‘Als je er niet meer tegen kunt, omarm het’

“Het kan verkeren”, schreef Bredero reeds. In de zomer van 2009 verscheen opeens een protestkreet in duplo op deze schuur bij Harkstede – “Meerstad = doodzonde”.

Recent is de schuur opgeknapt.  Deze heet nu “Meerstad Hoeve”:

Wikipedia over Meerstad


Rondje Peize – Roden

De plek waar de Peizer Schipsloot in het Peizerdiep valt:

Watergentiaan:

Doorkijk naar de molen van Roderwolde:

Peizer Schipsloot richting Peize:

Achter Peize zijn de voorbereidingen voor Pasen 2019 al in volle gang:

Bij Altena – opgeknapt oud landbouwgerei, o.a. een maaimachine:

Het (nieuwe) Oostervoortsche Diepje:

Beekoever:

Aardappelveld met lila bloemen, nabij Roderesch:

Deel achtergevel Huize Mensinge, Roden:

De gracht voor het huis:

Onlanden bij Roderwolde – het laatste uur voor een kikker, de ooievaar heeft hem bij de poot:


Ommetje Eiteweert – Leegkerk

Veel kamille op de Bolham; op de achtergrond het bedrijvenlint langs de A7:

Het steigertje voor vissers aan het Peizerdiep wordt gerenoveerd:

Maar de libellen snorren er nog steeds vrolijk rond, en nemen ook nog af en toe rust op het hout dat er is blijven staan, althans deze oeverlibel doet dat:

Blaarkoppink bij het Aduarderdiep:


Op de boeldag van mijn betovergrootmoeder

In mei 1908 overleed mijn betovergrootvader Elzo Perton. Zijn weduwe, mijn betovergrootmoeder Geeske Boog, volgde hem twee jaar later in het graf. In de tussentijd was ze in hun huisje aan de Klinkerweg te Finsterwolde blijven wonen, zoals blijkt uit het financieel verslag van de boeldag, dat in het notarieel archief bewaard bleef en dat een lijst bevat van alle kavels, de hoogste bieders en hun herkomst.

Op die boeldag, begin september 1910, kwamen slechts 58 kavels onder de hamer, terwijl er 34 hoogste bieders genoteerd staan. Op één na waren die personen allemaal man, wellicht omdat die van de notaris qua betaling moesten instaan voor hun (handelingsonbekwame) vrouwen. Een hoogste bieder sleepte gemiddeld dus nog geen twee items in de wacht. Geen enkele hoogste bieder kocht meer dan een handvol items, de meesten stelden zich tevreden met één of twee. Zo te zien waren er dus geen opkopers aanwezig.

Van de 34 hoogste bieders kwamen er 28 uit Finsterwolde en 5 van de Ekamp, dat vlak om de hoek van de Klinkerweg ligt en deels onder de gemeente Finsterwolde viel. De enige persoon die van wat grotere afstand moest komen, was de jonge joodse koopman Henri of Henrij Slager, die later met zijn vrouw Naatje vergast werd in Auschwitz. De inboedelveiling van mijn betovergrootmoeder was, kortom, van zéér lokaal belang – de plaatselijke veilingmeester vond het ook niet de moeite waard, deze in de Winschoter Courant aan te kondigen. Onder de aanwezigen vallen bovendien de namen van verschillend buurmannen op, zoals die van de dan 53 jaar oude anarchistische landarbeider Harm Harms Tuin, alias Harm Boukje. Hij woonde wat hogerop aan de Klinkerweg tussen Geeskes beide zoons in. Qua leeftijd viel hij nauwelijks uit de toon bij de aanwezigen, die gemiddeld ongeveer 50 jaar oud waren (de jongsten liepen zo’n beetje tegen de 30).

Die leeftijden checkte ik aan de hand van Alle Groningers, evenals de beroepen van de hoogste bieders:

arbeider / dagloner 17
timmerman 5
wagenaar / voerman / vrachtrijder / bode 3
schippersvrouw 1
visventer 1
schoenmaker 1
koopman 1
landbouwer 1
? / onbekend 4

Voor zover bekend, ging het in meerderheid dus om dagloners en arbeiders, en verder betrof het veelal kleine middenstand. Die ene boer was de uitzondering die de regel bevestigde.

De spullen die op de boeldag werden geveild, laten zich indelen in acht groepen:

  • Verwarming (2 kachels waaronder 1 kookkachel die als enige item werd gekocht door de joodse koopman, turf, tang, (turf-)bak en minstens 5 stoven);
  • Wasgerei (o.a. aker, tobbe, balie);
  • Kookgerei (pan, 2 x ketel, pot);
  • Drinkgerei (lampje oftewel theelichtje, een theepot, allerlei kopjes en schoteltjes, glasgoed, koffiemolen, koffiepot, dienblad, watervat);
  • Slaapgerei (3 bedden, 4 kussens, 3 dekens);
  • Zitgelegenheid (5 stoelen, armstoel, tafel);
  • Wand – en bergmeubels (klok, kabinet met beide kommen erop, commode);
  • Landbouw/tuingereeedschap (2 x schop, hark, schoffel, vork, krouwel, boor, snit?, zeis, 2x kruiwagen, kooi).

Het aantal stoven en de turfvoorraad in deze tijd van het jaar doen vermoeden dat Geeske wat kouwelijk was aangelegd. De vijf stoelen corresponderen met de grootte van haar vroegere gezin (met man en drie zoons), terwijl het landbouw- en tuingereeedschap herinnert aan het beroep van wijlen haar man Elzo Perton, die landarbeider of dagloner was.

In totaal bracht Geeskes boedel ƒ 78,85 op, niet veel. De duurste spullen bleken:

Kavel Hoogste bod Hoogste bieder
Klok ƒ 9,- Aiko Perton voor zijn zoon Elzo
Turf ƒ 8,50 Aiko Perton
Kabinet ƒ 7,- Pieter Ottes Kuiper
Bed ƒ 6,50 Hanno Speelman
Commode ƒ 3,50 Klaas Alles
Bed ƒ 2,80 Anno Speelman
Bed ƒ 2,60 Roelf Ahlers
Kruiwagen ƒ 2,40 Geert Perton

Opmerkelijk was, dat Geeskes beide in Finsterwolde woonachtige zoons op haar boeldag meeboden. Zoals gezegd, woonden zij vlakbij haar aan de Klinkerweg. Aico, een timmerman, kocht naast de klok de turfvoorraad van zijn moeder, haar koffiepot en een stoof. Die klok bracht meer op dan het kabinet en het duurste bed, mogelijk zat er een affectieve waarde aan vast – Aico kocht dat stuk immers voor zijn oudste zoon, die hij naar zijn vader genoemd had – al kan die klok ook het pronkstuk van het huis geweest zijn. De schoenmaker Geert Perton, mijn overgrootvader, bood het hoogst op de betere kruiwagen, de tafel, de koffiemolen en glaswerk. De koffiemolen zou later wel eens naar mijn grootvader gegaan kunnen zijn, en zo ja, dan heb ik hem nu.

Dat Geeskes beide zoons meeboden en zulke blijkbaar begerenswaardige objecten niet bij voorbaat aan de veiling onttrokken, zal gelegen hebben aan het feit dat hun broer Freerk in Amerika recht had op een derde deel van de opbrengst. Het moest er dan natuurlijk wel eerlijk aan toegaan.

Maar is dat ook gebeurd? De lijst met kavels lijkt een redelijk complete landarbeidersinboedel te omvatten, maar toch missen er dingen. En dan doel ik niet op boeken, muziekinstrumenten en spelletjes – aan dergelijke luxe deden arbeiders destijds nog niet, al hadden ze soms wel een bijbel of testament in huis, maar die ontbraken hier ook. Opsmuk aan de wanden kwam er evenmin onder de hamer – die hoeft er dus niet geweest te zijn, maar zou sowieso niet veel hebben voorgesteld. Wat wèl echt ontbrak waren borden en bestek – mogelijk waren die voorwerpen onderhands overgenomen door een zoon, misschien ook wel omdat Geeske haar warme eten in het huis van die zoon kreeg. Tevens ontbraken Geeskes kleding en mogelijk wat eenvoudige sieraden bij de kavels. Zulke ‘lijfstoebehoren’ werden vanouds echter altijd apart gehouden op boedelinventarissen en zullen aan de schoondochters gegeven zijn.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 110 (archief notaris A.H. Koning, Finsterwolde) inv.nr. 134, akte nr. 193: proces-verbaal van veiling d.d. 6 september 1910.


Onlander ommetje

In de buurt van Eiteweert – zwanebloem:

Aangevreten zuring:

Wilgenroosje:

Wederik:

Pluizende distels en helaas geen puttertje te zien:

Wederik en kattenstaarten:

Gehavende bloedrode heidelibel aan de Onlanderdijk – ik vermoed dat kokmeeuwen erop jagen:

Herkauwende witte koeien bij Roderwolde:

Rijpende rogge, Roderwolde:

Achter Foxwolde stond in een weiland een stel pinken met allemaal stippen en vegen van klei op hun koppen. Vroeg me af waarom die stippen niet elders op hun lijven zaten, maar bedacht dat ze daar wel zullen zijn weggelikt. Rest nog de vraag hoe ze aan die stippen en vegen kwamen:

Hooiwerkzaamheden bij Lettelbert:

Noordkant A7 bij Lettelbert:


Rondje Stad

Voormalig videopaviljoen en dito bushalte op het Emmaplein – doordat een boom ernaast is gekapt, komt de belettering hier nu veel beter uit de verf:

Topgevel voormalige Scheepshypotheekbank, Zuiderdiep nz. bij de Munnekeholm:

Noordoosthoek Grote Markt – Sint Maarten en de bedelaar in baksteen:

Brievenbus Martinikerk:

Werkzaamheden Herestraat:

Wat dichterbij:

De baas van restaurant  de Oude Brandweer nam een scooter in bedrijfsrood:

Werkzaamheden bij het Groninger Museum: hij voelde zich al die tijd al wat op de vingers gekeken (leeuw voert wapen Ripperda in zijn schild):


Hier in de buurt

Rijkswaterstaat geeft het goede voorbeeld voor de bestrijding van exoten bij de oprit naar de A7, Hoogkerk-Zuid:

Volkstuintje bij de Zuiderweg, Hoogkerk:

De oorspronkelijk uit de zeventiende eeuw stammende boerderij Lingenhuis aan het eind van de Peizerweg stort steeds verder in:

Ik heb nooit gezegd dat een exoot niet mooi kan zijn – bereklauw bij de hoek Campinglaan-Peizerweg op het terrein van een voormalige kwekerij:


Uitgevlakt landschap

In 1981 waren ze er nog, de stukjes Oostwolderpolderdijk achter Finsterwolde, waarop eerder een voetpad lag. Ze staken zo’n anderhalf, twee meter boven het omringende landschap uit:

In 1982 waren ze er niet meer. Ze werden verwijderd zonder dat er een haan naar kraaide. Vermoedelijk maakte een ruilverkaveling er een eind aan:

Jammer dat ze verdwenen zijn. Een polder zonder dijk is als een veenkolonie zonder vaart – de ziel is eruit.


Moord in de universiteitsbibliotheek? (III)

Het raadsel van de dode in de kelder van de universiteitsbibliotheek is opgelost. Het archief van de Groninger officier van justitie gaf eindelijk antwoord op de vraag of het moord dan wel zelfmoord was.

Op 7 september 1911 ontving die officier een schrijven van de commissaris van politie hier ter stede, met een kort bericht over de “zelfmoordenaar E. Schut”. Een dag later kreeg de officier bovendien een nog wat uitgebreider proces-verbaal van de commissaris. Helaas zijn deze stukken zelf niet bewaard. Wel is uit de agenda op de correspondentie van de officier op te maken, dat hij intussen al toestemming had gegeven voor Schuts begrafenis.

Een bron waar ik te laat aan gedacht heb, zijn de overlijdensbriefjes die voor de gemeente Groningen bewaard zijn gebleven. Deze geven doodsoorzaken op. Het briefje van Schut staat bovenaan dit stukje. De lijkschouwer noteerde:

“Zelfmoord door pistoolschoten”.

Daarmee is het raadsel wel opgelost, dat opgeworpen werd door de krantenstukjes over de dood van Schut. Waarom die berichtjes de aanwezigheid van zijn wapen niet noemden, blijft gissen. In andere gevallen gaven kranten wel degelijk ruchtbaarheid aan zelfmoord, ook in plaatselijke berichtjes, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de jaargang 1911 van het Nieuwsblad van het Noorden. Suïcide lag publicitair nog niet zo in de taboesfeer als wel eens gedacht wordt.

Het motief van Schut is onbekend. Maar iets daarvan schemert door zijn turbulente levensverhaal heen. Bij zijn huwelijk (1897) en de geboorte van zijn twee kinderen (1898, 1899) bleek Schut nog politieman. Nu was dat een ambt voor het leven, extra aantrekkelijk vanwege het daaraan verbonden pensioen. Zo’n baan verliet men node.

Schut bleek zelfs rechercheur te zijn geweest, maar werd rond 1900 “wegens drift” ontslagen. Kennelijk was hij zijn boekje te buiten gegaan. Drie jaar later werkte hij zich helemaal in de nesten. Hij was toen stalknecht en koetsier bij de Dresseerschool aan de Korreweg, en beschoot na een hoogoplopende ruzie onverhoeds zijn werkgever daar, die hij in diens rug en arm raakte. In de veronderstelling dat hij zijn baas vermoord had, deed Schut nog een beste greep in de kas en nam toen de vlucht, maar werd op het nippertje in Nieuweschans aangehouden, waarbij een marechaussee hem de revolver, waarin nog vier patronen zaten, uit zijn handen wist te wringen.

Overigens had Schut bij die aanhouding nog 45 losse patronen op zak. Wegens poging tot moord en verduistering werd er naderhand zes jaar tegen hem geëist. De rechter maakte daar drie jaar van.

Elzo Schut was dus nog maar kort op vrije voeten, toen hij op 16 oktober 1906 – misschien op voorspraak van een reclasseringsvereniging – als tijdelijk bediende bij de UB in dienst trad. Net als in de Dresseerschool moet hij zijn functie hier als een afgang hebben ervaren. En getuige het jaarverslag, moet ook hier zijn drift hem parten hebben gespeeld – dat was waarschijnlijk het voornaamste gebrek, waar bibliothecaris Roos op zinspeelde.

Met dank aan alle mensen die reageerden met tips en zodoende meehielpen bij het zoeken!

Bronnen, naast de gelinkte:

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 897 (archief Officier van Justitie) inv.nr. 22 (Agenda op de correspondentie) volgnr. 585;
  • Idem, Toegang 1399 (archief gemeentebestuur) inv.nr. 11143 (overlijdensbriefjes 1911) en dan nr. 896: het briefje d.d. 6 september over Schut.
  • Kees van Straten, ‘De dresseerschool van Groningen’, Stad & Lande 2016-4, 38-41, in het bijzonder 40.

Moord in de Universiteitsbibliotheek? (II)

Dat was een tamelijk mismoedig stemmende exercitie, vanmiddag. Elzo Schut, de bediende van de Universiteitsbibliotheek die in de vroege ochtend van 4 september 1911 bewusteloos en met twee schotwonden in zijn hoofd in de UB-kelder werd aangetroffen, komt nauwelijks in de bronnen voor.

In de studentenalmanakken van 1912 en 1911 zag ik hem niet bij de UB-bedienden staan. Deze jaarboekjes bevatten tittel noch jota over het geval. Ook stond Schut niet op de loonlijst van het vaste personeel – oftewel de ambtenaren van de Rijksuniversiteit – en evenmin komt hij voor in correspondentie van de UB zelf of de Curatoren (RuG-bestuur). Het enige wat ik vond is een stukje tekst in het jaarverslag van de UB over de “cursus” (= het studiejaar) 1910/1911. A.G. Roos, de de toenmalige UB-bibliothecaris, schreef daarin onder het kopje ‘Personeel’:

“Den 6en september 1911 overleed de tijdelijk aangestelde bediende E. Schut die sinds 16 October 1906 aan de Bibliotheek was verbonden. Ondanks zijn gebreken konden de ijver en nauwgezetheid, die hij bij zijn werk in de bibliotheek steeds aan den dag legde, slechts mijn tevredenheid wegdragen.”

Die gebreken konden gezien de lofwaardige plichtsbetrachting louter karakterfouten zijn. Maar belangrijker: ook hier is geen sprake van moord, zodat het er steeds meer op begint te lijken dat het toch om een suïcide ging.

Dat positief te bewijzen, valt echter niet mee. Het archief van de politie over deze periode is helaas spoorloos verdwenen. De dagrapporten van de politie voor de burgemeester zijn er over deze periode ook al niet meer. Maar hopelijk word ik morgen nog wel iets wijzer door stukken van de officier van justitie.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1777 (archief Universiteitsbibliotheek) inv.nr. 5: A.G. Roos, Verslag omtrent de Universitaire bibliotheken, cursus 1910/1911.

 


Gevelsteen markeert herbouw apotheek

Stond vanavond nog wat met H. na te praten in de Raamstraat, vlakbij de Herestraat, toen me deze gevelsteen in het oog sprong. Moet hem natuurlijk wel eens eerder hebben gezien, maar nu pas viel hij me echt op, dankzij het strijklicht.

De steen zal een soort eerste steen zijn geweest. Apotheek Oldeman heropende namelijk niet in 1948, maar op maandag 31 januari 1949 haar deuren op deze plek. Sinds 1932 was ze hier gevestigd geweest, maar bij de Bevrijding was het oude pand in vlammen opgegaan, zodat het bedrijf een paar jaar bij een andere apotheek in moest wonen. Daar kwam een eind aan met de oplevering van het wederopbouwpand dat er nu nog staat, een ontwerp van het architectenbureau Nijhuis & Reker. Destijds werd vooral de verkoopruimte in het pand fraai gevonden – dankzij een groot oppervlak aan glas ving die veel licht.


Moord in de Universiteitsbibliotheek?

Terwijl ik bezig was met het zoeken van bijenveilingen, zag ik vanuit mijn ooghoek dit berichtje:

Nieuwsblad van het Noorden 4 september 1911.

Uiteraard ga je dan even verder zoeken, maar veel meer is er – vreemd genoeg – niet te vinden:

Nieuwsblad van het Noorden 5 september 1911.

Volgens een andere krant had de man schotwonden in zijn rechter slaap. Na een paar dagen stierf hij alsnog:

Nieuwsblad van het Noorden 7 september 1911.

Dat is al. Opmerkelijk is dat er geen melding wordt gemaakt van een wapen bij de zwaargewonde. Een zelfmoord lijk je dan te kunnen uitsluiten. Maar zou een moord niet veel meer berichten hebben opgeleverd?

Maar eens kijken of ik er nog wat meer over vinden kan. De overledene heette Elzo Schut. Hij was geboren in Bourtange, 46 jaar oud en getrouwd met een Grietje Renkema. Zij plaatste deze overlijdensadvertentie:

Nieuwsblad van het Noorden 8 september 1911.

Van zijn werkgever, de universiteit, kon er geen advertentie af. Maar misschien was dat ook nog niet de gewoonte. Binnenkort maar eens kijken of er iets in de Academische Almanak stond en wat de bevindingen van de Groninger politie waren.


Een bijenveiling in Beerta

Onderlegger collectie RHC Groninger Archieven 1536-6973.

Eind maart 1889, aan het begin van een nieuw bijenseizoen, liet Eildert Schuitema, de bakker in Beerta die mijn betovergrootvader het geld voor zijn huis voorschoot, 116 korven bijen veilen door de “uitveiler” Girbe Smilda. Of Schuitema al deze overwinterde bijenvolken zelf aangehouden had, is onbekend, maar zou ook weer niet zo vreemd zijn – honing vormde immers een ingrediënt voor koek, een eminent bakkersproduct. In elk geval werden alle hoogste biedingen op de veiling van zijn volken genoteerd in een proces-verbaal, dat bewaard bleef in het archief van notaris Koning te Finsterwolde. Uit dat stuk kunnen we bijvoorbeeld een indruk krijgen, wie er in de omgeving zoal bijen hield.

Schuitema’s 116 korven met bijen kwamen per stel of paar onder de hamer. In totaal ging het dus, afgezien van bijzaken, om 58 kavels. In onderstaande tabel heb ik alle 16 hoogste bieders op deze kavels in hun volgorde van opkomst opgesomd met de aantallen kavels die ze uiteindelijk in de wacht wisten te slepen:

Naam Woonplaats Beroep (Alle Groningers) Aantal stellen korven met bijen Rangnummer
Hindrik Olgers Beerta korenmolenaar 2
Harm Oolders Beerta tuinier/arbeider; vrouw kramerse 17 (1)
Harm Drenth Scheemda arbeider 10 (3)
Geert Emmens Beerta schoenmaker 1
Karel Steen Drieborg schoenmaker 4 (4)
Harmannus Uffen Beerta timmerman 2
Roelf Huizing Zuiderveen timmerman 12 (2)
Geert Schuurman Noordbroek arbeider 1
G. Moerke Beerta ? 1
Christoffel Smit Bellingwolde timmerman 1
Sikko Sikkens Beerta ? 1
Gerrit Smit Finsterwolde dagloner 1
Geert T. Meijer Finsterwolde dagloner 2
Arend Stroobos Blijham arbeider 1
Hindrik Bodde Midwolda arbeider 1
Jakob Emmens Beerta schoenmaker 1

(De initialen van de voornamen der 16 bieders, hun volledige achternamen, hun woonplaatsen en de in de wacht gesleepte stellen korven komen uit het proces-verbaal van veiling. De volledige voornamen en de beroepen zijn aan de genealogische database Alle Groningers ontleend.)

Herkomst bieders
Allereerst de plaatsen waar deze hoogste bieders vandaan kwamen – deze zijn met rode stippen op bovenstaand kaartje weergegeven. Die stippen overziende, was de veiling van regionaal belang: alle hoogste bieders kwamen uit de kleistreek bij de Dollard. Zeven waren er afkomstig uit Beerta en twee uit Finsterwolde. Andere plaatsen uit de omgeving waren slechts met een enkele hoogste bieder vertegenwoordigd. Opvallend is dat de hamrikken (Nieuw-Beerta, Nieuwolda en Nieuw-Scheemda) als plaats van herkomst ontbreken, net als Oostwold, Nieuweschans en Winschoten.

Beroepen

Arbeider 4
Dagloner 2
Tuinier-arbeider 1
Schoenmaker 3
Timmerman 3
Molenaar 1
? 2

De arbeiders en dagloners enerzijds en de (kleine) middenstanders anderzijds hielden elkaar zo’n beetje in evenwicht. Zeer opvallend voor deze omgeving is de afwezigheid van boeren. Blijkbaar imkerden die niet? Voor de arbeiders en middenstanders die dat wel deden, was het houden van bijen waarschijnlijk vooral een nevenverdienste.

Prijzen
Het hoogste bod voor een stel korven met bijen varieerde van ƒ 2,30 tot ƒ 13,50; het gemiddelde zal zo’n ƒ 6,- à ƒ 7,- per stel geweest zijn. Lege korven deden bij het nevenspul zo’n ƒ 2,- à 2,50 per paar, zodat een gemiddeld volk netto een gulden of 2 deed. Naarmate de veiling vorderde, stegen overigens de hoogste biedingen. Mogelijk kwamen de kwalitatief betere volken pas later onder de hamer, al kan het ook zijn dat de animo om te bieden opliep naarmate de veiling vorderde – het een sluit uiteraard het ander niet uit.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 110 (archief notaris AH Koning Finsterwolde) inv.nr. 76 (bundel akten uit 1889), akte nr. 90 d.d. vrijdag 29 maart 1889.


Gemeentehuis Scheemda zat in Hotel Panman

Algemeen Handelsblad 27 maart 1886.

Op het Loket voor Lief & Leed heb ik wel een wat verteld over de Groninger gemeentehuizen, die in de negentiende eeuw doorgaans in herbergen waren gevestigd. Vooral bij aangiften burgerlijke stand kon dat nog wel eens minder wenselijke gevolgen hebben, bijvoorbeeld doordat een nieuwbakken vader besloot een borrel of wat op zijn geluk te nemen.

Hoe de zaken nu precies waren geregeld tussen de herbergier en de bij hem inwonende gemeente, blijft veelal in nevelen gehuld. Bij het doornemen van de repertoria van notaris Koning uit Finsterwolde (die een soort van streeknotaris was voor alle Oldambtster dorpen) had ik echter een mooie bijvangst, die licht werpt op de regeling zoals die in de gemeente Scheemda bestond. Op 3 augustus 1886 sloot het gemeentebestuur hier, zoals vertegenwoordigd door burgemeester De Beer en wethouder Crol, een huurcontract  voor 25 jaar af met Eildert Panman, de eigenaar en uitbater van een zeer bekend logement in Scheemda.

Het gemeentebestuur huurde niet dat gehele logement, maar slechts vier vertrekken op de bovenverdieping, te weten

“Eene raadzaal, ene secretarie met brandvrij archief, eene burgemeesterskamer en eene wachtkamer voor het publiek, met eigen toegang van de openbare straat over den grond van verhuurder.”

Panman moest voor 1 november daaraan volgende deze vertrekken met hun toegangen en de tussenliggende corridor hebben ingericht conform de plannen die daarvoor waren gemaakt, en die inmiddels waren goedgekeurd door de gemeenteraad. Hij had dus nog bijna drie maanden de tijd om de ruimten te laten aftimmeren en verven.

Vanaf de oplevering kwam al het onderhoud van ‘t binnenwerk in die vertrekken en ook alle stukadoor-, schilder- en glaswerk, voor rekening van de gemeente. Het onderhoud van het meeste buitenwerk – dak, dakgoten, bovenste zolder, zolderkozijnen, drempels en buitenmuren – was echter voor Panman, die moest zorgen

“dat het gemeente archief noch het ameublement door lekken of vochtigheid eenige schade zal kunnen lijden”.

Panman diende zijn hele logement bij een solide brandverzekering onder te brengen. Wederopbouw bij een brand of een andere ramp kwam ook voor zijn rekening. Als het gemeentebestuur zou besluiten het binnenonderhoud aan Panman uit te besteden, dan betaalde het hem daarvoor een vast bedrag van 50 gulden per jaar.

Blijkbaar zat de gemeente Scheemda ruim bij kas, want ze voldeed de 4000 gulden huur voor de algehele huurtermijn van 1 november 1886 tot en met 31 oktober 1911 in één keer aan Panman op de opleveringsdatum 1 november 1886. In de begrotingen en gemeenterekeningen van de opvolgende jaren zal men zodoende geen posten voor huisvesting vinden. Men was er in één keer vanaf.

Taande naarmate de termijn verstreek het vertrouwen tussen huurder en verhuurder? Het huurcontract werd immers niet helemaal uitgediend. Na het overlijden van burgemeester De Beer (1902) duurde het niet lang, of de gemeente Scheemda betrok een eigen onderkomen (1906), overigens wel vlakbij Hotel Panman aan de Winschoterweg (nu Esborgstraat).

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 110 (notarissen van de standplaats Finsterwolde) inv.nr. 67 (akten van 1886), akte nummer 179, opgemaakt door notaris A.H. Koning te Finsterwolde op 3 augustus 1886.

Hotel Panman te Scheemda, 1904. Collectie RHC Groninger Archieven 1986-15306.


Rondje Eiteweert

Bij het gehucht Peizermade – opgesierd hek met op de achtergrond de Hamersweg:

Haflingers bij de Hamersweg:

Juffrouw ooievaar bij de Langmadijk:

Paardenintimiteit:

Berm bij Eiteweert – opkomende wederik:

Zelfde berm – bont zandoogje:

Heel rustig onderweg en ook geen visserlui. Dus even op zo’n visvlondertje langs het Peizerdiep gezeten, met dit als uitzicht:

Er snorden nogal wat libellen en juffers langs. Deze platbuik kwam even gezellig naast me zitten: