Ontmoeting met meneer Grutto
Geplaatst op: 19 mei 2018 Hoort bij: Uncategorized 4 reactiesOnderweg tussen Den Horn en Oostwold, een uur of vijf vanmiddag. Heel in de verte zag ik al een overall met een pet op een poos op de weg stilstaan en heel behoedzaam verder fietsen.
Op de plek aangekomen – hela, wie hebben we daar?

Meneer Grutto identificeert zich netjes:

En loopt dan vlak voor me schreeuwend de weg op. No Pasaran! Ik mag niet verder! (Links in het weiland het alarmeren door zijn vrouw):

Aan de andere kant van de weg voegt hij me nog een duchtige preek toe:

Om even later te taxeren of die ook landt:

Nog een waarschuwing bleek op zijn plaats:

Okee, hij wilde zich ook nog wel even van zijn mooie kant laten zien:

Missie geslaagd. Klaar om op te vliegen:

Zanglijster Contest
Geplaatst op: 19 mei 2018 Hoort bij: Dieren 3 reactiesTussen Lettelbert en Leek viel deze beurtzang van twee zanglijsters te horen. In de verte doet ook nog even een koekoek mee, een van de zeven die ik vanavond aan de westkant van het Leekstermeer hoorde:
Kunnen we dat Eurovisie Songfestival niet vervangen door opnamen van onze beste zangvogels? De muzikale kwaliteit is stukken beter en het is ook nog veel goedkoper.
De familienaam Jager
Geplaatst op: 19 mei 2018 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieAls je de dragers van de familienaam Jager naar de herkomst en betekenis van die naam vraagt, zal een grote meerderheid menen dat een voorvader dat beroep uitoefende en ‘dus’ wild schoot voor zijn broodwinning. Deze verklaring lijkt net zo voor de hand te liggen als die voor Boer, Bakker, Timmerman, Slager, Koopman, Schipper etc.
Maar wat voor de hand ligt, hoeft nog niet juist te zijn. Laten we eerst eens kijken naar het kaartje van de gemeenten waar in 2007 deze familienaam in meerdere of mindere mate in absolute aantallen voorkwam in de telefoongidsen:

De stad Groningen spant dan de kroon met 391 naamdragers, in de gelijknamige provincie gevolgd door de gemeenten Veendam (207), Hoogezand-Sappemeer (138), Menterwolde (133), Scheemda (103) en Delfzijl (101). De aantallen van de stad Groningen en Veendam worden elders in den lande nergens overtroffen. Enschede en Amsterdam kennen hier de grootste concentraties Jagers (178 om 162), terwijl in Friesland Leeuwarden (136) en Smallingerland (116) er bovenuit steken, wat in Drenthe geldt voor de gemeenten Emmen (118), Assen (107) en Tynaarloo (105). Opmerkelijk is verder dat de naam onder de grote rivieren nauwelijks voorkomt, net of ze daar nauwelijks professionele wildschutters hebben gehad.
De concentratie van de naam in het noorden krijgt nog veel meer reliëf op een kaartje van de percentages Jagers op het totale aantal naamdragers per gemeente in 2007:

De concentratie ligt dan helemaal in het Noorden, met name de gemeente Menterwolde, met als goede tweede en derde Veendam en Scheemda. In Menterwolde draagt zelfs meer dan 1 % van de mensen in het telefoonboek de naam Jager, Verder is de familienaam in heel Oost-Groningen met uitzondering van Westerwolde goed vertegenwoordigd, terwijl er ook relatief veel Jagers voorkomen in de veengebieden van Friesland en in Noord- en Midden-Drenthe (met o.m. Smilde).
Als we dan zestig jaar teruggaan in de tijd, en wel naar de Volkstelling van 1947, dan blijkt die noordelijke concentratie nog veel pregnanter te zijn geweest:

Met 1951 van de 5180 gezinshoofden die deze familienaam droegen, herbergde de provincie Groningen zelfs 37,7 % van alle Jagers. Gemeenten die eruit sprongen waren destijds Groningen, Veendam, Winschoten, Muntendam, Meeden, Hoogezand, Slochteren en Scheemda. De tweede provincie, Friesland, lag met een aandeel van 17 % op het landelijke totaal aantal Jagers een straatlengte achter.
Je zou kunnen veronderstellen dat die concentratie in Groningerland verder terug in het verleden, nog groter zou zijn. Voor de periode 1811-1821 geeft de landelijke genealogische website WieWasWie 652 kinderen, bij de burgerlijke stand aangegeven met de achternaam (De) Jager. Daarvan werden er 243 geboren in Groningerland, oftewel 37,3 %. Dat cijfer komt nagenoeg overeen met het percentage uit 1947 – Groningerland mocht dan van alle provincies de meeste Jagers voortbrengen, maar haar aandeel lijkt tussen 1811 en 1947 min of meer gelijk te zijn gebleven – het had dus ook in die vroege periode zeker niet het alleenrecht.
Tot slot ben ik dan nog via Alle Groningers voor die vroege periode 1811-1821 nagegaan, welke Groningse gemeenten eruit sprongen qua baby’s met de achternaam Jager. Dat bleken de stad Groningen (29), Meeden (18), Muntendam (15), Hoogezand (10), Delfzijl (10) en Nieuwolda (10). Ook toen al kwamen de Jagers vooral voor in Oost-Groningen, en dan met name de Veenkoloniën.
Waarom dat zo was? Voor een antwoord op die vraag kunnen we te rade gaan bij het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT). Dat geeft als negende verklaring voor de term ‘jager’: scheepsjager, oftewel “de bestuurder, drijver, en geleider — man of jongen — van het paard of de paarden voor een vaartuig dat gejaagd wordt”. De verkorting van scheepsjager tot jager werd weliswaar ook elders gebruikt, zo tonen de WNT-voorbeelden opnieuw aan, maar de veenkoloniën werden in buitengewone mate bepaald door hun infrastructuur van kanalen, diepen en wijken. Hier waren dus meer dan elders scheepsjagers in touw, vandaar dat hier ook meer dan elders mensen de familienaam Jager kozen om zich te onderscheiden van mensen met een ander beroep.
Demografische effecten van een polderaanleg
Geplaatst op: 17 mei 2018 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesSprekend over het Oldambtster Oostwold, zegt de Tegenwoordige Staat van Stad & Lande uit 1794:
“Het lag voorheen op den uithoek des Dollards en was daarom, evenal Finsterwold, eene wykplaats voor de garneelvisschers, Maar zedert de indykingen van den noorder inham, vooral zedert de laatste van 1769, is het een treffelyk dorp geworden…”
Met andere woorden: Oostwold was voor de indijkingen een armoedig vissersplaatsje, maar kreeg vooral na de totstandkoming van de Oostwolderpolder (1769) een heel ander, vooral welvarender aanzien.
Die polder vermeerderde het aantal boerderijen en het areaal akkerland en zorgde daarmee voor een groeiende werkgelegenheid. Op een doorsnee-Oldambtster boerderij werkten destijds zo’n drie of vier inwonende knechten en meiden, en zeker in het drukke zomerhalfjaar kwamen daar nog ettelijke dagloners bij. Je zou dus kunnen veronderstellen dat de ruimtelijke en economische ontwikkelingen zouden doorwerken in de aantallen huwelijken en gedoopte kinderen in de plaatselijke hervormde gemeente, die bijna de gehele plaatselijke bevolking herbergde. De aantallen huwelijken en dopen zouden moeten groeien. Maar was dat ook zo?
Eerst maar de huwelijken. De volgende grafiek geeft hun aantallen per vijf jaar weer over de periode 1730-1809:

De aanleg van de polder had wat betreft de in Oostwold geregistreerde huwelijken een enorme boom ten gevolge. In de 40 jaar voor 1770 was het gemiddelde 14 huwelijken per vijf jaar, daarna werd dat gemiddelde 43 huwelijken voor eenzelfde tijdsbestek, een verdrievoudiging. Voor 1770 was er bovendien sprake van een dalende trend, zeker als je de tweede helft van de jaren 1760 buiten beschouwing laat. Na 1770 was de trend stijgend.
Dan de aantallen gedoopte kinderen over dezelfde periode:

De dalende trend van voor 1770 bij de huwelijken, zien we in verhevigde mate terug bij de aantallen dopen. Mogelijk was er vergrijzing en trokken er al jongere vissersgezinnen weg naar plaatsen waar eerst niet brede kwelders moesten worden overgestoken om garnalen en bot te kunnen vangen. In de tweede helft van de jaren 1760 neemt het aantal dopen plots weer wat toe. Het lijkt een voorschot op wat komen ging – vestigden zich voor de inpoldering al daarop anticiperende gezinnen? In elk geval was in de 40 jaar voor 1770 het gemiddelde 43 dopen per vijf jaar, daarna werd dat 80 dopen voor eenzelfde tijdsbestek, een verdubbeling. De inpoldering zorgde dus onmiskenbaar voor een groter kindertal. al ging de groei niet zo snel als bij de huwelijken.
Oostwold kreeg inderdaad een heel ander aanzien, demografisch gesproken.
Buurkat in de ochtendzon
Geplaatst op: 15 mei 2018 Hoort bij: Dieren, Hoogkerk Een reactie plaatsen
Lekker droog, lekker warm op het platte dak.
Ommetje Eiteweert, vroeg in de middag
Geplaatst op: 13 mei 2018 Hoort bij: Dieren, Onlanden 6 reactiesMooi koetje in land bij het Peizerdiep:

Schapen zoeken al de schaduw op:

Wilg met spinselmotten, dacht ik eerst, maar een lezer wees me erop dat het rijp wilgenzaad is:

Fluitekruid, raapzaad en boterbloemen op de oever van het Peizerdiep bij de Baileybrug:

Populaire baas
Geplaatst op: 13 mei 2018 Hoort bij: Dieren, Hoogkerk 2 reactiesIn het Viooltjesland aan de Roderwolderdijk, tussen de boerderij van Landschapsbeheer en Vierverlaten, grazen de laatste jaren vaak vijf of zes jonge Blondes d’Aquitaine . Gistermiddag fietste ik richting Vierverlaten, toen de kleine kudde het op haar heupen kreeg en in een steeds snellere draf naar een achter mijn rug liggende hoek van het weiland holde. Daar kwam hun baas tevoorschijn met een schrikdraadapparaat. Ze dansten om hem heen alsof ze voor het eerst van hun leven in een weiland kwamen en begeleidden hem helemaal naar het hek aan de andere kant van het perceel:




Rondje Westerkwartier
Geplaatst op: 12 mei 2018 Hoort bij: Hoogkerk, Westerkwartier 5 reactiesRoderwolderdijk bij oprit A7 Hoogkerk:

Bij de boomgaard van voorheen Kweeklust, Aduarderdiepsterweg Hoogkerk:

Gemaalgebouw van het vroegere waterschap De Oude Held, westkant Aduarderdiep op grens van Hoogkerk en Leegkerk:

Haan in de berm:

Fluitekruidseizoen aan de Zijlvesterweg onder Leegkerk:

Links watermolen De Jonge Held met vlaggetjes aan de wieken vanwege de nationale molendag – rechtsachter de Gaaikemadijk:

De Elisadahoeve bij de nieuwe Bult van Mollema (brug over Aduarderdiep bij Nieuwklap):

Had een fotoklus voor Stad & Lande in het Kloostermuseum te Aduard. Dit is de achterliggende tuin, waar je iets drinken kan:

Ook hier – bakstenen met afdrukken van dierenpoten:

Aduard – fietsenstalling bij de Friesestraatweg met Ploegachtige evocatie van het Groningerland:

Bij Den Horn:

Gekreukte kabelmarkering, een eind verderop:

Er was een toogdag voor Volkswagens, waar vooral kevers en ook wat busjes op afkwamen. Vanaf het Hoendiep bij Enumatil sloegen deze de richting naar Den Horn in. Een kever uit 1972 kreeg hier panne, maar de jonge eigenaar, kennelijk ANWB-lid, had de Wegenwacht gebeld:

Naar de wegenwachter verklaarde, had hij nog nooit zoiets onder handen gehad – hij hoopte maar dat het goed ging:

Het gemaaltje van de Fanerpolder uit 1926 aan het Hoendiep:

Kolonelsdiep tussen Briltil en Faan – de eendekorven waren hier neergezet op wilgetakken die weer uitliepen:

Bij het Faner brugje over het Niekerkster- of Kolonelsdiep:

Gezicht vanaf Oosterzand op de weilanden richting Zuidhorn:

Het voormalige Kolonelsdiep bij het Oosterzand:

Meidoornexplosie bij het Hoendiep tussen Enumatil en de Oostwolderbrug:

Rondje Noordwolde – Onderdendam – Abbeweer
Geplaatst op: 11 mei 2018 Hoort bij: Ommelanden 12 reactiesHoogkerk vanaf de Van Zwedenbrug over het Hoendiep:

Bij het Hoofdstation in Stad waren kerels bezig met het verwijderen van de dakbedekking boven het zuidelijke perron:

Je zou er bang van worden:

Oprit naar weiland bij Noordwolde:

Houthandel Harkema, industrieterrein Bedum:

Op Ter Laan was een kikkerorgie aan de gang – één van de herrieschoppers:

Op dit terrein bij Ter Laan moet een nieuwe melkpoederfabriek van FrieslandCampina komen, met torens van 50 meter hoog:

Wat meer is: het duizend jaar oude Boterdiep zou er deels voor gedempt en omgelegd moeten worden – ter hoogte van het vierkante blok rechts (de huidige fabriek):

Bij de boomsingel links zou dan het omgelegde Boterdiep komen, met een rondweg voor Bedum, die het vrachtverkeer uit het dorp haalt.
Grote delen van het land zijn hier in de afgelopen week gemaaid en van het gras ontdaan. Veel van dat land is ook al bemest:

De voormalige gereformeerde kerk van Onderdendam:

Het Boterdiep gezien vanaf het hoogholtje van Onderdendam – in de verte is nu nog de toren van Bedum te zien:

Straks schuift de melkpoederfabriek in dit beeld en maakt de Walfridustoren onzichtbaar:

Aan de andere kant van het hoogholtje de molen van Onderdendam, die zijn wieken even kwijt is:

Bij het hoogholtje ligt een landje met van die grappige Engelse schapen:

Huisje bij het Boterdiep, Onderdendam nog steeds:

Doorkijk naar de kerk:

Boerderijtje in het land tussen Menkeweer en Warffum:

Boer maakt wiersen van pas gemaaid gras, ergens tussen Menkeweer en Tinallinge:

Kano met gezinnetje op ’t Rasquerdermaar:

Dorpsgezicht Tinallinge:

Moeder eend met twaalf pulletjes in een sloot bij Abbeweer. De eend lijkt wel gescalpeerd – ze mist een flink stuk van haar hoofdhuid. Of een roofdier heeft haar gruwelijk te pakken gehad, of ze kreeg een opdonder van een maaimachine:

Paarden bij de voormalige Hunzebocht tussen Winsum en Alinghuizen:

Garnwerd:

Roze meidoorn bij Oostum:

Viertorenkerk Midwolda – symbool voor het Oldambt als regio
Geplaatst op: 10 mei 2018 Hoort bij: Geschiedenis, Ommelanden Een reactie plaatsenVan de week kwam ik dit wapen tegen in het archief van het Termunterzijlvest:

Het betreft de kerk met de vier (juffer?)torens, die van ca. 1170 tot ca. 1720, 1730 in de oude kern van Midwolda heeft gestaan, op een plek die nu ‘Ol Kerke’ heet, zo’n beetje halfweg Midwolda en Nieuwolda. In 1819 bevestigde de Hoge Raad van Adel dat het Termunterzijlvest de voorstelling van deze kerk in zijn wapen mocht blijven voeren:

Het zijlvest voerde dit wapen al vanaf de zeventiende eeuw, getuige divers zilverwerk. En hoewel het zijlvest allang is opgegaan in grotere verbanden, vinden we de viertorenkerk nog steeds op de gevel van gemaal Cremer in Termunterzijl:

Vanaf 1894 voerde ook de in gemeente Midwolda (1811-1989) een wapen met de viertorenkerk – het staat nog steeds als mozaïek op het oude gemeentehuis in het lintdorp:

Oudtijds stond het op Groninger tabakszakken als herkenbaar bedrijfslogo:

Waarbij de uitwerking nogal verschilde van die op een kaart uit 1734:

Zelfs zijn er wafelijzers met de viertorenkerk, zoals deze in het bakkerijmuseum Mendels te Middelstum:

Op zeventiende-eeuwse pamfletten voor de Oldambtster onafhankelijkheid is dit het beeld:

Zo ongeveer stond de kerk op het landschapszegel, dat de Oldambtster dorpsvolmachten vanaf medio veertiende gebruikten voor zaken van gemeenschappelijk en bovenlokaal belang. Tot het zegelsignet in 1698 op last van het Groninger stadsbestuur werd omgesmolten.
Zoals enkele voorbeelden hierboven aantonen, bleef het Oldambtster wapen echter nog lang in zwang als regionaal symbool voor het Oldambt, ook toen de viertorenkerk allang afgebroken was. Zo sierde het in 1748 nog het vaandel van een orangistische militie uit Midwolda, terwijl het in de revolutionaire jaren 1795-1797 aan het hoofd stond van de proclamaties, uitgevaardigd door het Oldambtster comité dat de politieke gelijkberechtiging van de regio in de provincie voorstond.
Momenteel bedient alleen de PKN-gemeente Midwolda zich nog van het wapen. Eigenlijk best wel jammer dat zo’n veelgebruikt symbool het loodje moest leggen in het streven naar almaar grotere bestuurlijke verbanden.
—
Literatuur: J.P. Koers, ‘De viertorenkerk, beeldmerk van de Oldambtster identiteit’, Duvekoater 60 (november 2017) 29-32.
Ommetje Peize
Geplaatst op: 8 mei 2018 Hoort bij: Drenthe 1 reactieBlaarkopkalf bij de Eelder Madijk:

Ooievaar achter Peize:

Achterstewold – koe heeft liever hooi dan jong, mals en sappig lentegras:

De molen van Roderwolde vanaf de Stenhorstdijk:

De Oostwolderpolder, voor en na aanleg
Geplaatst op: 7 mei 2018 Hoort bij: Geschiedenis 11 reacties
De voorgenomen Oostwolderpolder staat op de manuscriptkaart van Beckeringh uit 1767. En de gerealiseerde Oostwolderpolder wordt getoond door de gedrukte Beckeringhkaart uit 1781. Mijn zelfopgelegde opdracht: zoek de verschillen.
Ten eerste de nieuwe dijk. Op de handschriftkaart schampt die dijk het Munnikeveen, een Dollardeiland. Op de gedrukte kaart loopt die dijk over het Munnikeveen heen. Dit zou nog een correctie door Beckeringh kunnen zijn, maar de dijk ziet er ook anders uit. In de oorspronkelijke opzet bestaat hij uit vier rechte stukken. Het noordelijkste daarvan lijkt precies zo gerealiseerd, maar naar het zuidoosten toe wordt die dijk steeds kronkeliger. Nog veel belangrijker: hij takt niet voorbij Finsterwolde aan op de oude dijk van 1701, maar halverwege dat lintdorp. Er werd dus een flinke lap minder ingepolderd dan aanvankelijk in de bedoeling lag. De dijk houdt veel meer afstand tot de Beerster- en de Bellingwolder zijlen (uitwateringen|). Zo te zien had de herencommissie die de inpoldering regelde, hier een probleem met het Tienkerspelenzijlvest dat de afwatering van o.a. Bellingwolde, Winschoten, Beerta en ook Finsterwolde regelde. Finsterwolde werd daarvan dan de dupe, in die zin dat het veel minder deelde in de baten van de nieuwe polder.
Verder het inwendige van die polder. In 1767 watert de oude polder nog uit via de Olde Geut en de Swaagzijl. Die zijl wordt in de nieuwe polder een eind verderop in de Oude Geut vervangen door de nieuwe Oostwolderpolderzijl. Bovendien zijn er landwegen gekomen en boerderijen gebouwd.
In het achterland is het oude Oostwolderhamrik, vlak achter de oude dijk en ten zuiden van de Oude Geut, van de kaart verdwenen. Woonden hier misschien de vissers van Oostwold? Ook hebben de oude dijkdorpen Midwolda, Oostwold en Finsterwolde tussen 1767 en 1781 een veel bosachtiger aanzien, althans veel meer bomen gekregen. De Goldhoorn is typografisch prominenter op de kaart gezet.
—
Bronnen: Reinder Reinders e.a., De atlas van Beckeringh (Zwolle 2016) pag. 70-71 (detail manuscriptkaart) en RHC Groninger Archieven 1536-631 (detail gedrukte kaart).
Oldambtster toertje
Geplaatst op: 6 mei 2018 Hoort bij: Ommelanden 12 reactiesKroonpolder, bij het fietspad langs de Westerwoldse A:

Kroonpolder:

Hier en daar een perceel koolzaad:

Dijkcoupure tussen de Stadspolder en de Reiderwolderpolder – de borden zijn hier kwetsbaar voor automobilisten die rechtdoor willen in plaats van de flauwe bocht te nemen:

De muide van Nieuw-Statenzijl:

Aan de andere kant dit leuke opduwertje, genaamd Streven:

Stadspolder – de sloot is gedempt, maar ’t bruggetje ligt er nog, zij het niet helemaal compleet:

Stadspolder – de kolossale Fekko Mellesheerd, zo genoemd naar de eerste boer hier in de jaren 1740-1750. De boerderij lijkt niet gebruikt, het voorhuis staat leeg:

Aan de Oude Dijk voorbij Drieborg:

Op het kerkhof van Finsterwolde – ze staan er nog, zij het dat het wit grotendeels verdwenen is:

Gewit arbeidershuisje aan de Klinkerweg in Oostwold:

Het torentje van Oostwold:

Canadese vlag in Midwolda gaf opening oorlogsmuseumpje aan:

Een uit de hand gelopen verzameling, met veel documentatie. Maar ook met deze weckfles koolzxaadolie:
Dat was eigenhandig fabricaat in de laatste, vetarme oorlogsjaren. Mijn ene grootvader fabriceerde dat spul ook, illegaal, met een eigen motortje. Helaas had de eigenaar niet zo’n apparaat, was er wel nieuwsgierig naar.
Zender, achtergelaten door de Canadezen, die hier na de Polen kwamen:

Bij de Dollard schijnen nog mijnen te hebben gelegen:

De Duitsers hadden dus glasmijnen, die zich niet zo gauw lieten opsporen:

Hoekje koolzaad op de westkant van Midwolda:

Daar ook deze oude schuur, waarvan de gaten provisorisch worden gestopt – er staan bijenkasten bij:

Geloof, Hoop en Liefde – zo heten deze drie geschakelde Jugendstilwoningen in Eexta:








Recente reacties