgebroken en in groote vaten gestampt. De meeste leveranciers ontvangen ƒ 100 tot ƒ 200. Sommigen veel meer, een werd over de ƒ 6000 uitbetaald.’
Aangezien een pond een halve kilo was, ging er 20.000 kilo honing over de grens. Bij de genoemde prijs van ƒ 0,465 per kilo maakte dat 9300 gulden. Als een van de aanbieders 6000 gulden uitbetaald kreeg, dan nam die dus tweederde van het aanbod voor zijn rekening. Kan haast niet anders, of dat was een opkoper, als het niet de bijenhoudersbond zelf was. De 6000 gulden die deze ontving, maakte een heel riant jaarsalaris. Voor een arbeider was 100 gulden misschien nog aantrekkelijk bijwerk, maar 200 gulden substantieel.
De 20.000 kilo geëxporteerde honing is ook af te zetten tegen de gemiddelde opbrengst in kilo’s honing per ‘geslachte’ korf. We spreken over 1904. De met moderne methoden werkende imker die in het Nieuwsblad van het Noorden een bijenteeltrubriek schreef, had een zwaarste korf die 40 kilo honing opleverde. Een derde van zijn korven woog meer dan 30 kilo, driekwart meer dan 20 kilo. De gemiddelde opbrengst per korf zal bij hem dus zo’n 25 kilo zijn geweest. Maar afgaand op de gemeenteverslagen van dat jaar waren de gemiddelde korfopbrengsten van alle imkers in een gemeente, inclusief de traditioneel werkende, aardig wat lager. In Finsterwolde, waar mijn grootvader het imkeren leerde, bedroeg dat gemiddelde nog 20 kilo, maar in Slochteren bleek het 15 en in Wedde 10. Het gemiddelde voor Oldambt en Westerwolde samen zal dan zo’n 15 kilo honing per korf geweest zijn. De 20.000 kilo aanvoer in Neu-Rhede vertaalt zich derhalve in zo’n 1300 korven. Inderdaad behoorlijk wat wagens vol – er stond een file met bijen voor de grens!
De 6000 gulden van de opkoper of de bijenhoudersbond gold bij de genoemde prijs 12.903 kilo honing. Gedeeld door de 15 kilo gemiddeld per korf, maakte dat maar liefst 860 korven. De 100 tot 200 gulden opbrengst voor de meeste leveranciers, stonden voor resp. 14 tot 29 korven. Ook dat waren hoeveelheden die de aantallen korven bij tuinimkers overtroffen. Wellicht waren er ook kleine collectieven of opkopers actief.
Bron van het aanleidende bericht: Nieuwsblad van het Noorden, 23 september 1904.
Hemeldragonder (3)
Geplaatst op: 19 augustus 2018 Hoort bij: Taal 1 reactieIn 1811 uit ds. Nieuwold van Zuidbroek “geene geringe bezwaren” tegen Engel Remkes Dekker, een kleermaker uit het dorp, wegens diens “openlijk ergerlijk gedrag”. Deze Dekker is hervormd lidmaat en staat dus onder toezicht van de kerkeraad. Die roept Dekker op om zich te komen verantwoorden, maar de kleermaker weigert meermalen te verschijnen: “Hij lachte wat om den Domenij, had de Domenij hem wat te zeggen, kon hij aan zijn eigen huis komen.” Zelfs noemde de snijder ds. Nieuwold “een regte Hemeldragonder”.
Waar de eigenlijke zaak over ging, wordt niet duidelijk, maar dat is in dit verband ook niet belangrijk. Het gaat me hier om die term, die in de bron al is onderstreept. Dat deze term toen reeds als een spotnaam of scheldwoord gold, is meteen duidelijk, want de kerkeraad achtte hem zeer beledigend en was dan ook “grotelijks verontwaardigd”.
Zelf associeerde ik de term ‘hemeldragonder’ altijd met heilssoldaten, vanwege het militaire aspect, maar hij blijkt dus veel ouder dan het Leger des Heils, dat in 1865 werd opgericht en pas enkele decennia later in Noord-Nederland verscheen. Reden om eens in het Woordenboek der Nederlandsche Taal te kijken, of dat het woord ook noemt en wat voor historische voorbeelden het er dan bij aanhaalt. Dat blijken onder andere te zijn literaire werken van Potgieter uit 1841 en van Van Lennep uit 1865. Waarmee onomstotelijk vaststaat dat het woord inderdaad ouder is dan het Heilsleger, maar ook, dat de melding in het Zuidbroekster kerkeraadsprotocol nog weer enkele decennia eerder opgetekend is.
Even hoopte ik, de alleroudste melding van dat ‘hemeldragonder’ te pakken te hebben. Voor alle zekerheid toch nog maar even bij Google Books gekeken. Als oudste meldingen geeft deze digitale bibliotheek een biografie van paus Clemens XIV uit 1768, een traktaat over de eenzaamheid uit 1791, een blijspel uit 1806 en een historische roman uit 1809. Het woord was dus al gangbaar, toen de Zuidbroekster kleermaker het in de mond nam.
Jammer, daar ging mijn ‘primeurtje’. Maar, al is de term hemeldragonder nog ouder dan zijn uitlating, de kleermaker uit Zuidbroek zat wel vrij dicht op die eerste meldingen. Ik denk dat het een belezen type was; zijn zoon werd niet voor niets schoolmeester.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 339 (archief hervormde gemeente Zuidbroek) inv.nr. 1: kerkeraadshandelingen, bepaaldelijk die van 28 juli, 30 juli, 4 augustus en 13 augustus 1811.
Slochteren kocht kerkklok uit Zuidbroek
Geplaatst op: 19 augustus 2018 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenVan de Eerwaarde Heer Wolthers, predikant te Slochteren, voor een klocke zo van ons [is] gekogt, en [door] de Hr. Wildervank [is] betaalt, en an mij heden weer overgegeven. ƒ 80-,-
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 339, inv.nr. 252: kerkvoogdijrekeningen Zuidbroek 1750-1812, bepaaldelijk die van 1761.
Commentaar: Ik kon verder weinig informatie vinden over die klok. Volgens Sible de Blauw in het Historisch Jaarboek Groningen 2010 is de huidige Slochter klok in 1373 gegoten door een Segebodus, een Fries, in opdracht van de abt van Wittewierum. Die klok van Bloemhof werd in 1828 overgebracht naar Slochteren en dat is dus deze, qua gelui.
Naar Steenwijk
Geplaatst op: 18 augustus 2018 Hoort bij: Drenthe vrogger, Stad nu 2 reactiesVoor een zaterdag vroeg op. In de Folkingestraat poetst een duif zijn veren:

Bij de ingang van de voormalige V&D in de Ebbingestraat staat een bord voor een nieuw bier. Aan het behoud van het gebouw op dat bord heb ik indertijd, medio jaren 90, het mijne mogen bijdragen. Grappig dat er nu een biersoort naar genoemd is:

Bij de Beren:

We gingen naar Steenwijk, naar de presentatie van een boek en de opening van een gelijknamige tentoonstelling: ‘Raggers rond de Baarg’. Zowel in het boek als op die tentoonstelling staan de gebroeders Kuiper centraal, beide geboren op de Steenwijker kant van de Bisschopsberg, op de grens van Drenthe.
Dit is het zelfportret van Henk:

Van de twee was hij de betere schilder, zoals in dit dorpsgezicht:

Of in dit korenveld:

Het werk van zijn broer Geert, is juist sterker in het grafische, zoals in ‘Heidebrand’, dat de angst voor het naderende vuur bijkans voelbaar maakt:

Of in deze ‘Herinnering aan de herhalingsoefening’ uit 1931:

Beiden waren het verdienstelijke amateurs, ander werk is zwakker. Toch, als zulke kerels eens een kunstopleiding hadden kunnen volgen, wat zou er dan wel niet van geworden zijn?
Na de bijeenkomst via Kallenkote naar Wapserveen, waar we uitstapten bij De Olde Fabriek, dat wil zeggen de voormalige zuivelfabriek waarin nu een restaurant met aanschuiftafel zit, al kan je er ook gewoon koffiedrinken of lunchen. Er stond een stapel kaasplanken buiten. Henk zag meteen handel::

Voor betreding van dit restaurant moeten de telefoons uit, een heel verstandige maatregel die de conversatie bevordert::

Binnen waren er verscheidene elementen die aan de oorspronkelijke functie van het pand herinnerden, zoals een kastje met kaasmakersmedailles, zowel van Nederlandse Zuivelbond:

Als van de Drentse variant voor coöperatieve zuivelfabrieken:

De Groninger honingdief
Geplaatst op: 15 augustus 2018 Hoort bij: Stad toen 1 reactie
Bellerophon.
Dit weekend was in het nieuws dat de diefstal van bijenvolken hand over hand toeneemt. Het zou gaan om een “betrekkelijk nieuw fenomeen”. Dat is echter onjuist, want in een verder verleden had je ook dieven die zich toelegden op bijen en/of honing. Zo iemand sloeg tussen 1740 en 1756 herhaaldelijk toe in het hovengebied buiten de Groninger Here- en Oosterpoort. Hoe ging deze dief te werk, en welk lot wachtte hem?
De slachtoffers van de Groninger honingdief bezaten bijenstallen aan de oostkant van de Trekweg buiten Kleinpoortje, aan de Oliemolensteeg buiten de Oosterpoort, buiten de Herepoort aan de Hereweg, en aan de Rozenstraat in het noorden van de stad. Naast hun aangiften zijn er drie notities van de stadsschulte (of schout) bewaard gebleven, die de werkwijze en het profiel van de dader schetsen.
De eerste aangifte, uit 1740, kwam van de koopman Jan Nering, die aan de Gelkingestraat in De witte Rooster woonde, maar buiten de Oosterpoort in de Oliemolensteeg zijn hof had. Daar waren “wederom” twee korven met bijen uitgehaald, “zoo dat voor de overige ook bedugt ben als konnende deselve in geen huis besluiten”. Kennelijk sloeg de dief eerder toe op Nerings hof, maar hield de koopman ook na de tweede keer nog wel bijenvolken over.
Dat de dief bijzonder brutaal te werk ging, blijkt uit de aangifte van Albert Tiesing, de dato 3 juli 1741. Ook deze Tiesing bezat een hof aan de Oliemolensteeg waar hij korven met bijen had staan. Op de klaarlichte middag van zondag 2 juli, tussen een en vier uur, was de dief daar langs geweest. Volgens Tiesing lichtte hij alle honing uit één korf, en brak hij een andere korf finaal in stukken, “soo dat deese beijde korven met ijmen gants te niete sijn gemaakt”.
Op 2 oktober 1746, dus na het bijenseizoen, kreeg bovendien de hof van Hindrik Jacobs Decker ongewenst bezoek, met als resultaat de vermissing van één korf met bijen, en de vernieling van nog eens acht andere. Deckers hof bevond zich vermoedelijk buiten Kleinpoortje aan het Winschoterdiep. Daar woonde zeker Olfert Kneurshof, aan de oostzijde van het Trekpad, ter hoogte waar nu het Griffeweg ligt. Twee maanden na Decker gaf Kneurshof door, dat hij een korf bijen uit de grote hof achter zijn woning miste.
Intussen keek de schulte al naar de dief uit. Volgens diens recapitulatie van maart 1744 was Kneurshof ook in januari van dat jaar al een wintervolk kwijtgeraakt. Als meervoudig slachtoffer gold eveneens de bovengenoemde Albert Tiesing, van wiens hof aan de Oliemolensteeg sinds 1742 in totaal negen korven met bijen en honing waren weggehaald.
De schulte twijfelde er niet aan, of het ging steeds om dezelfde dief. Die zocht namelijk de allerzwaarste korven uit, die de meeste honing bevatten. Eerst stopte hij de vlieggaten van de korven dicht met lapjes stof om de bijen te kunnen doden (met zwavel). En als dat gebeurd was, sneed hij de korven van bovenaf met drie sneden open, om er gemakkelijk de honing uit te kunnen halen.
De schulte mat ook de voetstappen van de dief, die hij hier en daar aantrof. Deze bleken steeds van één en dezelfde schoenmaat en er werd een papieren model van gemaakt, dat in het dossier bewaard bleef. Op 26 februari 1744, toen de honingdief en bijensmoorder toesloeg op de tuin van de moesker Jan Harmens aan de oostzijde van de Hereweg, kon de schulte, daarbij geholpen door meerdere mensen, ook naspeuren waar deze voetstappen vandaan kwamen. Het spoor kwam van de lijmziederij aan het Hoornsediep (nu Cascade), en liep vervolgens langs de Toppinggaborg van Raadsheer Smith aan de Achterweg (Postflat) en een moeskerstuin in die omgeving, om dwars over de Hereweg Jan Harmens’ tuin te bereiken. Terug ging het langs de Davidsteeg tot de hof van schrijver Brongersma, waar de gestolen korf weer op die karakteristieke manier was opengesneden en leeggehaald. De drie stukken van de korf gooide de dief in belendende hoven. Met de honing kwam hij weer voorbij de Toppingaborg en de lijmziederij, waarbij zich een brugje over het Hoornsediep bevond, en het spoor liep uiteindelijk dood in het groenland achter de hoven buiten de A-poort bij de Lissabonsteeg.
In deze omgeving woonde ene Conraet Hindriks, die snijder (kleermaker) van beroep was. Voor veel mensen gold hij als verdachte nummer één, omdat hij van Haren kwam, waar de collector (een belastingontvanger), ook al eens op identieke wijze een korf met bijen kwijtraakte. Bovendien had Conraet al eens linnen van een bleek in Anlo gestolen, linnen dat zijn slachtoffers gedeeltelijk uit het beddestro in zijn kamerwoninkje tevoorschijn haalden, maar deels ook aantroffen op een bleek buiten de Oosterpoort.
Twee maal gingen er een Raadsdienaar en wat belastingpachters langs bij Conraets huisje, op zoek naar gestolen goed en smokkelwaar. Ze troffen evenwel niemand thuis en deden ook geen huiszoeking. Wel wisten buren naderhand te vertellen dat Conraet en zijn vrouw daarna heel “confuus” waren. De hele nacht zouden ze op zijn geweest, en ze zouden ook een vat met honing hebben leeggegooid in een sloot achter hun hof.
Hoewel de schulte sterk dacht te staan, kon hij zonder heterdaard uiteindelijk niets bewijzen. Ook begin april 1756, toen onder andere bij de moesker Jannes Wiltes buiten de Herepoort korven met imen waren “doot gesmoort ende de hoenig daer uit gestolen”, stond de schulte met lege handen. Hoewel de werkwijze en de voetstappen en hun schoenmaat andermaal dezelfde bleken, ontsprong Conraet steeds weer de dans.
Tot een veroordeling kwam het dus niet, maar voor ons doel is dat ook niet zo erg belangrijk. Wel interessant is, dat de honingdiefstallen de aanwezigheid van zeker vijf kleinere bijenhouders buiten de Herepoort, de Oosterpoort en het Kleinpoortje aantonen. Met de bijenhouders die de dief niet bezocht, moeten deze toch al gauw enige tientallen, zo niet meer korven met bijen hebben gehad. Voeg hieraan toe de nog veel grotere hoeveelheden korven van meer professionele imkers, en dan blijkt dat de bijenteelt hier sterk leefde.
Waarom dat zo was? Bijna geen hof, of er stond een lading fruitbomen in. Met name appel- en perebomen, maar ook pruimen- en kersenbomen, wijnranken en aalbessenstruiken. Daarnaast deden de bijen waarschijnlijk ook wel allerlei sierbloemen en de bloeiende koolplanten van moeskers aan. In elk geval was er hier in het seizoen genoeg nectar voorhanden, om de bijen en hun bazen ruimschoots van honing te voorzien.
—
Eerder in iets andere vorm gepubliceerd in wijkkrant De Oosterpoorter.
Hunebed met schrijver dezes
Geplaatst op: 14 augustus 2018 Hoort bij: autobio, Drenthe vrogger 4 reactiesNu het vanwege de massaliteit en het vandalisme zwaar verboden begint te raken om nog langer hunebedden te beklimmen, moest ik toch maar eens op zoek naar de foto van mij op de poort van het grote Havelter hunebed. Helaas is mijn scanner kaduuk en dus moet u het doen met een foto van de foto die destijds door mijn jongere broer gemaakt is:

Hij dateert van april 1970. In die dagen kon je nog helemaal alleen op een hunebed zitten om over de grote stille heiden te koekeloeren door je brilletje.
Overigens was dat hunebed in de oorlog door de Duitsers onder de grond gewerkt vanwege hun vliegveld. Na de oorlog kwam het weer tevoorschijn, natuurlijk niet uit zichzelf, want zo’n hunebed is moeilijk in beweging te krijgen. Op dat moment maakte Havelte zijn al bestaande bijnaam waar: het “Drents Pompeï”.
Zuidbroek – Schildwolde – Slochteren – Woudbloem enz.
Geplaatst op: 13 augustus 2018 Hoort bij: Ommelanden 17 reactiesWas gisteravond even te druk bezig met een onderzoekje, zodat het niet kwam van foto’s posten. Had ’s middags in Zuidbroek een afspraak, vandaar ben ik tegen de wind in terug naar de stad gefietst via Slochteren en Woudbloem.
Dit billboard met pictogrammen voor zaken als molen, tompoes, koe, waterijsje, hipsterbakfiets, windturbine en joint, hing op een veenkoloniaal station, hetzij Hoogezand, hetzij Sappemeer-Oost. Kennelijk gaat het eerder om kunst dan reclame – iemand die weet wie de maker is?

Loerend gevaar op het kerkhof van Zuidbroek:

Grafzerk met muzikale engelen, van Yke Oomkes, wed. Waldrick Eppes (1666):

Nog meer muziek, maar dan op een recente grafsteen:

De toren van Zuidbroek blijkt aan de buitenkant opgeknapt – nu maar hopen dat ze de binnenkant hebben gelaten zoals die was:

Halfweg Noordbroek en Siddeburen – een rechtgeaarde Groninger vlag mist altijd een reep, want het waait hier altied ja:

Ridder te paard met lans, als windwijzer op een villa die Schattersum heet, naar een voormalige borg in Schildwolde:

In Slochteren eerst wezen kijken bij de expositie van kinderportretten in de Fraeylemaborg. Zonder meer een aanrader! Een hoogtepunt vond ik dit portret van de eenjarige, zeer levendige Edzard Lewe van Middelstum, dat in 1784 gemaakt werd door de stad-Groninger schilder Hindrik Lofvers. ’t jochie is ook gehuld in stad-Groninger kleuren – in zijn ene hand heeft hij een rinkelbel:

Een aandoenlijke tegenhanger is dit portret van een overleden kind door Jan Jans de Stomme uit 1654. Het meisje (?) draagt een takje rozemarijn in d’r gevouwen handjes. Op het doodskleed het anagram van Christus en mogelijk haar eigen initialen:

Ook nog even in de borg zelf gekeken. De hazewindhond als schildhouder boven het front blijkt duidelijk een reu:

Nieuw voor me – deze rariteitenkast met opgezette vogels, zoals een wielewaal, een vlaamse gaai, ijsvogel en hop. Onderin zit nog een wezel:

Blokkendoos met klassieke zuilen:

Het bureau van meneer:

De keuken:

Met de nog redelijk goed gevulde waterkelder – bij droogte kreeg de elite niet zo gauw last van dorst:

Balsemienen met hommels bij de Scharmer Ae:

Woudbloem – achterzijde schuur voormalige scheepswerf:

De meest mefistolische geitebok van heel Groningerland vindt men zonder meer in Woudbloem:

Op een slootwal bij Harkstede:

Waarschuwingsbord langs de hoofdweg in Engelbert:

‘Woedende Wodan’
Geplaatst op: 12 augustus 2018 Hoort bij: Stad nu 7 reactiesIk zag bij de klushaven te koop staan dit charmante opduwertje met de vreeswekkende naam “Woedende Wodan”:

Googelend op de naam, blijkt dat er ook een advertentie op internet staat. De verkoper, ene Roy, benoemt het type als een “steilsteven” – wat je zo kan zien – met een “dubbel geveegde kont” – hiervoor mis ik de expertise (al zal het vast niet slaan op zindelijkheid). De vraagprijs voor deze “opknapper” met “goedlopende motor” is 3250 euro.
Ik voel een zekere verleiding, een ligplaats heb ik al in gedachten, maar weet ook: “Koop een boot en werk je dood”.
Onlander rondje
Geplaatst op: 11 augustus 2018 Hoort bij: Onlanden 12 reactiesOmgelegde Eelderdiep bij het Transferium Hoogkerk:

Hamersweg:

Elzenblaadjes als delicatesse voor Haflingers (bij de Gouwe):

De fraaie koe met pantervel was er ook weer:

Jagende zwaluwen:

Zwaluw met narcistische trekjes? Nee hoor, zwaluwen plukken ook insecten zoals schrijvertjes van het wateroppervlak af:

Rood vee bij de Bommelier met de molen van Roderwolde op de achtergrond:

Afstervend coulis bij de Drentse dijk:

Zuidelijk stuk van de Gouwe:

Zwaluwjong, wachtend op voer van pa of moe:

Gele plomp:

Boerderette Nieuw Eelderwolde:

“We moeten toe naar grote weidevogelreservaten”
Geplaatst op: 11 augustus 2018 Hoort bij: De actuele wereld, Dieren, Stad toen 1 reactie
Ooievaar bij Leegkerk, 10 augustus 2018.
Egbert Boekema, auteur van Vogels in Groningen (2016), sprak vorig jaar oktober op de Dag van de Groninger Geschiedenis over zijn passie – het waarnemen van vogels – en de historische aspecten daaraan. Vooraf had ik een interview met hem, dat verscheen in het DGG-magazine. Met wat kleine retouches neem ik het hier over.
“Geluk is als je relaxed buiten kunt zijn om vogels te zien, dat is voor mij geluk”, zegt Egbert Boekema. “Bij sport ken je allerlei opwinding – bij verliezen is het waardeloos en bij winnen ben je euforisch, maar hierbij heb je dat dus niet zo.”
Toch gaat het er niet altijd even kalm aan toe bij dat vogelen. Het liefst gaat hij met stormweer naar de waddenkust: “Dan zie je er allerlei trekvogels langskomen. Al weet je op voorhand niet wat je te zien krijgt, dat weet je pas als je er zit.” Zijn favoriete plek is dan het Lauwersmeergebied, al gaat de hele kuststrook tot de Eemshaven ermee door. “Het maakt dan niet uit waar je bent, maar bij de Dollard, voldoet eigenlijk alleen de Breebaartpolder. Verderop zijn de kwelders zo breed, dat je daar gewoon niets ziet; je zit daar veel te ver weg van het wad om waarnemingen te kunnen doen. Bij de Breebaartpolder kan je vogels op maar 20 meter afstand zien.”
Een passie begint vaak vroeg, zo ook bij hem. Hij weet nog hoe hij als kind een ooievaar hoorde klepperen op het postkantoor van Zuidhorn. “Ik was toen een jaar of vijf, denk ik.” Naast die eerste vogelwaarneming herinnert hij zich zijn eerste goede kijker, een Zeiss, begin jaren 70 in Duitsland gekocht van zijn eerst verdiende geld: “Dat ding kostte 680 D-Mark, destijds een behoorlijk bedrag. In Groningen was ik de tweede met zoeen, iemand als Loterijman, de eerste voorzitter van Avifauna, deed het nog met een veel eenvoudiger kijker.”
Het rare is dat Boekema destijds geen biologie ging studeren, maar biochemie. “Ik heb jaren getwijfeld en vroeg na de propedeuse of ik nog bij biologie kon instromen. Maar dan zou ik van alles over moeten doen en zo ben ik nooit echt bioloog geworden. Wel ben ik nu voor mijn beroep veel bezig met planten.”
Hij is hoogleraar elektronenmicroscopie en daarnaast voorzitter van de vogelaarsclub Avifauna. In zijn imposante naslagwerk Vogels in Groningen, staat voorin een foto van zijn metersbrede rij dagboeken met vogelwaarnemingen, bijgehouden sinds 1971. Nog steeds noteert hij iedere ochtend op weg naar zijn werk de vogels die hij hoort. Hij toont een turflijstje met de dagoogst: zwartkop 3, houtduif 2, merel 2, winterkoning 1, tjiftjaf 1. Niet gek voor eind juli.
Gevraagd naar zijn favoriete vogel, noemt hij de lepelaar. “Lepelaars, dat zijn geweldige beesten, hele mooie, sierlijke vogels. Als ze foerageren, zijn ze heel actief.” Qua zang is vooral de merel favoriet: “Heel bijzonder is dat merels op elkaar reageren, dat geeft een bepaalde sfeer op een mooie voorjaarsavond.” Van die merel verbaast het overigens, dat hij pas sinds 1735-1740 in de stad Groningen broedt, terwijl daar nu zo’n 5000 stuks leven. “Ja”, lacht Boekema, “iemand heeft ooit die eerste waarneming genoteerd en die is vervolgens steeds weer overgeschreven. Oorspronkelijk zou de merel een schuwe bosvogel zijn geweest, die zich met de vergroening van de bebouwde kommen heeft aangepast.”
Ook de lepelaar is een succesvolle soort. “Eind jaren 60 was het aantal heel erg teruggelopen, er was toen bijna niets meer. En nu broeden ze op Schier, zitten er soms honderden in het Lauwersmeer en kan je ze ook in het binnenland zien.” Hetzelfde geldt voor de ooievaar. Terwijl er vroeger ooievaarsnesten zaten op het stadhuis van Groningen, kerken te Niehove en Onnen en de school van Hoogkerk, was deze vogel rond 1970 in onze provincie uitgestorven. Dankzij herintroductie maakte de ooievaar een comeback. “Bekend is natuurlijk de Lokkerij bij De Wijk”, zegt Boekema, “maar ook bij Nienoord in Leek is er in de jaren 80 en 90 een buitenstation geweest”.
Naast vooruitgang is er helaas achteruitgang. “De weidevogels”, zo constateert hij, “daar is bijna niets van over. ” Volgens hem ligt het niet alleen aan de intensivering van de landbouw. “Vermoedelijk heeft de grutto het ook in Afrika moeilijk, maar inderdaad hebben de jongen een gevarieerd insecten- en kruidenrijk grasland nodig. De onderzoeksgroep van Theunis Piersma aan de RUG heeft het helemaal uitgezocht.” Hier in Groningen speelt predatie mede een rol. “Onder andere kraaien zijn de boosdoeners. Dat komt ook doordat er veel meer geboomte is, nu. Vroeger was het landschap veel kaler en had je veel minder kraaienesten. Rond 1960 kon je bijvoorbeeld vanaf zwembad De Papiermolen helemaal naar Paterswolde kijken.”
De goedbedoelde pogingen om weidevogels te redden, stranden op versnippering en kleinschaligheid, vindt hij. “Er zijn wel boeren die er wat aan proberen te doen, maar land waar een of twee grutto’s broeden, dat heeft nauwelijks zin. Je moet eigenlijk toe naar grote weidevogelreservaten, niet van 100 maar van 1000 hectare. Daar kan je honderden grutto’s op hebben.”
Haflingers bij de Gouwe
Geplaatst op: 10 augustus 2018 Hoort bij: Dieren, Drenthe 7 reacties(Foto’s van maandagavond, toen het nog zo warm was en ik nauwelijks fietsfut had.)




Een zinnebeeld voor Twitter?
Geplaatst op: 10 augustus 2018 Hoort bij: Kunsten 3 reactiesBron: Verzameling van aardige en het verstand opscherpende anekdoten (Rotterdam 1814) nr. 186.
Naschrift: Ghurabalbayn wees mij op dit iets latere gedicht van Staring:

Recente reacties